(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap der Kunsten en Wetenschappen"

T 



w** fjfcft 



$M >, i 









.'...*> 



K'*v 



r-Vi i 






* ■*„•«*» 






* #•" 



t .1 






ft? **■%*?■ - ' > 

»u _ c ™ ^«^ 



>•* ^ 



*'fet.' '>jgte'« f &* 



* 1 . M 






"*i 






• N < 



'&•<*/ ' <# v 



1 rV 









v. 



, -.-ét \V < • > 






J * vi»Lj ^*n .' 3 7 






i t2c 



^T^vV * 



>>% >* 



;"«*** < 



* Pt * 



■r^< 



HARVARD UNIVERSITY. 




LIBRARY 



OF THE 



MUSEUM OF COMPARATIVE ZOOLOGY. 







Qs^j^vAL 




%\ x \«\\.\« ■ 



MAR 31 1916 



VERHANDELINGEN 



VAN HET 



BATAVIAASCH GENOOTSCHAP 



VAN 



KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN. 



DEEL LV. 



B A T A V I \ . SHAG E, 

ALBRECHT & Co. M. NIJHOFF. 

1 9 5 



4 



V 



m 






\ 



x 



INHOUD. 



Dr. N. AimiAM. Verhaal van Sese iiTaóla. [nleiding en vertaling. 
Dr. <!. A. .1. Ha/ki. Tjeribonsch Wetboek (Pëpakëm Tjërbon) van het jaar 1768. 
Mi-. .1. A. \ \n der Chijs, Proeve eener Ned.-Indische bibliographie (1659 — 1870). 
Supplement 11. 



MAR 31 1916 

VERHAAL VAN SESE nTAGLA. 



INLEIDING en VERTALING, 



ÜITOEGIVEN DOOK 



D K . N. ADRIANI, 

afgevaardigde van het Nederlandsen Bijbelgenootschap voor 

Midden- Celebes. 



Verhandelingen Bataviaasch Genootschap 
van Kunsten en Wetenschappen. 



DEEL LV. 

l e Stuk. 



BATAVIA, 

ALBRECHT & Co. 



S HA<*E, 

M. NIJHOFF 



190 2. 



MAR 31 '916 



VERHAAL VAN SESE nTAOLA. 



INLEIDING en VERTALING, 



UITGEGEVEN DOOR 



D R N. ADRIANI, 

afgevaardigde van het Nederlandsen Bijbelgenootschap voor 

Midden- Celebes. 



Verhandelingen Bataviaasch Genootschap 
van Kunsten en Wetenschappen. 



DEEL LV. 

l e Stuk. 



BATAVIA, 

ALBRECHT & Co. 



S HAGE, 



M. NIJHOFF. 

11 2. 




VERHAAL VAN SESE nïAOLA. 



INLEIDING EN VERTALING. 

INLEIDING. 



Het Verhaal van Sese nTaola, waarvan de tekst door mij is uitgegeven 
in de Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap, Deel LI, 2 e stuk (1900), 
behoort tot de letterkunde van de Barée-sprekende bevolking in het rijk Todjo, 
welks kustgebied ten O. door Tandj. Api, ten W. door de rivier Malei (ongev. 
120°52' O. L. v. Gr.) wordt begrensd. (1) Bet is door mij opgeteekend in 
Augustus 1898 uit den mond van i Parala, gewoonlijk bij zijne teknonymische 
benaming Ta Adji (Oom van A.) genoemd, een Saoesoeër van geboorte, getrouwd 
onder de To Lage aan den mond der Posso en reeds sedert jaren daar woonach- 
tig. De Saoesoeërs spreken thans algemeen Barée; hunne landstaal, naar de ont- 
kenning Ta'a genoemd, is aan het uitsterven. Door hun vrij druk handelsverkeer 
met de meer O. -lijk gelegen streken hebben de Saoesoeërs ook de letterkun- 
dige producten van de Barée-sprekende strandbevolking leeren kennen. Mijn 
zegsman Ta Adji gat als tumpu (lett. „eigenaars," waarmee hier „oorspronkelijke sa- 
menstellers" zijn gemeend) van dit verhaal op de To Tora'oe. Deze kleine volksstam 
woont voornamelijk tusschen de riviertjes Bombalo en Oeë Koeli, dus in het 
Westelijk kustgebied van het Todjo'sche rijk. Zij zijn zeer zwerfziek ; voortdu- 
rende oorlogen hebben hen gedeeltelijk naar bet O. (Ampana ; Togian-eilanden), 
deels naar het W. (To Winotoe, aan het Parigische strand) doen verhuizen ; ook 
aan de Tomori-baai en aan de N. kust van de Tolo-golf zijn vele To Tora'oe 
gevestigd (2). Daar zij, zooals alle strandbewoners der Tomini-bocht, den Islam belij- 
den, hebben zij veel meer verkeer met de Barée-sprekers aan de kust, dan 
met de Binnenlanders, die nog allen heidenen zijn ; vandaar dat dit verhaal voor- 
namelijk aan de Barée-sprekende kustbewoners bekend is en van de Boven- 
landers slechts aan die, welke vrij veel met de handeldrijvende strandbewoners 
in aanraking komen, zooals de To Lage en de To Kadomboekoe. 

De taal van dit verhaal is het Barée dat aan de Z. kust. der Tomini-bocht. 
wordt gesproken en dat vermengd is met Parigisch, vooral bij de strand-To Lage. 



(1) Zie de Taalkaart van Midden -Celebes in de Mededeelingèn \. w. li. *'ed. Zendeling- 
genootschap, Dl. 42 (1898) en de verklaring op bl. 557—560. 

(2j Zie over .lezen stam Meded. N. Z. G. 1)1. 43 (1899), bl. G — 15. 
Verh. Bat. Gen. deel LV. 1 



terwijl verder O -lijk de invloed van de hoofdplaats van Todjo, waar bet Boegi- 
neesch eenige woorden aan het Barée heeft geleend, merkbaar is. Het land ten 
O. en ten Z. van de hoofdplaats Todjo wordt door To Lalaeo en verder door To 
Ampana bewoond. De taal dezer stammen, althans het Ampana'scb, moet als een 
dialect van het Barée worden beschouwd, waarvan ook weder vele eigenaardige 
woorden in het Todjo'sche Barée zijn overgegaan (3). Het strand-Barée is feitelijk 
geheel dezelfde taal als het Barée der Bovenlanden, maar het is gemengd met 
Saoesoesche en Parigische woorden aan de W. zijde, met Lalaeo'sche en Ampa- 
na'sche aan de Oostzijde. 

Nog andere omstandigheden geven aan het Barée van 't strand een ander 
karakter. Dat de strandbewoners meer namen van zeevisschen kennen en ook 
eenige tientallen woorden, die op de zeevaart betrekking hebben, rijker zijn dan 
de Bovenlanders, is van minder belang, maar dat zij door invloed van den (Boe- 
gineeschen) Islam een aantal woorden en denkbeelden hebben opgenomen, die 
den Bovenlanders vreemd zijn en aan den anderen kant een groot aantal woord- 
pantangs hebben laten vallen, die bij de heidenen nog streng gelden, dat mag 
wel onder de voorname punten van verschil tusschen het strand-Barée en het Bo- 
venlandsche Barée worden genoemd. In 't algemeen is de taal der Bovenlanders 
pittiger, kleuriger, aardiger, die der strandbewoners eentoniger en door mindere 
afwisseling, vervelender om aan te hooren. Met dit al is het verschil niet van 
ingrij penden aard. 

De taal van het verhaal van Sese nTaola is, als strand-Barée beschouwd, 
goed zuiver te noemen. Het is naar men mij verzekerd heeft, het grootste ver- 
haal dat in 't Barée bekend is en zelden wordt het in eenige opeenvolgende 
nachten geheel uitverteld. Dit is trouwens geen wonder, want er is geen on- 
geschikter tijd voor vertellen te bedenken, dan de oogsttijd, de eenige juist 
waarin het geoorloofd is. Doodmoe van den langen, heeten dag in het open 
rijstveld en met het vooruitzicht van den volgenden morgen weder vóór dag en 
dauw er op uit te moeten gaan, legt men zich des avonds reeds vroeg te slapen 
en weinige vertellers houden tot na middernacht den slaap uit de oogen van hunne 
laatste getrouwe toehoorders. 

Het verhaal van Sese nTaola behoort tot die vertellingen, waarvan een ge- 
deelte zingend wordt voorgedragen. Het begin van zulke verhalen, die altijd tot 
het romantische genre behooren, is steeds in gewoon proza. Daarin wordt de ge- 
boorte van den held, in dit verhaal Sese nTaola geheeten, verteld, bijna altijd op 
dezelfde wijze, gevarieerd, gerekt of bekort naar den smaak van den verteller en 
de belangstelling der hoorders. De gewone gang is deze: Ta Datu en Indo i 
Datu zijn reeds lang getrouwd, maar hebben nog geen kinderen, 't geen één van 



(3) Over het Ampana'sch is het een en ander medegedeeld in Tijdschr. Bat. Gen. Dl. XLJI, hl. 539 
(1900). 



hen tot den uitroep brengt : ,,A1 kregen we maar een kind dat er uitzag als een 
(en dan volgt de naam van dier of van 't een of ander nietig ding, bijv. een 
padi-haar, in Wali mPangipi), dan zou ik al blij zijn." (3a) Kort daarop wordt 
Indo i Datu zwanger, Ta Datu roept zijne hoorigen bijeen en laat zure vruchten 
zoeken voor zijne vrouw, zij eet van elke soort maar ééne vrucht, en bevalt ge- 
zettertijd voorspoedig van een zoon, die al terstond ongewone dingen doet, bijv. 
ontzettend zuigen, zoodat alle zogende vrouwen Indo i Datu moeten bijspringen, 
later verbazend eten, zoodat men hem niet kan onderhouden, of hij begaat den 
eenen of anderen misslag, zoodat zijne ouders zich van hem moeten ontdoen. 
Dan gaat hij, of met een broertje of zusje, of met onderweg opgedane ge- 
zellen, de wijde wereld in en belandt na eenige avonturen, bij een ver- 
zorger of verzorgster, meestal eene oude vrouw, i Bangkele Tn'a, „de oude vrouw" 
genoemd. Hier komt hij geheel bij na de doorgestane ellende en onderneemt 
van uit dit verblijf een tocht naar de naastbijgelegen stad, waar een groot feest 
is, een wedstrijd om de hand der Prinses (i Datu), gewoonlijk met bahpel; de 
Prinses zit in een hoofdverblijf: wie zijn bal zóó hoog kan opwerpen, dat deze 
in 't Prinsessenverblijf valt, die wordt haar man. De jonge held van 't verbaal 
slaagt bij den eersten worp en huwt Datu, 't geen hem vele benijders bezorgt, 
allereerst onder de teleurgestelde minnaars. Dezen komen na eenigen tijd hem 
bevechten, maar hij zegeviert over allen, en als hij rustig in het dorp van zijn 
schoonvader is gevestigd, krijgt hij verlangen zijne ouders te bezoeken en hun zijne 
vrouw te toonen. Spoedig gaan zij met groot gevolg op reis en geven hunne 
aankomst bij het naderen van 't dorp hunuer ouders door geweerschoten en juich- 
kreten te kennen. 

Dit dorp is intusschen onder een ban geweest, van 't oogenblik af dat 
de ouders van den toen nog jongen held hun kind verstieten. Alle leven stond 
stil: de wind woei niet meer, het water vloeide niet meer, geen kokosnoten 
vielen meer van de boomen, honden blaften niet meer, hanen kraaiden niet meer, 
alle menschen bleven levenloos op de plaats waar zij zich juist bevonden. Ta 
Datu en Indo i Datu zijn in letterlijken zin vastgeworteld op hunne zitplaatsen, 
want uit hun achterste schieten de wortels door de vloerlatten naar benedeu en 
dringen in den grond Eerst bij aankomst van den verworpen zoon herleeft het 
dorp, staan Ta Datu en Indo i Datu op en trekken de wortels, waarmee zij vast 
zitten, uit den grond. 

Terstond begrijpen zij dat hun zoon terugkomt; zij gaan hem tegemoet, maar 
er kan geen verzoening plaats hebben, dan nadat de zoon eerst zijne ouders heeft 
beboet, voor de schuld die zij tegenover hem hebben, daar zij zich van hem hebben 
willen ontdoen. 

Gewoonlijk wordt dan ook nog iels verteld van den zoon, dien de held na 



(3a) Hetzelfde in Tqdschr. Bat Geh. Dl. 44, bl. 62, uit een Kangeansch verhaal. 



eenigen tijd krijgt, maar dit is doorgaans eene herhaling van 't geen den vader 
is overkomen. 

Een andere gang van 't verhaal is, dat de held en zijn jongere broeder 
van elkaar afraken en elkaar na allerlei avonturen terugvinden. 

Lange verhalen, zooals dat van Sese nTaola kan men gewoonlijk wel in 
stukken verdeelen, die zeer los samenhangen; men zou er verder evenveel kunnen 
aanhangen, invoegen of bijmaken als men maar wilde, zonder het verhaal te be- 
derven, dat eenmaal over de grenzen van zijn natuurlijk besluit, het wederzien 
der gescheidenen, uitgebreid, geen goad slot meer kan vinden. Vandaar ook, 
dat het bij de vertellers dezer romantische verhalen aan 't eind altijd heet: Verder 
dan hier heb ik niet gehoord, maar misschien weten anderen nog wel meer; 
sommigen beweren zelfs dat het werkelijke slot niet mag verteld worden, daar er 
anders eene verstoring in de natuur zou plaats hebben. 

Het hoofdbestanddeel van een Toradja'sch verhaal vormen de gesprekken. 
Dit kan niemand verwonderen, die ooit een Toradja iets heeft hooren vertellen. 
Hij kleedt altijd zijn verhaal dramatisch in, geeft eene reeks tafereelen, vertelt 
wat die en die zeide en wat hij daarop antwoordde. Een avontuur hem op weg 
overkomen, schildert hij door het weergeven van het gesprek dat hij tijdens 't ge- 
val met zijn kameraad heeft gehouden. Twee meisjes i Solo en i Matia komen 
thuis en hebben een slang op weg ontmoet. Dat vertellen ze aldus: „Hebt ge 
ons geschreeuw niet gehoord? Daar ginds bij den arèn-boom zeg ik tot Matia: 
O, daar ligt een slang ! — Matia zegt : Spreek er niet over, laat ons vluchten ! — 
Ik zeg: Nu vluchten? de zon gaat onder! — Matia zegt: O, Silo, was er maar 
een man bij ons ! — Ik antwoord : Al was er geen man, al was er maar een 
hakmes, maar neen ! — Matia zegt : Silo, ik zal schreeuwen, misschien gaat de slang 
weg. — En Matia: Hoe! Hoe! — Ik zeg: Kijk, Matia, de slaDg is weg, laat ons 
loopen, dan komen we nog levend thuis bij moeder!" 

Geeft een Toradja een relaas van feiten, zooals bij het vermelden van het- 
geen er is voorgevallen in eene rechtszaak, dan dreunt hij in een dof geluid 
voort, stil op zijne plaats blijvende, met neergeslagen oogen. Van zulk een 
verslag maakt hij zich plichtmatig af, maar om met smaak iets weer te geven, 
kiest hij den dramatischen verhaaltrant. 

In de romantische verhalen der Toradja's nu zijn de gesprekken die vast 
tot het kader van 't verhaal behooren, in rijmende regels gebracht, die twee 
aan twee op geheel dezelfde wijs het heele verhaal door worden gezongen. 
Ieder verhaal heeft zijn eigen wijs voor elk couplet van twee rijmregels, maar 
deze verandert in het gansche verhaal niet. De maat der regels, of liever het 
rythme, waarin ze worden gezegd, is dan ook het geheele verhaal door hetzelfde. 
Een verhaal, op deze wijze voordragen, heet mongka-ngkasaka (Par. mongkae 2 
saka), wat letterlijk beteekent „gerekt, sleepend uitspreken," zooals van zelf ge- 
schiedt bij het zingend voordragen. 



De coupletten in Sese nTaola bestaan uit twee regels, elk van 8 syllaben- 
de twee laatste syllaben van eiken regel worden met dezelfde klinkers uitgesproken, 
zóódat de voorlaatste lettergreep van den eersten regel denzelfden klinker heeft 
als de voorlaatste van den tweeden regel en de laatste syllaben van den eersten 
regel als de laatste van den tweeden. Op de medeklinkers wordt totaal niet gelet 
jaku rijmt op jau, op labu, op nawu, op kadju, op ra'u ; junga op dju'a, op wua, 
op susa, op lua, op banua, enz. Elk couplet heett zijn eigen rijm ; komt dat van 
een couplet met dat van 't volgende overeen, dan is dit zuiver toeval. 

Als voorbeeld kunnen dienen de coupletten van bl. 6, die de volgende 
rijmen te zien geven: 

reme — bente, pura — nua, bangu — jaku, kondo — ntjojo, tanda — raja, 
wunga — dju'a, kondo — dodo. 

Het laatste couplet rijmt niet, omdat de verteller het enclitische mo achter 
malai heeft vergeten ; voegt men het in, dan zijn èn maat èn rijm in orde : imo 
en imo, zooals men 't bijv. in het 3e couplet van bl. 7 kan zien. Dat de verteller 
het niet heeft gemerkt, komt doordat de zangwijs bij de voorlaatste lettergreep 
van eiken eersten couplet-regel op den laagsten toon komt en dan in eens 
twee tonen rijst, waardoor de zanger vanzelf daartusschenin even ophoudt om 
adem te scheppen, zoodat hij juist op die plaats wel eens eene lettergreep smokkelt 

Indien men alle coupletten nagaa t, zal men ze niet alle in orde bevinden. 
Zoo is bijv. het rijm van couplet 5 op bl. 7 in de war, daar niet kaku, maar siko 
op imo rijmt; dezelfde fout hebben coupl. 6 en 7, waarin niet boka, maar se'e op 
bente, niet sungke, maar boka op nggona moet rijmen, terwijl bovendien in 7 één 
lettergreep ontbreekt. Eene andere schikking der woorden, en in 7 een enkel 
mo zou alles in orde brengen, maar de zin zou moeilijker te verstaan worden ; vandaar 
dat zij zich in 't geheugen van den verteller in duidelijker vorm heeft bewaard. 

Bij 't voorlaatste couplet van bl. 7 kan men zien dat een gerekte vocaal 
twee lettergrepen waard is, hoewel het rijm bü en ü maar voor ééne telt, daar 
ook de voorafgaande lettergrepen rijmen: kabü — ngkaü. 

Coupl. 3 van bl. 8 heeft nu te veel, dat haastig in den zang wordt mee- 
genomen, zonder de maat te storen en ook in den zin geen beteekenis beeft. 

In coupl. 2 van bl. 9 is de o van bo gerekt en rijmt op sompo, en in 
coupl. 3 heeft voor lo'u zonder twijfel la'u gestaan, zooals men op Todjo zegt in 
plaats van lou op Posso, Dit klinkt een Possaan ongewoon en daarom heeft hij 
er lo'u (synoniem met lau, la'u) van gemaakt. 

De fouten in andere coupletten zijn van denzelfden aard en behoeven dus 
niet verder aangewezen te worden. 

Op de vreemde woorden en de dialectische eigenaardigheden zal in de aan- 
teekeningen gewezen worden. Wij kunnen dus thans van den vorm van 't verhaal 
tot den inhoud en de samenstelling overgaan. 

Het begin is bijna geheel het traditioneele van de romantische verhalen in 



6 

't Barce; de aanvangswoordeu worden bet best weergegeven met ons: ,,Er was 
eens een Koning en eene Koningin ;" alleen heelt de verteller er hier niet bijge- 
voegd dat zij al langen tijd kinderloos waren en daarop een van beiden een dwazen 
wcnsch uitspreken ten opzichte van het kind waarop zij hopen ; dit is anders de 
natuurlijk verklaring van de ongewone eigenschap, die het kind reeds spoedig na 
zijne geboorte blijkt te bezitten. Eigenlijk moet door Ta Datu of door Indo i 
Datu eerst worden gewenscht: Al kregen we ook een kind dat de grootste veel- 
vraat was, dan hadden we er toch een Als zij dan later zulk een kind krijgen 
en de gevolgen van hun weosch niet willen dragen, bezondigen zij zich tegen- 
over dat kind, want 't is hun eigen schuld dat hem zulk een onwelkome heb- 
belijkheid eigen is. Vandaar dat, als zij hem trachten van kant te maken en 
hij, dit beseffende, wegloopt, hun dorp onder een ban raakt en alle leven er stilstaat; 
als later de zoon weder zijne ouders opzoekt, moeten zij door het betalen eener boete 
hunne schuld delgen. Dit zedelijk motief van het verhaal is geheel Toradja'sch 
gevoeld en uitgewerkt. 

Het eenige verhaal in de Barée-taal dat met het eerste gedeelte van Sese 
nTaola overeenkomt, onder de chca 120 verhalen die ik tot nog toe heb kunnen 
opteekenen, is de vertelling van La Djara Bangka, afkomstig van de To Poe'oe 
mBoto, die den Zuidelijken oever van het Meer bewonen en een dialect van 't 
Barée spreken, dat naar de ontkenning arée heet. Het luidt als volgt: 

„Toen La Djara Bangka nog klein was, at hij reeds de rijst en de toespijs, 
die zijne moeder voor zich en haren man had gekookt, geheel alleen op, en zoo 
dikwijls als zijne moeder maar kookte, nam hij haar al het eten af en at het op, 
zoodat zijne ouders honger leden, terwijl hij snel groot en sterk werd. Daarom 
nam zijn vader hem mee naar het bosch, hakte een boom om en liet dien op 
hem vallen. Meenende dat zijn kind dood was, snelde hij naar huis, zijne vrouw 
zette terstond den pot te vuur en beiden verheugden zich in 't vooruitzicht 
van eindelijk eens genoeg te kunnen eten, maar juist toen de vrouw wilde op- 
scheppen, kwa u de jongen aanloopen met den boom, die op hem was gevallen op 
, den schouder en riep: Waar zal ik den boom neerleggen, Vader? Nauwelijks 
had hij zijn last neergeworpen, of hij ging het huis binnen en at het eten op, dat 
zijne moeder juist gekookt had. Nog tweemaal trachtte zijn vader hem onder een 
boom te verpletteren, maar telkens kwam de zoon met den boom op schouder terug 
en nam zijnen ouders het eten voor den neus weg. Na den derden keer nam 
hij afscheid en ging de wijde wei-el i in. Eerst ontmoette hij den reus Wawo 
mPoniu, met wien hij worstelde, zonder dat een van beiden den ander kon over- 
winnen, waarop zij vrede sloten en te zanien verder gingen. Daarop ontmoetten 
zij den reus Mantju'u Tamungku en later nog Mangkambari Nunu; met elk van 
hen begon La Djara Bangka te worstelen, zonder beslissenden afloop, waarop ook 
zij hem volgden. Zij kwamen eindelijk aan den zee-oever en besloten de zee 
over te steken, Wawo mPoni'u kon drie maanden achtereen zwemmen, Mantjuju 



Tamangku vijf en Mangkambari Nunu zes maanden, doch Lo Djara Bangka kon het 
uithouden totdat zij aan de overzijde zouden gekomen zijn. Zij begaven zich daarop te 
water ; na 3 maanden liet Wawo mPoniu zich trekken door La Djara Bangka, na 5 maan- 
den hield Mantjuju Tamungku zich weder aan Wawo mPoniu vast en na 6 maanden 
sleepte La Dj. B. hen alle drie voort. Op zee werden zij tegengehouden door een groote 
Zeeslang (imbu), die zoo lang was, dat zij haar niet konden voorbij zwemmen, 
waarop La Dj. B. met zijn zwaard een stuk uit de slang hakte en dit wegslingerde, 
zoodat zij tusschen de gescheiden deelen der slang konden doorzwemmen. Ein- 
delijk kwamen zij aan den overkant en gingen aan land. Den tocht voortzet- 
tende, kwamen zij aan een dorp, waar het weggeslingerde stuk Zeeslang was 
neergevallen en door zijn stank de lucht verpestte Het hoofd (Ta Datu) had 
reeds de hand zijner dochter (i Datu) beloofd aan hem, die het kreng zou opruimen. 
Dit gelukte Wawo mPoniu, die met zijn zwaard het stuk slang wegslingerde, zoodat 
hij dienzelfden dag de echtgenoot van Datu werd. De drie anderen gaan den 
volgenden dag verder en komen aan een dorp, waar men in hetzelfde geval 
verkeerde, want het weggeworpen stuk zeeslang was daar neergevallen. De beurt 
was nu aan Mantjuju Tamungku, die hetzelfde succes had als Wawo mPoniu en 
als echtgenoot van Datu, de dochter van Ta Datu, achterbleef, toen zijne beide 
makkers den volgenden dag hunne reis vervolgden. Beiden hadden ook hetzelfde 
geluk, Mangkambari Nunu eerst, den dag daarop La Djara Bangka, die het rottend 
aas ten slotte voorgoed wegwierp. Verder hadden zij een gelukkig leven, elk 
in zijne nieuwe woonplaats." 

Op eenige bijzonderheden na, is dit verhaal geheel hetzelfde als Sese nTaola, 
bl. 1 — 6. Dat de personen geheel dezelfde zijn als in Sese nTaola, blijkt uit hunne 
namen. La Djara Bangka heeft het lidwoord La, dat bij de Barèe-sprekers nog slechts 
in enkele ouderwetsche eigennamen voorkomt, maar bij de bevolking aan het Meer 
nog wel gebruikelijk is, zelfs bij vrouwennamen. (3b) Djara wordt naast nj ara voor 
„paard" gebruikt en bangka, dat thans bij de Meerbewoners „doodkist" beteekent en 
bij de Barée-sprekers ten N. van het Meer niet meer in gebruik is, moet oudtijds 
„vaartuig" hebben beteekend, zooals uit de verwante talen blijkt. Trouwens de 
Toradja'sche doodkist is, evenals het Toradjo'sche vaartuig, een uitgeholde boomstam. 
La Djara Bangka kan dus beteekenen : „die op zijn vaartuig rijdt, schrijlings op zijn 
vaartuig zit", zooals Sese nTaola np zijn waringiustaru. Mantjuju Tamungku beteekent 
„die een berg op zijn hoofd draagt." Deze persoon komt niet in Sese nTaola voor, 
maar wel in de beneden medegedeelde Loda'sche parallel dezer vertelling. 
Mangkambari Nunu „die waringin-boomen afbijt,'' is natuurlijk dezelfde als Mang- 
kambari Pengale, „de Boomenbijter" uit Sese nTaola. De Pajowi, de zeeslang 
uit Sese nTaola, is in dit verhaal Imbu genaamd, de gewone benaming voor wa- 
tergeesten, die als slangen worden voorgesteld. 



(3b) De Mohammedaansche Parigiers en in navolging van hen de Barée-sprekende strandbewoners, 
hunne geloofsgenooten, geven zich gaarne Boegineesche eigennamen met het lidwoord la. 



8 

De naam Wawo mPoniu is moeilijker te verklaren, Wawo is „boven, 
bovenop, hoogte"; poniu of poniua is een wisselterm voor ala, „rijstschuur", omdat 
in de rijstschuur het tooverkruid niu of sumaniu wordt gelegd, poniua of poniu 
is „niu-plaats". Wawo mPoniu beteekeut dus „boven op de rijstschuur" of 
„hoogte van de rijstschuur", wellicht is er mee bedoeld dat de Reus „zoo hoog 
als eene rijstschuur" was. 

Behalve in het Barée, is het begin vau het verhaal van Sese nTaola, zijn 
onverzadelijke eetlust en de drie pogingen zijner ouders om zich van hem te ontdoen, 
terug te vinden in No. 41 van de „Fabelen, Verhalen en Overleveringen der Gale- 
lareezen," uitgegeven door den Heer M. J. Van Baarda, in Bijdr. Kon. Inst. 1895, 
bl. 263. Het Galelareesche verhaal is echter veel korter; in Sese nTaola laat 
men eerst een berg op hem vallen, daarna een steen, dien hij aan zijne moeder 
brengt, en ten slotte een boom, dien hij als zwaard op de heup bindt. In 't 
Galelareesche verhaal laat men eerst een steen op hem vallen, dien hij aan zijne 
moeder brengt, daarna een boom, dien hij haar eveneens brengt, en ten slotte tracht 
men hem in een kokostuin achter te laten, wat in Sese nTaola niet voorkomt. 

Sese nTaola gaat nu de wijde wereld in, met zijn zusje, dat hii in een gouden 
pinangdoos mededraagt. Zijn geweldige eetlust is geheel verdwenen, hij leeft 
nu van een klein beetje voedsel. Op we# vindt hij zeven makkers, met wie bij 
op den waringinboom, dien hij steeds als zwaard aan de zijde heeft gedragen, 
de zee oversteekt: daar komt hij een groote zeeslang. pajowi, tegen, zoodat hij 
niet verder kan; hij hakt nu een stuk uit het midden van dien slang en slingert 
dit weg, zoodat het terecht komt in een dorp aan den overwal, waar het blijft 
liggen rotten, zoodat het de lucht verpest. Het dorpshoofd looft de hand zijner 
dochter uit voor dengene, die het kreng opruimt. Sese nTaola komt nu met zijne 
gezellen in het dorp en gelast den oudste het aas met zijn (S. T.'s) kris weg te 
slingeren. Deze doet het en krijgt de dochter van het dorpshoofd tot vrouw, zoodat 
hij in het dorp achterblijft, terwijl de anderen hun weg voortzetten naar een vol- 
gend dorp, waar het stuk pajowi den vorigen dag is neergevallen en door den 
tweeden gezel van Sese nToala wordt weggeslingerd, Zoo gaat het tot zevenmaal 
toe, zoodat Sese nToala ten slotte alleen overblijft om zijn weg te vervolgen. 

Aan de laatste bijzonderheden merkt men dat de drie jongelingen, die in 
het Galelareesche verhaal over zee komen aanwandelen en die den vraatzieken 
jongen bevelen een stuk uit den visch Noenoe te hakken en hem weg te werpen, 
zoodat hij in eene andere stad komt, „anders gaat het hier stinken," dezelfde 
zijn als de zeven makkers die Sese nToala op weg ontmoet. De waringinboom, 
waarop Sese nToala met zijne reisgezellen de zee oversteekt, als hij de zee- 
slang tegenkomt, heet nunu in 't Bar. (4); deze naam is in 't Gal. ver- 
haal op den visch overgegaan. Na den visch te hebben weggeworpen, wordt 
de jongeling in 't Gal. verhaal uitgehuwd en zijne makkers huwen ook. 



(4) Ook in 't Sang. heet de waringin nunu, Bent. nunuk, Boel. 



mnmu. 



De vrouw van een zijner makkers is weerwolf, zij zet de menschen in een 
kooi, om ze later op te eten. Dit is al wat het Gal. verhaal heeft van de Ta 
nTolo en Indo i nTolo episode uit Sese nTaola (5). 

Na zijne makkers te hebben uitgehuwd, komt Sese nTaola met zijne zuster, 
die nu voor 't eerst hare schuilplaats verlaat, bij eene oude vrouw (i Bangkele 
Tu'a), die hen verzorgt en tot kleinkinderen aanneemt. Deze figuur is ook uit 
andere Toradja'sche verhalen bekend. In Bilala Pantje neemt zij eveneens den 
held, een jeugdigen zwerver, op en verzorgt hem totdat hij van zijne vermoeienissen 
bekomen is. Zij wordt voorgesteld als eene kinderlooze weduwe, die het zwaard 
en het schild van haar overleden man als erfstukken bewaart en eenige huis- 
dieren : honden, varkens en kippen opvoedt. Soms woont zij eenzaam in het 
bosch, dicht bij een dorp, soms ook ri wawo JaDgi „boven in de lucht," ri 
Tana ngkaloe-loe „op het Hangende Land" of ri Torate „in de onderwereld," 
waarheen een groote vogel dan hare beschermelingen overbrengt. In de 
Parigische verhalen is een dergelijke rol toebedeeld aan Nene Kobaja, eene figuur 
die, door het Boegineesch, uit de Mal. Neneq Kebajan is ontstaan. Zij is in 
de Parigische verhalen eene kinderlooze oude vrouw, die om zich te troosten 
allerlei dieren opvoedt en verdwaalde kinderen opneemt en verpleegt. 

In de Sangireesche verhalen vindt men eene dergelijke figuur, Biki'-Biki', 
die met haren man Mauganguwi in het binnenland woont en zich over weggeloo- 
pen kinderen ontfermt. (6) 

In het Gal. verhaal 41 wordt alleen verteld dat de jongen, door zijne 
ouders verlaten, eene oude vrouw aantreft, wie hij een kapmes ontneemt. 

Tot hiertoe komen de verhalen tot in kleine bijzonderbeden overeen ; 
het Gal. verhaal 41 is hiermee uit. Op nog één kleinen trek moet gewezen 
worden. In het Gal. verhaal hebben de drie jongelingen, als zij op reis gaan, ieder 
drie këtupat's (kupa) mee als teerkost: ook Sese nTaola gaat van de oude 
vrouw vertrekkende, met zeven (7) këtupat's (kotupa) op weg. 

Zeven dagen lang loopt hij door, eiken avond komt hij aan een dorp, dat 
slechts door geesten (angga) is bewoond, daar de lichamen der bewoners alle 
zijn opgegeten door een Guruda (8;. De geesten der gestorvenen verzoeken hem 
telkens om binnen te komen; zij zweven om hem heen en hij voelt hunne kille 
aanraking. Des avonds eet hij een halve ketupat op, slaapt in de lobo (het 
dorpshuis, waar de schedels der gesnelde koppen hangen), eet den volgenden 



(5) De Heer Van Baarda merkt aan t slot van het Gal verhaal op, dat het laatste gedeelte tamelijt 
duister is. De bijzonderheden worden in het verhaal van Sese nTaola in betere orde teruggevonden. 

(6) Sangireesche Teksten XXIII en XXXIV, Bijdr. Kon. lnst. 1895, bl. 64, 126. 

(7) Bij de bekende beteekenis der oDeven getallen bij de Indonesiërs, is het verschil in aantal hier niet van belang - 

(8) In den tekst zal men dezen vogel met Toatji Bangke „Groote Vogel'' aangeduid vinden. De 
thans fungeerende Kabosenja (dorpshoofd) van de To Lage aan den mond der Posso heet Guruda; mijn 
zegsman mocht dien naam niet uitspreken, daar bij Guruda , vader" noemt. 



10 

morgen de andere helft der kötupat op en gaat verder. Zoo gaat het tot 
zeven maal ; in de lobo van het zevende dorp vindt hij eene vrouw, Lemo 
nTonda, in een der trommen (die in elke lobo hangen) verborgen. Na de zeven 
Gurnda's, die hem komen aanvallen, te hebben verslagen, trouwt Sese nTaola met 
Lemo nTonda. 

Van deze laatste episode vindt men de parallel in het midden gedeelte 
van 't Galelareescbe verhaal No. 40, n.1. het verhaal van de door Guruda's 
uitgemoorde dorpen en van het meisje, dat zich verborgen heeft in een holle 
dakspar. Verder laten ons de Galelareesche verhalen in den steek. Zij maken 
overigens niet den indruk van eene oorspronkelijker redactie van het hier be- 
sproken verhaal te geven, vooral daar geen enkele persoon daarin met een naam 
wordt genoemd. Trouwens, de Heer Van Baarda zegt in zijne Inleiding van de 
Galelareesche verhalen: „slechts enkele kunnen oorspronkelijk wezen; de meeste 
dragen kenmerken in zich, dat zij van buitenlandschen oorsprong zijn," en „de 
meeste der Fabelen en Verhalen zijn dus zekerlijk, in het Ternataansche dialekt, 
van de reis mee naar huis gebracht." 

Over den vermoedelij ken oorsprong van het Toradja'sche verhaal zal straks 
gesproken worden. Gaan wij eerst de rest van 't verhaal na. 

Tusschen het landen aan den overkant der zee en het trekken naar de dorpen, 
waar telkens het rottende stuk zeeslang neervalt, is eene ontmoeting ingeschoven met 
Ta nTolo en Indo i nTolo, een menschen-etend echtpaar. In Tijdschr. Bat. Gen. XL1I, 
bl. 559 is door mij reeds gewezen op de Ampana'sche uitdrukking eo nömo i nTolo 
„de zon is opgeslikt door Tolo." Ik heb daar Tolo geïdentificeerd met Mal. 
tëlan enz. en i Tolo met „de Slikker, de Opslikker" vertaald. Hij is dus het 
monster, dat bij eclipsen de zon of de maan opslikt. Deze voorstelling kan niet 
aan de Hindoes zijn ontleend, daar er geen spoor van Hindoe-invloed op Mid- 
den-Celebes" is te ontdekken (9). 

Dat in het verhaal van Sese nTaola deze menschenverslinder Ta nTolo, 
d. i. „Vader van Tolo" is genoemd, is zonder twijfel geschied om een naam voor 
zijne vrouw, Indo i mTolo „moeder van Tolo" te hebben. Allerlei vraatzuchtige 
wezens dragen in de Toradja'sche verhalen den naam Tolo of Ta nTolo; zoo 
komt hij bijv. voor in het verhaal door mij genoemd Tijdschr. Bat. Gen. XL, bl, 564, 
dat ook, bij de Sangireezen, Galelareezen, Minahassers, Javanen, Lampongers en 
Dajaks (Ling Roth, Natives of Serawak, I, 346; bekend is, waar eenige dieren op 
jacht gaan en hun buit zich telkens zien ontrooven door een vraat, die den bewaker 
aanvalt Verder in het verhaal van Tele Tandami, waar de man i Angkai de 
vrouw i Angkele (10) heet en zij met het haar hunner schaamdeelen dezelfde 



(9) Prof. Wilken heeft er in zijn „Animisme" (Ind. Gids 1885, I, 240) reeds op gewezen, dat het 
zon- en maan-opslikkende monster, 't welk de eclipsen veroorzaakt, ook bij de Mongondouër^, de llalmaheraërs 
en de Zuidzee-eilanders voorkoinl, dus buiten den krinj.' van Hindoe-invloed. 

(10) Kele is het grondwoord van bangkele „vrouw", waarin ba- een voorvoegsel is, overeenkomend met 



11 

kunst uithalen als Ta nTolo en zijne vrouw in de hier ingelaschte episode (11), 
terwijl zij tevens, evenals in Sese nTaola, van raenschen verscheurende honden 
zijn vergezeld. In eene andere lezing van 't zelfde verhaal (12) bedriegt Tolo 
een kind, dat een varken heeft buit gemaakt, door het al zijn vleesch af te nemen en 
hem slechts de botten te laten ; als de jongen hem ten slotte het vleesch weer weet 
te ontstelen, maakt hij met zijne vrouw en zijne honden jacht op hem. In Sese 
nTaola hebben zij een voorraad van gestolen menschen, evenals bijv. Bangawan 
Mintuna in het Jav. verhaal „Baron Sakendher" en de Reus Bakeé in No. XXI 
der Sangireesche verhalen. 

De Guruda is natuurlijk een vreemde figuur in de Toradja'sche letterkun- 
de; de vorm van het woord (begin-lettergreep met u uitgesproken, tegen a Jav. 
en Mal.) toont zelfs aan, dat zij van de Boegineezen is overgenomen. Dit moet in- 
tusschen reeds vrij lang geleden zijn geschied, daar de Guruda reeds in echt 
Toradja'sche verhalen is opgenomen en vogels, die als menschen spreken en han- 
delen, van ouds bekend waren uit de verhalen, evenals menschen die zich in 
vogelgedaante vertoonen. Vogels zijn, met slangen, hagedissen en muizen de 
dragers van tanoana (13) en daarom omineuze dieren; zij zijn suro lamoa „boden 
der gestorven voorouders", dus gezellen, 't zij huisdieren, 't zij dienaren der 
voorvaderen. „In vele Toradja'sche verhalen treedt de tobongkilo, een kiekendief, 
een der grootste roofvogels van Midden-Celebes, als persoon op en in het poëtische 
deel van Sese nTaola wordt de Guruda geregeld kuajangi genoemd, 't welk de naam 
is van een grooten strandvogel, die naar visch duikt. Er was dus in de Toradja'sche 
literatuur reeds plaats voor een figuur als de Guruda; het uitmoorden van dorpen of laud- 



Mal. bc[r]. Het ligt dus^voor de hand. te denken dat kele oorspr. „vagina" beduidt; die beteekenis schijnt 
het wel te hebben in de uitdrukking ampu mbuju ngkele „knoop het haar van de vagina aan," umpu mbuju 
ngkai „knoop het haar van de penis aan," waarmee man en vrouw op hunne schaamharen slaan, om ze lang 
te maken, ze den vluchtelingen te kunnen nawerpen en die daarmee naar hen toe te halen. Ngkai, of kai 
moet dan oorspr. „penis," later „man" (thans in 't Bar. „grootvader," langkai „man") beduid hebben, vgl. 
tau, Bebongk. „penis," Bar. mensch. 

(11) In de Mentawai'sche teksten, door Morris uitgegeven (Berliju, 1900), komt op bl. 87, 91 en 99 
een soortgelijke manier voor om vluchtelingen te vangen. „Er pisst (nach ihnen), es reicht nicht, er wirft 
seine Haare, es reicht nicht." Ook nog bl. 103. 

(12) Uitgegeven in „Leesboekje in de Barée-taal," bl. 30, Batavia, Landsdrukkerij 1900. 

(13) tanoana, met infix-an" van toana „menschje, figuurtje, homunculus" is het leven in den 
mensch, wat de Spiritisten „levensaether, levensfluide" noemen; alle organische lichamen bezitten tanoana 
en daarmee bewustzijn, parsoonlijkheid en in meerdere of mindere mate het vermogen van hunne tanoana aan 
anderen mede te deelen of die van anderen weg te nemen. Dit is de geneeskracht die van planten, dei 
tooverkracht die van menscheD en dieren, van hunne lichaams.ieelen, han baar ; hun bloed, hunne urine, ja 
van wat niet al uitgaat. Angga is oorspr. een spook, een rondwarende geest, die de menschen pakt; meanggap 
„met geopende handen of klauwen grijpen." Een oorspr. vorm is waarsch. angkap, vgl. Mal. tangkap. Geest- 
verschijningen, als gestorvene verwanten herkend, hebben de verklaring van deze spoken als gestorvene 
menschen doen ontstaan. Eene uitgemoorde stad wordt dus een geesten- of spokenstad. 



12 

streken is hem zonder twijfel in navolging van uitheeuische verhalen toegeschre- 
ven. (14) 

De Pajowi (klemtoon soms op pa, soms op jo) wordt voorgesteld als een 
groote zeeslang, die op het lan 1 wordt geboren, als een gewone slang; als er 
regen en wind tegelijk is, wordt hij groot en begeeft zich naar zee, waar hij verder 
blijft en een vervaarlijke grootte bereikt; al werpt men hem met een geheelen 
talise-boom (Terminalia Catappa, een enorme strandboom) op den kop, hij voelt het 
niet; eeD prauw met menschen slikt hij altegader in. Mogelijk is met dit beest 
oorspronkelijk de walvisch bedoeld, daar pajowi met Mak. Boeg. pausu', Mal. 
paus identisch kan zijn. 

Een trek van overeenkomst met het in noot 14 aangehaalde verhaal van 
Klatin en Klaton is nog deze, dat Sese nTaola aan elk zijner achtergelaten 
makkers kruiden (15) heeft gegeven, die zij tusschen de dakbladeren moeten 
steken; wanneer die verwelken is hij in ongelegenheid. Als het zoover komt 
(bl. 10) verwelken die planten dan ook even, maar de bedoeling is natuurlijk geweest 
dat zijne makkers hem zouden te hulp komen, waarvan intusschen geen sprake is. 

De geschiedenis van Sese nTaola's jeugd, zijne avonturen op zijn zwerftocht, 
de ontmoeting met de Guruda's, zijne overwinning en zijn huwelijk met Lemo 
nTonda vormen waarschijnlijk eene oorspronkelijke eenheid. Hierna is voor 't 
eerst Mohammedaansche invloed merkbaar ; de bron waar Sese nTaola door zijne 
vrouw wordt heengeleid (tekst bl. 12), maakt het geluid ilala, ilala en spreekt 
dus de eerste helit der geloofsbelijdenis uit; zij wordt als ue mabaraka „wónder- 
water" aangeduid. Als Sese nTaola terugkomt, zegt hij dan ook (bl 13): „Ik 
heb het duidelijk gezien, 't zegt „ilala bisumila," dit laatste is er bijgevoegd niet 
alleen omdat een Toradja altijd meer vertelt dan hij gezien of gehoord heeft, maar 
ook omdat deze uitspraak van het bekende „bismillah" een goed rijmwoord op 
ngkita geeft. 

De verklaring van dit invoegsel is waarschijnlijk te zoeken in het op bl. 
39 en 40 van den tekst verhaalde. Na de overwinning op de Guruda's brengen 
Sese nTaola en zijne vrouw de beenderen der voormalige bewoners van de uit- 
gemoorde stad in het leven terug, door hen met water te besprengen. Ook dit 
komt in echt Toradja'sche verhalen voor, daar het water, als sterk tanoana- 
houdend, in hooge mate genees- en levenskrachtig is. Maar voor den Mohamme- 
daanschen verteller was dit misschien niet meer van zelf sprekend; de Barée- 



(14) Een van de jongst aangebrachte voorbeelden vindt men Trjdschr. Bat. Gen. XL111, bl. 176, in 
bet verhaal van Klatin en Klaton, door Contr. Westenenk uit W. Borneo medegedeeld, waarvan het hier aan- 
gehaalde gedeelte ongeveer woordelijk overeenkomt met S T. 's ontmoeting met de Guruda's. 

(15) Die kruiden worden genoemd: wunga en kondo. Het eerste is een kruid dat de priesteres bij 
hare functien gebruikt; gewoonlijk dienen daarvoor planten die een sterke groeikracht (tanoana) hebben en dus 
levenskracht kunnen mededeelen. Op het Meer zingt men : ropo Dongi, Tando ngkasa toinpu mbunga nakamanda, 
„de golven van den Noorden- en Zuidenwind, sla ze met wunga dat ze bedaren." Kondo is het hoofdwoord in eenige 
samengestelde plantennamen, zooals kordo 1 Ie, kondo nsgi : bet gebrnik dezer kondo's is als dat van de wunga. 



13 

sprekende Mohammedanen brengen altijd zelf de geneeskracht in de middelen, die 
zij aanwenden, door ze eerst te belezen. Hier is echter geen labe of ander deskundige 
voorhanden en nu bewijst het water zelf zijne bijzondere kracht door althans de 
eerste helft der Geloofsbelijdenis te murmelen. Op bl. 39 en 40 wordt niet gezegd 
dat men bepaald dit water gebruikte om de dooden weder levend te maken, maar 
de onderstelling ligt voor de hand dat de verteller het water eerst zijne wonder- 
kracht heeft willen laten bewijzen. 

Na den strijd met de Guruda's wordt Lemo nTonda, de vrouw van Sese 
nTaola, hem ontroofd, tot zevenmaal toe. Nadat zij eindelijk voor de zevende 
maal is teruggebracht, wekken Sese nTaola en Lemo nTonda te zamen de doods- 
beenderen der gestorvene dorpsbewoners weder op. 

Hier zou het eind van het verhaal kunnen verwacht worden, daar de met 
Sese nTaola geheel of gedeeltelijk identische verhalen in verwante talen geen van 
alle verder loopen. Slechts één dier parallellen vertelt ook dat de vrouw van den 
held wordt geroofd door een zeeroover, en wel een Njong (d. i. een Chinees), 
terwijl hij zelf op reis is, eene figuur die in Sese nTaola is terug te vinden op 
bl. 83 en 84 in i Anakoda ri Tarinate „de Chinees van Ternate", ook een zeeroover, 
die echter op andere wijze wordt te pas gebracht. Deze trek is in Sese nTaola tot 
een zevenmaal (op ongeveer geheel dezelfde wijze) herhaalde ontmoeting met zee- 
roovers uitgebreid. Bedoelde zeeroovers-verhalen en de naam Anakoda ri Tarinate 
hebben mij het vermoeden gegeven dat dit verhaal door de To Tora'oe van de 
O. kust van Midden-Celebes, speciaal van den N. lijken oever der Tolo-baai is 
medegebracht; het moet dan via de Banggai-eilanden uit nog meer O. lijk gelegen 
streken zijn gekomen, waar de zeeroof in vroegere jaren zeer sterk gedreven werd. 
De To Belo van de O. kust van Halmahera zijn bij oude Toradja's nog zeer goed 
bekend als zeeroovers, die de zoutstokers aan het strand overvielen en algemeen 
verklaart men dat uit vrees voor de zeeroovers de To Radja's zich nimmer aan 
de kust hebben durven vestigen. 

De uitgever en vertaler van de reeds genoemde Gralelareesche verhalen, de 
i .eer M. J. Van Baarda, heeft op mijn verzoek om meerdere gegevens omtrent dit 
verhaal bij de bewoners der O. kust van N. Halmahera, mij eene Loda'sche lezing 
dezer geschiedenis toegezonden, die ik bier in haar geheel wedergeef. Naar den 
naam van den held, heet dit verhaal O Ngofa Rikisa (a). 

„Een man en eene vrouw krijgen een kind, dat reeds zoodra het ter 
wereld komt, twee kammen pisang achter elkaar opeet en het duurt niet lang of 
hij brengt het tot een geheelen tros achter elkaar, (b) 

(a) Een anderen naam heeft de Heer Van Baarda nog niet aangetroffen. Rikisa 19 de vorm dien 
het Skr. rakshasa (door welk intermediair?) in het Galelareesch heeft. Ngofa, Tem. „kind", de naam beduidt 
dus Reuzekind." 

(b) Over de n.ate der gulzigheid bestaan verscheidene lezingen. Het scheen nij, dat daarin iedereen 
zijne fantazie vrij spel liet, merkt de Hr. V. B. op. Intussihen geeft eene Minahassische lezing, die ik hier beaeJen 
ook nog zal geven, dezelfde bijzonderheid omtrent het schrokken van den jongen 



14 

Zij noemen hem o Ngöfa Rikisa. Zijne vraatzucht wordt hoe langer hoe 
groter en als hij volwassen is, kan men niet meer voorzien in hetgeen de slokop naar 
binnen slaat. Zijn Vader spreekt daarop met zijne Moeder af, dat bij zal trachten 
hem van kant te maken. Daartoe neemt zijn vader hem eens mee, om met de lijn in zee 
te visschen. Terwijl zij aan het visscben zijn, breekt de lijn, daar zij beneden ergens 
blijft haken en nu beveelt de vader hem dat verloren stuk op te duiken. De zoon ge- 
hoorzaamt en niet zoodra is hij weggedoken of de vader roeit naar den wal. Daar gaat 
hij naar zijne vrouw en zegt: Nu zal hij wel niet meer terugkomen, hij zal wel ver- 
dronken zijn. Maar niet lang daarna staat de zoon levend op het strand, met het ver- 
loren stuk vischlijn om de hand gewonden, dat hij zijn vader aanbiedt. 

Anderen vertellen : De vader ging met den zoon het net uitwerpen in de 
monding der rivier, waar het krioelde van krokodillen en haaien. Daar liet hij 
het net glippen, beval zijn zoon het op te duiken en giog naar huis in het 
vertrouwen dat de ondieren hem zouden opgeslokt hebben. Maar al spoedig kwam 
de zoon thuis met het net, voor en achter behangen met eene rist krokodillen 
en haaien, die hij stuk voor stuk geworgd en aangeregen had, 1 oen ze hem aanvielen. 
Op een anderen keer neemt zijn Vader hem mee, om met het werpnet te 
visschen in de rivier. Daar, onder een overhangend stuk van den wal, ver door 
het water uitgevreten, werpt de Vader het net uit, laat als bij toeval het touw, 
waaraan hij het net vasthield, glippen en beveelt zijn zoon het op te duiken. 
Niet zoodra is de zoon onder water of de vader trapt het overhangend stuk wal 
naar beneden, waaronder zijn zoon bedolven wordt. In het vertrouwen dat het 
nu met zijn zoon gedaan is, gaat hij weer naar zijne vrouw. Doch na korten 
tijd treedt zijn zoon onverzeerd het huis binnen, met het opgedoken net. 

Daarop neemt zijn vader hem mee naar het sagobosch en zegt: Mijn zoon, 
ik zal dezen sagopalm omhakken, doch ga gij daar staan en vang hem op, anders 
scheurt hij door zijn val op den grond en kan ik den bast niet als vat gebruiken. 
De zoon gehoorzaamt. Na lang hakken valt de sagopalm en zie! de zoon vangt 
hem op, zonder te wankelen en legt hem zéér voorzichtig op den grond. 

Eindelijk neemt de vader hem mee, om te helpen bij het vellen van een 
grooten kapu - boom, waaruit hij een prauw wil maken. Beurtelings hakken zij in 
den boom; als hij bijna valt ? zegt de Vader: Ga nu ginds staan en vang den boom 
op, want als hij den grond raakt, splijt hij wellicht en kan ik er geen prauw 
van maken. De zoon gehoorzaamt. Nog eenige hakken, en de boom valt ; hij 
vangt hem in zijne armen op zonder ook fmaar gekwetst te worden en legt hem 
voorzichtig op den grond. 

Volgens anderen : Als de zoon gereed staat om den kapu - boom op te 
vangen, wordt hij onder den vallenden boom bedolven, zoodat zijn vader huis- 
waarts keert, in de meening dat hij verpletterd is. Doch weldra komt hij met 
den geheelen boom op schouder aandragen, met den top zeewaarts, en legt hem 
op zijns vaders erf neder. 



15 

Deze herhaalde streken van den vader beginnen nu den zoon te vervelen. 
Hij ziet dat zijn vader het op zijn leven toelegt en vertrekt daarom liever. Op 
zekeren dag neemt hij zijn zwaard (sumarang) en pinangdoos, en gaat op weg. 
Hij herinnert zich, dat hij niet ver weg een getrouwde zuster heeft, en gaat 
eerst naar haar toe. Zij kent hem en zijn eetlust, maar ook zijne kracht 
en zendt hem naar het bosch om een tuin voor haar te maken. Hij gaat 
ijverig aan 't werk. De dikste boomen kapt hij in één slag door, neemt 
ze op zijn schouder en draagt ze tot buiten de grens der ontginning. 
Na eenigen tijd gaat zijne zuster kijken en vindt den geheelen tuin reeds 
klaar. Alleen in 't midden staat nog een boom, dien hij tot 't laatst heeft 
bewaard. In één houw kapt bij hem door, doch zet hem op nieuw, naast den 
ouden tronk, recht op in de aarde en zegt tot zijne zuster: Nu moet ge maar 
oppassen, bij dezen boom zal tin uit den grond komen, dat moet ge verzamelen 
en verkoopen. Zijne zuster had hem intusschen een maaltijd gereed gemaakt 
van 9 rijst-torens (tamo-óko), waarbij zij 9 bamboes sagoweer had geplaatst. 
Njófa Rikisa geniet dit alles alleen en zonder veel inspanning. Hij blijft echter 
niet bij zijne zuster, daar hij belust is op avonturen. 

Hij neemt dus afscheid en vervolgt zijne reis. Na eenigen tijd ontmoet 
hij een man die een geheele bergrib als hoed op het hoofd heeft en den naam draagt 
van Kaba tolu. Hij vraagt hem wat hij daar voor een hoofddeksel heeft en 
krijgt ten antwoord: een bergrib. — Laat ons eens met elkaar worstelen, zegt 
Njófa Rikisa. — Waartoe dat? vraagt de ander. — Och, zoo maar, om eens te 
zien wie de sterkste is. Als gij mij op den grond krijgt, volg ik u als knecht, 
werp ik u op den grond, dan volgt gij mij. — Goed, het voorstel wordt aange- 
nomen en de worsteling begint. Na niet langen tijd smijt Ng. R. zijne tegenpartij 
Kaha Tolu op den grond, zoodat zijn hoed (tolu) geheel uit elkaar stuift — Gij 
hebt het gewonnen, zegt K. T., dus volg ik u. — Goed, zegt Ng. R., dan moet 
ge mijn pinangdoos dragen. — Nu gaan ze weer verder en ontmoeten een man 
die een geheelen ngame-boom als bloem in 't haar heeft: hij heet dan ook 
Saja-ngame. — Wat hebt gij daar voor een bloem in het haar? vraagt R. — Een 
ngame-boom. — Zullen we niet eens worstelen ? vraagt R. weer. — Och, waartoe? — 
Zoo maar eens, om te zien wie de sterkste is. Als gij mij op den grond werpt, 
word ik uw knecht, werp ik u op den grond, dan volet gij mij — De voorslag 
wordt aangenomen en na een weinig worstelens smijt R. zijne tegenpartij Saja- 
ngame ter aarde, zoodat de geheele ngame-boom aan splinters valt. — Gij 
hebt het gewonnen, zegt S. Ng., dus volg ik u. — Goed, zegt R., dan moet ge 
mijn zwaard dragen. — Daarop gaan zij verder en ontmoeten een man die als 
hoed een rots of steen op het hoofd heeft (c) en daarom Tolu Mare heet, — Zeg 



(c) Waar hier bij de makkers Tan Ngofa Rikisa steels vau hoeden, Tem. toln, sprake is, zon het wej 
kannen zijn dat taola in den eigennaam Sase nTaola verbasterd is uit tiala en dit uit tuala, het Galelareescbe 
woord Toor .hoofddoek." Deze opmerking is van den Heer Van Baarda, evenals die, dat de volgorde der 



16 

vriend, wat gebruikt gij voor hoed ? zegt Ng. R. — Een rots, antwoordt de 
ander. — Zullen wij niet eens samen worstelen ? — Ach, waarom ? — Wel, zoo 
maar, om te zien wie de sterkte is. Krijgt gij mij onder, dan volg ik u, 
krijg ik u onder, dan volgt gij mij — Het voorstel wordt aangenomen en weldra 
smijt Ng. R. zijne tegenpartij Tolu Mare met zulk een kracht ter aarde, dat de rots 
ver weggeslingerd wordt. — Gij hebt het gewonnen, zegt Tolu Mare, dus volg ik 
u. — Goed, draag dan beurtelings mijn pinangdoos en zwaard. 

Nu trekken zij gezamenlijk verder en komen aan zee. Heel ver in 't ver- 
schiet zien zij een ander land en besluiten daar heen te gaan. Njofa Rikisa 
neemt nu Kaha Tolu op den rechter, Saja Njame op den linkerarm en Tolu Mare 
op den rug; zoo wandelt hij door de zee. Ongeveer in het midden gekomen, 
trapt hij op iets en voelt dat het een groote visch, een walvisch is. — Geef mij 
even mijn zwaard, zegt hij tot Kaha-Tolu. Daarmee steekt hij omlaag, totdat 
hij den walvisch aan de punt er van heeft; hij heft hem op uit zee en slingert 
hem weg. Daarop gaan zij weder voort. Eindelijk komen zij aan den overkant 
en vinden daar eene groote stad, waar veel lawaai gemaakt wordt, door het 
slaan op trommen en gongs, alsof er een groot feest was. Zij gaan de stad in 
en vragen wat er te doen is. — O, er is hier een groote visch komen nedervallen ; 
de koning heeft al zijn volk bij elkaar laten roepen, opdat zij den visch weg- 
werpen en deze de stad niet door zijn stank verpest. Maar we kunnen hem niet 
van zijne plaats krijgen. — Ga maar aan den koning zeggen dat ik hem zal weg- 
werpen, zegt Ngofa Rikisa. De koning laat hem roepen en vraagt wat hij er voor 
hebben moet, als hij den visch wegwerpt. — O, zegt hij, geld of schatten begeer 
ik niet ; tot loon wil ik alleen, dat gij de mooiste meisjes bijeenverzamelt, opdat 
ik er eene uitzoeke om aan mijn metgezel Kaha Tolu tot vrouw te geven. De 
koning stemt in de voorwaarde toe, Ngofa Rikisa gaat op den walvisch toe, steekt 
hem op de punt van zijn zwaard en slingert hem weg. Daarop wordt Kaha Tolu 
uitgehuwd. Na het trouwfeest plant Ng. R. een bloem op K. T. 's. erf en zegt : 
Ik ga heen, maar als ge ziet dat de bladeren en bloemen van deze plant iets gaan 
hangen, spoed u dan tot mijne hulp, want dan ben ik in nood, — Daarop vertrekt 
hij met Saja-Ngame en Tolu Mare. 

Aan zee gekomen neemt hij elk op een zijner schouders en wandelt weder 
door zee, naar een land dat hij aan den horizont kan zien. Daar gekomen vin- 
den zij weder eene stad waar oorverdoovend geraas wordt gemaakt. Weldra 
bemerken zij dat de groote visch nu hier is nedergevallen en de inwoners zich 
vergeefs inspannen hem te verwijderen. Ook hier biedt Ng. R. aan den visch 
weg te werpen. Hij wordt voor deu koning geroepen en verlangt weder hetzelfde 



samenstellende deelen ia den eigennaam Kaha Tolu vreemd is, daar men, in overeenstemming met de andere 
namen, Tolu Kaha zon verwachten. Indien Sese nTaola aan een der in dit verhoal genoemde personen beant- 
woordt, dan zal het aan Saja Ngame moeteu zijn. Saja „bloem", Tem., sese, Bar.; de ugame-boom moet 
dan S T. 'i waringin zijn. 



17 

loon als den eersten keer voor Saja Ngame. Nadat de visch is weggeworpen en 
S. Ng.'s bruiloft gevierd, plant hij ook op diens erf bloemen, die zullen ver- 
welken als hij in nood is. Daarop vertrekt hij alleen met Tolu Mare, dien hij, 
aan zee gekomen, op den rug neemt en met wien hij, wadende door de zee, 
weder de stad bereikt, waar de visch is nederge vallen. Ook hier werpt Ng. R. 
hem uit, bezorgt Tolu Mare eene vrouw, plant bloemen op diens erf en zet de 
reis alleen voort. Hij komt in het land, waar de Garuda alle menschen als zijne 
prooi heeft weggevoerd, en komt in eene stad met veel huizen, doch zonder men- 
schen. Een dier huizen binnengegaan, begint hij te kloppen op de trom, die daar 
hangt. Weldra komt eene vrouw, die zich nog verborgen hield, uit het huis te 
voorschijn en beveelt hem met kloppen op te houden, daar anders de Garuda zal ko- 
men en hen wegvoeren. — Ik ben niet bang voor den Garuda, laat hij maar komen ! — 
Daarop gaat hij uit alle macht weder op de trom slaan. Het duurt dan ook niet lang 
of de zon wordt verduisterd als door een dikke wolk, dat is de Garuda, die komt 
aangevlogen. Als de Garuda vlak boven hem is, stelt Ng. R. zich in postuur en 
als de vogel op hem toeschiet, slaat hij hem den kop af. De Garuda deinst af, 
schreeuwende: Eén kop hebt ge afgeslagen, maar ik heb er 12. — Ja, maar nu 
hebt ge er nog maar elf, antwoordt Ng. R. — Weer schiet de Garuda toe en weer 
verliest hij een kop, en zoo gaat het door totdat hem de twaalfde is afgehouwen. 
Nu valt de Vogel dood neer, maar in zijne laatste stuiptrekking slaat hij Ng. 
Rikisa met de punt van zijn vlerk dood. Nu snellen Kaha Tolu, Saja Ngame 
en Tolu Mare te hulp, gewaarschuwd door het verwelken der door R. geplante 
bloemen, dat hij in gevaar was. Zij helpen zijne vrouw hem in huis te dragen, 
waar zijne vrouw hem met water besprenkelt en zoodoende weder levend maakt. 
Hij komt weer bij, dankt zijne makkers voor hunne trouw en vergunt hen weder 
naar hunne woonplaatsen terug te keeren. 

Nu leeft hij gelukkig met zijne vrouw. Op zekeren dag gaat hij op reis; 
tijdens zijne afwezigheid komt er een Njong (d) met een schip en ontrooft hem 
zijne vrouw. Van de reis teruggekeerd, vindt hij zijne vrouw niet meer, maar 
ziet in de verte het witte zeil van het wegvarend schip. Vermoedende dat zij 
daarop ontvoerd is, waadt hij door de zee om het schip te achterhalen, doch het 
zeilt al verder en verder, zoodat zijne krachten uitgeput raken en hij in zee ver- 
drinkt. 

Hier eindigt het verhaal door den Heer Van Baarda medegedeeld. Hij 
voegt er nog de volgende opmerkingen aan toe: „Tot nog toe heb ik te Galela 
niets nieuws aangaande dit verhaal (No. 41 der Galela'sche teksten) kunnen op- 
doen. De oude opstellers der verhalen zijn gewezen scholieren van wijlen den 
Heer H. Van Dijken, maar dezer zegslieden waren gestorven en zij konden niet 



(d) Voor njo, verkorting van sinjo, waarmee Chineezen, zoolang zij nog ongetrouwd zijn, worden 
aangeduid. 

Veih. Bat. Gea. deel LV. 2 - 



18 

meer leveren dan zij reeds vroeger hadden gegeven. De Galelareezen zijn zeer 
moeilijk aan 't vertellen te krijgen; zij gelooven dat, zoo zij in een verhaal 
blijven steken, zij druipoogen zullen krijgen. Gezongen worden de verhalen 
niet en ook niet onder elkaar verteld, als er een blanke bij is. Ook worden 
de verhalen al schaarscher en schaarscher, omdat het uit is met de verre 
zwerftochten, waarop de eilanders hier vroeger uitgingen. In 't Galela'sche en 
Tobelo'sche zijn nog vele geroofd en uit Banggai, Soela, Saleijer; naar diestreken 
strekten zij vroeger hunne zwerftochten uit; eerst sedert de Gouvernements-stoom- 
schepen op de zeeroovers jacht gemaakt hebben, is het met de zeerooverij gedaan. 
Vandaar dat van het nu levend geslacht nog maar enkele ouden kunnen verhalen 
van verre rooftochten, die zij hebben meegemaakt, en onder die ouden zijn velen 
ook niet tot duidelijk vertellen in staat. Er is weinig oorspronkelijks in de Gale- 
lareesche verhalen, behalve de geschiedenissen van heksen en weerwolven, zelfs 
de verhalen van de Voorouders zijn, geloof ik, voor een groot deel uit andere 
streken medegebracht. De taal waarin de verhalen eigenlijk leven, is het Terna- 
taansch. Ook in het verhaal van Ngöfa Rikisa zijn alle namen Ternataansch en 
als er eens een bijzonder geliefde uitdrukking, of een bewonderd gesprek in voor- 
komt (bijv. het gesprek van den Garoeda met Ng. R.), dan worden die gedeelten 
in het Ternataansch voorgedragen, al vertelt men overigens ook in de eigen taal. 
De Lodareezen, van wie dit verhaal afkomstig is, maakten hunne vroegere roof- 
tochten meestal naar de Sangir- en Talaut-eilanden en naar Kema en Gorontaïo. 
Het zou dus best te verklaren zijn, wanneer in hunne verhalen sporen van over- 
eenkomst met verhalen uit die streken aan het licht kwamen." 

Tot zooverre de Heer Van Baarda, wien ik hier gaarne mijn dank breng 
voor zijne belangrijke inlichtingen. Dat hij met zijne laatste gissing de waarheid 
heeft getroffen, bewijzen de volgende overleveringen van dit verhaal, die in de Mina- 
hassa zijn bekend en mij zijn medegedeeld door de Minahassische onderwijzers H. 
Kolondam, een Tou nDano, C. Koemowal, een Tou mBulu, en M. Kalengkongan, 
een Tou mPakëwa. 

Het Dano'sche verhaal luidt aldus: 

I. Er was eens een kolano (dorpshoofd) die na reeds langen tijd getrouwd 
te zijn geweest, één zoon kreeg. Op den dag zijner geboorte at de jongen reeds 
een heele kam pisang Ambon (eene groote soort) op, den volgenden dag een ge- 
heele tros, den derden dag i/ 2 gantang rijstepap, vervolgens had hij eiken dag een 
gantang noodig (een gewoon mensch doet daarover minstens 5 dagen), en toen 
hij ook daaraan niet meer genoeg had, konden zijne ouders hem niet meer onder- 
houden. Hij kreeg den naam Kombangen (e). Toen nu ook de onderhoorigen 
van den Kolano niet meer voldoende konden helpen, zocht zijn vader een middel 



(e) Boel. van kombang „maas;", Ponos. Beat. San?, il ., kombangen, Sang. kombangeng, „veelvraat," 
Sang. makombang, „gulzig." 



19 

om hem van kant te maken en nam hij hem mee naar het bosch om brandhout 
te hakken. Bij een grooten waringin gekomen, hield de vader stil, gelastte zijn 
zoon ter zijde van den boom te blijven wachten en ging hem omhakken. Den 
ganschen dag 'hakte hij; tegen den avond viel de boom en kwam op Kombangën 
terecht. Verheugd keerde de Kolano naar huis terug en berichtte aan zijne vrouw 
dat Kombangën gestorven was. Maar den volgeoden morgen kwam de jongen 
terug, met den boom op zijn schouder, dien hij op het erf smeet, zoodat de grond 
er van beefde. „Kijk, vader, riep hij, hier is het brandhout !" 

Zijne ouders onderhielden hem nu weer eenigen tijd, maar konden het 
toch niet lang volhouden en bedachten dus weer een middel om zich van hem 
te ontdoen. Zijn vader nam hem mee om een haardsteen te zoeken en toen zij 
een groot stuk rots hadden gevonden, dat aan den rand van een afgrond in den 
grond was gezonken, beval de Kolano zijn zoon beneden te wachten, totdat hij 
den steen zou uitgegraven hebben. Kombangën deed het en werd, toen de steen 
viel, daaronder bedolven. Blijde keerde de Kolano terug, overtuigd dat hij nu 
van zijn zoon af was. Maar den volgenden dag kwam Kombangën terug met 
den steen op zijn hoofd. Den steen wierp hij met een zwaren smak neder; de 
grond dreunde er van. „Hier is de haardsteen, vader!" riep hij uit. 

Intusschen had Kombangën begrepen dat zijne ouders hem kwijt wilden 
zijn, en daarom ging hij de wijde wereld in. Spoedig ontmoette hij Sunting Ba- 
ringbing (f), die hem tot een tweestrijd uitdaagde, op voorwaarde dat de over- 
wonnene den overwinnaar zou volgen. De voorslag werd aangenomen, maar eer, 
de strijd begon slingerde Sunting Baringbing den boomstam in de lucht, zóó hoog 
dat hij pas na een dag weer op den grond viel. Daarop nam Kombangën den 
stam en wierp hem ook omhoog; eerst na twee dagen viel hij neer. Toen Sun- 
ting Baringbing dit kunststuk had gezien, verging hem de lust tot vechten met Kom- 
bangën; hij vergezelde hem nu verder als een jongere broeder. Beiden gingen 
verder en ontmoetten Wonor Toka (g), die eveneens Kombangën tot een wedstrijd 
uitdaagde en om zijne kracht vast te toonen, een berg uit den weg schopte, zoodat 
de grond vlak werd. Kombangën schopte een anderen berg zóó krachtig uit den 
weg, dat niet alleen de plaats waar hij gestaan had vlak werd, maar dat hij ook 
nog met zooveel kracht tegen een anderen berg aankwam, dat deze eveneens van 
zijne plaats raakte. Wonor Toka verloor nu zijn moed en verklaarde zich den min- 
dere van Kombangën. Met hun drieën gingen zij verder en ontmoetten Pëtik Wa- 
tu (h) die, om tegen Kombangën zijne kracht te meten, een steen omhoog slinger- 



(f ) Sunting Baringbing, Boel. „die tot oorversiersel hanelellen heeft". Sunting, Mal. id., ook in betee- 
kenis; baringbing „de lellen van een haan, die van zijne wangen naar beneden hangen". 

(g) Wonor Toka is Sea'sch ; wonor is „voorui+schoppeu", toka »ber j", de naam beteekent dus ,berg- 

schopper". 

(h) Pëtik Watu is Boeloesch: pëtik „met een veerkrachligen knip van den vinger voortbewegen, met 

den vinger voortknippen", wegknippen." 



20 

de, zoodat hij eerst na twee dagen neerviel, doch Kombangën wierp hem zoo 
hoog, dat hij eerst na drie dagen viel ; hij bleef dus overwinnaar en Pëtik "Watu 
volgde hem. Met hun vieren gingen zij verder en ontmoetten Ko'o Wunong (i), die 
zijne buitengewone kracht toonde door een geheelen vijver leeg te drinken. Kom. 
bangën echter piste den geheelen vijver vol, zoodat hij overliep en een groote 
rivier eruit stroomde. Ko'o Wunong had nu verder geen lust meer om met Kom- 
bangën te strijden en volgde met de anderen Kombangën, die hen aanvoerde. 

Nu wilden zij te zamen een tuin aanleggen. Kombangën begon met een 
boom te vellen, de boom viel met den wind mee en met den val van dien boom 
werden de boomen van 9 bergen en 9 dalen mede terneder gestort; dit werd 
dan ook de oppervlakte van den tuin. Sunting Barimbing wierp nu al de boomstam- 
men uit den tuin, Wonor Toka schopte de bergen van den tuin weg, zoodat de 
geheele tuin vlak werd. (j) 

Pëtik Watu knipte met de vingers alle steenen uit den tuin weg en stapelde 
ze berghoog op als een muur rondom den akker, en Ko'o Wunong dronk alle 
plassen leeg die in den tuin te vinden waren. Nadat het ontginningswerk 
was afgeloopen, plantten zij maïs en wachtten den oogst af. De geoogste maïs 
aten zij in ééne maand op, daarna trokken zij weer verder, totdat zij aan zee 
kwamen. Kombangën vroeg nu aan zijne makkers hoe lang zij konden zwem- 
men. Sunting Baringbing verklaart het eene maand lang te kunnen volhouden, 
Wonor Toka 2 maanden, Pëtik Watu 3 en Ko'o Wunong 4 maanden. Kom- 
bangën behoefde niet te rusten, voordat hij aan den overkant was gekomen. Zij 
gingen te water en zwommen achter elkaar, de sterksten voorop. Na eene maand 
liet Sunting Baringbing zich door Wonor Toka trekken ; na 2 maanden hield deze 
zich aan Pëtik Watu vast; na 3 maanden moest Ko'o Wunong de drie vermoeiden 
trekken, en na 4 maanden sleepte Kombangën hen alle vier totdat zij aan de 
overzijde landden. 

Daar kwamen zij in eene stad, waarvan de menschen telkens hadden te 
lijden van de aanvallen van een Salangkëw (k). De Vorst van die stad had 
negen dochters. Acht daarvan had de Salangkëw reeds opgegeten; de vorst had 
de hand der negende beloofd aan hem, die den Roofvogel zou dooden. Met hun 
vijven besloten zij den Salangkëw te dooden. Zij gingen buiten de omheining op 
eene rij staan, Kombangën bij de poort. Niet lang daarna kwam de Salangkëw 
aangevlogen, schoot op Sunting Baringbing toe om hem in de vlucht te grijpen, 
maar deze sloeg hem een kop af. Verschrikt deinsde de Salangkëw af en gaf 
daardoor gelegenheid aan Wonor Toka, Pëtik Watu en Ko'o Wunong om hem 
elk nog van een zijner 9 koppen te berooven; de overige 5 sloeg Kombangën af> 



(i) Ko'o Wunong is Dano'sch; ko'o, ^drinken", wunong, , vijver, groote plag." 

fj) Deze invoeging is van mijzelf; de verteller heeft vergeten Wonor Toka's aandeel in het tuin- 
werk te vermelden. 

(k) Salangkëw (dentale 1). Dan, naam van een grooten roofvogel, 



21 

waarop de Salangkëw stierf. In vier andere steden hadden zij nog hetzelfde 
avontuur, zoodat ieder van hen eene Prinses kon trouwen en dorpshoofd worden, 
maar Komhangën bleef onder hen de machtigste. 

II. De held van het Boeloe'sche verhaal heet „Ijzervreter". Hij is de 
eenige zoon zijner ouders. Kort na zijne geboorte heeft hij aan de melk zijner 
moeder reeds niet meer genoeg : buurvrouwen en familieleden helpen, maar hij 
moet al spoedig gespeend worden. Zeven dagen daarna eet hij reeds een kam 
pisangs op en al gauw begint hij rijst te eten, weldra in groote hoeveelheid. 
Hij groeit dan ook zeer snel en wordt verbazend sterk. Op een keer ziet hij een 
hakmes liggen ; hij gaat er mee spelen en kraakt het tusschen zijne tanden, alsof 
't een kippekluif was. Van dat oogenblik af versmaadt hij alle ander eten en 
voedt zich met ijzer. 

Weldra kunnen zijne ouders hem niet meer onderhouden. Zijn vader neemt 
hem mee om in de rivier garnalen te vangen, laat hem achter bij een gedeelte 
waar de oever steil is en waar boven op den oeverrand een zware steen ligt. 
Dien steen laat hij op zijn zoon vallen en in de meening hem verpletterd te 
hebben, gaat hij naar huis ; maar nauwelijks heeft hij zijn avondeten op, of 
IJzervreter komt thuis met den grooten steen ; dien hij zijne moeder als haard- 
steen aanbiedt. 

Hij wordt nu weer eenigen tijd onderhouden; zijn vader tracht hem onder 
een boom te verpletteren, maar IJzervreter komt met dien boom op zijn schouder 
thuis. Inziende dat zijne ouders hem kwijt willen zijn, gaat hij hen verlaten ; als 
teerkost vraagt hij een zak vol ijzer, als wapen een zwaard van twee vadem 
lang, een voet breed en twee vingers dik. Van den boom dien hij heeft thuis 
gebracht, maakt hij een scheede voor zijn zwaard en een grooten tol. Met die drie 
dingen gaat hij op weg. 

Na lang geloopen te hebben, hoort hij het geluid van hout hakken, gaat 
er op af en vindt een Reus, (1) die bezig is boomen uit den grond te trekken. 



(1) fn den oorspr. tekst van dit verhaal is voorkeus" gebruikt Adjiganti, eene benaming die o. a. 
ook voorkomt in de Minahassische verhalen in de Mededeelingen v. w. het Ned. Zendelinggenootschap, Dl. 
20, bl. 58; het is zonder twijfel het Spaansche gigante, «reus". In dit verhaal is er mee bedoeld de reus 
Ton nTulus, wien ik in Tijdschr. Bat. Gen. Dl. 40, bl. 379 heb vergeleken met den Toradja'schen Ta 
nTolo. Deze vergelijking is waarschijnlijk onjuist. De naam Ton nTulus laat zich vertalen met »hij die door 
en doorkrjkt, die het hart der menschen kent". De Heer J. Alb. T. Schwarz, te Sorder (Minahassa), wien 
ik mijne mededeelingen over deze figuur te danken heb, stelt nog eene andere etymologie voor. Er is bij de 
To nTemboan (To mPakëwa) eene godheid (Kasuruan) bekend, die Tumontulus heet, van den grondvorm ton- 
tulus, van den wortel tulus „va9t aaneeogehecht, goed sluitend", met het voorvoegsel to, dat de beteekeni» 
van het stamwoord verhoogt of verveel vuldigt; tontulus is dus „zéér goed aaneengehecht, terdege sluitend," 
ook „in groote hoeveelheden aan elkaar gehecht", 't welk zeer goed kan doelm op de negen knieajewrichten 
die dezs reus aan elk been heeft. Tumontulus werd dan ook door de Temboansche ziektengenezers aange- 
roepen, met „e wa'ilan Tumontulus! tumutulus-ai", d. i. „o god T., hecht hier goed aaneen 1" ter genezing, 
van iemand van wien men dacht, dat hij eenig lichaamsdeel had gebroken, om dit weer „9tevig aaneen t* 
hechten;" 



22 

Hij is zoo groot als een berg en heeft negen kniegewrichten. De boomen, die 
hij heeft uitgetrokken, smijt hij tegen andere aan, die er van omvallen. 

De Reus krijgt Ijzervreter in 't gezicht en roept verheugd : „Zoo, kleinzoon, 
dat treft goed, ik heb in lang geen vleesch geproefd 1 '. 

„Grootvader kan mij opeten, antwoordt Uzervreter, als hij het van 
mij kan winnen in een wedstrijd, anders moet hij mij als dienaar volgen". 
De Reus neemt het voorstel aan, Uzervreter reikt hem zijn tol toe en zegt: „Zet 
dezen tol op, dat hij drie dagen en drie nachten draait". De Reus zet den tol 
op; drie dagen en twee nachten draait hij en gaat daarna uit. Uzervreter doet 
hem vier dagen en drie nachten draaien. De Reus, ziende dat hij het verloren 
heeft, grijpt Uzervreter aan, maar deze ontkomt hem, grijpt hem op zijne beurt 
bij de beenen en duwt hem tot den hals in den grond; daarop trekt hij zijn 
zwaard. De Reus smeekt om genade, wordt gespaard, volgt Uzervreter en draagt 
diens voorraad ijzer voor hem. 

Voortgaande, ontmoeten zij een Reus die in eene stroomende rivier bezig 
is te visschen en met zijn lichaam laDguit in 't water ligt, 't hoofd naar den 
oorsprong der rivier gekeerd, met de hand zich vasthoudende aan de bossen 
gras op den oever. Het water dat bij zijne schouders opgestuwd, hoog opgolft, 
loopt als een waterval over zijn lichaam. De ontmoeting is geheel als boven. 
De Reus wordt uitgedaagd den tol 6 dagen en nachten door te doen draaien, 
maar hij brengt het slechts tot 5 dagen en 4 nachten, waarop Uzervreter hem 
7 dagen en 6 nachten laat draaien. Na een zelfden verraderlijken aanval van 
den Reus, dien Uzervreter op dezelfde wijze als bij den eersten bedwingt, volgt 
ook deze Reus hem en krijgt den tol te dragen. 

Verder reizende, ontmoeten zij een Reus die in een meer vischt, met een 
zwaren buluh bëtung als hengel, 't Zelfde gesprek wordt gehouden, daarop de 



Behalve den bijnaam Si Siow Kurur, ,.de Man met de Negen Kniegewrichten", heeft Ton nTulus bij 
de Ton mBulu' nog den bijnaam Pikpik, Baar het gelnid dat hij des nachts maakt, waarmee hij jagers den 
weg wjjst om wild te ontmoeten. Volgt men de richting van dit geluid, dan zal men zeker een stuk wild 
bnit maken, daarom heeft Pikpik ook nog den bijnaam asu ne wa'ilan „de Hond der Goden". De jagers 
hadden dan ook de gewoonte om van een gevangen stnk wild, dat in het bosch ontweid werd, een stukje 
van het rechter schouderblad Tou nTulus toe te werpen; by verzuim van dit offer zou hij het bloed 
uit het wild zuigen, waardoor het zeer spoedig zou bederven. Tou nTulus bezit verder de macht zich zóó 
hoog uit te rekken, dat hij tot in de wolken kan reiken en zich zóó klein te maken, dat hij zich onder de 
de snkur (Kaempferia rotunda L., eene Zigimberacee met dikke kleine bladeren, die zoo laag bij den grond 
groeien, dat zij nagenoeg op den grond liggen; in 't Sang. heet deze plant kinsnlë, in 't Bis. kosol, Mal. 
tjëknr, Soend. tjikur, Mak. tjakaru'. Zie verder V. d. Tuuk, Kawi - Bal. - Ned. Wdbk. i. v. tjëkuh; blijk- 
baar is de eene vorm eene omzetting van de andere, maar V. d. Tuuk haalt er kartjura bij aan) kan ver- 
bergen. De bijnaam Pikpik doelt op het geluid dat T. T. 'g nachts in de lucht dwalende maakt. Het is \ 
gelnid van een nachtvogel, in 't Temboansch wordt het met pokpok weergegeven. Van Tou nTulus wordt 
nog verteld, dat hij van den berg Lokon, die vroeger zeer hoog was, een stuk heeft afgebroken en in het land 
der Tom Sea' neergezet. Dit is de huidige berg Klabat. 



23 

wedstrijd met den tol, dien de Eens 9 dagen en nachten moet doen draaien. 
Hij zet hem op met zulk een kracht, dat hij pas diep in den 9^ nac ht uit- 
gaat. De taats van den tol woelt een gat in den grond, waaruit het water 
opkomt; door het draaien van den tol verhit, begint het zelfs te koken. Nu zet 
Uzervreter den tol op: met zulk een kracht draait hij, dat bij pas na 10 dagen 
en 9 nachten uitgaat: hij boort een put in den grond; de boomen, waartegen hij 
stoot, vallen neer, zelfs de stammen die door het touw, waarmee Uzervreter den 
tol opzet, bij het terugtrekken daarvan geraakt worden, breken door. Ook deze 
Reus volgt Uzervreter en krijgt zijn zwaard te dragen. 

Met hun vieren gaan zij door, komen aan zee en vragen elkaar hoe lang 
zij kunnen zwemmen, achtereenvolgens verklaren zij 3, 6 en 9 dagen te kunnen 
zwemmen ; Uzervreter zegt de zee te kunnen overzwemmen ; zij gaan dus te 
water en houden resp. na 3, 6 en 9 dagen zich aan Uzervreter vast, die hen voort- 
sleept tot aan de overzijde der zee. Op zee komen zij een grooten walvisch tegen ; 
Uzervreter spriugt hem op den rug, hakt hem door en werpt met zijn zwaard het 
afgehakte stuk de lucht in, zoodat het ver weg vliegt. 

Aan de overzijde gekomen, zien zij een huisje staan. Uzervreter zendt den 
eersten Reus om vuur te vragen. Hij vindt er eene oude vrouw, met een zwart 
gezicht, kroeshaar en een boos uiterlijk. De vrouw zegt hem zelf maar 
vuur van den haard te gaan halen; terwijl hij gehurkt voor de stookplaats zit, 
slaat de vrouw hem dood, want zij was eene heks (Boel. Songko). Na lang 
wachten stuurt Uzervreter den tweeden Reus en daarop den derden, wien het 
evenzoo gaat, zoodat hij zelf gaat kijken. De Oude Vrouw vliegt hem aan, krabt 
hem in 't gezicht, maar kan zijne harde huid niet openrijten. Uzervreter pakt 
haar nu bij haren kroeskop, slingert haar in de lucht, waarna zij ergens in de verte 
neervalt. Zijne gedoode makkers maakt hij weer levend. 

Zij komen nu ook achtereenvolgens aan drie steden, waar het rottend stuk 
visch is neergevallen. Elk der drie Reuzen verdient hier eene prinses als vrouw, 
door het stuk er uit te wippen, met het zwaard van Uzervreter. Op het erf 
van elk zijner achtergelaten makkers plant Uzervreter zonnebloemen (bungakonde); 
als deze eensklaps verwelken, moeten zij hem komen helpen, want dan is hij in nood. 

Uzervreter gaat nu alleen verder en komt aan eene stad, waarvan de in- 
woners allen zijn vermoord ; overal liggen beenderen, de huizen zijn afgebrand. 
Hij legt zich te slapen, maar wordt telkens opgeschrikt door de geesten der ge- 
storven inwoners, die hem komen storen. Nog zesmaal komt hij aan zulk eene 
uitgestorven plaats. De zevende stad is nog niet uitgemoord; toch zijn reeds 8 
van de 9 dochters des konings door een Garoeda opgegeten; de negende zal het 
roofdier den volgenden dag komen halen. Uzervreter wil den Vogel bestrijden; 
hij laat de Prinses in een trom opbergen en neemt zelf hare plaats in, in een 
hoog vertrek met een venster, waar de Garoeda zijne prooi zal komen halen. Niet 
lang daarna komt het zeven-koppig monster aan; Uzervreter daagt hem uit; de 



24 

strijd wordt op den volgenden dag bepaald, op een groot veld, waar één boom 
staat, de verblijfplaats van den Garoeda. Op de vlakte staan talrijke benden, 
krijgsgevangenen van den Garoeda uit de door hem verwoeste steden. Bij 't 
begin van den strijd slaat Ijzervreter den Garoeda een vleugel lam, waarop de 
Garoeda zijne lieden laat vechten. TJzervreter slaat ze wel dood, maar telkens wekt 
de Garoeda hen weer op, door ze met zijn vleugel te bewaaien. Zoo gaat het 
twee dagen lang; Ijzervreter is uitgeput; de zonnebloemen op de erven zijner 
vroegere makkers verwelken; zij snellen hem te hulp, rukken den boom uit, waarop 
de Garoeda zit, slaan er eerst den Vogel, daarop zijne benden mee dood. IJzer- 
vreter trouwt de Prinses en wordt Koning; zijne vroegere makkers blijven hem als 
hun heer erkennen. 

III. De held van de Pakëwa'sche lezing van dit verhaal heet, evenals 
in de Dano'sche, Si Tjombangën. Om zijn onverzadelijken eetlust zoeken zijne 
ouders hem van kant te maken. Zijn vader neemt hem mee om garnalen te 
vangen en laat een steen op hem vallen; hij brengt hem terug; een ander maal 
laat hij een boom op hem vallen, dien brengt hij eveneens aan zijne ouders. 
Ten derden male neemt de vader hem mee om muizen te vangen, om ze op te 
eten, en terwijl hij Kombangën een muizegat zoo diep laat uitgraven, dat hij 
er zelf geheel in verdwijnt, werpt hij een z waren steen op hem. Ook dien brengt 
de knaap terug. 

Hij vindt het echter geraden maar weg te loopen van zijne ouders en 
treft op zijn tocht een zekeren Warai (m) aan, met wien hij een wedstrijd in 't 
tollen aangaat. Warai's tol draait 2, Kombangën's tol 3 dagen, zoodat Warai 
het verliest en hij Kombangën als dienaar volgt. Daarop komen zij Pësik 
watu (n) tegen, met wien Kombangën een wedstrijd houdt in het met de vingers 
wegknippen van steenen. Kombangën zuivert op die wijze een geheel veld van 
steenen, Pësik Watu volgt hem als dienaar. Daarop overwint K. een zekeren Wana 
Toka (o) in het wegschoppen van bergen, Sumësësëp Wunong (p) in het leegslurpen 
van een vijver, door dien weder zóó vol te pissen, dat er eene rivier uit loopt, en 
ten slotte een zekeren Warimbing, die een steen naar boven werpt, zóó hoog dat 
hij pas na één dag naar beneden valt, door hem nog hooger te werpen, zoodat 
hij pas na twee dagen weder op den grond komt. Na gezamenlijk verder te zijn 
getrokken, leggen zij op 9 bergen en 9 dalen een tuin aan : Warai ontgint, 
Kombangën werpt de boomen om; Warimbing verwijdert ze, Pësik Watu ruimt de 
steenen op en maakt er een omheining van; Sumësësëp drinkt de plassen leeg en 
Wana Toka plant maïs. Na den oogst trekken zij verder en komen aan zee, zij 
zwemmen evenals in I en II over en komen achtereenvolgens aan 8 verlaten 



(m) Warai. Pak, „tol" : in het Dano'sch een ander speeltuig. 

(n) Pësik Watn, zie boven over Pëtik Watu. 

(o) Warna Toka, zie boven over Wonor Toka 

(P) S8sep „opslurpen, opdrinken; „Wunong", dal tusschen twee bergen, waar zich water verzamelt. 



25 

steden, uitgemoord door een Negenkoppigen Vogel (Si Siow Rokos genaamd). 
In de negende stad treffen zij nog juist een meisje aan, de laatst overgeblevene, die 
den volgenden dag door den Vogel zou worden opgegeten. Kombangën en zijne 
gezellen dooden hem, door hem zijne 9 koppen af te slaan, ieder zijner makkers 
één en Kombangën vier. Hij trouwt daarop het meisje, maakt de bewoners der 
uitgemoorde steden weder levend, wordt zelf heer van vier steden en benoemt 
zijne gezellen tot hoofden in de vijf overige. 

Van al deze verhalen is het Boeloesche dus 't volledigste. Met de hier 
verzamelde gegevens mag men de onderstelling wagen, dat het verhaal uit de 
Minahassa, over de Ternataansche eilanden en wellicht ook Banggai naar de 
Oostkust van Midden-Celebes is gekomen en door de To Tora'oe naar de Zuid- 
kust der Tominibocht is overgebracht. Dit geldt natuurlijk alleen het tot nog toe 
besproken gedeelte ; de rooversverhalen, die nu volgen, zullen, wat de zeeroovers 
betreft, zeker ook wel reeds in het Ternataansche er aan zijn toegevoegd, maar 
de lucht-rooversverhalen (oorspronkelijk of overgenomen) zijn in hunne voorstel- 
ling echt Toradja'sch, zooals beneden zal blijken. 

Na den strijd nu met de Guruda's gaat Sese nTaola tot zevenmaal toe 
eerst ééne maand, dan twee maanden en telkens eene maand langer slapen, ten 
laatste dus zeven maanden. In dien tijd gaat zijne tanoana op reis en zijne vrouw 
bewaakt zijn lichaam ; hij heeft dan ook telkens vooraf aan haar kennis gegeven 
over hoeveel maanden hij zal ontwaken. Ai de zeven keeren dat hij slaapt, komt 
een vorstelijke Roover uit de lucht zijne vrouw wegnemen ; bij 't naderen van 
het gevaar tracht Lemo nTonda hem telkens te wekken, maar het gelukt haar 
niet, hij heeft den tijd van 't terugkomen zijner tanoana bepaald en die is nog 
niet gekomen. Lemo nTonda kruipt nu in hare kist en sluit die van binnen af 
zij wordt telkens met kist en al door den aanvaller geschaakt, maar ook steeds; 
door Sese nTaola teruggehaald, nog voordat zij de kist verlaten heeft, Bij het 
terughalen zijner vrouw wordt hij geholpen door Datu mPoiri, „Wind vorst", die op 
den Wind door de lucht vaart en Sese nTaola brengt waar hij wezen moet. Zijne 
zuster, Gili mPinebetu'e, die bij de Oude Vrouw is achtergebleven, is n. 1. in dien 
tusscbentijd met den Windvorst gehuwd. 

De aanvallers van Sese nTaola dragen de volgende namen : 

1. Datu nTo Wawo Jangi (16) „de Vorst der Bovenlucht." 

2. Datu nTo Mata Eo, „de Vorst van den Zonsopgang.'' 

3. Datu nTo Kasojoa, „de Vorst van den Zonsondergang." 

4. Datu mPajompo Jangi, „de Vorst van het Noorden." 

5. Datu mPajompo Jangi, „de Vorst van het Zuiden." 

6. Torokuku mBetu'e „de Sterren vogel " 

7. Momata Tibu „Pias-oog." 



(16) To Wawo Jungi duidt zoowel de bevolking van het gebied, als het gebied zelf aan. 



26 

Dit zijn namen van lucht-bewoners, dus geesten, die in de vertelling we\ 
niet anders dan als aardsche helden optreden, maar die toch op dezelfde wijze 
moeten bereikt worden als alle andere luchtbewoners. Ter vergelijking diene de 
wijze, waarop de Toradja'sche priesteres hare ziel naar de Bovenwereld laat gaan, 
om aan Pue di Songi de tanoana van een zieke te gaan vragen. Dit wordt ver- 
meld in eene lange litanie, in aard geheel overeenkomend met de Augh oio balian, 
door Hardeland achter zijne Dajaksche Spraakkunst uitgegeven. 

De priesteres begint om rijst, ei en kip te vragen ; deze drie zaken wor- 
den gekookt (de tanoana wordt vrij gemaakt), om de tanoana daarvan aan den 
Hemelheer, Pue di Songi, als geschenk te kunnen aanbieden. Daarop kruipt de 
priesteres onder een groote foejasarong (17) en gaat voort met haar gezang, 
dat steeds met gesloten oogen wordt voorgedragen. Er wordt dan vermeld hoe 
zij hare tanoana langs de stijlen van de rookvliering tot op den nok van 't dak 
laat klimmen en daar de met haar bevriende luchtgeesten wurake (18) roept, en 
wel een dien zij speciaal bij name kent en die haar altijd op hare luchtreis 
begeleidt. De geroepen geleidegeest verschijnt dan ook en met zijn hulp komt de 
priesteres in het land der wurake aan. Daar stijgt zij in een prauw, n. 1. den 
Regenboog (poragia), zij en de wurake in 't midden; roeiers en stuurman die 
hen overbrengen zijn slaven der wurake, krijgsgevangen gemaakt in den oorlog 
met vijandige geesten, vooral Di Malele. Is de prauw bemand, dan wordt de wind 
geroepen en deze voert haar naar het rijk van Pue de Songi. Daar aangekomen, 
laat de priesteres zich aandienen, bezoekt den Hemelheer, biedt haar offer aan, 
ontvangt de gevraagde tanoana temer en stort die op het hoofd van den zieke uit. 

Als Sese nTaola ontwaakt (19) en zijne vrouw niet vindt, waarschuwt hem 
een amulet (sima 2 , uit het Boeg.) dat zij door dezen of dien roover is geschaakt. Sese 
nTaola roept nu zijn zwager, den Windvorst, die op den wind komt aanvaren ; 
nTaola neemt naast hem plaats en zoo komen zij achtereenvolgens bij de ver- 
schillende roovers aan. Datu mPoiri, de Windvorst, is dus voor Sese nTaola 
wat de wurake voor de Toradja'sche tadu (priesteres), de Sangiang voor de Da- 
jaksche balian is. In het land van den roover gekomen, daagt Sese nTaola dezen 
uit tot een tweegevecht, overwint hem en pakt de kist met zijne vrouw er in 
mee, die tusschen hem en Datu mPoiri in gezet wordt, als zij weder door den 



(17) Pelawo genaamd en beschreven in „Geklopte boomschors als kleedingstof op Midden-Celehes"' 
door N. Adriani en Alb. C. Kruijt, dat in de 4e aflevering;, 1901 van 't „Internationales Archiv für Ethno- 
graphie" zal verschijnen. 

(18) De stam van dit woord is rake, Mal. en Daj. daki, Negr. dakai; Bar. mandake „bergen beklimmen," 
rakeani „Zolder". Wu- is id. met wu- in wutongo s= tongo, „rug", wurongko „de veeren opzetten", vgl. rongko 
„trillen, rillen", of het duidt een snelle, opwaartsche beweging aan, zooals ons „joep, hoep," zoodat wurake zou 
het. „joep 1 naar boven". 

(19) Bar. mena, stam na, id. met Mal. en Jav. njawa, Mak. en Boeg. id. en nawa „nadenken", Boeg. 
ininawa* „ademhaling." 



27 

wind worden teruggebracht. Den zevenden keer wordt Sese nTaola gedood, maar 
door Lemo nTonda weer levend gemaakt, doordat zij hem besprenkelt met water 
uit een gouden kom, waarin zij een ring heeft gelegd. In zijn laatsten strijd 
met de Guruda's is het evenzoo gegaan; beide keeren had Lemo nTonda hem 
reeds gewaarschuwd dat het mis zou loopen, daar hij zich onbehoorlijke woor- 
den had laten ontvallen. 

Als Sese nTaola in het dorp van den schaker zijner vrouw aankomt, ligt 
deze steeds te slapen; hij wordt dan gewekt door zijne zeven vrouwen, alle 
vrouwen van anderen die hij geroofd heeft. In de wurake-litanie ligt Pue 
di Songi, die de vermiste tanoana heeft geroofd, ook steeds te slapen, wanneer 
de tadu en de wurake aankomen ; hij wordt dan door een zijner slaven gewekt. 

Nadat Lemo nTonda zevenmaal is geroofd en teruggebracht, wordt Sese 
nTaola met rust gelaten; Datu mPoiri en zijne vrouw komen nu ook bij hem wonen 
en met hetzelfde middel als waarmee Lemo nTonda haar man heeft opgewekt, 
maakt zij hare ouders en de gansche bevolking van het door den Guruda uitgemoor- 
de dorp weder levend. Daarop moet, op zijn Mohammedaansch, een podo'a-salama 
plaats hebben, naar de opvatting der Mohammedanen uit de Toradja's, een feest 
tot bevestiging der pas herkregen tanoana, waarbij het reciet, dat na den avond- 
maaltijd wordt verricht en waarnaar niemand luistert, de heilbrengende plechtigheid 
is. Het feest wordt zeer juist beschreveD, naar het gewone verloop der podo'a- 
salama's van" de strand-Toradja's. Eerst wordt de buffel opgevangen en alles 
in gereedheid gebracht om de vleeschmassa te koken; daarna wordt een labe 
(hieronder wordt verstaan iemand die het onderwijs in 't koran-reciteeren, 
mangadji, tot het einde gevolgd heeft), om de engko mpontjambale, „de fratsen 
van het ritueel-slachten", te verrichten. De labe komt en spreekt Sese nTaola 
aan met kabosenja, juist zooals de Parigiers of de Todjoers steeds de dorpshoof- 
den der Toradja's aanspreken, terwijl de stamgenooten of de stamverwanten hem 
met een verwantschapsnaam noemen. Den dag vóór het feest wordt gekookt en 
op den eigenlijken dag (matanja) worden er op nieuw labe's van het zeestrand 
gehaald, ten getale van 18 (sampuju uaju, om te rijmen op rajamu, bl. 45, 
l e coupl.), die hun koraa pai barasandji meebrengen. Dit laatste woord is de 
Boeg. uitspraak van Barzandji, voluit Dja'far al Barzandji, de auteur van twee 
maulids, één in gerijmd proza, één in dichtmaat. (20) De voordracht behoeft 



(20) Snonck-Hurgronje, „De Atjèhers", I. 226. Dr. Matthesgee f t in zijne Makassaarsche en Boegineesche 
Woordenboeken op barasandji de mededeeling dat deze benaming van het bedoelde Geboorteverhaal, ontleend 

;s aan de duarin voorkomende woorden 4X>uJ ,»J;.a!) Jl) ,* .AA».- Dit is minder juist; het 
verhaal heet Barzandji, omdat al Barzandji de auteur is, maar het slot van het proza ma ulid vormt een gebed in 
gerijmd proza, waarin o. a. voorkom': ,su,'JÜt 11 ^.Sa». *Ji>.L«.!) S.A»aS) Jy,Ai!s!fc^wj U! ^aé^j 
5l^.AX«. Aju>mJ »en vergeef den wever dezer gestreepte roaulid mantels, Dja'far, wiens genealogie en afkomst 
door den naam al-Barzandji wordt uitgedrukt". Op Java noemt men dezen maulid Bardjandji of zelf» berdjandji. 
Deze mededeeling dauk ik aan Dr. Snouck Hargronje. 



28 

niet juist uit het Geboorteverhaal geweest te zijn, daar gewoonlijk bij het maulid 
nog andere do'a's en sikiri's zijn ingebonden en men het geheele boek ba- 
rasandji noemt, en mobarasandji het voordragen van wat ook uit dien bundel. 

De ontvangst dezer labe's, met anders bij de Toradja's geheel ongewone 
plichtplegingen (voeten wasschen, tabe zeggen, complimenten maken van weers- 
zijden) is zeer goed beschreven; typisch zijn ook de uitvoerige bevelen van Sese 
nToala aan zijn slaaf, die aan de gasten den indruk moeten geven dat er goed voor 
hen gezorgd wordt, maar die bp feesten geheel onnoodig zijn, omdat bij zulk een 
gelegenheid ieder weet wat hij doen moet. Na het eten komt het verzoek van den 
gastheer om „een beetje te barasandjiën". Deze plechtigheid moet tevens dienen 
om het huwelijk van Sese nToala en Lemo nTonda en dat van Datu mPoiri en 
Gili mPinebetu'e te bevestigen. Na afloop van het reciet gaat men slapen. Den 
volgenden morgen wordt het vroegmaal reeds tijdig bereid, en als het eten is op- 
gedragen, worden de labe 's verzocht hunne do'a uit te spreken, daarna houden 
allen de handen op, „en zeggen hami in hunne handen, als besluit der do'a" 
(ndahami palenja, kapura mpombasa). De labe's krijgen een stuk rauw buffel- 
vleesch mee en haasten zich naar huis. 

Nu volgt de tocht naar de ouders van Datu mPoiri en naar die van Sese 
nTaola; deze geschiedt op een wonderschip, dat den naam „Koperhuid" (Lapi 
Tambaja) draagt en dat vanzelf vooruitgaat, als men op de trommen en gongs 
slaat. Dit wondervaartuig heeft Sese nTaola gebouwd bij. zijn" grootvader To 
randa Ue, „de Man die in 't water woont", dus bij het hoofd der watergeesten. 
Daar had zijn tanoana verblijf gehouden, al die maanden dat zijn lichaam sliep, 
terwijl men hem zijne vrouw ontroofde. Nu had hij het maar te roepen en daar 
kwam het schip aan; met hunne vrouwen en gevolg gaan de beide zwagers aan 
boord, men slaat de trommen en gongs en het schip vliegt voort. Met een verre- 
kijker ontdekken zij nu zeeroovers, die hun tegemoet varen. Zeven maal wordt 
nu ook weder hun schip aangevallen en wel door: 

1 To Karó Udja, „de Man van het Regenverblijf". 

2 Ligi nToja, „Schommeldraai". 

3 Bangka Rondo, „Zwervende schip". Van dezen naam is het eerste gedeelte 
het bekende M. P. bangka, wangka, wanga, waka, „boot, scheepje", waarsch. 
ook de stam van Bar. duanga ; Boengk., Morisch, Moena'sch hebben bangka, 
Lalakisch obangga. De kwalificatie rondo is de stam van de uitdrukking karo- 
ndo-rondo, „altijd maar rondloopen", zooals kinderen die niet stil kunnen zitten, 
of menschen die geen rust in zich hebben. Men gebruikt zelfs spreekwoordelijk 
de benaming tau bangkarondo voor „woelwater". De naam is dus zeer 
geëigend voor een zeeroover. 

4 Sandopo Dada, „Vademboret", wordt ook beschreven als een reus met 
een borst van een vadem (ropo) breed. 

5 Mobangka Tae ,met een prauw van ebbenhout". Dat men de beteekenis 



29 

van bangka niet meer verstaat in 't Bare'e, blijkt uit de beschrijving van 
dezen zeeroover (bl. 55): „zijn rug was van ebbenhout, zoo zwart als een 
aap". 

6 Mobangka Labu, „met een ijzeren schip 5 ', aldus beschreven: „zijn rug was 
van ijzer; als men op hem schoot, keerde hij u den rug toe, en 't ging 
er niet door heeD, als een schildpad met hare schaal. " Ook hier is dus 
bangka misverstaan. 

7 Patiri Malela „Staalgieter'', Boegineesch, een der weinige niet Toradja'sche 
namen uit dit verhaal. Malela is bij de Toradja's wel bekend, in de bet. 
„vuurstaal, het stukje staal dat bij den vuurslag wordt gebruikt;" met 
het artikel is de naam van de Boegineezen overgenomen. Van dezen held 
wordt verteld dat het dak zijner prauwhut van staal was. 

Daar Sese nTaola zich weder ongepaste woorden heeft laten ontglippen, 
sneuvelen hij en zijn zwager Datu mPorri tegen Patiri Malela ; ditmaal worden zij 
door hun eigen vaartuig weder in 't leven geroepen. 

Na deze zeven ontmoetingen doorstaan te hebben, kunnen zij ongehinderd 
doorvaren en komen zij bij de ouders van Datu mPoiri ; thans blijkt dat deze als 
kind door den wind aan zijne ouders ontvoerd was. Na de herkenning volgt de 
voorstelling van Gili mPinebetu'e aan hare schoonouders, waarbij volgens de ver- 
plichte adat geschenken worden gegeven: voor het boven komen, voor het gaan 
zitten en bij het sirih pruimen. Daarna wordt nog een do'a salama gehouden, waar- 
voor Datu mPoiri met den wind een labe van 't strand haalt, en kort daarop wordt 
de reis weder voortgezet naar de ouders van Sese nTaola, wier dorp, evenals dat 
van de ouders van Datu mPoiri, onder een ban is sedert het verdwijnen van den 
zoon van het hoofd. Nadat de boete is vastgesteld waardoor de vrede tusschen 
ouders en kind is gesloten, worden de aangekomenen nog met goud bestrooid en 
gaan zij het dorp hunner ouders binnen. Niet lang daarna krijgen Lemo nTonda 
en Gili mPinebetu'e elk een zoon, Motanda Eo en Motanda Wuja. Ook voor 
deze kinderen wordt een do'a salama gevierd. Nadat de kinderen groot geworden 
zijn, worden ze besneden. Tanda Eo, Sese nToala's zoon, toont nu zijne voor- 
naamheid door verbazend lastig te zijn. Op het feest zijn zeven Bidadari's geko- 
men; een van haar zal hem helpen zijn toilet te maken, maar hij wil alleen 
geholpen worden door Taranda (22), een meisje dat met hare grootmoeder woont 
op Tana Kaloeloe, „het Hangende Land". Datu mPoiri gaat haar met den wind 
halen en zij helpt nu Tanda Eo om zijn haar te wasschen. Nu moet hij gebaad 
worden door een labe, maar hij wil door niemand anders besproeid worden dan 
door een Arabier uit Mekka (Tua ri Maka). De Windvorst moet dezen dus ook 
nog gaan halen en daarna heeft de besnijdenis plaats. 



(22) Randè, Par. „maagd", blijkens de lange uitspraak van den klinker der laatste lettergreep, een ge- 
tedueipleerde vorm, dus te vergeleken met Boel. raraha, Tag. Bis. dalaga, 



30 

Niet lang na afloop van het feest, openbaart Tanda Eo aan zijne moe- 
der zijne liefde voor Taranda. Er is geen bezwaar tegen het huwelijk en 
dit zal dan voltrokken worden volgens den adat van het mebolai, beschreven 
door den Heer Alb. C. Kruijt, in het Tijdsch. Bat. Gen. XLI, bl 88 (1899). De 
tocht gaat naar Tana Kaloe-loe, het in de lucht hangende eiland, dat in de 
wurake-litanie Banggai lanto, „het Drijvend Eiland", heet en waar de priesteres 
op haren tocht per regenboog door de lucht ook aanlegt. (23) Ook Tanda Eo en 
zijn gezelschap gebruiken den Regenboog als vaartuig. 

De regels waarmee hij geroepen wordt (bl. 75, 13e couplet) 
Poragia ntapodjaja, kila ntapoa'ajawa, luiden in de wurake-litanie : 
Poragia kuposala, kila kapoa'ajawa, en zijn dus precies overgenomen, al- 
leen de wurake-term sala is door het dagelijksche djaja, „weg", vervangen en het 
voorgevoegde pron. Ie pers. mv. incl. (nta-, verkorting van kita) heeft het enkelv, 
ku- van den wurake - regel vervangen. De beteekenis is: „Den Regenboog heb- 
ben wij tot weg (voertuig), den bliksem tot leuning. 

In de nabijheid van Tana Kaloe-loe gekomen, geven zij hunne aankomst 
door geweerschoten te kennen, naar de gewoonte van de genoemde wijze van 
huwen. Kort daarop worden zij tegengehouden door een Sumajai, (24) een 
vallende ster, die in den regenboog bijt en eerst loslaat, nadat men van uit den 
regenboog goud gestrooid heeft. Dit wordt ook weer zevenmaal herhaald ; telkens 
worden de tegenhouders door goud strooien bevredigd en gaat men weer voort, de 
trommen en gongs slaande om den regenboog voort te drijven, zooals te voren 
bij het schip „Koperhuid" geschiedde. 

Eindelijk komt men aan in het dorp van Taranda en gaat in de lobo en 
niet in het huis van Taranda 's ouders, want de beide partijen bij eene huwelijks- 
voltrekking zijn nooit in hetzelfde huis. Van uit het huis der bruid worden zij 
van het noodige voorzien door zeven dienaressen, over wie beneden nog zal ge- 
sproken worden. Het huwelijk wordt verder op de gewone wijze gesloten. Den 
volgenden dag gaan Sesa nTaola en Lemo nTonda terug, maar Tanda Wuja blijft 
achter en wordt door zijn neef Tanda Eo eenigen tijd later uitgehuwelijkt. Na 



(23) Een nog niet dow mij vermeld Nggasi -verhaal spreekt ook van dit lncht-eiland. De Reiger, den 
Spookaap willende beetnemen 6 wijst hem op het avondrood en zegt: „Ziet ge daar ginds Tana Kaloe-loe? Daar 
groeien vele frambozen, de geheele lucht heeft er een rooden weerschijn van." „Ach, smeekt de Spookaap, 
breng mij daarheen, ik heb zoo'n trek in frambozen." — „Houd mij dan aan mijn hals va9t, dan breng ik u 
er." De Reiger vliegt op, zóó hoog, dat de Spookaap de aarde niet meer kan zien, zegt dan den Spookaap 
zich niet zoo stijf vast te houden en schudt hem af, zoodat hij naar beneden valt. 

(24) Dit woord bevat het infix um- en waarsch. 't suff. -i ; als grondwoord blijft dan over saja, id. met 
salat „mis, fout, schuld" en in 't algem. weer te geven met „iets dat er lang3 gaat, buiten den rechten weg 
geraakt"; als men bijv. water in een ander vat óverschenkt, dan heet hetgeen er langs loopt sajanja, een bij-arm 
van eene rivier is sajanja; saja ndaja wordt gebruikt in de biteekenis van ,.twijfel", daar het iets is wat „langs 
het begrip" gaat, barée kusaja, „ik twijfel niet," d. i. het gaat niet langs mij, of zooals de Toradja zegt, „ik 
ga er niet langs." Vallende sterren zijn dus saja's, „afwijkingen" van de gewone sterren. 



31 

eenigen tijd wordt Taranda zwanger en men oordeelt het noodig, een feest voor 
haar te vieren, het zoogenaamde momparilangka of groot-powurake, waarbij de 
zieken in een e feesthut (langka) zitten. Op dit feest komt ook Matia Eo, die 
de oudere zuster van Tanda Eo is, want toen zijne moeder Lemo nTonda voor 't 
eerst menstrueerde en den doek, waaraan haar bloed kleefde, in 't water had ge- 
worpen, had haar grootvader, die op de Zon woonde, dit genomen, het tot een kind 
opgevoed en in de Zon geplaatst (25). Op dit meisje wordt Tanda Eo verliefd. 
Spoedig daarop bevalt zijne vrouw, maar hij kijkt naar vrouw noch kind om, daar 
hij zijne zinnen op Matia Eo heeft gezet, hij gaat haar vragen, maar haar grootvader 
staat het niet toe; zij is zijne eigen zuster. Tanda Eo keert per regenboog van 
de Zon, via Tana Kaloe-loe naar de aarde terug en gaat zijne zinnen verzetten 
met de zonen der zeeroovers, die zijn vader vroeger hebben aangevallen, te be- 
oorlogen. Bangkarondo 's zoon wordt niet genoemd, maar in de plaats daarvan 
is de laatste i Anakoda ri Tarinate, „de Chineesche koopman (26) van Ternate", 
die voor de gebroeders Tanda Eo en Tanda Wuja onoverwinnelijk is. Anakoda 
ri Tarinate heeft n. 1. een harnas van vuur aan, maar de beide broeders 
kleeden zich in water-harnassen. Nu daalt Matia Eo uit de Zon naar de aarde, 
in een hoed, haar gewone voertuig, met een haan, Manu Tadia, (27), die een 
paar jonge kokosnoten aan zijne sporen draagt, waarmede zich de broeders ver- 
kwikken. De njawa, den levensgeest van Anakoda ri Tarinate, heeft zij reeds 
weggenomen en dien van Tanda Eo in een amulet overgebracht en zoo wordt de 
Anakoda gemakkelijk door de beide broeders doodgestoken. 

Na deze krijgstochten wil Tanda Eo zijn plan doorzetten, om Matia Eo te 
trouwen. Zijne ouders trachten hem er af te brengen, maar hij houdt vol en trouwt 
zijne zuster. Nu verdorren de boomen en verzinkt het land in het water dat 
vanzelf opborrelt, zoodat hij door zijne ouders wordt verlaten en zeil een goed 
heenkomen moet zoeken. 

Hiermede eindigt het verhaal. De verteller zeide dat hij het echte slot 
niet kende en dat dit ook geheim moest blijven. Bij het voordragen van het laatste 
gedeelte moest hij getrakteerd worden en gaven we elkaar op Moslimsche wijze 
de hand, om elkaar gerust te stellen, „dat er geen verkeerde dingen gezegd waren". 



(25) Napomatia ri eo; in 't algemeen wordt met matia de kostbare kern van iets bedoeld, die doorgaans 
in den vorm van een bezoarsteen in verschillende dingen gevonden wordt. De parel in een oester heet ook 
matianja en dus moet matia eo de lichtende kern der zon beduiden. 

(26) Chineesche kooplieden worden in de Tomini-bocht algemeen anakoda, hunne werklieden mantaroso 
genoemd, daar vroeger de Chineezen van Gorontalo met hunne schoeners langs de kust voeren om handel te 
drijven en dus inderdaad anakoda' .< waren. Toen zij zich later aan de kust vestigden, bleven zij dien naam 
behouden. 

(27) Manu Tadia is de naam van een zeer giooten haan, een wonderhaan, in het bezit van bijzondere 
peTsonen in de verhalen. Vroeger heeft hij op aarde geleefd, thans is hij aan den heme 1 te zien; als Ster- 
rebeeld he^t hij Tamangkapa of Mangkapa, en d«ï Toradja's richten z'ch naar den itand v»n dit beeld tot het 
bepalen van de datums van hun landbouwkalender. 



32 

De stukken waaruit het verhaal is samengesteld, zijn voor een gedeelte van 

vreemden oorsprong, maar de bewerking is zoo geheel Toradja'scb, dat het geheel 

zonder bedenken tot de letterkunde der Bare'e-taal kan gerekend worden. 

De deelen waarin het geheele verhaal kan uiteengenomen worden zijn 

dan deze: 

BI. 1 — 6, geboorte van Sese nTaola, zijne vraatzucht, pogingen zijner ouders om 
hem om te brengen; hij gaat de wijde wereld in, doet onderweg 
gezellen op, die elk eene prinses trouwen. 

„ 7 — 13. Sese nTaola bevrijdt Lemo nTonda van den aanval van 7 Goeroeda 's, 
die hij alle doodt; daarop trouwt hij haar. 

„ 14 — 39. Lema nTonda wordt zevenmaal gerooid en telkens door Sese nTaola 
teruggebracht, nadat hij de roovers vervolgd en verslagen heeft, bijgestaan 
door zijn zwager, den Windvorst, die hem door de lucht vervoert. 
Daarna gaan zijn zwager en zuster bij hem wonen. 

„ 40 — 47. De beenderen der voormalige inwoners van het door de Goeroeda's uit- 
gemoorde dorp, waar Sese nTaola thans woont, worden in 't leven terug- 
geroepen ; ter bevestiging van hun leven wordt een groot feest gegeven. 

„ 48—67. Tocht van Sese nTaola en Datoe mPoiri naar hunne ouders met een 
wonderschip ; zeven gevechten met zeeroovers die hen aanvallen. Terug- 
komst van Datoe mPoiri bij zijne ouders, gevier d met een feest, wederzien 
van Sese nTaola en zijne ouders, die voor het hem vroeger aangedane 
onrecht eene boete betalen. 

„ 68 — 73. Geboorte en besnijding van Sese nTaola's zoon Tanda Eo en van Datoe 
mPoiri 's zoon Tanda Woeja. 

„ 74 — 79. Tocht naar Tana Kaloë-loë per regenboog, om Tanda Woeja uit te 
huwelijken. 

„ 80 — 82. Feest tot herstel der ziekte van Taranda, ongeoorloofde liefde van Tanda 
Eo voor zijne zuster. 

„ 83 — 84. Zeerooftocht van Tanda Eo en Tanda Woeja. 

„ 85 — 86. Bloedschendig huwelijk van Tanda Eo met zijne zuster, tengevolge 
waarvan de natuur wordt verstoord, zoodat hij zich met zijne vrouw 
moet verwijderen naar onbekende streken. 
Alleen het eerste gedeelte heb ik bij de echte Toradja 's teruggevonden. Van 

de andere gedeelten kan men alleen van de zeeroovers-episoden met zekerheid 

zeggen dat zij zijn overgenomen. 

Ten slotte kunnen hier nog een paar figuren uit de Bare'e-letterkunde worden 

besproken, die wel in dit verhaal niet op den voorgrond treden, maar die men 

toch in de meeste verhalen terugvindt en wellicht ook in de letterkunde der naast 

verwante Indonesische volken. Kenners daarvan zullen waarschijnlijk eenige der 

reeds bovengenoemde en der hier na te noemen typen in de hun bekende verhaleD 

terugvinden en, naar ik hoop, aan de vergelij kende studie der Indonesische let- 



33 

terkunde den dienst bewijzen van hunne ontdekkingen bekend te maken. Mede- 
deelingen van dien aard kunnen een betrouwbaar hulpmiddel zijn ter bepaling van 
de herkomst van allerlei verhalen-reeksen, en meerdere zekerheid geven, om te 
oordeelen over het al of niet oorspronkelijk zijn van een verhaal of eene reeks 
verhalen bij de volken van Indonesië, van wier letterkunde reeds iets bekend is. 

Boven zijn reeds besproken : de Oude Vrouw (i Bangkele Tu'a), Ta nTolo 
en Indo i nTolo, de Guruda, de Pajowi en het Hangende Land (Tana Kaloe-loe). 

De personen die het allereerst in dit verhaal gemeld zijn, heeten Ta Patu 
en Indo i Datu „Vader (28) en Moeder van Datoe". Datu, de hoogste van de 
titels in de Barée-taal, wordt thans nog alleen van den beheerscher van Loewoe 
(i Datu ri Palopo, i Datu ri Luwu) en van den Morischen vorst te Patasia fi Datu 
ri tana) gebruikt. Maai' in de verhalen is Datu „de Konings-dochter, de Prinses", 
om wie het te doen is, die de vrouw van den prinselij ken avonturier wordt, ten 
spijt van talrijke voorname vrijers. Ta Datu en Indo i nDatu zijn hare ouders 
en daar Datu en haar ridder de hoofdpersonen van 't verhaal zijn, komt hun 
slechts de bescheiden rol van vader en moeder der Prinses toe. Alleen zoolang 
die nog niet geboren is, treden zij wat meer op den voorgrond, ook als zij moet 
uitgehuwelijkt worden en Ta Datu dus moet optreden. Langzamerhand zijn Ta 
Datu en Indo i Datu de benamingen geworden voor alle vorstelijke ouders, wier 
kinderen een rol in r t verhaal spelen. Zoo heeten bijv. de ouders van Sese 
nTaola, van Lemo nTonda, van Datu ni Poiri, de hoofden van al de zeven dorpen, 
die Sese nTaola met zijne makkers bezoekt, Ta Datu en Indo i Datu. 

Bepaalde karaktertrekken hebben deze personnages niet; van Indo i Datu, 
de moeder van den held, wordt voornamelijk medegedeeld, dat zij een dwazen 
wensch doet ten opzichte van het kind waarop zij hoopt, zooals reeds boven is 
gezegd. 

Eenige figuren die bij Ta Datu behooren, zijn zijne getrouwe dienaren 
Sumboli, Lagoni of Lajagoni en Sungko nTada, waarbij soms voor de grap nog 
andere slaven met dubbele namen zijn gevoegd, die weder elk een makker hebben, 
die hun omgekeerden naam draagt. Zoo heeft dus in sommige verhalen Sungko 
nTada een Tada nTjungko tot gezel en zijn er, behalve Dungka Nontju, Koe 
Limbu, Watu Bengo en Tabo Lempe, ook nog Nontju Dungka, Limbu Koe, 
Bengo Watu en Lempo Tabo, die alleen dienen om de hoorders e< j ns te doen 
lachen. Sumboli, Lagoni en Sungko nTada zijn de typen van Toradja'sche 
erfslaven, wier voorouders de voorouders van hunnen heer reeds dienden, en die 
om hunne bruikbaarheid en vertrouwbaarheid en in voortzetting van de familie- 
tradities, door hunnen heer met allerlei belangrijke zaken worden belast, bijv. 



(28) Ta, verkorting van tama, wordt thans meestal als teknonymische benaming voor de.i Oom van een 

kind gebruikt; ah benaming van den Vader is het ouderwetsch. Ook Indo is een oudwwetache benaming 
voor o moeder", thans zegt men meestal nene, ine. 

Verh. Bat. Gen. deel LV. «*• 



34 

het overbrengen van bevelen, uitnoodigingen of oproepingen. Snmboli beteekent 
„onderste-boven"; hoe hij aan dezen naam komt, blijkt uit een Parigisch verhaal, 
waarin hij wordt voorgesteld op omgekeerde voeten te loepen, met de zolen naar 
boven. Volgens andere voorstellingen is hij mank : zijn eene voet is groot, hij 
kan er een waringin mee onischoppen, zijn andere voet is klein als een vinger. 
Sumboli is ook wel eens, afwisselend met Ta Datu, in de dierenverhalen de 
mensch, bij wien de dieren van tijd tot tijd hulp gaan vragen. Zoo bijv. in het 
bekende verhaal „De Aap en de Schildpad", die de pisaugs gaan planten en 
daartoe de spruiten der pisanga van Ta Data gaan vragen. Als later de Apen 
een buffel moeten hebbeu, gaan zij dien aan Sumboli vragen. In de raadsels is 
Sumboli de eigenaar van hetgeen dat geraden moet worden; ook wordt zijn naam 
vaak in de plaats gesteld van hetgeeu de oplossing van 't raadsel is, bijv.: „Een 
buffel van Sumboli, wiens voetstappen niet te zien zijn" (een vlinder), of „Sumboli 
draagt een lijfband en toch is zijn middel niet ingepend" (een draagmand van 
sago-bladscheede, om welks middel altijd een rotan-band is gevlochten), of 
,.Sumboli heeft een kleurigen schaamgordel, dien hij niet wil verkoopen" (de regen- 
boog), enz. De Parigiers hebben daarvoor in hunne raadsels reeds i Pue Nabi of 
i Nabi Mohama in de plaats gezet. Van Lagoni ken ik de beteekenis niet. Sungko 
nTada, de eenige van de hier genoemden, die in dit verhaal voorkomt, beteekent 
„schuin of schrap staande schoorbalk": Sungko is „stut, schoorbalk", tada, stam van 
mentada, schuin staan, zooals bijv. een been dat men achterwaarts plant, als 
men zich schrap zet; van daar dat to mentada eene omschrijving van sungko is. 

Bidadari's zijn in de Toradja'sche verbalen zeldzame verschijningen; zij 
dienen doorgaaus enkel tot opsiering en zijn bijv. in Sese nTaola niet anders 
dan mooie meisjes, die in 't geheel geen rol spelen. Maar er zijn een paar 
trekken, die in Javaansche widadari-verhalen voorkomen, welke men terugvindt 
bij zuiver Toradja'sche figuren, zoodat men zich zeer goed zou kunnen voorstel- 
len, dat over eeuigen tijd deze personen in de verhalen door bidadari's zullen ver- 
vangen zijn. Zoo zijn er bijv. verhalen van mensehen in dier-omhulsel, die dit uiter- 
lijk gewaad afleggen, wanneer zij gaan baden, en dan als mooie meisjes te voorschijn 
komen (2LM; als die dierenhuid haar door een man ontsto'en wordt, kan hij haar 
dwingen zijne vrouw te worden. Ook een verbaal, waarin eene vrouw door middel 
van'een van boven neergelaten draagstoel in den hemel wo^dt opgenomen, 't geen 
in een der Sangireesche verhalen van eene widadari wordt verhaald, is reeds 
vroeger door mij genoemd. (30) 

De andere eigenschap der Indonesische bidadari's (31), om het dagelijksch 
voedsel op wonderlijke wijze uit één blad of uit één aar te vermenigvuldigen, is uit 



(29) Van deze v?rhalen zijn er eenige genoemd in Tijdschr. Bat. Gen. dl. XL, bl. :J6S. 
(W) Jbid. bl. 372. 

Vgl. de door Fleijte aangehaalde verhalen in zijn opstel in het Veth-albain. 



35 

het echt Toradja'sche verhaal van Tale Tandami bekend (32). Een weduwe plukt 
iedercn dag; op 't graf van haar overleden man een paar bladeren van daar groeien- 
de rijst en erwten; als zij die in den pot kookt, zonder het deksel er af te lichten 
voordat de inhoud gaar is, vindt zij er steeds rijst en erwten in. Hare oudste 
dochter is echter nieuwsgierig, kijkt onder 't koken in den pot en vindt er slechts 
bladeren in. Sedert is het met die wonderbare spijsbereiding gedaan. 

Voor de widadari's is dus in de Toradja'sche letterkunde reeds plaats be- 
reid. Ook de Meisjes, Boschgeesten in No. 53 van Van Baarda's Galelareesche 
Verhalen genoemd, kunnen gemakkelijk te gelegener tijd eens widadari's worden- 
De slotsom van Dr. Hazeu in zijn opstel „Niui Towong, bl. 78 van Dl. XLIII, 
Tijdfchr. Bat. Gen.: „N. T. moet oorspronkelijk behoord hebben tot die categorie 
van nymfen of nymfachtige geesten, die reeds van de vroegste tijden in de oude 
Javaausche mythologie een bevoorrechte plaats innamen, tot diezelfde soort we- 
zens dus, waaronder ook Mawang-woelan moet gerekend worden, al is daarmede 
ook niet gezegd dat deze beide volkomen gelijkwaardig zijn", bewijst dat ook 
hij bij de Javanen zelf de oorspronkelijke karakters hunner huidige widadari's heeft 
gevonden. 

Ten slotte mogen nog genoemd worden de zes dienaressen die in Sese 
nTaola tot het gevolg van Taranda behooren, en die allen den naam eener geu- 
rige bloem hebben, n. 1. 

Sese ngkuranga, „Bloem van Hibiscus rosa sinensis.". 

Sese ngkuja, „Gernber-bloein." 

Sese ngkudu, „Bëngkoedoe-bloem." 

Sese ngkuni, „Curcuma-bloern." 

Sese mpantawa, Sese ndoliadapi, namen van mij nog onbekende bloemen. 

Deze meisjes treden hier en daar in hare ondergeschikte rol op, het meest 
nog in het verhaal van Tele- Ba'o, waar eene verlatene vrouw haar zieken man 
wil opzoeken, maar niet alleen door 't bosch durft te gaan. Ken aap, die zich 
haar lot heeft aangetrokken, zegt haar van elk der genoemde planten een bloei- 
enden tak te nemen; elk van die takken wordt daarop een jong meisje, dat den 
naam harer afkomst blijft behouden en hare meesteres overal been begeleidt. 

Of ook deze figuren moeten gerekend worden tot die soort wezens, die bij 
meerdere aanraking der Toradja'sche letterkunde met die der verwante volken 
tot widadari's zouden kunnen worden, kan met deze weinige gegevens niet worden 
uitgemaakt. 

De vorm van het woord bidadari bewijst dat het uit 't Makassaarsch of 
Boe^ineesch is overgenomen. Twee verhalen zijn mij medegedeeld, 't eene in 
't Harée, 't andere in 't Parigisch, waarin bidadan's optreden. In 't Barée-ver- 
haal loopt de held, die i Mohama heet, zoo maar op eene badende Bidadari toe 



(32) Dit is eeae andere lezing dan de door mij, Tijdscdr. Bat Oen. XL, bl. 373, gegevene. 



36 

en dwingt haar hem te trouwen en hem naar den hemel op te trekken. In het 
Parigische verhaal zoekt een meisje hare gestorven moeder, komt bij Nene Pa- 
kaïide (een Boegineesche heks) en ziet daar de Bidadari's baden, ééne daarvan 
is hare moeder. Zij loopt op haar toe en de wederzijdsche herkenning volgt. 

Beide verhalen zijn overgenomen, maar bewijzen dat de Bidadari's reeds 
haar intocht in de Toradja'sche letterkunde hebben gedaan. 



VERTALING. 

Verhaal van Sese nTaola. 



Er was eens een Koning en eene Koningin; reeds langen tijd waren zij 
getrouwd, toen zeide de Koningin: „Ik vraag (iets) zuur(s) (te eten), Ta Datoe, 
ik (vraag om) zuur, Ta Datoe !" Toen ging Ta Datoe (de Koning) heen, nam zijn 
sirih-zak mede, liet een plank in de lobo rammelen en al zijne onderhoorigen kwamen 
bijeen. Toen allen bijeen waren, nam Ta Datoe het woord en zeide: De reden 
waarom ik U heb laten komen, onderdanen, mannen met haar aan den onderkant 
der dijen, is dat uwe gebiedster daar in huis de lusten heeft: gij moet allerlei 
zuurs zoeken." Nu gingen zij allen heen om zure vruchten te zoeken; niet lang 
daarna brachten zij ze, de een deze, de ander die soort, een heele hoek van 't huis 
vol : blimbing, katimba, zure en zoete mangga djongi ; van alles wat zuur was 
proefde Indo i Datoe (de Koningin); slechts een beetje proefde zij er van, ééne 
vrucht van elke soort, zij at ze niet geheel op. Eenigen tijd daarna was de buik 
van Indo i Datoe dik; niet lang nadat haar buik dik was geworden, riep zij het 
uit van het baren (de barensweeën). Op nieuw ging Ta Datoe heen en begaf 
zich naar de lobo, liet een plank rammelen en riep al zijne onderhoorigen op. 
Toen allen bijeen waren, nam Ta Datoe het woord en zeide: Boven (in huis) is 
uwe gebiedster in barensweeën, gaat gij mannen met haar aan den onderkant 
der dijen, dus heen om een vuurhaard te maken, een wieg te vervaardigen, een 
wiegelat te kappen : brengt alles in orde. 

Toen alles gereed was, beviel inderdaad Indo i Datoe; een zoon bracht zij 
voort; nadat zij bevallen was, zoogden al hare ondergeschikten het kind, want 
hij zoog sterk, zijne moeder kon hem niet voldoende zogen. 

Niet lang daarna werd er gekookt en gaven zijne moeder en al hare 
onderhoorigen hem rijst te eten, dag aan dag, nacht op nacht. Sedert werd hij 
niet meer gezoogd, men gaf hem rijstepap, maai hij werd er niet van verzadigd; 
welnu, zei men, laat hem dan vaste spijs eten. Een poos daarna gingen de men- 
schen weer uit elkaar en bleven slechts zijne ouders achter. Als men hem te 
eten gaf, kon men niet meer genoeg voor hem vinden om te eten, hij was al 
te graag iu 't eten; de rijstvoorraad zijner ouders was geheel uitgeput, toespijs was 
er ook niet meer. Toen ging Ta Datoe weder naar de lobo, rammelde met de 
planken en al zijne onderhoorigen kwamen ter vergadering en zetten zich neer 
om te hooren naar de woorden van Ta Datoe. „Ja, zeide hij, dit wilde ik U zeg- 



38 

gen, „wij kunnen niets meer krijgen om ons kind mede te voeden ; daar hij zooveel 
eet, is de rijst en de toespijs op, wat zal hij nu nog eten? Dit is de reden 
waarom wij U geroepen hebben, misschien dat gijlieden een inzicht hebt." 

Toen antwoordde een oude man: „Indien Gij mijne ineening vraagt, beer, 
dan zeg ik dat men een berg ondergraven moest en een steiger onder aan den 
berg oprichten, dan moest Gij met uw zoon gaan zien naar het ondergraven van 
den berg, laat die dan vallen, dat hij hem verplettere; als men merkt dat de 
berg naar beneden komt, laat men het dan niet zeggen, maar ga Gij dan weg". 
Ta Datoe vond dat goed en gelastte lieden den berg te ondergraven ; toen zij 
heengegaan waren om hem te ondergraven, zeide Ta Datoe tot zijn zoon: „(Kom) 
jongen, Iaat ons eens gaan kijken naar het ondergraven van den berg." Yader 
en Zoon gingen nu heen en klommen op den steiger; na eenigeu tijd zeide Ta 
Datoe: „Wacht gij hier op mij, mijn jongen, ik ga nu weg". De vader ging 
heen, de zoon bleet achter op zijn vader wachten ; daarop liet men den berg 
vallen om het kind (bl. 2) te verpletteren ; het stierf dan ook. Ta Datoe keerde 
naar huis terug en zeide tot Indo i Datoe: „Ons kind is dood". 

Niet lang daarna viel er regen, terwijl de zon scheen; het kind werd 
weer levend en ging naar het huis zijner ouders, daar het honger had. Men 
werd hem gewaar, daar kwam hij weder boven: „Vader, zeide hij, zij hebbeu 
mij in den steek gelaten!" — „Ze hebben je niet in den steek gelaten, mijn jongen, 
maar jij bent een slaapkop, door een boom ben je verbrijzeld." Men kookte voor hem 
en gaf hem weer te eten; met zijn onophoudelijk eten was het nog niet anders; men 
had het weer heel zwaar met aldoor te koken. De lieden zeiden : „Dat gaat niet aan, 
als hij 't eten op heeft, is hij weer hongerig." 

Toen rolde Ta Datoe zijn sirih-zak op, ging de trap af, begaf /Ach naar 
de lobo en deed een plank rammelen, de lieden kwamen bijeen, gingen zitten 
en beraadslaagden. Ta Datoe nam het woord: „Wat dunkt ulieden? zeide hij, 
is er wel eens meer een kind gezien van zulk een maaksel? Men moet er 
weer iets op bedenken." Hij sprak het niet recht uit, dat het kind van kant 
gemaakt moest worden, maar hij sprak er om heen. 

Toen antwoordde weder een oud man: „Als het er zóó mee staat, heer, 
dan zal ik U zeggen wat het plan is, dat ik gevonden heb; daar in de hoogte, 
zeide hij, is een groote steen, laat men daar ook eens heengaan om een steiger 
voor U te bouwen " Wederom werden er lieden op, uitgezonden, er werd een 
steiger opgericht. Ta Datoe en zijn zoon gingen er heen; boven op den steiger 
gekomen, liet hij zijn zoon op nieuw in den steek. Niet lang daarna viel de 
steen, ondermijnd door de slaven; het kind werd verpletterd door den steen, te 
zamen met den steiger, ze werden geheel overdekt en niet meer gevonden. De 
menschen gingen uiteen en zeiden: „Hij is dood. 1 ' 

Niet lang daarna viel er regen, terwijl de zon scheen; de jongen werd 
weer levend; men zag hem op den weg aankomen, terwijl hij een grooten steen 



39 

Op zijne schouders droeg. Bij de poort gekomen, riep bij zijne moeder enzeide: 
„Moeder, hier is een steen, waarvoor is hij te gebruiken? misschien om er 
boombast op te kloppen of waarvoor dan ook?" De moeder antwoordde: „Och, 
Jongen, gooi hem tocli buiten de omheinfhg!" Men kookte eten en toen het gaai- 
was, werd het in groote en kleine manden, etensmanden, koperen borden, zelfs 
in draagmanden gedaau, tot dat ze vol waren, een aantal menschen deden niets 
dan het aanbrengen, slechts één deed maar niets dan het opeten. Toen ging hij 
poepen en zeide tot de menschen : „Blijft niet beneden op den grond of onder 
aan den berg, ik ga poepen." Hij poepte, hij overstroomde de rijstblokken en de 
stampers en al wat niet vastgebonden was, werd met deu stroom van zijn poep 
meegevoerd, zooveel was die. Toen hij gedaan had met poepen, ging hij weer 
door met eten, hij hield in 't geheel niet op; de menschen konden het niet meer aan. 

Toen het iederen dag zoo doorging, ging Ta Datoe weer met zijn sirih- 
zak naar beneden en rammelde met een plank in de lobo; toen kwamen de 
oudsten van het dorp ter vergadering, om te hooren wat hun heer te zeggen had. 
Ta Datoe d#n vroeg: „Wat zegt gijl. er van, het is al te bezwaarlijk zulk een 
kind op te voeden; misschien is er wel iemand die er eenig inzicht in heeft, laat 
hij dan het woord nemen." Toen antwoordde een oud man: 

„Ik heb een inzicht, heer, zooals Gij dat vraagt; daar in de hoogte staat 
een groote waringin, lnat men dien omhakkeu; laat men dan ook een steiger aan 
zijn voet maken, om dien grooten waringiu om te hakken, dunkt me." 

Ta Datoe gaf nu bevel aan zijne slaven, zij richtten een steiger op. Ta 
Datoe en zijn zoon klommen er op om te zien naar het omhakken, onderwijl liep 
hij van zijn zoon wes: en dacht: „Nu gaat mijn kind toch zeker dood''. De 
groote waringin viel om, de lieden gingen uiteen; het kind werd verpletterd, zijn 
lichaam was niet meer te zien. 

De menschen gingen allen naar het veld en het dorp was leeg; toen viel 
er regen terwijl de zon scheen; bij (bl. 3) werd weer levend, stond op, nam den 
grooten waringin op zijne schouders en ging naar het dorp zijner ouders. Toen 
hij aan de buitenzijde der omheining gekomen was en geen menschengeluid 
hoorde, hield ook hij zich stil <m.te luisteren of er ook menschen waren, maar 
neen. Hij legde den waringin-stam aan de iuitenzijde der dorpsheining neer en 
daar kwamen de vogels de vruchten opeten. Hij ging de poort binnen, klom in 
huis, maar het was leeg; alleen zijn jongere zusje was tehuis. „Ach, zeide hij, 
mijn vader en moeder zijn toch wel zeer ontaard, zij willen dus niets meer van 
mij weten. Zijn zusje nam een grooten kookpot, want hij had haar gezegd te 
gaan koken. 

„Neen, zeide hij, dien niet, geen groo*en pot". Zij nam er een die niet 
zoo heel groot was, „neen, dien ook niet". Vele putten nam zij, de een na den 
ander; „niet dien, niet dien". Ten slotte nam zij een pol je zoo groot als een 
vuist, daar moest zij in koken, dat zou hij leeg eten. 



40 

Hij was veranderd, bij at niet veel meer. Daarop zette zij den pot te vuur; 
toen de rijst gaar was, deed hij zijn maal; hij at maar enkele scheppen, het kwam 
niet eens op. Daarna zeide hij tot zijn zusje: „Haal mij mijne kleeren voor den 
dag: zeven broeken, zeven hoofddoeken, zeven baadjes"; alles trok hij aan. Hij 
zeide tot zijn zusje: „Ik ga maar heen, mijn vader en mijne moeder hebben mij 
verlaten, blijf gij dus maar hier'. Zijn zusje antwoordde: „Ik wil meegaan". „Als 
de ouders er niet boos om worden, goed, ga dan maar mee". Toen nam hij een 
gouden pinangdoos, zoo groot dat er een mensch in kon en beval zijn zusje: 
„Kruip hier in". Hij deed het deksel er op, stak het in den zak van zijn baadje 
en ging op weg, den grooten waringin gordde hij aan als zwaard; hij bond hem 
aan en nam hem op zijn tocht mee. 

Toen hij heeugegaan was, kwamen zijn vader en zijne moeder van het veld. 
Thuisgekomen, zagen zij dat het kind, dat zij hadden achtergelaten, er niet meer 
was. „Zoo, zeiden zij, zij is dus weg, zonder twijfel is zij meegenomen door haar 
broer, die weder levend is geworden." 

Toen kwamen zij neer te zitten met een plof, hun achterste schoot wortels; 
de wortels van hun achterste hingen tot op den grond; zij konden niet meer 
opstaan; zelfs de hanen kraaiden niet meer; het water stroomde niet meer; de 
kokosnoten vielen niet meer af; zij bleven aan de takken zitten; de wind blies 
niet meer, de lieden rouwden; zij aten niet meer en bebouwden het land niet 
meer; hun dorp werd door de andere menschen met den ban belegd. 

Terwijl de broeder en zuster van zoo even verder gingen, nnmen zij den 
grooten waringin-boom steeds mede, de vogels vlogen hun na: jaarvogels, allerlei 
soorten van duiven, kraaien. Nadat hij lang geloopen bad, hoorde hij gekraak 
van hout, dat was iemand die (de boomen in) 't bosch stuk beet. Toen zij bij 
elkaar waren gekomen, trof (Sese nTaola) hem aan, sprak hem toe en zeide: 
„Laat ik even uitrusten eer ik verder ga" — „Ja, waar komt ge van daan?" — 
„Ik ben niet meer bij mijn vader en moeder gewild, telkens hebben ze mij weg- 
gedaan." — „Wel, laat ik dan met u medegaan, ik ben ook door mijn vader en 
mijne moeder verstooten". — „Nu, ik heb je niet gevraagd, als je dan lust hebt, 
kom, laat ons dan gaan, als ik er geen verwijt over krijg." — „Wel neen, laat 
ons gaan " 

Toen ging hij dan verder, in gezelschap van den Boomenbijter, want die man 
deed iederen dag niets anders dan in de boomen van het bosch bijten. Zij liepen 
maar door, de derde was verborgen, daar wist de Boomenbijter niet van. De 
Boomenbijter zeide: „Vrind, loop gij vooraan, ik word telkens door dien waringin- 
boom geraakt, je zwaardscheede duwt mij aldoor op zijde, ik zal nog vallen." 
Onder het loopen hoorden zij het geluid van iemand die met beenen en vuisten 
tegen de bergen sloeg en dan viel zoo'n berg om door de schoppen met zijne 
beenen; kwam hij bij een volgenden berg, dan viel die (ook) om. (Sese-nTaola) 
sprak ook hem aan: „Scheid eens uit, dat ik kan voorbijgaan." „Houdt gijlieden 



41 

eerst eens stil, waar gaat gij heen?' „Wij zijn maar op 't pad, wij zijn door onze 
ouders verstooten en verlaten". „Laat mij met u medegaan, want ik ben ook 
door mijne ouders verstooten" — „Wel ja, ga maar mee!" — Toen ging de Ber- 
genschopper ook mee, ze waren nu met zijn drieën, de vierde was niet te zien. 
Zij gingen weer verder en hoorden het geluid van gesleep, daar was iemand 
aan het rotan afhakken; telkens als hij een rank had losgescheurd, hakte hij die 
af; daarom werd hij genoemd de Rotan-hakker, en deze ging ook mee: van de; 
vijfde wisten de anderen niet af. Terwijl zij voortgingen vonden zij rog den 
Bomba-bijter, zoo genoemd, omdat het zijn werk was dagelijks bombaaf te bijten 
deze vroeg om mee te mogen gaan, 't geen hem werd toegestaan ; zoo gingen zij 
met bun vijven gezamenlijk voort. Zij hoorden een geplas en zagen den Meerplasser, 
die met het water van een meer speelde, hij deed dit eiken dag. De zevende 
was de Zee-beroerder, die met het water van de zee speelde en dat iederen dag 
deed golven. Al die zeven waren verlaten kinderen, zij bleven bij elkaar; met 
Sese nTaola en zijn zusje waren zijn met hun negenen. 

Nadat zij langen tijd. geloopen hadden, liep hun weg dood tegen de zee 
en beraadslaagden zij en vroegen elkaar: .,Waar zullen wij heengaan?" „Laat 
ons op zee gaan en zwemmen; hoeveel maanden kuut gij zwemmen?' — „Ik kan 
ééne maand" — „Ik twee maanden" — „Ik drie maanden" — „Vier, vijf, zes maan- 
den." — Zijne makkers vroegen nu. aan hem: „Hoe 'ang kunt gij zwemmen?" — 
„Ik weet niet hoeveel maanden", eerst als hij overgestoken was naar het land 
aan de overzijde der zee, hield hij op met zwemmen. „Komaan, laat ons 
gaan /.wemmen; als we niet meer kunnen, klimmen wij op mijne zwaardscheede 
hier, dan zal ik er wel bij zwemmen.'' Zij gingen zwemmen in zee, zonder van 
den rechten weg af te wijken; regelrecht zwommen zij door en terwijl zij voort- 
gingen, kwamen de vogels hen achterna om de vruchten van den waringin op te 
eten, want hun voedsel was van hen weggenomen. Zij waren nu halfweg met 
zwemmen; hij die ééne maand kon zwemmen, was al op (den boom) geklommen, 
daarna die twee, drie, vier maanden konden zwemmen, de een na den ander klom 
er op, hij bleef maar in zijn eentje doorzwemmen. Zij weiden tegengehouden 
door een groote Zeeslang, zij gingen er langs naar den kant van zijn kop, maar 
vonden het eind niet, toen hakten zij hem in 't midden door, dat stuk gooiden 
zij weg : „daar gaan wij doorheen." De Zeeslang stierf na doorgehakt te zijn, hij 
had den vorm van een slang. 

Na zeer lang gezwommen te hebben, kwamen zij aan de overzijde der zee. 
Zij kwamen uit op de aanlegplaats van Ta nTolo; een zijner gezellen gelastte hij 
vuur te gaan halen. Zijn lichaam, zijue kleederen, alles was begroeid met schelpen 
uit de zee, hij haalde ze er af, krabde en schraapte ze met hakmessen er af. 
(De uitgezondene) kwam bij Indo i nTolo; Ta nTolo was niet thuis, hij was gaan 
jagen op menschen, om ze op te eten, eenige had hij in een kraal opgesloten. 
Hij had zeven honden, zoo groot als paarden : de Verscheurder, de Vernieler, de 



42 

Bloed vergieter, de Opslokker, de Bijter, de Pakker en de Roover genaamd; overal 
lagen droge menschenbeenderen op den grond en op de rookvlieriug. Toen de 
Boomenbijter was aangekomen, ging bij naar boven en zeide: „Ik kom vuur 
halen." Indo i nTolo was ongesteld en zeide: „O, o, o, haal het zelf, ik kan 
»iet." Met dat al verschalkte Indo i nTolo den Boombijter; terwijl hij vuur van 
den haard ging halen, kwam Indo i nTolo aangekropen, greep den Boombijter 
aan en stopte hem onder een ijzeren kooi, zoodat hij niet meer weg kon gaan. 
Zijne makkers wachtten hem tevergeefs. Na eenigen tijd kreeg de Bergschopper 
bevel te gaan; ook deze werd door Indo i nTolo met gekreun ontvangen en 
pardoes onder een kooi gezet: hij kon vols'.rekt niet meer weg. Daarna beval 
hij den Hotan-kapper te gaan, daarna den Bomba-bijter en den Meerplas- 
ser. Ten slotte den Zeeberoerder; allen werden onder een kooi gezet, ieder 
onder eeu afzonderlijke kooi. Als de een niet terug kwam, zond hij weer 
een ander uit, maar geen kwam terug; eindelijk ging hij zelf; toen nam 
Indo i nTolo nog een kooi, stopte ook hem er onder en zette tem weg bij zijne 
makkers. 

Niet lang daarna hoorde hij de zeven honden van To nTolo aankomen en 
blaffen, want zij roken meESchengeur. Toen stond (Sese nTaola) op, wierp de 
kooi af' en zeide: „Dat oude wijf maakt grappen, het komt niet te pas menschen 
te eten". Hij greep het oude mensch bij de becnen, zij was (bl. 5) niet groot, 
zij was maar klein, doch sterk; hij smakte haar tegen den grond, dat zij in eens 
stierf. Toen kwam Ta nTulo; zijne honlen bleven staan keffen, (Sese nTaola) 
kwam naar beneden, pakte de honden beet en kneep ze dood ; zelfs hun heer 
liet het leven, allemaal smakte hij ze tegen den grond. 

Toen het echtpaar dan gestorven w.is. liet hij de lieden uit de kraal komen 
en ging van hen allen vergezeld verder. In het huis was nog iemand, Lemo 
nTonda genaan;d, een meisje dat op den zolder werd opgevoed door Ta nTolo en 
Indo i nTolo, in plaats van een eigen kind. Dat meisje nam hij mee en allen 
gingen verder, begeleid van de zooeven verloste lieden ; aan de zee gekomen klom- 
men zij op den waringinstam en hij ging op nieuw in zee zwemmei. 

Eenigen tijd daarna werden Ta nTolo en Indo i nTolo weder levend en 
zeiden: „Wel, ons eten is wee:: knoop je schaainluren aaneen, man; knoopje 
schaamharen aaneen, vrouw!" Zij klommen in een hoogen kokosboom, om naar 
de wegloopers te kijken, die waren iutusschen midden op zee; zij zaten allen op 
den waringin-stam, niemand zwom meer; alleen hij deed hem zwemmende voort- 
gaan. 

Toen slingerden Ta nTolo en Indo i nTolo hunne schaamharen uit, die hechtten 
zich vast aan den waringin; van af den hoogen klapperboom slingerden zij ze 
uit; het baar hechtte zich vast aan de takken van den waringin, (die Sese nTaola 
tot) zwaard (had gediend). Nu trokken zij (het haar) weder naar zich toe, de 
anderen wilden het afsnijden, de hooge kokospalm raakte bijna de oppervlak- 



43 

te der zee, zonder te breken; zij trachtten het haar door te kappen met, een 
bijl, maar die kwam er niet door, bijna werden zij gepakt; maar daar kwam een 
muis uit het holle deel van den waringin, hare verblijfplaats, die beet het door, zoo- 
dat het albrak; toen het afgebroken was, sprong de hooge kokospalm terug, hij richtte 
zich met een vaart op, vterde Ta nTolo en Iudo i nTolo weg, slingerde hen aan 
stukken het woud in; de stukken vlogen in de lucht; men weet niet meer waar ze 
zijn neergekomen; zij waren heelemaal dood en leefden niet meer op. (Sese nTaola 
en zijne makkers) gingen op nieuw aan wal en lieten de lieden die zij medegenomen 
hadden op hunne vroegere verblijfplaats achter, want zij waren niet meer bang, nu Ta 
nTolo en zijne vrouw dood waren. Lemo nTonda bracht bij ook weer op hare 
plaats, hij nam haar niet meer mee. Toen ging hij met zijne makkers weg en 
liep voort langs het zeestrand; na eenigen tijd geloopen te hebben, kwamen zij 
aan den mond der rivier van een anderen Ta Datoe; daar vonden zij niets dan 
vreemdelingen aan den riviermond, daar was ook het dorp van Ta Datoe en 
Indo i Datoe. Zij kwamen de poort in, toen de zon onderging, en gingen regel- 
recht op de voorgalerij af, waar zij door Ta Datoe ontvangen werden. In lange 
rijen kwam het volk aan,, om de pas gekomenen te zien. Telkens als er een 
nieuwe troep kwam, ontving Ta Datoe hen; waar al die menschen op afkwamen, 
dat was een stuk zeeslanjr, dat in het dorp, aan de trap van Ta Datoe was 
neergevallen en door niemand . kon weggeworpen worden; men kon het ook 
niet meer uithouden van den stank, men werd er ziek van. Ta Datoe zeide: 
„Wie het we^-gi oit, die kan mijne dochter trouwen, hij hoeft geen boete of bruid- 
schat te betalen." 

Hij zeide dan ook tot Sese nTaola: „Als gij, mijn jongen, het kunt weg- 
gooien, dan kunt ge mijne dochter trouwen, zouder bruidschat, ge kunt zoo maar 
trouwen." Hij antwoordde: „Wat ons betreft, als het kan, goed, zoo niet, dan 
worde het niet op hem verhaald. Hij zond er den Boomenbijter op af, gaf hem 
zijn kris en zeide: „Komaan, wip het er uit!" Allen gingen heen, de menigte 
liet den Boomenbijter voorbijgaan De dekbladeren van Ta Datoe's huis werden 
opgeslagen; daar boven op zolder zat zijne dochter, Datoe genaamd; zij zette baar 
pinangdoos op de dij, knipte er met haar vinger tegen aan en zij kwam neer op 
de dij van den Boomenbijter en bleef daar liggen, daaruit bediende hij zich van 
sirih. Toen hij gepruimd had, knipte hij de doos weer teriu, zoodat zij weer op 
de dij van Datoe terugkwam. Daarna ging hij heen om (het stuk zeeslang uit 
de benteng) te wippen, het gelukte hem het weg te werpen ; na het wegge- 
worpen te hebben, kwam hij terug en zeide tot Ta Datoe: „'t Is gedaan, heer, 
mag ik vragen, is uwe belofte van zoo even soms veranderd of niet; wat dit 
betreft, zeg het beslist, dat het zeker zij." Ta Datoe antwoordde: „Wij zijn niet 
veranderd, mijn jongen, ge kunt trouwen, de bruidschat is betaald, kom ibl. 6) 
naar boven, van avond zult ge trouwen." Allen kwamen het huis in en werden 
onthaald, de bruidegom werd naar de bruid gebracht en bracht den nacht bij 



44 

haar door. Een deel van de lieden beneden aan de trap was verstoord en boos; zij 
zeiden dat zij (de Prinses) moesten trouwen ; zij wilden elkaar met de kris te 
lijf, maar Ta Datoe stond het niet toe. Zoo was dus de Boon- enbij ter met de Prinses 
getrouwd ; den volgenden morgen wekte (Sese nTaola) Ta Datoe met deze woorden : 

„Sta op, het is al dag, gij hoofd van het dorp. 

Staat allen op, gij die in dit huis woont. 

Dorpshoofd, sta op, ik verzoek te mogen weggaan. 

Steek woenga- en kondo-takken tusschen de dakbladeren. 

Om tot teeken te dienen, om zekerheid te hebben. 

Wanneer de woenga verflenst, dan ben ik, arme, ziek. 

Als de kondo verlept, dan ben ik, arme, ongesteld. 

Ik verzoek te mogen gaan, blijf gij hier." 

Den ganschen dag liepen zij door, den Boomenbijter lieten zij bij zijne 
vrouw achter. Bij het ondergaan der zon kwamen zij bij het dorp van een anderen 
Ta Datoe; het den vorigen dag uitgewipte stuk was gevallen in het dorp van 
dien Ta Datoe; het gonsde van (de stemmen der) menschen in het dorp van 
Ta Datoe. Ta Datoe riep: „Haal het er uit, 't is niet meer te harden van den 
stank, we kunnen den stank niet meer ruiken." Toen de bovengenoemde lieden 
aankwamen, gingen zij op de galerij zitten ; Ta Datoe ging naar hen toe. Ta Datoe ver- 
welkomde hen en zij vroegen hem : „ Wat willen die lui toch met hun geroep ?" Ta Da- 
toe antwojrdde: „Kijk eens naar dat stuk Zeeslang, van gisteren af ligt het daar 
gevallen onder aan mijn huistrap, je gaat dood van den stank; daarom heb ik tot 
de menschen gezegd: „Wie het er kan uitwippen, die krijgt mijne dochter, die 
daar boven op zolder zit, tot vrouw, zonder bruidschat of boete of wat ook; kan 
hij het niet, dan hebben ook wij geen schuld." 

De Prinses daar boven op zolder en de Bergschopper reikten elkaar sirih 
toe; hem dus gelastte (Sese nTaola) de Zeeslang er uit te wippen; hij gaf hem 
zijne kris te leen. 

De Bergschopper riep de menschen aan, zij lieten hem door gaan, bij ging 
wijdbeens staan, wipte (het stuk Zeeslang) op, het verdween in de hoogte en kwam 
neer in het dorp van een anderen Ta Datoe. Zoo trouwde dan de Bergschopper 
ook met eene prinses en werd bij haar toegelaten; daarna ging men slapen; den 
volgenden morgen werd (Sese nTaola) wakker, wekte Ta Datoe en zeide: 

„Sta op, het is al dag," enz., zie boven. 

Daarna gingen zij weer op weg; zij liepen den geheeleu dag; zoo lang 
als de zon scheen liepen zij; bij zonsondergang kwamen zij weer aan een ander 
dorp van een hoofd. Daar was het stuk Zeeslang neergevallen, het hoofd had 
ook al weer beloofd, dat zijne dochter zou trouwen met hem, die dat stuk Zeeslang 
er uit wipte (Sese nTaola) droeg het aan den Rotan-hakker op, die het ook 
met de kris er uit wipte. Zij trouwden ; den volgenden morgen gingen (Sese nTaola 
en de zijnen) weg en lieten hun makker bij zijne vrouw achter. Zoo ging het 



45 

nog driemaal daarna ; telkens als een zijner makkers het stuk Zeeslang uitwipte, 
trouwde hij met eene prinses; toen het voor de zesde maal was uitgewipt, viel 
het in zee; men weet niet meer waar het toen verdwenen is. (bl. 7). 

Toen hij al zijne metgezellen had uitgehuwelijkt, ging (Sese nTaola) 
met zijn zusje verder; hij haalde zijn zusje uit de pinangdoos en liet haar met 
zich meegaan. Eerst volgden zij den grooten weg; toen kwamen zij op een twee- 
sprong ; één tak was een gebaande, de andere een ongebaande weg en dien volgden 
zij. Lang hadden broederen zuster geloopen, toen zij aan de hut eener oude vrouw 
kwamen; het geheele dak was overgroeid met lianen, overschaduwd door slinger- 
planten van allerlei soort. Onder de hut gekomen, trommelde hij tegen het rijst- 
blok, toen antwoordde de Oude Vrouw: „Wie is daar beneden aan 't trommelen ? 
misschien Sese nTaola en Gili mPinebetoe'e? Sedert werden namelijk broer en zuster 
met één naam genoemd. De Oude Vrouw keek naar beneden en zeide: „Jawel, 
zeker, het is Sese nTaola met zijn zusje, die door hun vader en moeder zijn 
verstooten; komt boven, kleinkinderen!" De stakkerts waren maar mager, ze 
hadden in 't geheel niets gegeten, hunne keel was hard geworden. Zij kwamen 
boven en kregen te eten; zeer langen tijd bleven ze daar; het werd jaar in jaar 
uit; ze waren al volwassen en dik. Toen hij goed doorvoed was, ging hij weer 
op reis, zijne zuster liet hij bij zijne grootmoeder achter en ging alleen verder. 
Verlof vragende om heen te gaan, zeide hij tot zijne grootmoeder: 

„Grootmoeder, kook mij këtoepat, om als teerkost te gebruiken. 
Zus, ik vraag afscheid, blijf gij bij onze grootmoeder. 
Ik ga weg, gij, zus, blijf hier." 
Zijne zuster antwoordde: 

„Ik wil hier niet blijven, neem mij toch mee." 

Sese nT.: „Grootmoeder, breng mij haar tot bedaren, blijf gij hier, zus." 

Hieromtrent spraken zij over en weer; ten laatste won Sese nTaola het; 

hij liet zijne zuster achter, nam zeven këtoepats reiskost en ging heen. Hij liep 

juist zoo ver als hij lust had; aan het eind van zijn loopen rustte hij. Bij 't 

ondergaan der zon kwam hij aan een dorp. 

„Maakt mij de poort open, gij inwoners van 't dorp !" (Antw.) „Hoe 
zullen wij de poort open maken, o gast?" 

Er was geen enkel mensch meer levend in het dorp; allen waren gestor- 
ven; het geheele dorp was opgegeten door een Goeroeda; alleen hunne beenderen 
waren er nog; zij konden de poort niet openmaken ; hunne zielen antwoordden : 
„Wij zijn allemaal geesten, die allen fluisteren en zuchten. 
Open zelf de poort, o gast!" 

Hij maakte ze zelf open, ging het dorp binnen en begaf zich regelrecht 
naar de lobo; Sese nTaola werd door de zielen bestreken: sommige hadden koude 
handen; de zielen verlangden er naar om een levend mensch te zien. Sese nTaola 
ging zitten, nam een zijner këtoepats en sneed die midden door; de eene 



46 

helft at bij op, de andere helft bewaarde hij, om die den volgenden morgen op 
te etsn. Na 't eten gebruikte hij sirih, legde zich neder en sliep in; van 't le- 
ven maken der geesten merkte hij niets. Vroeg in den morgen at hij, kauwde 
sirih en ging weer op weg. Den geheelen dag liep hij door; als hij water vond 
dronk hij; vond hij 't niet dan dronk hij niet; toen de zon onderging, kwam hij 
weder in een ander dorp en vroeg of men de poort wilde openen. 

„Maakt mij de poort open, enz." 

De dorpsbewoners waren ook allen opgegeten door een Goeroeda, slechts 
hunne geesten antwoordden: 

„Wij zijn allemaal geesten, enz." 

(hl. 8). Hij ging weder zelf de poort binnen, trad de lobo in, langs zijn 
lichaam streken de geesten. Na een halve këtoepat te hebben opgegeten, kauwde 
hij sirih, legde zich neer en sliep in: den volgenden morgen werd hij wakker, deed 
zijn maal, kauwde sirih en ging heen naai een ander dorp, waarvan de bewoners 
eveneens door een Goeroeda waren gepakt; slechts hunne beenderen waren nog over. 
Op deze wijze ging hij zes dorpen door; aan het zevende gekomen, vroeg hij de 
poort te openen, doch telkens waren het slechts de geesten die antwoordden. 

Nu was zijn reisvoorraad op; hij had nog één këtoepat en die zou zoo aan- 
stonds opraken. Toen hij het zevende dorp binnenging, zag hij daar nog de sporen 
van den Goeroeda, ze waren nog niet oud; het vleesch der gedooden was nog niet ge- 
heel opgegeten, er zat nog wat aan de beenderen; daar ging (de Vogel) telkens 
heen om het in de vlucht op te pakken en op te eten op de takken van den grooten 
waringin, midden in het dorp; de dorpsbewoners waren geheel uitgemoord. Hij sneed 
zijn këtoepat door in de lobo; nu had hij alles opgegeten, slechts een halve (kë- 
toepat) was over; toen zeide hij: Hoe zal ik nu doen? Mijn teerkost is zoo aan- 
stonds ten einde. Hij nam sirih en legde zich te slapen; den volgenden morgen over- 
legde hij of hij verder zou gaan of blijven zou, want ziju proviand was op, er was niets 
meer. Hij liep op het erf heen en weer, toen hij iemand hoorde spreken die zeide: 
„Doe dat toch niet, Sese nTaola, straks wordt de hemel verduisterd, dan komt 
de Goeroeda het vleesch der menschen afkluiven, ;;ls hij het vleesch heeft op- 
geslokt, spuwt hij de beenderen uit." Sese nToala antwoordde: „Waar zit toch 
dat mensch?" Hij zocht en zocht, maar zag haar niet; eindelijk ging hij naar 
de trom en wilde er op slaan, maar de stok was nog niet neergekomen, toen de 
stem zeide: „Niet doen, dan raakt ge mij." „Zoo, zeide Sese nToala, hier zit 
zij dus." Hij keek en daar was inderdaad Lemo nTondn, want die legde het 
er op toe om door Sese nTaola tot vrouw genomen te worden; zij was van de 
lieden in het vroeger genoemde dorp van Ta nToio weggeloopeu, naar een ander 
dorp gegaan en daar in een trom gekropen, om niet door den Goeroeda te wor- 
den opgegeten; zij alleen was over van de bewoners van een heel dorp, die alle 
door den Goeroeda waren opgegeten. Zij was bang er uitgehaald te worden, want 
de Vogel was nog niet gekomen. Sese nTaola verzon een list, hij groef den grond 



47 

op het erf uit als een suikeroven met twee gaten, één om er in, één om er uit 
te gaan en toen groef bij nog een gat, om er adem door te halen, er waren dus 
drie gaten, met een graafstok gegraven. Toen da1> klaar was, vroeg hij aan Lemo 
nTonda: 

„Waar is het schild van Uw vader, Lemo nTonda, wijs het mij". 

Lemo nTonda antwoordde: 

„Kijk daar is alles, daar binnen in huis". 

Nu ging Sese nTaola bet huis binnen; daar vond hij werkelijk het schild; 
hij nam het mee. wachtte het aanbreken van den dag af, om alsdan de 
Goeroeda's te roepen; toen het geheel dag was, voerde hij in het dorp een 
krijgsdans uit, bij hief krijgsgeschreeuw aan, terwijl bij den dans uitvoerde; de 
Goeroeda's hoorden het. en zeiden: „O, daar zijn nog menschen, ze zijn nog niet 
op". Er waren zeven Goeroeda's, vijf jongen, de zesde was de vader, de zevende 
de moeder. De zeven Vogels overlegden te zamen en de jongste zeide: 

„Laat ik maar eerst gaan, ik maar alleen; gaat gijlieden daarna." Hijging 
alleen; na eenigen tijd werd de hemel bedekt; het zonlicht werd onderschept; de 
zonneschijf werd overschaduwd bij zijne aankomst. Hij streek neer op de tak- 
ken van den waringin, want (laar was de plaats waar hij telkens ging zitten: 
hij keek reer op Sese nTaola, en S:s* nTaola keek op en zag hem boven op de 
takken van den waringin. Sese nTaola zeide: 

r , Spring naar beneden, gij Grijp vogel! 

Nu zult gij dan zien een die afstamt van van ouds befaamden, 

Nu zult gij leeren kennen een die van ouds een heldenzoon is. 

Nu zult gij aantreffen een strijder, een die vlug ter been is". (BI. 9.) 

De Goeroeda antwoordde: 

„Al hadt ge mij niet geroepen, ik zou toch naar beneden gekomen zijn. 

Als slechts gij daar ziit, ben ik nog niet bang". 

Sese nTaola antwoordde: 

„Spring snel naar beneden, p v aat maar niet veel meer. 

Maak. maar haast met er af te komen, zeg maar niet veel". 

Inderdaad sprong de Goeroeda naar beneden. Sese nTaola was met schild 
en kris gewapend; de Goeroeda gaf een kreet en wilde Sese nTaola in de vlucht; 
pakken; bijna had bij hem gepakt, maar Sese nTaola kroop in het eene gat 
toen de Vogel er zich in had laten vallen, stak hij hem met zijn kris, de vogel 
viel op hem en kon er in 't geheel niet meer uit, zoodat hij stierf. Toen hij dood 
was, wipte hij hem er uit, bij kwam aan de overzijde der zee terecht. Toen het 
donker werd, wachtten zijne broeders daar boven op hem, zij keken naar beneden 
en zagen Sese nTaola een krijgsdans uitvoeren; hij daagde ook hen uit: toen 
begrepen zij dat hun broeder Sese nTaola niet had kunnen grijpen. De oudere 
broeder antwoordde: „Laat mij nu gaan, ik zie mijn jongeren broer niet meer, 
ik verlang naar hem". 



48 

Toen het nacht werd gingen zij slapen: 's morgens stonden zij op en tegen 
den middag kwam hij dan ook ; regelrecht ging hij op den tak van den waringin 
af, keek op Sese nTaola neer en zeide: „Deze doet geheel anders, niet zooals 
degenen die gestorven zijn; hij wil mij naar beneden laten springen ; van zeven 
dorpen heb ik de inwoners opgegeten en nu brengt deze man mij aan 't aarzelen". 

Sese nTaola antwoordde: 

„Spring naar beneden, enz." (Zie verder boven, ook voor de volgende zes 
coupletten). 

De Goeroeda antwoordde nog : 

„Wacht maar daarginds, dat zal leed over u brengen." 

Eerst daarna gingen zij elkaar te lijf en vochten met elkaar, Sese nTaola 
liet zich nu vallen, in het eene gat zakte hij weg, uit het andere kwam hij 
te voorschijn. Hij trof den Vogel met de kris; deze viel dood neer; Sese nTaola 
werd door den Vogel overdekt, maar hij wipte het lijk er uit. 

Toen deze dood was, waren er nog drie van zijne broeders daar boven. 
Zij zagen van uit de hoogte den dood van hun jongeren broeder; het werd nacht 
en den volgenden dag kwam de naast-oudste broeder van den laatst gestorvene 
(bl. 10) naar beneden. Zoo ging het ook den drie overigen, ten zesde de moeder, 
iederen dag een andere. Toen kwam de beurt aan den vader; dat was degene die 
het laatst kwam ; hij was groot, damp ging van hem uit; hij had zeven koppen, die 
zéér groot waren; zijne sporen waren als zwaarden; als hij er iemand mee trof, 
werd zijn lichaam in de hoogte geslingerd door die sporen. De tak van den 
grooten waringin boog door, toen de Goeroeda daarop neerkwam. Sese nTaola 
daagde hem uit en de Vogel zette zich neer op den tak van den waringin. Sese 
nTaola zeide: 

„Spring naar beneden, enz". 

De Goeroeda antwoordde: 

Al hadt ge 't niet gezegd, ik zou toch al zijn afgesprongen". 

Sese nTaola antwoordde weder: 

„Praat maar niet veel meer, spring snel naar beneden, 

Vervloekte grijpvogel, spring naar beneden!" 

Lemo nTonda zeide: 

„Spreek geen ongelukswoorden, manlief, Sese nTaola 1 

Ik heb teekenen gekregen aan mijn lichaam, Se3e nTaola, 

Teekenen van dood «n van weduwschap, weet dat wel !" 

Zeer lang praatten zij over en weer; daar streek de Goeroeda neer, daar 
hij gezien had dat hij S. T. aemakkelijk kon grijpen; hij sloeg S. T. met zijue 
sporen in den rug, zoodat de lever er uit kwam; toen liet S. T. zich in 
het eene gat vallen, stikte in zijn bloed en stierf tegelijk met zijn tegenstander: 
zij waren tegelijk dood, want beiden stierven; ook de Goeroeda stierf, getroffen 
door de kris. Lemo nTonda zeide : 



49 

„Ik heb het al gezegd, maar gij hebt het zooeven niet geloofd. 

Gij zijt al te tegensprekerig; ik heb u gewaarschuwd, raaar gij hebt het 
niet geloofd." 

Zij kwam uit de trom tevoorschijn, haalde een gouden kom, goot er water 
in, legde er een gouden ring in en besprengde hem zevenmaal, daarna ging zij 
regelrecht weer in de lobo en in de trom. Sese nTaola bewoog zich en stond 
op, hij was ineens weer levend geworden en wipte den Goeroeda met Zeven 
Koppen uit het gat. Inderdaad waren een oogenblik de kondo en vvuoga-plan- 
ten verwelkt; toen men zag dat ze droog waren, zeide men: „Och, Sese nTaola 
is dood! Maar hoe kunnen wij naar hem toegaan?'' Na eenigen tijd werden 
ze weer frisch. „Zoo, hij is dus weer levend." Nu ging Sese nTaola in de lobo 
en sprak Lemo nTonda aan : 

„Kom er uit, Lemo nTonda, maak de sirih voor mij klaar." 

Lemo nTonda antwoordde: 

„Wel, ik ben bang, dat gij mij er uit zult halen." 

Sese nTaola antwoordde : 

(bl. 11). „Wees niet bang, ik ben er immers nog. 

Wees nergens meer bang voor, daar er immers geen Vogels meer komen." 

Lemo nTonda antwoordde: 

„Ik ben niet bevreesd, slechts voor u ben ik verlegen." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Wees maar niet verlegen, er zijn immers niet veel menschen. Het is 
maar niet een praatje, wij gaan immers trouwen. Kom er maar uit, om u is het 
mij te doen." 

Lemo nTonda antwoordde : 

„Laat ik dus niet meer verlegen zijn, breng de trom ginds heen " 

Sese nTaola antwoordde: 

„Zijt ge niet meer verlegen, dan breng ik ze ginds heen." 

Hij ging de trom halen en bracht die aan zijne zijde. 

Lemo nTonda zeide: 

„Ga stevig zitten, want ik kom voor den dag. 

Zet u vast neer, dat gij niet valt. 

Ga zitten met gekruiste beenen, want ik kom tevoorschijn". 

Sese nTaola antwoordde: 

„Ik zit goed, kom maar voor den dag". 

Zij ging er uit en kwam werkelijk voor den dag; nauwelijks was zij 
zichtbaar of zij vielen tegelijk neer, buiten kennis, want beiden waren even schoon. 
Eindelijk kwamen zij vanzelf bij; nauwelijks zaten zij weer overeind of Lemo 
nTonda zeide : 

„Dat is het waarom ik heb gezegd : ga stevig zitten". 

Sese nTaola antwoordde : 

Verh. Bat. Gen. deel LV. 4. 



50 

„Zeg dat niet, wij zijn beiden gelijkelijk buiten bewustzijn geraakt. 

Nu wij beiden zijn bijgekomen, moest gij de sirib eens gereed maken". 

Lemo nTonda maakte ze gereed en zeide: 

„Het staat daar al gereed, ge kuut maar gaan pruimen". 

Zij pruimden sirib, daarna zeide Sese nTaola: 

„Wij hebben gedaan met pruimen, maak nu eten gereed". 

(Lemo nTonda): Ook ik heb honger, laat ik eten gereed maken". 

Lemo nTonda maakte het eten gereed, dat wil zeggen, zij tooverde het 
te voorschijn : zij overdekte de schalen, sprak een tooverspreuk uit en daar steeg 
de damp op. Daarop sprak Lemo nTonda: 

(bl. 12) „Ik heb 't hier al klaar gemaakt, wij kunnen maar gaan eten". 

Zij gingen eten; Sese nTaola zeide : 

„Wij gaan naast elkaar zitten, al zou ik er den dood mee beloopen. 

„Wij beiden gaan naast elkaar zitten, al zou ik er mij toorn mee op den 
hals halen. 

Daar mijn lust is opgekomen om uit één schotel te eten". 

Zij gingen dan eten, daarna pruimden zij sirih. Sese nTaola zeide : 

„Wij hebben al gegeten, maak dan sirih gereed. 

Ik heb al gegeten, nu heb ik ook zin om te baden. 

Ga een kokosnoot zoeken waarmee ik mijn haar kan reinigen. 

Maak mijn haar schoon, dan voel ik mij pleizierig." 

Sese nTaola liet zich 't baar reinigen, hij spleet een kokosnoot in tweeen, 
brak die open, schrapte ze, om in huis zijn haar te laten reinigen; toen dat klaar 
was, vroeg hij aan Lemo nTonda : 

„Waar is de badplaats van uw vader, ga met mij mee er heen." 

Lemo nTonda antwoordde: 

„De badplaats van mijn vader is daar midden in 't dorp." 

Sese nTaola antwoordde : 

„Komaan, laat ons gaan, dat wij er spoedig komen." 

De echtgenooten dan gingen op weg; toen zij er gekomen waren, zeide 
Lemo nTonda: 

„Hier is de badplaats van vader, met een gouden deksel er op. 

Neem hem er af, dan is het te zien, het roept maar steeds ilala, ilala." 

Sese nTaola was er verbaasd van en zeide: 

„Zoo waar! het maakt het geluid ilala, ilala. ' 

Lemo nTonda antwoordde : 

„Het is wonderdadig water, begrijp dat wel." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Ik begrijp het, 't is wonderkrachtig water. 

Ja, gij hebt gelijk, het is bepaald wonderwater. 

Ik zeg het er maar niet om, nu zie ik het voor 't eerst. 



51 

Nu ik. het begrepen heb, laat ons gaan baden. 

Kom, laat ons naast elkaar gaan zitten, al zou ik er den dood tot straf mee 
beloopen." 

Lemo nTonda antwoordde: 

„Ik zit al, laat ons gaan baden." 

(bl. 13) Toen de echtgenooten gezeten waren, baadden zij en Sese nTaola vroeg 
aan zijne vrouw om het kokos-vleesch waarmee hij zoo even tehuis zijn haar had 
gereinigd, ei uit te halen. Hij zeide: 

„Wrijf mij eens daar op mijn rug. 

Kom nu vóór mij zitten en kam mij 't haar." 

Zij wreef hem ; toen zij hem gewreven had, zeide hij : 

„Zeg nu maar niet veel meer, dan gaan wij nu op het droge." 

Zij gingen na weer op het droge, van het water weg en hielden op bij 
de rustbank, om zich te drogen. 

De mcnschen hielden daar gewoonlijk op, sommigen om elkaar te luizen, 
anderen om zich te drogen. Daarna spraken zij elkaar toe en Sese nTaola zeide : 

„Laat ons een oogenblik ophouden, hier op de rustbank. 

Kam mijn hoofdhaar, dat het spoedig droge. 

Laat ons nu heengaan, houd op met praten. 

Ga gij vooraf, Lemo nTonda, ik volg achter u. 

Loop netjes dat ik het goed kan zien. 

Zorg voor een fraaien gang, dat ik het duidelijk zie. 

Zwaai met uw rechterarm, ten teeken uwer vorstelijke afkomst. 

Slinger met uw rechterarm, ten bewijze dat gij eene prinses zijt. 

Duidelijk heb ik gezien dat (het water) ilala bismillah zegt. 

Zoo is het juist deftig, met alle 9 geledingen den grond rakend. 

Zij is een godenkind gelijk, tot de borst opwaarts stijgt hare schoonheid. 

Ik heb het duidelijk gezien, komaan, laat ons op weg gaan." 

De echtgenooten gingen heen ; te huis gekomen zetten zij zich neer en 
Sese nTaola zeide: 

„Luis mij een beetje, dat ik mij pleizierig voel. 

Als het klaar is, houd dan op, ga sirih gereed maken." 

Lemo nTonda antwoordde: 

„Hier heb ik 't al klaar gemaakt, we kunnen maar gaan pruimen." 

Zij pruimdem sirih ; toen zij dat gedaan hadden, zeide Sese nTaola : 

„Nu wij klaar zijn met pruimen, spreid de matras uit. 

Ik vraag verlof te gaan slapen, om eens goed uit te rusten." 

Lemo nTonda spreidde de matras uit en toen het gedaan was, zeide zij : 

„Ik heb haar al uitgespreid, kom maar hier en ga slapen." 

Sese nTaola: 

„Dat gij het goed weet, ik zeg u vooraf: eene maand lang." 



52 

(bl. 14) Toen hij dat bepaald had, legde hij zich te slapeD. Langen tijd had 
hij geslapen zonder wakker te worden, bijna eene maand lang, weldra zou hij 
wakker worden, toen de Vorst der Hemelbewoners zich opmaakte om tegen Sese 
nTaola een sneltocht te ondernemen, want hij had gehoord dat deze Lemo nTonda 
had gehuwd; het kwam niet te pas, zeide hij, dat Sese nTaola met Lemo nTonda 
trouwde, hij zelf had zin in haar, maar Sese nTaola was hem voor geweest en 
daarover was hij verstoord. 

Terwijl Sese nTaola sliep, bleef zijne vrouw wakker; meer dan een halve 
maand had dit geduurd, toen werkelijk de Vorst der Hemelbewoners aankwam, 
om Sese nTaola te snellen. Sese nTaola werd door zijne vrouw gewekt ; zij zeide: 

„Word wakker, Sese nTaola, daar komen roevers aan. Gij moet het wel 
weten, zij komen oorlog voeren." 

Hij werd in 't geheel niet wakker, de tijd van zijn ontwaken was nog 
niet gekomon Toen de Vorst der Hemelbewoners voor de omheining van het 
dorp was gekomen, was er niemand die hem tegenstand bood. Zijne vrouw 
trachtte Sese nTaola nog eens te wekken ; zij zeide : 

„Gij wilt maar niets dan slapen, gij zijt nog niet tot besef gekomen. 

Gij denkt maar alleen aan slapen, gij zijt nog niet ontwaakt. 

Daar komt de vijand aan, gij wordt niet wakker." 

Toen de Vorst der Hemellingen onder aan de trap was gekomen, hield 
Lemo nTonda op haar man te wekken; zij kroop in een glazen kist. De lieden 
die beneden (buitenshuis) stonden, zeiden : 

„Spring naar beneden, Sese nTaola, hier zijn wij, vreemdelingen. Hier 
komen wij aanvallen, spring naar beneden, vrind!" 

Hij die in huis lag werd in 't geheel niet wakker, zij kwamen boven en 
toen zij in huis gekomen waren vonden zij hem slapende. „Zoo, zeide de Vorst, 
hij slaapt daar, dan gaan we maar naar boven, en halen zijne vrouw weg." Hij 
beval zijnen slaven: „Neemt die kist op schouder en brengt haar naar den Hemel." 

Zij gingen heen en namen de kist mee ; pas waren zij een eind op weg of 
Sese nTaola ontwaakte; toen hij wakker was, riep hij z*y'ne vrouw en zeide: 

Schenk water in, dat ik mijn gezicht wasch, vrouwlief Lemo nTonda.'' 

Maar hij riep voor niets; wie zou het inschenken? Zijne vrouw was weg- 
genomen. Toen zij werd ontvoerd, had zij een talisman op den navel van haren 
man gelegd, om de plaats van een kameraad bij hem te vervullen; die talisman 
bad bewustzijn. Sese nTaola riep op nienw. 

„Ik wil mijne oogen uitwasschen, dat ze helder worden en ik kan zien 
wat er om mij heen is " 

De Talisman antwoordde: 

„Spreek niet meer van uwe vrouw, zij is weggeroofd. 

Dat ge 't goed moogt weten, door den Vorst der Hemelbewoners. 

Hier is water in overvloed, wasch uw gezicht, Sese nTaola." 



53 

(bl. 15). Hij wiesch zijn gezicht en haalde de slapers af die aan de 
randen zijner oogleden vastzaten en ze aan elkander plakten. Nadat hij zijn 
gezicht gewasschen had, zag hij dat zijne vrouw er niet meer was, alleen zag hij 
dat zijne vrouw het noodige naast hem had gezet; hij kauwde sirih en riep zijn 
zwager den Windvorst, den man zijner zuster, want deze was gehuwd met Gili 
mPinebetoe'e bij hare grootmoeder en woonde bij haar in. 

„Windvorst, mijn zwager, ik zit in nood. 

't Is moeilijk en lastig, mijne vrouw zijn zij komen rooven. Het is moeilijk 
en lastig, mijne vrouw is weggeroofd." 

De Windvorst hoorde het geluid, maar hij wist niet wat het was en 
vroeg aan zijne vrouw : 

„Leg uw naaiwerk neer, vrouwlief Oili mP. 

Daar komt een geluid hierheen, wellicht de stem van uw broeder". 

G. P. antwoordde: 

„'t Is inderdaad de stem vau mijn broeder, die hierheen roept". 

De Windvorst antwoordde: 

„Als het de stem van mijn broeder is, dan snel ik naar hem toe". 

Toen ging "de Windvorst weg, gedragen door den wind; hij kwam bij 
Sese nTaola en zeide: 

„Waarvoor hebt gij mij geroepen, zwager Sese nTaola?" Sese nTaola 
antwoordde : 

„Ik heb u geroepen, zwager, omdat men mijne vrouw beeft geroofd". 

De Windvorst antwoordde: 

„Gij wilt maar niets dan slapen, enz." (Zie boven). 

Sese nTaola antwoordde: 

„Bezin gij u maar eens, gij zult wel een middel weten". 

De Windvorst antwoordde : 

„Ja, ik weet er een, maak u gereed, dat wij heengaan". 

De Windvorst ging en zette zich aan den ingang van het huis, daarop 
riep hij zijn huisgenoot en gaf hem raad: 

„Ga zitten in de ruimte, om den weg te kuunen roepen, gij aan mijne 
rechter zijde, dat gij niet valt op weg, Wind kom hier, dat ik u als vervoer- 
middel gcbruike. Wir.d, ge moet het weten, 't is de Vorst der Hemelbewoners". 

(bl. 16) De beide zwagers gingen dan heen, gedragen door den wind; 
de Wind liep om en om en zocht de woonplaats van den Hemelvorst in de 
lucht; na langen tijd kwam hij aan het dorp van den Vorst der Hemellingen, 
regelrecht ging hij naar de buiten galerij, riep den huisheer en daagde hem uit 
om naar beneden te springen. 

„Spring naar beneden, Vorst der Hemelbewoners. 

Gij zijt een onbeschaamde dat gij andermans vrouw rooft". 

Dit werd gehoord door de huisbewoners, de vrouwen van den Vorst der 



54 

Hemellingen. er waren er /even, kettingen waren aau hare ooren gehecht, dat zij 
niet van elkaar zouden gaan, want het waren allen vrouwen van anderen, die de 
Vorst der Hemelbewoners had geroofd. Hij had Lemo nTonda nog niet uit de 
kist gehaald, slechts de kist kon hij omarmen en er naast slapen, zonder dat zij 
nog geopend was; bijlen werden er schaardig op, waar zij kwamen er niet door, 
zoodat het hem verveelde; hij sloeg er met stokken op, ze vlogen aan splinters; 
wat moest hij met die kist doen? die was toch wat hard om er naast te slapen. 
De Vorst der Hemelbewoners werd door zijne zeven vrouwen gewekt; zij zeiden: 
Daar ginds is Sese nTaola, men heeft u gewekt opdat ge het weten moogt. De 
Vorst der Hemelbewoners stond op en zeide: 

„Houd u vooreerst nog kalm, ik vraag u om voor mij te koken. 

Toen gingen zijne zeven vrouwen koken, zeven potten vol kookten zij, ieder 
één pot vol, zeven eieren gebruikten zij als toepspijs; tegelijk waren zij alle zeven 
gaar : haar man beval haar op te scheppen : 

„Schept het op dat het onderste boven kome, in porceleinen schotels." 

Sese nTaola daar beneden riep: 

„Spring spoedig naar beneden, praat maar niet veel." 

De Vorst der Hemelbewoners zeide : 

„Ik ga nu eten, houd u vooreerst nog kalm." 

Sese nTaola zeide: 

„Dat past geen man, eens andermans vrouw te rooven. 

Nu zult gij dan zien", enz, zie bl. 9. 

De Vorst der Hemelbewoners antwoordde: 

„Houd u vooreerst nog kalm, ik zou bij 't eten nog een brok in de keel, 
krijgen. 

Nu ben ik klaar met eten, ik moet nog mijne handen wasschen." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Dat past niet aan een man, zooveel wederwoorden te hebben." 

De Vorst der Hemelbewoners antwoordde: 

„Ik praat niet veel tegen, ik wil nog een keer sirib kauwen." 

Sese nTaola antwoordde: 

(bl. 17) Als ge klaar zijt met sirih-kauwen, spring dan snel naar beneden". 

De Vorst der Hemelbewoners maakte zijne uitrusting in orde, zijn pluim 
zette hij op zijn hoofd, zijn gordel bond hij om, broek, hoofddoek, baadje en zwaard 
deed hij aan, zijne lans nam hij mee, daarna zeide hij: 

„Houd op met roepen, ik spring naar beneden". 

De helft van het dak scheurde af, zijn lichaam was in omvang toegenomen 
door het vele tuig dat hij aan had. Hij sprong naar beneden, tot aan de liezen 
zonk hij in den grond. Hij vroeg Sese nTaola hem uit te graven: Graaf mij uit, 
vrind! Deze groef hem niet uit, hij wipte er hem uit en toen kwam hij eruit; 
daarna zeide Sese nTaola: 



55 

„Wie zal du het eerst de lans werpen, vrind?" 

De Vorst der Hemelbewoners antwoordde: 

„Gij, de aanvaller, werp gij het eerst. 1 ' 

Toen antwoordde Sese nTaola weder: 

„Gij die hier thuis zijt, gij moet beginnen." 

Sese nTaola hield zijn schild in positie, de Vorst der Hemelbewoners wierp zijne 
speer, maar miste, daar zij gepareerd werd; zij kwam in den grond terecht ener 
ontstond een meer, zoo groot was het gat. Toen nam Sese nTaola de beurt en zeide : 

„Houd uw schild goed in positie, ik gooi terug." 

Ook hij raakte niet; toen zijne lans in den grond kwam zakte de aarde 
niet in, maar zij bolde naar boven op en werd een berg. Toen de lansen weg 
waren, kwamen de zwaarden aan de beurt, zij trokken ze uit en hakten op elkaar 
in, ze giugen de lucht in en als ze geen zin meer hadden om in de lucht te blijven, 
gingen ze naar beneden op den grond; waren ze vermoeid van den grond, dan 
gingen zij op nieuw de lucht in; te langen leste week de Vorst der Hemelbe- 
woners verkeerd uit en werd getroffen door een zwaardslag; zijn eene been werd 
afgehakt, van af de lies werd het afgehouwen. Toen het op den grond viel riepen 
zijne zeven vrouwen: „Gaat kijken, slaven, of het 't been is van den aangevallene 
of van den aanvaller!" De slaven gingen kijken en toen ze het zagen zeiden 
zij: „O, het is het been van onzen heer, zoo harig en zoo dïk." Een poos daarna 
werd zijn andere been afgehakt, daarop zijne armen, zoodat nog naar alleen zijn 
lichaam als romp over was. Toen zeide Sese nTaola: 

„Wat beteekent dat daar toch, dat druipt en stroomt? 

Van den Vorst der Hemelbewoners is nog maar het lichaam over." 

Eindelijk werd zijn hals doorgehouwen en viel zijn romp naar beneden 
alleen zijn hoofd kwam met geweld op zijn schild neer, dat in tweeën brak. Het 
verhief zich nog in de lucht, maar Sese nTaola schopte het weder terug en duwde 
het weer omlaag, zoodat het op den grond viel. De slaven gingen kijken: 0> 
zeiden zij, het hoofd van onzen heer en van niemand anders " Sese nTaola ging 
nu het huis binnen, nam zijne vrouw in de kist mee en bracht haar met kist en 
al naar beneden; op de buitengalerij gekomen zeide hij tot zijn zwager: 

(bl. 18) Laat ons heengaan, hier is hetgeen we zijn komen halen. 

Zet uwe vrouw in het midden, Sese nTaola. 

Wind, kom hier, dat ik u als vervoermiddel gebruike" 

Daar kwam de wind werkelijk aan om hen weg te brengen : in ééne vlaag 
bracht hij hen door het luchtruim. De Wind-vorst zeide : 

„Pas op, zwager, dat uwe vrouw niet valt". 

De Wind had een vorm aangenomen om hen mede te voeren, zij gingen, 
boven op den wind zitten en bleven er op. Na eenigen tijd kwamen zij te huis 
zonder warm te zijn, door de Wind hen aldaar bewaaide. Te huis gekomen, 
zeide Sese nTaola: 



56 

Kom er uit, Lemo nTonda, maak ons de sirih klaar." 

Zij kwam uit de kifet, waarvan zij het slot van binnen opendraaide. Daarop 
maakte zij de sirih klaar. Toen die gereed was, zeide zij: 

„Hier heb ik ze klaar gemaakt; kom de sirih nu maar halen.'' 

Sese nTaola ging ze halen, bood ze zijn zwager aan en pruimde met zijn 
zwager, zeggende : 

„Kom aan, neem sirih, zwager, daar staat de sirih. 1 ' 

Na het sirih-pruimen wilde de Windvorst weer weggaan om zich naar zijne 
vrouw te begeven, hij nam dus afscheid : 

„Zwager, ik ga heen, blijf gij hier. 

Ik neem afscheid, zwager Sese nTaola. 

Wind kom hier, dat ik u als vervoermiddel gebruike." 

Toen de Wind was aangekomen, ging hij naar zijn huis, het huis der 
Oude Vrouw Gili mPinebetoe'e vroeg: 

„Waarom heeft hij u geroepen, uw zwager Sese nTaola?" 

De Windvorst antwoordde: 

„Zijne vrouw heeft men geroofd, daarom heeft hij mij geroepean." 

Gili mPinebetoe'e vroeg weder : 

„En waar is nu de vrouw van uw zwager Sese nTaola?" 

De Windvorst antwoordde: 

„Uwe schoonzuster Lemo nTonda, zijne vrouw, is weer te huis." 

Gili mPinebetoe'e antwoordde: 

„Als zij weer thuis is, dan is 't goed, dan is door uw tocht alles weer in 
orde gebracht." 

(bl. 19). Ook hij vroeg zijn vrouw om eten, deed zijn maal, daarna 
pruimde hij sirih en ging slapen, want hij was vermoeid van 't najagen der 
geroofde. Sese nTaola daar ginds zeide : 

„Ik ben terdeeg vermoeid, maak het eten gereed." 

Lemo nTonda antwoordde: 

„Hier heb ik het al klaargemaakt, laat ons nu gaan eten," 

Sese nTaola antwoordde: 

„Water is er in voldoende hoeveelheid, daar in de gouden kom. 

Als ge alles hebt opgedaan, dan kunnen we maar gaan eten." 

Zij namen bun maal, daarna gingen zij baden op de badplaats van hun 
vader; na teruggekomen te zijn pruimden zij sirih; Sese nTaola vroeg om zijne 
slaapmat uit te spreiden. 

„Spreid gij eene matras uit, Lemo nTonda." 

Lemo nTonda antwoordde : 

„Ik heb de matras al uitgespreid, manlief Sese nTaola." 

Sese nTaola antwoordde : 

„Als hij daar al klaar ligt, breng mij dan sirih." 



57 

Na gepruimd te hebben, zeide hij weer: 

„Gij moet weten dat ik nu ga slapen. 

Dat ge het goed moogt weten, twee maanden bepaal ik vooraf." 

Hij legde zich neder en viel in slaap: terwijl hij sliep, maakte zich de 
Vorst van het Oosten op; hij had het bericht gehoord dat Sese nTaola met Lemo 
nTonda gehuwd was en zeide dat dit niet te pas kwam; hij zelf wilde haar 
trouwen. Hij maakte aanstalten om te gaan koppensnellen, de voorteekenen waren 
goed, de vogelgeluiden gunstig, hij brak voor goed op en trok uit met wel een 
duizend makkers. Wat Sese nTaola betreft, die deed maar niets dan slapen; 
daar kwamen de aanvallers aan, ééne maaud was al om, eene halve maand was 
nog over, toen de Vorst van het Oosten aankwam Zijne vrouw trachtte hem te 
wekken: 

„Sese nTaola sta op, er zijn menschen gekomen. 

Dat gij het goed weet, hier komen vijanden aan." 

Hij werd in 't geheel niet wakker; de aanvallers kwamen tot onder aan 
de trap en zeiden: 

„Spring naar beneden, Sese nTaola, hier zijn wij, vreemdelingen". 

Maar hij werd volstrekt niet wakker, zoodat zijne vrouw boos werd en zeide: 

(rij wilt maar niets dan slapen" enz. 

He Vorst van 't Oosten riep op nieuw: 

(bl. 20) „Spring naar beneden, wind Sese nTaola". 

Maar daar hij niet wakker werd, kroop Lemo nTonda weer in hare kist; 
de Vorst van 't Oosten kwam boven, zag Sese nTaola en zeide : O, hij slaapt 
vast!" Hij beval zijne' volgelingen de kist waar Lemo nTonda in zat, mee te nemen. 
Zij namen haar op en gingen er mee heen, er werd zelfs niet gevochten of belegerd. 
Zij brachten Lemo nTonda naar het Oosten en waren pas goed op weg en nog 
niet gekomen aan het eind, toen Sese nTaola wakker werd. 

„Schenk water in, dat ik mijn gezicht wassche, vrouwlief Lemo nTonda." 

De Amulet die tusscheu (zijn broek en) zijn navel was ingestoken ant- 
woordde : 

„Spreek maar niet meer van uwe vrouw, die hebben zij mee genomen. 

Daar is het noodige water door Lemo nTonda neergezet". 

Daarop tastte hij naar het water, de randen zijner oogleden waren vast- 
gekleefd van de slapers en zaten aan elkaar vast. Na zijn gezicht te hebben ge- 
wasschen, zeide Sese nTaola : 

„Het is moeilijk en lastig", euz. 

(Verder het gesprek van den Windvorst met zijne Vrouw, het roepen van 
den Wind die hem naar Sese nTaola brengt). 

Toen hij aldus was ingelicht, gingen de beide zwagers op den wind zitten 
en werden naar het Oosten gebracht. De Windvorst zeide : 

„'t Is ongeoorloofd schande op ons te laten, laat ons dan als mannen vervolgen." 



58 

(De tweede regel is evenzoo). 

(bl. 21). „Zwager, maak u gereed, dat wij hen spoedig kunnen vervolgen." 

(De Wind wordt geroepen). 

De Wind kwam en nam de beide zwagers mee. Zij kwamen aan het dorp 
van den Vorst van het Oosten; eerst toen stapten zij af. Sese nTaola riep den 
Vorst vaa het Oosten aldus toe: 

„Spring naar beneden, Vorst van het Oosten." 

Ook hij werd door zijne zeven vrouwen gewekt, allen vrouwen van anderen 
geroofd; hij had niet maar ééne vrouw! 

„Gij zijt een drieste kerel, die andermans vrouwen rooft." 

De Vorst van het Oosten werd wakker en zeide tot zijne zeven vrouwen. 

„Houd u vooreerst nog kalm, laat ik mij eens even bezinnen. Zie;oo, nu 
ben ik klaar wakker, laat voor mij koken. Kookt maar vlug, praat maar niet 
veel." 

Zij giogen met haar zevenen koken, toen de rijst gaar was, gaf haar man 
bevel om op te scheppen: 

„Schept op, dat het onderste boven kome, in porceleinen schotels." 

Zij schepten op, toen zij opgeschept hadden, gingen zij eten, zeven eieren 
waren hare toespijs. Toen zeide Lemo nTonda binnen in de kist: 

„Gij die zoo vermetel zijt in 't rooven, spring naar beneden op den grond. 

Nu zult gij eens zien, enz." 

Ik heb nog niets gezien van zijne dapperheid, manlief Sese nTaola." 

Nadat zijn gegeten hadden, waren zij druk in de weer; de Vorst van 't 
Oosten zeide : 

„Houd u maar kalm, laat mij eerst sirih kauwen." 

Hij pruimde sirih, daarna werd hij door zijne vrouwen toegerust, die al 
zijne kleeren en wapenen voor den dag haalden, om met Sese nTaola te gaan 
vechten. Hij sprong naar beneden en zonk tot halverwege de dijen in den grond, 
waarna hij door Sese nTaola er uit werd gehaald, die daarop vroeg: 

„Wie zal er 'teerst de lans werpen, Vorst van 't Oosten? 

Gij die hier tehuis zijt, moet het eerst de lans werpen". 

De Vorst van 't Oosten antwoordde : 

„Zet u goed schrap, ik werp naar u met mijne lans". 

Hij wierp zijne lans, maar trof niet. Sese nTaola antwoordde: 

(bl 22) „Nu werp ik terug, houd u goed, gij daarginds". 

Hij wierp ook en trof evenmin. 

„Ik heb nu de lans gegooid, laat ons r.u met de zwaarden strijden." 

Zij hakten op elkaar in ; als zij vermoeid waren van op den grond te 
strijden, gingen ze de lucht in, hadden zij er genoeg van in de lucht, dan op 
den grond. Na eenigen tijd maakte de vorst van 't Oosten eene verkeerde 
wending; zijn eene been werd afgehakt en het viel neer, want hij had ongelijk 



59 

en was schuldig. De lieden beneden gingen kijken en zagen het: Ja, waarlijk, 
het been van onzen heer, zoo harig en sterk. Kort daarna werd ook zijn andere 
been afgehakt, daarna zijne armen, zijn hoofd schopte Sese nTaola naar beneden, 
het viel. Zijne zeven vrouwen jammerden, ze waren weduwen. Sese nTaols 
ging het huis in, nam regelrecht zijne vrouw met kist en al en de Windvorst 
zeide: „Wind kom hier, enz." 

De wind kwam aan, nam de beide zwagers en de vrouw mede; tehuis 
gekomen, zeide Sese nTaola: 

„Kom er uit, Lemo nTonda, maak de sirih voor ons klaar. Wij beiden 
zijn hier, wij willen gezamenlijk pruimen." 

Lemo nTonda maakte de sirih gereed en zeide: 

„Hier heb ik ze al klaar gemaakt, kom de sirih maar halen." 

Hij ging ze halen, men pruimde sirih, daarna maakte de windvorst het 
plan om terug te keeren. Sese nTaola zeide tot zijn zwager: 

„Zwager, hier is sirih, laat ons beiden pruimen." 

Daarop vroeg de windvorst om heen te gaan: 

„Ik neem afscheid, zwager Sese nTaola. 

Ik heb haast om naar uwe jongere zuster te gaan, zij is niet hier, zij is daar. 

Wind, kom hier, enz." 

Hij ging op den wind zitten, niet lang daarna kwam hij te huis, Gili 
mPinebetoe'e vroeg hem : 

„Windvorst daar beneden, is uwe schoonzuster weer thuis?" 

Haar man antwoordde : 

„Wees niet bezorgd, uwe schoonzuster is weer thuis." 

Gili mPinebetoe'e antwoordde: 

„Dan is het goed ; dan kunnen we rustig hier blijven." 

Zoo leefden zij weer rus dg voort, de echtgenooten en de Oude Vrouw. 
Sese nTaola vroeg zijne vrouw om eten te koken en zeide: 

„Ik heb nu honger, maak mij eten gereed. 

(bl. 23) Vrouwlief Lemo nTonda, maak mij eten gereed 

Ik voel mij vermoeid, ik ben je zoo ver achterna gegaan." 

Daarop tooverde zij eten tevoorschijn en toen het klaar was, zeide zij : 

„Hier heb ik het al klaar gemaakt, laat ons nu gaan eten." 

Hier is alles wat noodig is, doe nu uw maal, Sese nTaola." 

Sese nTaola antwoordde : 

„Wij hebben gegeten, maak maar sirih gereed". 

Lemo nTonda maakte ze gereed, daarna zeide zij : 

„Al het noodige staat daar, ge kunt maar gaan pruimen." 

Na het pruimen zeide Sese nTaola : 

„Ik ben klaar met pruimen, laat ons nu gaan baden". 

Laat ons te zamen gaan, al zou ik er mij toorn mee op den hals halen.'' 



60 

Zij gingen naar het water om te baden, na het bad gingen zij weer in 
huis. Op nieuw maakte hij het plan om te gaan slapen en zeide tot zijne vrouw: 

„Ik wil nu gaan slapen, ik spreek met u af voor drie maanden." 

Haar man deed maar niets dan slapen. Na anderhaloe maand hoorde de 
Vorst van het Westen het bericht, dat Sese nTaola Lemo nTonda tot vronw ge- 
nomen had. „Wel, zeide hij, daar heeft hij geen recht toe, niet hij moet die 
vrouw trouwen, maar ik. Hij wichelde met het ei, richtte eene hut op om de 
voorteekenen na te gaan, betrok die hut, daarna ging hij op marsch om Sese 
nTaola aan te vallen. Zijne vrouw trachtte hem te wekken, maar het hielp niet. 

(De roof van Lemo nTonda en het terughalen der geroofde door Sese nTao- 
la en Datoe mPoiri wordt geheel op dezelfde wijze beschreven als in de reeds 
verhaalde gevallen. Van den Vorst van het Westen wordt gezegd (bl. 25):) 

Zij(ne vrouwen) schepten voor haren echtgenoot op, zij aten, na het eten 
pruimden zij sirih; zijne vrouwen haalden hem zijne uitrusting voor den dag; hij 
had veel aan: een pluim van papegaaien-veeren, dat men zien kon waar hij heen 
hing, zijn zwaard was zoo groot als een stuk atap. Hij sprong naar beneden; op 
den grond gekomen, zonk hij er in. 

„Graaf mij uit, vriend!' 1 Sese nTaola haalde hem er uit met de taats zijner 
lans, tot zijne heupen was hij ingezonken, zóó hevig was hij neergekomen. Na 
er uitgehaald te zijn, vroeg hij : 

„Wie zal het eerst de lans werpen, enz." 

[Daarna gaat Sese nTaola weder slapen, voor hoe lang wordt niet vermeld, 
naar geregelde opklimming in het verhaal moet het voor 4 maanden zijn. Lemo nTonda 
wordt nu geroofd door i Datu mPajompo Jangi sambira „de Vorst van de ééne 
zijde van den (dagelijkschen) zonneloop," d. i. dus van het Noorden of van het zuiden. 
Feitelijk moeten er twee na elkaar komen, omdat het getal aanvallers zeven zal 
moeten zijn, evenals dat der zeeroovers, met wie S. T. later strijdt en ook omdat hij 
vóór de komst van den volgenden aanvaller 6 maanden gaat slapen, zoodat hij vóór 
de komst van den niet vermelden Datu mPajompo Jangi sambiranja vijf maanden 
moet gaan slapen. Tekst bl 26-29. Als de Datu mPajompo Jangi zijn maal neemt 
vóór het gevecht, zegt hij tot zijne zeven vrouwen (bl. 28)]. 

„Om te toonen hoeveel gij van mij houdt, steekt mij 't eten in den mond." 

Zij staken hem het eten in den mond, elke vrouw één hap. Toeu hem zeven 
happen gevoerd waren, at bij alleen. Na het eten liet hij zijne uitrusting voor den dag 
balen, enz. 

[Daarna wordt verteld de roof van Lemo nTonda door i Torokuku mBetu'e (bl. 
30-33), terwijl Sese nTaola voor 6 maanden gaat slapen. Aldus wordt zijne komst 
beschreven, tekst bl. 30] : 

Hij wichelde met het ei, richtte de hut tot het waarnemen der voorteekenen 
op en betrok die, uam de wichelproet met het kippenei en toen de vogelgeluiden voor 
het snellen gunstig waren, vertrok hij uit zijn land, van tijd tot tijd staakte hij den 



61 

tocht bij het hooren van ongunstige vogelgeluiden en ging eerst weer door als zij 
gunstig waren. Torokuku mBetu'e had zeven oogen, rondom in zijn gezicht: aan de 
slapen, op het voorhoofd en ter hoogte der jukbeenderen als hét sterrebeeld de Haan 
(Pleiaden) met zijne zeven sterren. 

[Als hij zich gaat wapenen, zegt het verhaal, bl. 32:] 

Zijne vrouwen] haalden zeven broeken, hoofddoeken en baadjes voor den dag, 
hij deed ook zeven gordels aan; toen hij zwaar was toegerust, rukte hij het dak boven 
den huisingang af, sprong naar beneden en zonk tot aan zijne oksels in den grond. 

[Ten slotte komt i Momata Tibu de vrouw rooven, bl. 33-36, terwijl Sese 
nTaola voor zeven maanden is gaan slapen. Van Momata Tibu heet het, bl. 33 :] 
Zijne beide oogen waren plassen. 

[Op bl. 34 gaat het verhaal voort, in het laatste gedeelte der samenspraak van 
Sese nTaola en Momata Tiboe, aldus:] 

Sese nTaola antwoordde: 

„Spring spoedig naar benenden, zeg maar niet veel. 

Dat vervloekte blijven zitten! spring toch naar beneden, vrind! 

Al veel te dikwijls is zij door een man weggehaald." 

Lemo nTonda antwoordde in de kist : 

„Zeg geen onheilbrengende woorden, manlief nTaola! 

Er zijn teekenen gekomen op mijn lichaam, Sese nTaola. 

Teekenen van weduwschap en van dood op mijn lichaam, Sese nTaola. 

O, hoe zal ik het nog zeggen ! het is al zoo dikwijls gebeurd. 1 ' 

(bl. 35). Momata Tiboe antwoordde: 

„Houd u vooreerst kalm, laat eerst voor mij koken." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Praat maar niet veel, spring maar snel naar beneden." 

Momata Tiboe antwoordde : 

„Gij daar beneden, zijt gij nog niet bang?" 

Sese nTaol zeide : 

„Komaan, spring naar beneden, praat maar niet veel meer." 

„Al zou het ook mijn sterfuur zijn, ik kom beneden, vrind!" 

Hij sprong naar beneden, maar hij zonk niet meer in den grond, 

„Werp uwe lans naar mij, gij zijt de aangevallene." 

Momata Tiboe wierp zijne lans, maar raakte niet. Sese nTaola wierp terug, 
maar miste ook. Nadat de lansen weg waren, werden de zwaarden gebruikt. 
Zij trokken de zwaarden en hieuwen op elkaar in. Sese nTaola zeide: 

„Laten de zwaarden getrokken worden, opdat onze moed gekend worde." 

De huispalen schudden heen en weer, zoo hevig streden zij in het dorp, 
de grond dreunde er van; Da laDgen tijd werd Sese nTaola gewond en viel dood 
neer. Lemo nTonda in het buis antwoordde van uit hare kist: 

„Ik heb het zooeven al gelegd, maar gij zeilet dat het niet waar w as. 



62 

Ik sprak van teekenen van weduwschap, maar gij ontkendet ze. 

Windvorst daarginds, kom uwen zwager te hulp. 1 ' 

De Windvorst kwam te hulp, geheel alleen ging hij tegenover Momata 
Tiboe staan, pakte hem bij de armen, en trok ze uiteen; zijne armen en beenen 
braken af; hij scheurde in tweeën van zijn achterste tot zijn schedel, zijne oogen 
braken en werden twee plassen op den grond. De windvorst antwoordde : 

„Zie of het niet snijdt, als zeeschuim het aanvalt zelfs niet een weinig 
is er iets dat den aanval van zeeschuim weerstaat."??? 

Nu kwam Lemo nTonda uit de kist om haren echtgenoot weer levend te 
maken; gouden gereedschap kreeg zij uit de kist, zij besprengde zijn lichaam, 
zeven maal heen en weer, op alle plaatsen van het geheele lichaam; Sese nTaola 
leefde weer op en zijne wond verdween; Lemo nTonda zeide: 

(bl. 36) „Gij waart al geheel dood, maar onze zwager is het die te hulp 
is geschoten." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Ik heb het er zoo even niet om gedaan, ik was werkelijk ontslapen." 

De windvorst antwoordde: 

„Komaan, zwager, wij gaan heen; waar is de wind, ons vervoermiddel? 

Pas op voor uwe vrouw, zwager, dat zij niet valt." 

Lemo nTonda verliet nu hare kist en vertoonde zich. De windvorst ant- 
woordde : 

„Zwager, pas goed op, dat ge onder weg niet. wegwaait." 

Sese nTaola antwoordde : 

„Ik zit goed, ik zal niet meer vallen." 

De wind voerde hen alle drie mede ; tehuis gekomen, zeide Sese nTaola : 

„Maak sirih gereed, Lemo nTonda daarginds. 

Maak het noodige om sirih aan te bieden, dan zullen wij onze plannen 
maken" 

Lemo nTonda antwoordde : 

„Hier heb ik 't al klaar gemaakt, kom de sirih hier halen." 

Sese nTaola ging heen en bood zijn zwager sirih aan. 

„Hier is sirih, zwager, zeg nu eens wat gij van plan zijt." 

De windvorst zeide dat hij eerst eene sirih-pruim wilde nemen, daarna 
zeide hij : 

„Wij zijn hier rustig bijeen, er zijn geen plannen te maken. Nu ben ik 
klaar met sirih kauwen, nu moeten er plannen gemaakt worden. 

Zwager Sese nTaola, zeg gij eens uwe plannen." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Dit is mijn voorstel, dat wij te zameu moeten gaan wonen. 

Zwager Windvorst, haal uwe vrouw. 

Ga uwe vrouw halen, luister naar 't geen ik zeg." 



63 

De Windvorst stemde toe : 

„Goed, ik zal gaan, zwager Sese nTaola. 

Wind kom hier, enz". 

Nadat hij was heengegaan en aldaar aangekomen, vroeg zijne vrouw Gili 
mPinebetoe'e: 

„Windvorst daar beneden, waar is nu uw zwager?" 

(bl. 37). De Windvorst antwoordde: 

„Mijn zwager is weer thuis gekomen, maak gij u maar niet bezorgd. 

Ik heb de opdracht gekregen om u te komen halen. 

Dat ge bet zeker moogt weten, we gaan daar te zamen heen. 

Daareven is het besproken, dat wij bij elkaar zouden gaan wonen. 

Maak u gereed om heen te gaan, dan begeven wij ons op weg''. 

Gili mPinebetoe 'e antwoordde: 

„Ik ben al gereed, laat ons afscheid gaan nemen." 

Zij vroeg verlof om heen te gaan aan hare grootmoeder, de Oude Vrouw. 

„Grootmoeder, wij gaan heen, blijf u hier". 

De Oude Vrouw antwoordde : 

„Ach, ga niet heen, mijn kind, denk ook aan mij". 

Zeg tot Sese nTaola dat hij ook aan mij denke ". 

Gili mPinebetoe'e antwoorde: 

„Laat ons ophouden met heen en weer praten, grootmoeder, wij gaan heen". 

„Goed, ik zal er mee ophouden, goede reis ! " 

De Windvorst riep den Wind: 

„Wind kom hier, enz". 

De "Wind kwam aan en bracht de ecbtgenooten en hunne goederen over. 
Aangekomen, antwoordde de Windvorst: 

„Hier zijn wij aangekomen, zwager Sese nTaola." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Vrouwlief Lemo nTonda, bied uwe schoonzuster sirih aan. 

Ga naar uwe schoonzuster toe, Lemo nTonda, laat haar pruimen." 

Zij ging naar hare schoonzuster toe en zeide: 

„'t Is wel aardig, schoonzuster, dat gij hier zijt." 

Na het sirih-pruimen zeide Sese nTaola : 

„Wij hebben al sirih gepruimd, maak gij nu eten gereed. 

Ga met uwe schoonzuster en maak het daarginds gereed." 

Toen zij het klaargemaakt had, zeide zij : 

„Hier heb ik het al klaar gemaakt, we kunnen maar gaan eten." 

(bl. 38). Zij gingen met hun viereo eten; toen zij verzadigd waren, zeide hij : 

.Wij zijn klaar met eten, maak nu de sirih gereed." 

Lemo nTonda autwoordde : 

„Al hadt ge 't niet gezegd al het nooiige staat daar reeds. 



64 

Daar hebt gij beiden alles in voldoende hoeveelheid." 

De gezamenlijke ecbtgenooten, schoonbroeders en schoonzusters, gingen nu 
sirih pruimen, daarna zeide hij : 

,,Ik heb het warm, laat ons gaan baden. 

Laat ons baden en het haar wasschen, dat het vuil er uitgehaald worde; 
haal kokosnoten; waar is de voorraadschuur van uw vader?" 

Lemo nTonda ging ze halen en zeide: 

„Ik ga ze halen, hier zie ik ze al. 

Hier zijn de kokosnoten van vader, schrap ze, dat we het haar wasschen." 

Sese nTaola schrapte de kokosnoten, daarna riep hij zijne vrouw: 

Kom de kokos halen, dan gaan we naar het water. 

Aan het water worde 't haar gewasschen, op de rustbank van vader. 

Laat ons te zamen gaan, broeders en zusters. 

Zwager Windvorst laat ons gaan." 

De Windvorst zeide: 

„Komaan, ga maar, ik volg u, zwager Sese nTaola." 

Zij gingen naar het water en hielden op bij de rustbank die bij de bad- 
plaats was gezet. 

„Licht het deksel op, dat wij water kunnen scheppen." 

Lemo nTonda zeide : 

„Wil water gaan opscheppen, om mij het haar te reinigen." 

Hij schepte water en bracht het naar de rustbank. Lemo nTonda zeide 
tot haar man: 

„Keert ons den rug toe, gaat gijl. uw haar wasschen." 

Zij wiesschen zich het haar; toen dit klaar was, zeide Sese nTaola tot zijne vrousv: 

„Laat uw haar naar beneden hangen, beneden gelijk afgesneden ten teeken 
van de bevalligheid van uw lichaam . 

Bevallig tot op den grond, schoon tot aan de borst". 

Hij legde het haar van Lemo nTonda op een rek. 

„Het haar van Lemo nTonda zóó lang, dat er zeven rekken voor noodig zijn. 

Wij hebben al gebaad, komt gijl. nu maar hier." 

(bl. 39). Toen de mannen klaar waren, gingen de vrouwen baden, de 
mannen gingen uit het water op de rustbank zitten. Toen de vrouwen gereed 
waren met baden, zeiden de mannen : 

„Kamt onze haren om de kokos er uit te halen. 

Opdat ze gauw droog zijn mogen, kamt onze haren." 

De vrouwen kamden 't haar der beide mannen, toen zij het gekamd badden, 
zeiden de mannen: 

„Laat ons nu heengaan, nu gij mij gekamd hebt. 

Laat ons allen heengaan naar huis." 

Zij gingen heen; toen zij thuisgekomen waren, zeide Sese nTaola: 



65 

„Nu zijn wij thuis gekomen, maak de sirih gereed." 

Lemo nTonda antwoordde : 

„Ik heb ze hier al gereed gemaakt, kom de sirib maar halen." 

Zij kauwden sirib, daarna zeide Sese nTaola: 

„ Als gij klaar zijt met sinh kauwen, zeg dan ook eens wat wij nu zullen doen." 

Gij, Lemo nTonda daar, zeg gij eens een plan. 

Daar hebt gij Lemo nTonda, met haar zullen wij een plan maken. 

Gij, Lemo nTonda, zijt het, die zeggen moet wat wij moeten doen. 

Gij, die het weet, zeg ons uw plan". 

Lemo nTonda antwoordde: 

„Luister, maak geen leven, als ik het zeg." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Zeg het goed, wij luisteren er naar". 

Lemo nTonda zeide : 

„Dit is mijn plan, om uw vader levend te maken. 

Sese nTaola antwoordde: 

„Als gij dat zegt, dan is mijn persoontje er niet tegen. Misschien is er 
wel katoenen stol, haal die, dan scheuren wij ze in stukken." 

Zij opende de kisten en manden waar het goed in lag, om de beenderen 
van hare moeder en haren vader in bijeen te rapen, om ze er mee te omsluiten. 
Lemo nTonda antwoordde: 

„Ik krijg verlangen, het zijn nog erfstukken van vader. 

Mijne tranen vloeien, het zijn nog nagelaten stukken van moeder. 

Ik krijg een innig verlangen, het is de nalatenschap mijns vaders." 

(bl. 40). S. nTaola: „Haal ze uit, breng ze bier, ik weet wat ik er mee 
moet doen." 

Lemo nTonda haalde ze uit, bracht de stukken goed van haar vader en 
moeder in het voorportaal en scheurde voor alle menschen gelijkelijk een stuk goed af. 

„Spreid ze uit op den grond, daar midden in 't dorp. 

Daar is ruimte, breng daar de beenderen bijeen." 

Zij gingen been, brachten de stukken op het erf en spreidden ze daar uit, 
daarna zeiden zij : 

„De beenderen van uwe moeder en uwen vader, leg die afzonderlijk." 

Zij raapten ze op en brachten ze bijeen onder den waringin ; eerst nadat 
ze langen tijd hadden bijeen gezocht, waren ze verzameld en zeide Lemo nTonda 
tot haar man : 

„Zij zijn al bijeengebracht, zeg gij nu wat er gebeuren moet." 

„Neem gouden kommen en giet er water in. 

Laat er twee kommen zijn, dat allen spoedig eene beurt krijgen. 

De beenderen, die wij bijeengebracht hebben, bedek die met katoen. 

Als wij hier maar voor zorgen, dat zij niet over den grond verstrooid raken." 

Verh. Bat. GeD. deel LV. 5 - 



66 

Lemo nTonda] bedekte ze, daarna zeide zij : 

„Gij moet meedoen om onzen vader weder levend te maken." 

Nu gingen de beide echlgenooten heen en besprenkelden met water uit de 
kommen de beenderen der dooden ; zij schepten het met de handen op en sprengden 
het neer, zeggeade: „Maak de zeven malen goed vol, dan zullen we er de gevolgen 
van zien." 

Nadat ze zevenmaal waren besprengd, bewogen zich de beenderen, sprongen 
op als regendruppels bij zonneschijn, om het been te zoekeD, waar zij bij hoorden, 
om niet verkeerd aaneengehecht te worden: zij grepen in elkaar, sloten in elkaar, 
elk naar zijn aard en lagen daarop stil. Toen zeide Lemo nTonda : 

„Bespreng ze nog eens, dat het spoedig in orde kome." 

Zij besprengden ze weder, de (beenderen) bewogen zich weder en werden 
nu volledige menschen, maar het waren nog slechts languit liggende geraamten ; 
er was nog geen leven in, 't waren enkel beenderen. Lemo nTonda zeide: 

„Maak de zeven malen vol, dat het volkomen gelukke." 

Zij besprengden ze met water uit de kommen; de ring van Lemo nTonda, 
die den vorm van een slang had, met een diamant er in, een erfstuk harer voor- 
vaderen, was in de kom gelegd, daarmede wekte zij de dooden alle op. Na den 
zevenden keer begonnen zij allen te bewegen; de geheele oppervlakte was één en 
al rug; alleen hunne oogen waren half geloten ; zij waren pas weer levend ; de buiten- 
wereld konden zij nog niet zien. Toen ze hunne lichaamsdeelen alle hadden, zeide 
Sese nTaola : 

„Daar zijn zij nu allen opgestaan, geef hun nu eerst rijstepap te eten." 

Zij gaf hun rijstepap uit een grooten pot; toen leefden ze geheel op en 
konden weer spreken. Lemo nTonda zeide: 

(bl. 41). „Als de pap gaar is, deel ze dan uit in schotels." 

Sommigen stonden baar bij; ze schepten de pap op en slurpten die uit; 
sommigen waren groot, anderen klein: allen leefden, vrijen en slaven; nu werden 
hun sarongs uitgedeeld. 

„Gra rond en deel sarongs uit, aan de volwassenen elk een ; ga rond en geef 
ieder zijn deel, gaande naar elk der volwassenen." 

Toen alles was opgedeeld, gingen zij naar huis en kookten nu een echt maal 
voor hen, zij aten te zamen met hunne ouders. 

De vader en moeder van Lemo nTonda zeiden: „Ja ; mijn zoon, als gij niet 
gekomen waart, zouden wij niets meer van het leven weten. 

Als mijn zoon niet gekomen was, dan zou ik niet in leven zijn. 

Als gij niet gekomen waart, dan zouden wij niet leven." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Het is waar wat gij zegt, ik ben het werkelijk. 

Het is waar wat ^ij zegt, ik ben de menschen komen levend maken." 

Zijne ouders zeiden op nieuw : 



6'? 

„Gij zijt alleen maar gekomen om ons te doen herleven, mijn zoon." 

Allen waren weder springlevend, zij lachten weer op nieuw. 

„Dit heb ik u nog te zeggen, kaboseDja's. 

Zegt ons wat wij nu moeten doen, dat wij het weten. 

Gij, mijn zoon Sese nTaola, moet een plan maken." 

Sese nTaola antwoordde : 

„Zeg eens, Lemo nTonda, moet ik een plan maken?" 

Lemo nTonda antwoordde : 

„Gij zijt een man, gij moet zeggen wat u dunkt. 

Gij, Sese nTaola, moet uw plan uitspreken. 1 ' 

Sese nTaola antwoordde : 

„Naar mijne meening moeten wij een dankfeest geven. 

Voor uwe moeder en uw vader moeten wij een dankfeest geven. 

Wie maar ééns is gestorven, komt nog niet in het doodenrijk. 

Laat ons een dankfeest geven, maak de plannen maar. 

Gij, Lemo nTonda, regel het rijststampen van de lieden." 

Zij zette de lieden aan het rijststampen; de eene troep ging rijststampen, 
een andere troep ging de buffels achterna. Daarop riep (Sese nTaola) Sungko 
nTonda, een slaaf van zijn vader, een zeer vertrouwd man. 

„Wel, Soengko nTada, kom- eens hier, ik heb u wat te zeggen." 

Soengko nTada kwam aan en zeide: 

(bl. 42). „Heer, hier ben ik, zeg maar wat Gij beveelt." 

Sese nTaola antwoordde : 

„Luister naar mijn bevel, ga de buffels achterna. 

Gij hebt er verstand van, ga gij dan een stier opvangen." 

Soengko nTada ging nu de buffels achterna. Daarop droeg Sese nTaola 
zijne vrouw op: 

„Zorg ook dat er kruiden zijn in voldoende hoeveelheid, Lemo nTonda." 

Lemo nTonda antwoordde : 

„Er zijn al reeds genoeg kruiden, manlief Sese nTaola. Hier is alles in 
voldoende hoeveelheid voorhanden: wanneer is nu de hoofd-feestdag?'' 

Sese nTaola antwoordde : 

„Morgen zullen we vast wat vooruit eten, overmorgen is de groote dag." 

Na eenigen tijd kwam Soengko nTada en zeide: 

„Heer, hier ben ik, de buffel is daarginds al opgevangen." 

Sese nTaola antwoordde : 

„Bind hem goed vast, dat hij niet ontsnapt, Soengko nTada." 

Soengko nTada antwoordde : 

„De buffel was toch al niet wild, ik heb hem goed vastgezet. 

Het is een zeer tamme buffel, ik heb hem goed vastgebonden." 

Den volgenden dag zou er gekookt worden ; Lemo nTonda zeide : 



68 

„Sese nTaola, laat de buffel geslacht worden. 

Laat een labe balen om den buffel te slachten." 

Soengko nTada werd gelast een labe te gaan halen, om de ritueele slach- 
ting te doen plaats hebben. Sese nTaola zeide: 

„Ga heen, Soengko nTada, haal een labe van den riviermond. 

Ga een labe halen, Soengko nTada, blijf niet lang uit." 

Soengko nTada ging been en aan den riviermond gekomen, noodigde hij 
den labe uit en zeide: 

„Labe, Gij moest naar het bovenland gaan en daar een buffel slachten " 

De labe antwoordde: 

„Komaan, laat ons heengaan, het hoofd laat mij halen." 

Soengko nTada en de labe gingen nu naar het bovenland, en toen zij 
aangekomen waren zeide (Soengko nTada): 

,,Hier is de labe aangekomen, om wien ik zooeven ben uitgezouden." 

[Sese nTaola:] „Ik heb u laten halen, labe, bier is een buffel te slachten." 

(bl. 43). De labe antwoordde: 

,,De kabosenja gelieve te bevelen dat zij hem gaan binden." 

Sese nTaola antwoordde : 

„Soengko nTada, vertrouwde man, bind den buffel stijf vast." 

Soengko nTada antwoordde: 

„Heer, het is daar al klaar, labe, kom maar mee." 

Sese nTaola zeide : 

„Labe, kom mee, ga met mij mede." 

Hij ging, slachtte den buffel en toen het klaar was, sneden zij hem in 
stukken en brachten de stukken op den vloer onder de rijstschuur. Sese 
nTaola zeide : 

„Komaan, Soengko nTada, breng het onder de rijstschuur." 

Maak het in orde, Soengko nTada, laat sommigen op den grond koken. 

Waar zijn de oudsten, laat ze allen hier komen, 

Om den buffel in stukken te snijden en hem in potten te koken." 

De oudsten kwamen en zeiden : 

„Heer, bier zijn wij, spreek, dat wij het weten." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Daar is Soengko nTada, die zal het vleesch verdeelen. 

Morgen is de hoofddag, de dag van het doa-sëlamat. 

Alleen de lever daar moet gij in huis koken. 

„Ik zeg het, dat ge het weet, die moet gebraden worden in ijzeren 
pannen." 

De lever van den buffel werd boven in huis gebracht. 

Ook Sese nTaola en Soengko nTada kwamen boven en Sese nTaola zeide : 

„Gij, Lemo uTonda, doe uw best met koken." 



69 

Begrijp het goed, morgen een ander gedeelte van 't vleesch." 

Hij gaf het uit, om het voor de huisgenooten te koken. Met allen ijver 
kookten de lieden het gedeelte dat dien avond zou gegeten worden. Toen gaar 
was hetgeen werd klaargemaakt, zeide Sese nTaola: 

„Als het is klaargemaakt, laat ons dan gaan eten." 

Lemo nTonda: „Hier hebben wij het al klaar, laat men het maar 
komen halen." 

Sese nTaola: ., Komaan, Soengko nTada, ga de rijst opbrengen." 

, .Zwager Windvorst, zet u op uw gemak neder." 

Soengko nTada bracht nu de rijst op van zijne heeren Sese nTaola, Wind- 
vorst en Ta Datoe; de labe keerde terug naar den riviermond, slechts zijn 
slachtloon gaven zij hem. 

Ta Datoe zeide: 

,, Mijne schoonzonen, laat ons gaan eten." 

(bl. 44). Nu aten zij allen ; toen zij gedaan hadden, bevalen zij Soengko 
nTada : 

„Wij hebbeu gedaan met eten, schenk waschwater in." 

Soengko nTada schonk het in, daarna zeide Sese nTaola: 

„Kom de schalen afnemen, trouwe Soengko nTada; 

„Als gij ze hebt weggezet, ga dan de sirih halen". 

Hij ging de sirih halen en toen deze was voorgezet, zeide Ta Datoe : 

„Schoonzonen daarginds, nu ga ik sirih kauwen." 

„Als ze aan ieder is rondgedeeld, laat ons daar pruimen." 

Na het siiïh-pruimen kreeg hij slaap en zeide: 

„Ik ben klaar met pruimen, laat ons gaan slapen." 

Den volgenden morgen werden zij wakker, 't was de hoofddag van het 
feest: het herleven der ouders, nadat zij waren gestorven, werd gevierd, ook het 
huwelijk van Sese nTaola met Lemo nTonda werd bevestigd. Soengko nTada 
werd nu opnieuw gelast labe's te gaan halen : 

„Getrouwe Soengko nTada, ga de labe's uitnoodigen ; 

„Ga de labe's halen, gaat met u drieën.'' 

Soengko nTada maakte zich gereed met nog twee makkers; de namen 
zijner makkers zijn niet bekend, het waren zoo maar slaven. 

„Noodig hen allen uit, tot de jongste labe's toe." 

Toen ging Soengko nTada heen en aan den riviermond gekomen, zeide 
hij tot de labe's: 

„U, labe's aan den riviermond, noodigen wij om te komen voorlezen; 

Dat gij het goed moogt weten, brengt uwe Barasandji's mee. 

Een ieder van u, labe's, gaat allen naar het Bovenland." 

De labe's hielden te zamen raad en zeiden: Wij zijn door den kabosenja 
uitgenoodigd om één nacht te komen doorbrengen bij hem, aldaar te overnachten, en 



70 

den volgenden dag de do'a-sëlaniat te houden. Het werd goed gevonden ; zij 
zeiden dat zij gaan zouden; Soengko nTada zeide: 

„Labe's, maakt u gereed: ik heb nog veel te doen." 

De labe's maakten zich gereed ; zij kleedden zich allen aan en namen ko- 
ran's en Barasandji's mede. Zij gingen naar het Bovenland en toen zij waren 
aangekomen, zeide Soengko nTada: 

„Heer, hier komen de labe's aan, ik ben vooruitgeloopen. 1 ' 

Sese nTaola vroeg: 

„Hoeveel labe's komen er aan? zeg het, dat ik het wete." 

(bl. 45). Soengko nTada antwoordde: 

„Er zijn achttien labe's, dat gij het moogt weten." 

Sese nTaola zeide : 

„'t Is goed, zorg maar dat er water zij." 

Water werd gebracht, de labe's kwamen boven en Sese nTaola zeide: 

„Geef matten, Lemo nTonda, ik zal ze uitspreiden, dat het in orde zij : ik 
zal ze bij den ingang uitspreiden, dat de labe's daar kunnen zitten." 

Zij gaf ze, ze werden op de voorgalerij uitgespreid en toen de labe's boven 
waren, zeide Sese nTaola: 

„Telkens als er een bovenkomt, Soengko nTada, wasch hem de voeten." 

Ieder die bovenkwam, wiesch hij de voeten. Sese nTaola zeide: 

„Labe's komt hierheen, hier kunt gij gaan zitten." 

De labe's antwoordden : 

„Met verlof, laat ik voorbijgaan, om daarginds te gaan zitten. 

Laat ik niet onbeleefd doen, met den kabosenja voorbij te gaan." 

Sese nTaola antwoordde : 

„Weineen, daarmee doet gij niet onbeleefd, dat is juist zooals ik het bedoel." 

De labe's gingen voorbij en zetten zich neer. Sese nTaola zeide: 

„Gij allen, labe's, gaat op rijen zitten. 

Gij, Lemo nTonda, maak sirih voor hen gereed." 

Lemo nTonda antwoordde : 

„Hier heb ik de sirih reeds gemaakt, kom ze maar halen." 

Soengko nTada kreeg het bevel van zijn heer: 

„Ga ze halen, Soengko nTada, breng ze in voldoende hoeveelheid hier." 

Soengko nTada bracht de sirih en deelde ze onder de labe's uit, de labe's 
kauwden sirih, ieder van de achttien labe's had zijn pruim. Sese nTaola zeide : 

„Zet ze netjes op eene rij, er is genoeg voorhanden. 

Labe's, bedient u van sirih, er is daar voor ieder genoeg. 

Vrouwlief Lemo nTonda, maak de etensschalen gereed." 

Het werd tijd voor het avondeten der labe's ; Lemo nTonda legde het eten 
voor de labe's en hunne gezellen op de schalen. Sese nTaola beval : 

(bl. 46) „Leg de rijst voor de labe's op schalen. 



71 

i 

Schenk water in, Soengko nTada, in genoegzame boeveelheid in kommen. 

Giet sommigen water in handwasch-komrnetjes. 

Komaan, breng het eten op, er is van alles genoeg. 

Breng mij water, dan zullen wij bet neerzetten. 

Breng de schalen op, ik zal er wel verder voor zorgen. 

De labe's hebben ieder het zijne, ga maar zitten, zwager. 

Soengko nTada breng liet eten, breng ook de schalen voor ons op. 

Ik ben al gezeten, breng ook mij mijne schaal met eten." 

Men bracht hun de schalen op, de beide zwagers aten met de labe's. 

„Ik ben al gezeten, labe's, laat ons eten. 

üe labe's deden hun maal, toen het op was (heette het): 

„Wij zijn klaar met eten, kom de schalen afnemen." 

Hij bracht ze binnen, dat men ze binnenshuis zouden opruimen. 

„De schalen zijn al afgenomen, breng nu ook de sirih. 

Ieder heeft nu zijn deel, labe's, laat ons sirih kauwen." 

Nadat zij gepruimd hadden, was het donker geworden; hij zeide: 

„Ik heb u, labe's, laten halen om een beetje Barasandji voor te dragen." 

De labe's antwoordden : 

„Als gij liet beveelt, Kabosenja, dan zijn wij tot uw dienst. 

Als gij het ods niet kwalijk neemt, dan zullen wij uit de Barasandji voor- 
dragen." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Goed, gaat maar voorlezen, ik vind het zeer goed." 

Toen lazen de labe's uit Barasandji voor, hunne stemmen gonsden, om de 
beide echtparen Sese nTaola met Lemo nTonda en den "Windvorst met Gilli 
mPinebetoe'e te huwen. 

Toen zij aan het eind van hun Barasandji waren gekomen, hielden zij op. 

„Als gij klaar zijt met voorlezen, gaan wij slapen." 

Ook de labe's gingen slapen ; den volgenden morgen zeide Sese nTaola. 

„Haast u met eten koken, Lemo nTonda. 

Degenen die koken moesten gingen koken; de lieden beneden zoowel als 
die in huis weiden aan 't werk gezet. Toen het eten gaar was, werd het op ko- 
peren schalen gelegd, het was de groote dag van het feest. Sese nTaola 
zeide : 

„Soengko nTada, kom hier, dat ik met u spreke.' 1 

Soengko nTada antwoordde : 

(bl. 47) „Heer, hier ben ik, wil het maar zeggen. 1 ' 

Sese nTaola antwoordde : 

„Schenk water in genoegzame hoeveelheid in de kommen." 

Hij schonk water in de kommen, voor ieder zijn deel; toen het klaar was, 
zeide Soengko nTada: 



72 

„Ik beb bet al ingeschonken, water is er genoeg." 

Sese nTaola antwoordde : 

„Ik ga daarginds been, geef bet mij maar aan. 

Windvorst, mijn zwager, ga gij aan dien kant." 

Met hun drieën brachten zij het eten op, om aan de labe's hunue schalen 
aan te geven, totdat ieder het zijne bad. 

„Zwager, laat ons gaan zitten, het is gelijkelijk verdeeld. 

Soengko nTada, breng het eten op, wij zijn al gezeten." 

Soeugko nTada bracht het op; Sese nTaola zeide : 

„Labe's, gij kent de spreuken, laat ons nu de do'a-selamat uitspreken." 

De labe's spraken de formules uit, ook zijn schoonvader vatte de handen 
der labe's tusschen de zijne. Sese nTaola zeide: 

„Nu hebben de labe's hunne spreuken gezegd, laat ons de haudeu op- 
houden." 

Allen hielden de handen op en zeiden ,,amen" in hunne hauden, ten 
besluite der do'a-sëlamat. 

„Lemo uTonda daarbinnen, kom de handen vatten." 

Nadat zij hun de handen had gevat, aten zij allen, kauwden sirih en de 
labe's vroegen om heen te gaan. 

„Wij vragen verlof, kabosenja, blijf gij hier". 

Sese nTaola antwoordde : 

„Ja, ge kunt heengaan, haast u maar naar uwe prauwen. 

Komaan, Soeugko nToda, haal hun versch buffel vleesch. 

Dat zij het medenemen naar hunne schepeu, als eene herinnering aau het 
feest." 

De labe's gingen heen, beschonken met allerlei. Het feest was voorbij, hun 
huwelijk was erkend ; bij sliep niet meer heele maanden, maar zooals andere menschen. 
Toen zij eenigen tijd gehuwd waren, gevoelden Lemo nTonda en Grili mPinebetoe'e 
dat zij zwanger waren. Sese nTaola zeide: 

„Luister, Lemo nTonda, dan zal ik u mijn plan mededeelec 

Dat ge het goed moogt weten, ik verlang naar mijn vader." 

Lemo nTonda antwoordde : 

(bl. 48) „Als gij wilt spreken, laat ons dan vergaderen. 

Vergader met vader en moeder, dat wij behoorlijk verlof vrager). 

Dan ga ik ook mee, om mijne schoonouders te zien." 

Sese nTaola antwoordde : 

„Laat ons dan met ons vieren gaan, dit is het plan dat wij zullen uitspreken. 

Laat ons in een kring in het voorhuis gaan zitten, laat ons daar plannen 
beramen." 

Zij gingen naar het voorhuis, Lemo nTonda zeide : 

„Moeder en vader, uw schoonzoon heeft heimwee. 



73 

Uw schoonzoon verlangt naar huis, weel dat wel." 

Hare moeder antwoordde: 

„Als dat het geval is, mijn kind, dan moet er voorraad gereed gemaakt 
worden. 

Gij hier, mijn kind, zorg dat er rijst gestampt worde. 

Als er een goede dag is gekomen, moet ge behoorlijk afscheid nemen." 

Zij gaf bevel om proviand gereed te maken; de lieden stampten rijst en 
toen er genoeg voorraad gestampt was, zeide zij: 

„Hier is genoeg voorraad, neemt nu afscheid. 

Wel, mijne kinderen, vraagt nu maar om heen te mogen gaan. 

Mijn kind Lemo nTonda, uw man Sese nTaola, 

En ook nog het andere echtpaar, blijft aan mij deuken." 

Sese nTaola en Lemo nTouda antwoordden : 

„Wij vragen verlof om te gaan, wilt ons slaven mede geven. 

Hun moeder en vader antwoordden : 

„Van onzentwege kunt gij beiden over allen beschikken." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Alleen gij moet bepalen, welke er /.uilen thuis blijven. 

Veertig nemen wij er mede, de meesten kunneu thuis blijveu. 

Veertig gaan er op reis, de meerderheid blijft thuis." 

De reizigers namen dan afscheid. 

„Nu is het een goede dag, wij vragen om te mogen gaan." 

Ta Datoe en Indo i Datoe antwoordden: 

(bl. 49) „Gaat heen, kinderen, hebt een goede reis. 

„Welken weg zullen wij gaan? dat vraag ik u." 

Sese nTaola antwoordde: 

„De weg die naar zee gaat, dat gij het wel weet." 

Indo i Datoe antwoordde: 

„Lemo nTorda, mijn kind, ik zal h c imwee naar u krijgen. 

Moogt ge geen opgeluk hebben op de heen- en de terugreis." 

Nu gingen Sese nTaola met vrouw, zwager en zuster heen. 

Bij zijn heengaan zeide hij tot zijne schoonouders: 

„Ge moet het wel weten, het is de weg die naar zee afdaalt. 

Als wij aan zee zijn gekomen, zullen wij pas voor het vervoermiddel zorgen.' 

Al voortgaande kwamen zij aan zee: Lemo nTonda zeide: 

Nu zijn wij aan zee gekomen, wat zullen wij nu doen ?" 

Haar man antwoordde : 

„Wees niet bezorgd, dat weet ik wel; 

Maak u niet ongerust, dat zal ik wel beschikken. 

Schip Koperhuid, kom voor den dag ! 

Waar is het schip van mijn grootvader? Kom te voarschiju." 



74 

Toen hij vroeger zoovele maanden had geslapen, ging zijn levensgeest tel- 
kens heen naar zijn grootvader, den zeegeesten-koning, om een schip te laten 
bouwen. Eindelijk was het af; hij liet bet daar achter en zeide: Als ik het 
roep, dan moet het schip niet zijn tuig vanzelf aankomen. Toen hij het nu riep, 
kwam het werkelijk ; Lemo nTonda keek er naar uit, in één zet was het op het 
zee-oppervlak, een schip met koperen huid, er was niemand aan boord. Hij beval 
het nader te komen. 

„Schip Koperhuid, kom dicht aan land; 

Kom naderbij, Schip, dat wij u bestijgen." 

Het kwam naderbij en wel vlak bij tot aan het strand, zonder vast te loopen. 

Ga aan boord, Soengko nTada, gij moet de menschen aan boord helpen. 

Als zij aan boord komen, vat gij hen dan bij de hand.'' 

In één sprong was Soengko nTada boven, daarna kwamen de drie en veertig 
anderen boven. 

„Gili mPinebetoe'e, volg uwe schoonzuster daar." 

Allen gingen er op; toen zij aan boord waren, zeide Sese nTaola: 

„ Schip Koperhuid houd rechts af. 

Ga naar het diepe, dat wij het land kunnen overzien. 

(bl. 50) Slaat op de trommels, slaat de bekkens. 

Dat de naburige dorpen het hooren, ten teeken dat er een vorst aankomt. 

Het schip Koperhuid heeft den voorsteven naar Mekka gericht. 

Slaat de trommen, slaat de bekkens, 

Om ons schip Koperhuid te doen voortsnellen." 

Slechts de trommen en gongs deden het schip voortsnellen, alle lieden aan 
het strand hoorden het: O, dat is het schip van Sese nTaola! Er was niemand 
aan het roer, er werd alleen maar op de gongs geslagen, zeilen had het niet, wel 
drie masten. 

Het geluid der trommen werd gehoord door To Karö Oedja ; hij werd ver- 
stoord en zeide: Niet Se nTaola behoort Lemo nTonda tot vrouw te hebben, dat 
moet ik zijn. Hij maakte zich op om Sese nTaola in den weg te treden, om zijne 
vrouw en zijn schip te rooven. 

„Slaat de trommen, enz." 

Soengko nTada zeide: 

„Wat komt daar wel aan, de halve hemel is duister. 

Wat mag daar wel aankomen, aan den voorsteven van het schip?" 

Sese nTaola : 

„Tracht het eens door den verrekijker te zien, dat het duidelijk en zeker 
worde." 

Sese nTaola richtte den kijker er op en zeide: 

„Ik heb het al met den kijker gezien, het zijn inderdaad zeerooversschepen. 

Snel voort, Koperhuid, dat wij er spoedig komen." 



75 

Het schip vloug voort en ontmoette de anderen op zee, terwijl Sese nTaola 
sliep; de zeeroovers zeiden: 

„Geef u over, Sese nTaola, hier zijn wij, zeeroovers." 

Soengko nTada antwoordde: 

„Wij hier geven ons niet over, te minder nog Sese nTaola. 

Lemo nTouda trachtte haar man te wekken: 

„Word wakker, Sese nTaola, kijk, daar zijn zeeroovers. 

Sese nTaola word wakker, daar zijn zeeroovers gekomen. 

Gij wilt maar niets dan slapen", enz. 

Daar kwam To Karo Oedja aan, met wel 300 prauwen. Zij schoten en de 
krijgers van Sese nTaola stierven, Soeugko nTada viel in zee. Op dat pas werd 
Sese nTaola wakker en To Karö Oedja sprak hem aan: 

,,Geef u over, enz. 

Sese nTaola stond op en zeide: 

(bl. 51),, Voor iemand als Sese nTaola is het onbehoorlijk zich over te geven. 

Eerst als ik een sarong draag en een haarwrong, zal ik mij overgeven. 

Nu zult ge zien een die afstamt van van ouds befaamden. 

Nu zult ge leeren kennen een die van ouds een heldenzoon is. 

Doet de ankers haken in de voorstevens der vaartuigen" (bis). Zij wierpen 
inderdaad de ankers der prauw van To Karo Oedja over, de prauwen haakten 
aan elkaar. Sese nTaola liet ook de zijne werpen voor den voorsteven van To 
Karö Oedja en zeide tot zijn zwager : 

,,Windvorst, mijn zwager, laat ons elk een deel nemen. Ik ga op To Karö 
Oedja af, gij op zijn geheele leger." 

De beide zwagers spanden al hunne krachten in ; zij scheurden de menschen 
levend in stukken; men vocht met de kris tegen elkaar; zij sprongen over op de 
vaartuigen der roover3; To Karö Oedja en zijne lieden sneuvelden allen, want zij 
hadden schuld, daar zij Sese nTaola, die geen schuld had, in den weg waren 
getreden. De beide zwagers keerden naar hun schip terug, maakten hunne 40 
makkers weder levend en gingen verder. 

„Slaat de trommen, enz." 

Het schip vloog voort, het vloog maar steeds voort; de lieden aan boord 
deden niets; wie slaap had ging slapen; wie geen slaap had bleef wakker. To 
Karö Oedja had den regen tot vlag. 

Toen hoorde Ligi nToja dat Sese nTaola voorbijging; hij rustte zich uit 
en zeide: Dien man zal ik tegenhouden, zijn schip en zijne vrouw zal ik nemen. 
Hij gaf' bevel aan duizende lieden en zij maakten de vaartuigen gereed. Na ge- 
ruimen tijd, toen een goede dag was gekomen, daalden zij af naar de zee; Ligi 
nToja ging met de zijnen aan boord; kijk, als kokos-schillen dreven zij op zee, 
zooveel waren er. De lieden op het groote schip zeiden : 

„Wat kcnit daar aan op den voorsteven van ons schip? 



76 

Misschien een zeerooversschip, op onzen voorsteven, op onze voorplecht gericht. 
Kijk door den kijker, dan zal het te zien zijn of het een zeerooversschip 



is." 



Soengko nTada antwoordde : 

„Ik heb 't al door den kijker gezien, het is werkelijk een rooversschip." 

Sese nTaola: 

„Als het een zeerooversschip is, richt er dan den steven heen." 

Lemo nTonda antwoordde : 

„Ik ben zeer bevreesd voor dat vechten op zee." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Wees niet bevreesd, ik ga mij ook in den strijd begeven. 

Als ik maar eerst met mijn schip de zeeroovers heb aangevaren" 

(bl. 52). (Verder gaat het verhaal voort, in ongeveer dezelfde bewoor- 
dingen als op bl. 50 en 51 de ontmoeting met Ligi nToja te vertellen, die geheel 
gelijk is aan die met To Karö Oedja). 

(bl. 53). Het schip snelde voort en liet de dooden achter, wij laten ze 
maar op de zee drijven. Nu hoorde Bangkarondo het bericht der nadering van 
vSese nTaolo en zeide: Ja, dat is een booswicht, Lemo nTonda tot vrouw te ne- 
men, ik zal zijn schip nemen, ik hoor daar zijne trommen. Hij had gehoord dat 
zijne bloedverwanten gestorven waren, gedood door vSese nTaola. Hij wilde hem 
in den weg treden ; men stampte rijst tot proviand ; 3000 man rustten zich uit en 
toen zij alles in orde hadden gebracht, schoven zij de prauwen in zee, toen zij vlot waren, 
gingen zij om het hardst; sommigen zeilden, sommigen roeiden met lange riemen, 
anderen schepten. Zij waren nog vrij ver, toen Soengko nTada hen zag en zeide : 

„Wat komt daar aan, enz." 

(Het verhaal loopt nu verder door als bij de vorige ontmoetingen ; tbans 
sneuvelen aan de zijde van Sese nTaola slechts 20 man. De volgende ontmoeting 
is met Sandopo Dada, waarbij er 10 man van S. T. sneuvelen, de daarop volgende 
met Mobangka Toë. Verder bl. 56 r. 9. aldus) : 

Men brandde op elkaar los op zee. Zij knalden er op, dat de lieden uit 
elkaar spatten ; de prauwen waren niet meer te zien. daar zij geheel in rook wa- 
ren gehuld. Zij waren door de gansche prauwenmacht omringd; hobbeldebobbel 
ging het op het zee-oppervlak, alsof de zee was omgeroerd ; zij waren aan elkaar 
gewaagd; zij trokken hunne ondoordringbare harnassen aan en er sneuvelden 
geene lieden van Sese nTaola meer. Na geruimen tijd werd Sese nTaola wakker 
en Lemo nTonda zeide: 

„Gïj wilt alleen maar slapen, enz." 

Sese nTaola antwoordde : 

„Het was niet mijn doel te slapen, ik ben in de leer geweest bij mijn 
grootvader. 

Dat ge het wel moogt weten, ik heb mijne studie voltooid. 



77 

Niet dat ik voor had te slapen, ik heb mij de echte vechtkunst eigen ge- 
maakt." 

[Het verhaal gaat nu weder door als bij de vorige ontmoetingen. Daarna 
komt, het treffen met Mobangka Laboe, dat als de vorige gevechten verloopt. 
Verder bl. 58, boven aan :] 

„Zij lieten de ankers in eikaars prauwen haken, nadat Sese nTaolazehad 
laten overwerpen, daarna trokken zij met de krissen op elkaar los; prik, prik, 
staken zij naar elkaar met de krissen ; na geruimen tijd werd Mobangka Laboe 
gewond en stierf. Slechts twee zijner lieden werden vi ij gelaten, met de woorden : 
Gaat aan uwe familie vertellen hoe dapper Sese nTaola is. Daarna liet hij het 
schip weder voortvliegen en sloeg de trommels. 

|Nu komt de ontmoeting met Patiri Malela, die evenzoo verloopt als de 
vorige, tot bl. 59, r. 11, waar Sese nTaola zegt:] 

„Al te dikwijls ben ik al door zeeroovers in den weg getreden. Het zijn 
slechte kerels, echte smeerlappen." 

Lemo nTonda antwoordde : 

„Spreek geen onheilbrengende woorden, manlief Sese nTaola. 

Ik heb teekenen gekregen aan mijn lichaam, Sese nTaola. 

Teekenen van weduwschap en van dood, ge moet het wel weten. 

Hoe kan ik het nog zeggen, het is al zoo dikwijls gebeurd. 

Wees gij dus flink, zwager, in het aanvoeren der krijgers. 

Windvorst, wil gij goed bij u zelven overleggen, 

Want ook thans heb ik teekenen aan mijn lichaam gekregen, 

Teekenen van weduwschap en van dood, ik kan niet meer voor ulieder 
heil zorgen. 

Wij beiden hebben hier overal teekenen van weduwschap. 

Sese nTaola antwoordde : 

„Al hebt ge teekenen gekregen, wij mannen zrjn nu eenmaal zoo. 

Het is schande zich over te geven, wanneer men op weg wordt aangevallen. 

Doet de ankers haken daar aan den voorsteven van het schip. 

Dat wij goed kunnen overspringen op de schepen dier lieden." 

Al voortgaande kwamen zij nader bij, sprongen over, bevochten elkaar met 
de kris en de lieden sneuvelden allen ; alleen Patiri Malela sneuvelde niet, zijn 
ondoordringbaar harnas was van staal. Na eenigen tijd sneuvelde Sese nTaola, 
de Windvorst kwam hem te hulp, maar sneuvelde ook. Nu gingen Lemo nTonda 
en Gili mPinebetoe'e met hare veertig dienaressen er heen, beide weduwen ween- 
den, daar hare mannen gelijkelijk gestorven w&ren. Zij waren ten einde raad; wie 
zou nu nog den strijd volhouden'? Zij weenden om hare mannen, die daar op 
hun rug lagen op het schip van Patiri Malela. 

Lemo nTonda zeide : 

(bl. 60). „Schip Koperhuid, maak uw heer weder levend. " 



78 

Het schip Koperhuid sprong nu op en drong de prauw van Patiri Malela 
binnen, na eerst klein te zijn geworden. 

Patiri Malela stierf, Sese nTaola en de Windvorst, de eigenaars van het 
schip, werden weder levend en gingen weder op hun schip over, dat zij opnieuw 
deden voortvliegen. 

„Slaat de trommen, enz. 

Het schip snelde voort; na eenigen tijd vroeg Sese nTaola: 

„Zwager Windvorst, waar is de aanlegplaats van uw vader?" 

De Windvorst antwoordde: 

„Daar bij de landtong is de aanlegplaats van vader. 

Daar staan boomen op een rij, dat is de aanlegplaats." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Als wij aan de kaap zijn gekomen, wijs dan de plaats der ligging aan." 

De Windvorst antwoordde: 

„Waar die boomen op eene rij staan, daar is de aanlegplaats van moeder. 

Ik weet het zeker, die boomen op eene rij daar ginds." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Schip, ga gij voort, 'dat wij daar aankomen" (bis). 

Het schip ging voort, na eenigen tijd kwam het aan. Zij zagen dat er 
geen mensch meer in leven was, allen waren gestorven, zelfs de weg was verdwenen. 

„Slaat de trommen, slaat de bekkens. 

Dat moeder en vader de teekenen vernemen." 

Eerst bij de aankomst van hun zoon werden de wortels van bun achterste 
uitgerukt, vielen de kokosnoten van den boom, kraaiden de hanen, vloeide het 
water, gaven de vogels geluid en spraken de mensclien: Kijk, daar komen lieden 
aan langs den overgroeiden weg, wat zouden dat voor lieden zijn, die trommen en 
bekkens slaan? Zijne ouders stonden op, gelastten lieden hun tegemoet te gaan 
en toen dezen naderbij gekomen waren, vroegen zij: Wat zijt gij voor lieden? 
De Windvorst antwoordde : 

„Ik ben eenmaal uw zoon geweest, dat gij het wel weet. 

(bl. 61). Zeg het thuis aan vader, zijn zoon die door den wind is mede- 
gevoerd." 

Haastig keerden de uitgezondenen terug, zij liepen om het hardst weerom 
en zeiden: O, het is wellicht onze heer, die eenmaal door den wind is weggevoerd. 
Zij berichtten het aan zijn vader en zijne moeder; o, hoe weende zijne moeder 
uit verlangen en hoe lachte zijn vader van pleizier! O, zoo komt het dus dat de 
wortels van hunne billen uit den grond zijn getrokken, dat de kokosnoten van den 
boom zijn gevallen, dat het water weer vloeit en dat de hanen weer kraaien. O, 
o mijn kind, zijt ge dan gekomen, ik verlang hevig naar je. Zijn vader en moeder 
stonden op en daalden af naar de zee. Toen zij naderbij gekomen waren, vroeg 
de windvorst : 



79 

„Wat voor menschen komen daar aan, komen zij om mij te zien ?" 
Zijne ouders antwoordden: 

„Dat gij het wel moogt weten, wij komen onzen zoon zien." 
Sese nTaola antwoordde: 

„Windvorst, mijn zwager, daar zijn uw moeder en vader. 
Dat gij goed moogt weten, tante, den naam van uw zoon." 
De vader en moeder van den windvorst zeiden: 
„Zoo is het mijn jongen, kom hier, mijn zoon!" 
Zij kwamen werkelijk naderbij, tot aan het zeestrand. 
„Moeder, hier ben ik, overtuig u er van (bis). 
Die andere, moet gij weten, is uwe schoondochter. 
Komaan, moeder, laat ons gaan, ga met ons naar boven. 
Laat ons naar boveu gaau ia uw huis, dat uwe schoon dochter het zie." 
Met hun vieren gingen zij aan laad; slechts Soengko nTada bleef bij de 
slaven, die aan boord moesten blijven, achter; toen zij in het huis gekomen 
waren, zeide [de Windvorst]: 

„Geef uwe schoondochter het gebruikelijke geschenk, om haar te doen 
boven komen". 

Zijne moeder gaf het en zeide: 

„Ik heb het al gegeven, kom boven, mijn jongen." 

Zij gaf aan hare schoondochter een schotel, om haar te doen boven komen. 
De Windvorst zeide: 

„Zwager Sese nTaola, iaat ons het huis ingaan." 
Zij gingen de trap op en kwamen in huis. 

„Moeder en vader, geeft haar een geschenk om haar te doen neerzitten. 
Zij gaven hunne schoondochter Gili mPiuebetoe'e een koperen bord, opdat 
zij zou gaan zitten. Nu waren zij allen gezeten, [de Windvorst] zeide: 

(bl. <>2) „Eén ding moet gij nog vragen, zonder een sirih-doos voor haar af." 
Zij maakten sirih gereed ; de sirihdoos nam zij voor zich zelve en gaf die 
niet meer terug. 

„Wanneer de geschenken zijn gegeten, is er geen zonde meer tegen den 
adat begaan. 

Nu hebt gij ons gezien, hoe wilt gij nu verder?" 

Zijne ouders antwoordden : 

„Wat er nu zal gedaan worden, zeg gij, mijn jongen, dat alles. Blijft gij 
kort, wil ons dat zeggen." 

pe Windvorst antwoordde : 

«Mijn plan is om drie nachten over te blijven. " 

Zijne moeder antwoordde: 

„Maar jongen, ik heb toch zoo'n verlangen naai u, mijne kinderen." 

De Windvorst antwoordde: 



80 

„Moeder, gij liebt gelijk, maar wij kunnen slechts drie nachten. Zwager 
Sese nTaola heeft zijn verlangen naar zijne ouders uitgesproken." 

Zijne moeder antwoordde : 

„Windvorst, mijn zoon, laat ons een dankfeest geven." 

Nu maakten zij eenige beschikkingen voor het dankfeest, al was het slechts 
om eenige zegenbeden te laten uitspreken over hunnen zoon, die na zoo langen tijd 
was teruggekomen, van wien zij zooveel hielden. Toen de hoofd-dag was gekomen 
wilden zij den labe laten halen. 

„Windvorst, vlug wat, ga snel een labe halen." 

De Windvorst maakte zich gereed en riep den wind : 

„Wind, kom hier, enz." 

De Wind kwam aan, de Windvorst besteeg hem en werd naar den labe 
gebracht. 

„Labe, dat gij het weten moogt, u kom ik halen. 

U ben ik komen halen, laat ons snel heengaan." 

De labe maakte zich gereed, het was er immers maar één, en de Windvorst 



zeide 



„Kom, ga daar zitten, aan de rechterzijde. 

Ik weet den weg, heb daaromtrent geen twijfel." 

(bl. 63) De labe maakte geen tegenwerpingen, maar ging aan zijne zijde 



zitten. 



„Wind kom hier, enz." 

De Wind kwam aan en nam hen beiden mede, na eenigen tijd kwamen 
zij aan het huis van zijne ouders. 

„De ketel staat daar al klaar, wasch den labe de voeten. 

Spreid eene mat uit, dat wij den labe kunnen doen zitten. 

De labe heeft al sirih gekauwd, geef nu de etensschalen aan. 

Alles is voldoende gereed, laat de schalen worden opgebracht." 

Zij deden op en de labe gebruikte zijn maal. 

„Spreek gij den zegen uit, labe, wij houden de handen op. 

De labe heeft al hem uitgesproken, moeder, vat zijne hand. 

Als er bismillah is gezegd, dan kunnen wij gaan eten. 

Nu zijn wij klaar met eten, schenk waschwater in. 

Wij hebben de handen gevvasschen, geef nu sirih. 

De labe is klaar met sirih- pruimen, neem nu de schalen weg. 

Het dankfeest is afgeloopen, de labe worde naar huis geleid. Zwager 
Windvorst, ga den labe brengen." 

De Windvorst riep den wind. 

„Wind, kom hier, enz." 

Zij gingen heen, gebracht door den wind, toen zij waren aangekomen, liet 
de Windvorst den labe achter en nam afscheid. 



81 

„Ik ga heen, labe, blijf gij bier." 

De Windvorst keerde terug en maakte aanstalten om van zijn vader en 
zijne moeder afscheid te nemen. 

„Moeder, Gij moet het weten, wij vragen verlof om heen te gaan. Wil 
ons begeleiden, totdat wij aan het schip zijn gekomen." 

Zij maakten zich gereed, het was hun voornemen om vaneen te gaan; aan 
zee gekomen, gingen zij aan boord. 

„Moeder, wij gaan uiteen, wij gaan op reis." 

„Ga heen, mijn zoon, blijf aan mij denken." 

„Slaat de trommen, enz." 

(bl. 64). Het schip snelde voort en werd door geen zeeroovers of door 
wat ook maar tegengehouden. Toen zij dicht bij de woonplaats van den vader en 
de moeder van Sese nTaola waren gekomen, vroeg de Windvorst: 

„Waar is de ligging der aanlegplaats, zwager Sese nTaola?" 
. Sese nTaola antwoordde: 

„In de richting der landtong ligt de aanlegplaats van Vader. Bij de kaap 
hier is de aanlegplaats van Moeder. 

Daarginds is de aanlegplaats, bij die op eene rij staande boomen. 

Slaat de trommen, slaat de bekkens, 

Om ons schip Koperhuid te doen voortvliegen. 

Wij hier, Lemo nTonda, kijken uit naar de aanlegplaats. 

Staat allen op, dat wij niet ziek worden. 

Staat allen op, de haven is reeds nabij." 

Allen stonden op ; de 40 slaven werden gewekt en ontwaakten, men was 
aan de aanlegplaats gekomen. 

„Laat de ankers vallen aan de plecht, Soengko nTada." 

Zij schoten hunne geweren af. Zoodra de lieden in het dorp het geknal 
der geweren hoorden, raakten de wortels van hun achterste los, vloeide het water, 
blies de wind, vielen de kokosnoten af, kraaiden de hanen, kakelden de kippen, 
gaven menschen, vogels en honden geluid en zeide Ta Datoe: 

„Gaat eens kijken, slaven, wat of dat voor menschen daar zijn, of het men- 
schen zijn die zelf eten, of menschen wien ten eten gegeven moet worden." Toen 
de pas aangekomenen nog zeer ver af waren, zagen zij hen van de hoogte af en 
zeiden: „O, we kunnen niet dicht naderen, dat zijn lieden die hun eigen teerkost 
eten, niet hetgeen zij van ons krijgen." Nu gingen zij het bericht aan Ta Datoe 
brengen; deze zeide: „Och, dat is geen verstaanbaar bericht, misschien 
maar een praatje van jullie." Hij zond daarop twee verstandige lieden, om zeker- 
heid te krijgen. Toen dezen aankwamen, schoten de vreemdelingen hunne geweren 
af en rukten maar met 't hoofd vooruit aan, kijk, zóó liepen zij [hier doet de ver- 
teller de beweging na van lieden die met 't hoofd vooruit maar recht toe recht 
aan loopen]; toen zij dichtbij waren, vroeg men hun : 

Verh. Bat. Gen. deel LV. «• 



82 

„Wat voor lieden zijt gij ?" Sese nTaola antwoordde : 

„Gij moet het wel weten, wij zijn geen vijanden. 

Gij moet het goed weten, gij hebt mij vroeger gedood." 

Nauwelijks hadden zij het gehoord of zij begrepen het: 

„O, het is onze heer, voor wien wij vroeger een boom hebben omgehakt, 
een berg en een steen hebben ondergraven; hij is het!" 

De Windvorst antwoordde : 

„Dat gij zijn naam moogt weten, het is Sese nTaola." 

Zij wisten het nu en keerden naar het dorp terug. De lieden kwamen 
allen uit hunne huizen, zij trokken elkaar mee om de vreemdelingen te gaan zien ; 
na elkaar lang te hebben meegetrokken, kwamen zij aan de zee. Ta Datoe en 
Indo i Datoe waren nu overtuigd en zeiden: „O, het is onze zoon van vroeger, 
(bl. 65) laat ons gaan, ik verlang naar hem." Zij gingen heen, kwamen aan 
het zeestrand hun zoon tegemoet snellen; het heele dorp was aan den riviermond ; 
de lieden op het schip waren er nog niet afgekomen ; zij spraken met hen aan 
de aanlegplaats, aldus: 

„Ik verlang zéér naar u, kom toch van boord, mijn zoon." 

Sese nTaola antwoordde : 

„Ik kom er niet af, daar kunt gij boos om worden. Ik ben aan u blijven 
denken, moeder en vader, daarom ben ik hier gekomen." 

Ta Datoe antwoordde : 

„Wees niet boos, ik zal u slaven geven, als verzoeningsgeschenk." 

Sese nTaola antwoordde : 

„Gij hebt het te erg gemaakt, driemaal ben ik dood geweest." 

Ta Datoe antwoordde: 

„Gij hebt gelijk, mijn zoon, wij hebben u werkelijk gedood. Ik geef een 
geheel dorp om het weer goed te maken, mijn jongen." 

Sese nTaola antwoordde: 

,,Neen, dat wil ik niet, ik heb hier al zeer veel lieden. 

Ik ben hier gekomen uit verlangen, weet dat wel" (bis). 

Ta Datoe antwoordde: 

„Spreek niet zoo, mijn jongen, ik vergoed u dat met een heel dorp." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Hoe zal ik het nog zeggen, maar gij hebt u bar gedragen." 

Ta Datoe antwoordde: 

„Mijn jongen, kom van boord, gij en uw zwager." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Ik wil nog niet van boord komen, ik blijf bij mijn zwager. 

Eerst als ik ben tevreden gesteld kom ik van boord." 

Ta Datoe antwoordde: 

„Komt gij beiden er dan te zamen af." 



83 

(bl. 66). „ Eerst als er een gouden draagstoel is, kom ik aan land. 

Eerst als Gij dien draagstoel geeft, komen wij van boord." 

Ta Datoe antwoordde: 

„Zij zijn juist naar boven om hem te halen, wacht maar, het verdriete u 



niet." 



Sese nTaola: 

„Het moeten twee draagstoelen zijn, weet dat wel." 

Na eenigen tijd zeide Ta Datoe : 

„Hier zijn de draagstoelen al gekomeD, kom nu voor den dag, mijn jongen." 

Sese nTaola zeide: 

„Ga een beetje vooruit, Schip, dat wij dicht aan land komen. 

Moeder, bestrooi ons met goud, voor onze komst aan land. 

Moeder, wij komen van boord, bestrooi ons met goud." 

Zij werden met goud bestrooid bij hunne komst aan land; kletterdeklet- 
ter werd het goud gestrooid. Sese nTaola zeide : 

„Draagt ons naar boven in de draagstoelen. 

Laat ons in de draagstoelen gaan zitten en naar boven gebracht worden. 

Eerst wil ik afscheid nemen van mijn schip. 

Schip Koperhuid, wij nemen afscheid van elkaar. 

Ga gij sael naar uwe plaats, ik ga naar het bovenland." 

Het schip verwijderde zich uit het gezicht, het ging naar het binnenste der 
zee, bij den Opper-Zeegeest. 

„Moeder, begeef u op weg, wij breken op. 

Wij gaan allen naar boven, wij gaan naar huis." 

Zijne ouders gingen vooruit naar boven ; toen zij aan de trap gekomen 
waren, zeide Sese nTaola: 

„Gij hebt schuld, bestrooit ons dus weer met goud." 

De Ouders: „Bestrooit hen met goud, dat onze schuld worde weggenomen." 

Rletterdekletter werd het goud gestrooid, dat het over den grond ver- 
spreid raakte. Eu Lemo nTonda en Gili mPinabetoe'e waren al hoog zwanger en 
zouden spoedig baren. 

„Spreid eene matras uit, maak het daar in orde. 

Spreid ze vlak uit, maak dat het goed klaar is. 

Een zevenvoudige rand van gouddraad heeft de matras van vader. 

Geef die aan ons, dat ge 't wel moogt weten. 

Geef die aan uwe schoondochter Lemo nTonda, om haar te doen zitten." 

(bl. 67) Zij gaf haar die, als geschenk om haar te doen zitten en zeide: 

„Lemo nTonda, mijne schoondochter, kom daar zitten." 

Zij ging op de matras zitten. 

„Laat uw zwager de Windvorst daar ginds gaan zitten." 

Hier zijn wij gezeten, waar is onze sirih?" 



84 

„Hier alles voldoende voorhanden ; de kogel is gereed en geladen. 

Gij, Soengko nTada, geschikte man, ga de sirih aannemen. 

Wij zijn hier met ons vieren, deel ieder gelijkelijk uit. 

Wij hebben nu ieder ons deel, laat ons nu sirih pruimen. 

Wij zijn klaar met sirih pruimen, maak het eten gereed. 

Schoondochter Lemo nTonda, maak gij het in orde. 

Gij en uwe schoonzuster, zorgt voor het eten der gasten." 

Zij maakte het klaar, in een oogenblik. 

„Hier heb ik het al klaar, kom het eten maar halen. 

Sta op, Soengko nTada, breng de rijst op." 

Hij bracht ze op, daarna schonk hij water in. 

„Ieder hebt gij reeds zijn deel gegeven, laat ons dan gaan eten." 

Zij aten, daarna zeide hij: 

„Wij zijn klaar met eten, schenk waschwater in." 

Men schonk water in en zij wieschen zich de handen. 

„Ik heb mij al gewasschen, neem de schalen af." 

Men nam ze af en toen het klaar was: 

„De schalen zijn al afgenomeu, maak de sirih gereed." 

Lemo nTonda antwoordde : 

„Ik heb hier ze al gereed gemaakt, kom de sirih halen." 

„Laat ons pruimen, zwager Windvorst; 

Als gij gereed zijt met pruimen, zeg het dan maar, als ge wilt gaan slapen." 

Zij legden zich te slapen, want het was nacht. En zoo ging het iederen 
dag van hun verblijf. Na eenigen tijd kreeg Lemo nTonda barensweeën. Sese 
nTaola zeide: 

„Moeder, zie hier uwe schoondochter, ik heb er geen verstand van. 

Kom uwe schoondochter Lemo nTonda te hulp. 

Sta haar goed bij, als zij maar niet reeds is bevallen." 

(bl. 68). Hare moeder maakte alles voor haar in orde; toen de tijd was 
gekomen dat zij bevallen moest, kreeg zij een zoon. Zij zag dat zijne borst blonk 
als de zon en gaf hem den naam van Tanda Eo. Eenigen tijd daarna kreeg ook 
Gili mPinebetoe'e de weeën ; ook zij beviel ; zij werd geknepen en baarde ook een 
zoon; midden op zijne borst was iets te zien als de maan, daarom werd hij Tanda 
Woeja genoemd. Sese nTaola zeide: 

„Laat uw kleinzoon in de wieg gelegd worden. 

't Is dus een jongen, mijn kind Tanda Eo. 

Over drie dagen zal er een do'a sëlamat voor hem gehouden worden." 

Na verloop van drie dagen maakte men aanstalten om een do'a-sëlamat 
over het kind te laten uitspreken. 

„Gij, Windvorst, ga een labe halen. 

Ga gij er maar een halen, dan gaat het vlug." 



85 

„Wind, kom hier, enz." 

De Wind kwam aan en nam den Windvorst mede; hij kwam aan de 
woonplaats van den labe. 

„Labe, ge moet het weten, ik kom u halen. 

Labe, dat ge het weet, ge moet een do'a-sëlamat gaan uitspreken." 

Labe, maak u gereed, ik heb nog veel te doen." 

De labe antwoordde: 

„Wat ik niet begrijp, is wat ons vervoermiddel zal zijn." 

De Windvorst antwoordde: 

„Wees daaromtrent zonder zorg, dat weet ik wel. 

Wind, kom hier, enz." 

Zij werden door het waaien van den wind overgebracht ; in één vaart gin- 
gen zij voort; zij zaten naast elkaar. 

„Hier ben ik al aangekomen, zwager Sese nTaola." 

„Gij Soengko, nTada, wasch de voeten van den labe. 

Zwager Windvorst, breng den labe ginds. 

Op de reeds uitgespreide mat kan de labe gaan zitten." 

„Schuif hem zijne sirih toe, zwager Sese nTaola." 

„Zwager Windvorst, van alles is er al genoeg. 

„Hier heb ik de sirih al gekregen, labe, laat ons sirih kauwen." 

„Als wij gereed zijn met pruimen, breng dan de schalen op. Breng de schalen 
op, Soengko nTada, dat spoedig de zegenspreuken kunnen gezegd worden. 

Labe, spreek ze uit, de schalen zijn er alle reeds. 

Zegenspreuken over de kinderen, dat ge weet wat ge moet uitspreken." 

„Ik heb het goed begrepen, kabosenja, ik ga ze uitspreken." 

(bl. 69). De labe sprak de zegenspreuken uit ; toen hij ze had uitgesproken 
zeide Sese nTaola : 

„Nu zijn de spreuken gezegd; Lemo nTonda, breng de kinderen." 

Lemo nTonda en Gili mPinebetoe'e kwamen aan met hare kinderen en 
vatten de handen van den labe; daarna zeide Sese nTaola: 

„Zij hebben uwe hand al gevat, nu kunnen wij gaan eten.'' 

Zij gingen eten, daarna zeide hij : 

„Wij hebben al gegeten, Soengko nTada, neem de schalen af." 

Daarop ging Soengko nTada de schalen afnemen. 

„Als alles is rondgedeeld, laat ons dan sirih pruimen. 

Labe, laat ik het zeggen : Motanda Eo is mijn zoon. 

Dat ge alles er van moogt weten, de andere heet Tanda Woeja." 

De labe antwoordde : 

„Dat is goed, kabosenja, een bewijs van vorstelijke geboorte." 

Sese nTaola antwoordde : 

„Gij, labe, weet dat, het is toch niet verkeerd?" 



86 

De labe antwoordde: 

„Het is in 't geheel niet onheilspellend, 't is een teeten van mannenmoed." 
Sese nTaola antwoordde: 

„Zoo, dan is het goed, als het maar niet onheilspellend is." 

Nu nam de labe afscheid : 

„"Wij hebben aangenaam gepraat, nu vraag ik te mogen heengaan. 

Den weg ken ik niet, laat iemand mij naar huis brengen. 1 ' 

Sese nTaola antwoordde: 

„Zwager Windvorst, ga den labe thuisbrengen." 

De Windvorst riep den Wind en ging den labe thuisbrengen; niet lang 
na hun vertrek kwamen zij aan de woning van den labe ; daar liet hij den labe 
achter en keerde in een oogenblik weer naar huis terug. Daar bleven zij rustig 
wnnen. 

Na langen tijd waren de kinderen groot geworden ; er werd een tol voor 
hen gemaakt om mee te tollen; zij konden al „vader" en „moeder" zeggen en 
vroegen hun vader: 

(bl. 70). „Sese nTaola, mijn vader, wil mij een tol snijden." 

Hij sneed er een voor hem en daar tolde hij mee ; hij ging op den grond 
met de slaven mede tollen; hij was ondeugend ook; langen tijd had hij daar ge- 
woond, toen hij groot was geworden ; en toen hij dan groot was, bepaalde men 
den tijd voor een feest, om den jongen te besnijden. Sese nTaola zeide: 

„Lemo nTonda, er moet een plan gemaakt worden voor een besnijdenisfeest. 

Om onzen zoon te besnijden, dat is het plan. 

Ga rond bij uwc moeder, uwe schoonmoeder om plannen te maken. 

Moeder en vader, komt met ons beschikkingen maken." 

Zijne ouders kwamen nu bij hem om plannen te maken. 

„Dit moet Gij weten, dat ik mijn kind wil laten besnijden. 

Daarover beraadslagen wij nu, maar Gij moet het zeggen." 

„Als zij groot zijn en het kunnen uithouden, dan moeten zij inderdaad 
besneden worden. 

Het moet maar aan de kinderen gevraagd worden, of zij het kunnen uit- 
houden." 

„Wel, Tanda Eo, mijn zoon, kom gij eens hier." 

Zijn zoon kwam en vroeg : 

„Wat is het vader, dat Gij mij vragen wilt?" 

Zijn vader antwoordde : 

„Dit wil ik vragen, ik denk er over om u te laten besnijden." 

„Wij beiden zijn tot uwe beschikking, wij kunnen alles verdragen," 

Sese nTaola antwoordde : 

„Stamp eene groote hoeveelheid rijst; dit bevel wordt van wegehet hoofd 
gegeven. 



87 

Nu deden de lieden al hun best om allerlei klaar te maken ; wat zij niet 
hadden werd gebaald bij degenen die het hadden ; toen er genoeg gehaald was, 
werd de dag bepaald en haalde men bamboe, kokosnoten, boombladeren. 

„Zeg eens over hoeveel dagen van heden af het feest zal zijn." 

„Dat gij het wel moogt weten, over zeven dagen is de hoofddag." 

„Het is voor vast bekend, het is afgesproken over zeven dagen." 

„Wilt alle werkzaamheden verdeelen, moeder en grootmoeder." 

„Al het noodige is voorhanden, slechts de dag wordt afgewacht. 

Toen alle menschen bijeen waren en de hoofddag was aangebroken, de dag 
voor het baden bestemd, gingen zij naar het water. 

„Mijn zoon Tanda Eo, kom, laat u aankleeden. 

Komt hier met u beiden, wij gaan naar het water. ' 

Zij gingen heen en werden gebaad, in den namiddag werden zij binnen 
de gordijnen gezet; ook zeven jonge meisjes, bidadari's, die gekomen waren om 
het feest bij te wonen, gingen mede. 

„Kom, mijn jongen, laat uw haar reinigen, hier is de Bidadari 

(bl. 71). Tanda Eo antwoordde: 

„Als het maar de Bidadari is, wil ik mijn haar niet laten reinigen." 

Zijue moeder antwoordde: 

„Als gij niet wilt, kom dan, ik zal u 't haar wasschen." 

Tanda Eo antwoordde : 

„Als Gij het maar zijt, laat ik dan maar 't haar niet reinigen." 

Zijne moeder vroeg hem : 

„Maar wie moet er dan toch wezen, eer gij u 't haar laat wasschen?" 

Tanda Eo antwoordde: 

„Eerst als Taranda er is, wil ik mij 't haar laten wasschen." 

Zijne moeder vroeg hem : 

„Waar is dan toch de woonplaats van Taranda?" 

Tanda Eo antwoordde: 

„Op het Zwevende Land daarboven zie ik haar. 

Zij zijn met haar tweeen, zij woont bij hare grootmoeder. 

Zend iemand naar boven dat zij gehaald worde, moeder, dat zij spoedig 
daar kome." 

„Windvorst, ga op reis, ga naar boven om Taranda te halen." 

De Windvorst riep den wind. 

„Wind kom hier, enz." 

Hij werd door den Wind opgevoerd en kwam boven op het Zwevende Land. 
Daar aangekomen, zeide hij : 

„Ik ben hier gekomen om Taranda de priesteres te halen. 

Gij moet weten, grootmoeder, ik kom haar halen voor het feest." 

Taranda antwoordde; 



88 

„Grootmoeder, ik ben bang, zoo dour een vreemden man te worden mee- 
genomen!" 

De Windvorst antwoordde: 

„Wees niet bevreesd, ik beschouw u als mijn kind." 

Hare grootmoeder antwoordde: 

„Ga heen, kleindochter, uw vader geleidt u." 

Taranda ging dan heen, medegenomen door den Windvorst, gezeten op 
den Wind; regelrecht bracht hij haar naar het water. 

(bl. 72) „Hier is Taranda, kom, mijn jongen, laat uw haar wasschen". 

„Is Taranda daar, dan zal ik mij 't haar laten reinigen." 

Nu wilde hij zijn haar wel laten wasschen, want Taranda was een jong 
meisje van zeer groote schoonheid; zij was het die Tanda Eo het haar wiesch; 
Tanda Woeja werd door eene Bidadari gewasschen. Daarop gingen zij naar het 
water om gebaad te worden; Tanda Eo keek naar den labe om en zeide: 

„Als het maar een halve labe is, laat ik dan niet gebaad worden." 

Hij ging op zijne hurken in 't water zitten en wilde niet door den labe 
gebaad worden ; hij zeide : 

„Slechts als het een Arabier uit Mekka is, wil ik gebaad en besneden 
worden." 

„Mijn jongen, dat is zoo ver, ik ben er mede verlegen." 

„Tanda Woeja is mijn jongere broeder, ik vind maar niet alles goed. 

Een halve labe, door zoo een wil ik üiet gebaad worden." 

Zijne moeder zeide: 

„Het is lastig, 9ese nTaola, schaf gij spoedig raad." 

Sese nTaola antwoordde: 

„Zwager Windvorst, ga een Arabischen labe halen. 

Lastig en moeilijk is het doen van dat kind. 

Alleen een Arabier uit Mekka zal hem baden om besneden te worden." 

Toen de Windvorst heenging, werd hij door den wind vervoerd en kwam 
al spoedig te Mekka. Hij vond den Arabier te Mekka en zeide: 

„Ik kom in haast hier, u kom ik halen. 

Ga mee om mijn zoon te baden, dat gij het moogt weten. 

Laat ons gaan, Mijnheer, anders krijgen wij nacht." 

De Arabier van Mekka had er niet tegen; hij maakte zich gereed en be- 
steeg te zamen met den Windvorst den wind; zij gingen heen en werden regelrecht 
naar het water gebracht. 

„Hier is Mijnheer gekomen, die zal u baden, mijn zoon. Hij zit er al lang 
in, Mijnheer, wil hem maar baden." 

De Mijnheer van Mekka overgoot hem, daarna baadde hij, kwam er uit en 
zeide : 

„Wel, Taranda daarginds, kom hier, kam mij 't haar. 



89 

„Als het slechts de Bidadari is, kom dan maar niet hier." 

Taranda ging hem nu het haar kammen ; toen zij hem gekamd had, zeide hij : 

„Moeder, ik ga mij aankleeden, haal mij mijne kleederen en versierselen 
voor den dag." 

Zij gaf hem een broek ; hij trok een baadje aan, bond een hoofddoek om 
en een kris, liet zijn draagsarong op den rug afhangen en ging achter Taranda 
aan; toen kwamen de lieden om hem op de schouders te dragen. 

(bl. 73). Tanda Eo zeide: 

„Nu word ik op de schouders gedragen ; Taranda volge mij. 

Wij gaan binnen de gordijnen, laat Taranda zich niet ver verwijderen. 

Vaders en Ooms, zet den menschen eten voor." 

Den labe's en al den gasten werd eten voorgezet ; daarna zeide hij : 

„Gij labe's, maakt de nagels der lieden rood voor de besnijding." 

Allen maakten nu hunne nagels rood, telkens als iemands nagels waren 
roodgemaakt, werd er een geweer afgeschoten ; toen het nacht werd ging men 
slapen ; den volgenden morgen werden zij weer wakker. 

„Wilt ons weer op de schouders dragen naar het water om ons te wasschen." 

Des morgens vroeg werden zij in 't water gezet, om hun penis te wasschen, 
daarop kwamen de lieden om hen op de schouders te dragen en nu weiden zij 
Daar het water gebracht om te poepen, te pissen en te baden ; zij werden ook weer 
op de schouders teruggedragen naar huis. 

„De zon staat al hoog, wilt ons dan besnijden." 

Ta Datoe antwoordde: 

„Gij labe's, gaat mijn zoon besnijden." 

De labe's antwoordden : 

„Om uwen zoon te besnijden zijn wij hier tot uwen dienst, kabosenja. 

Wij zijn geheel gereed, maak dat voor uw zoon alles in orde is. 

Laat alles voldoende aanwezig zijn, dan gaan wij de besnijdenis verrichten." 

Hij bracht de bij de besnijdenis gebruikelijke dingen in orde en zeide : 

„Daar zijn in voldoende hoeveelheid de kommen om het bloed in op te vangen. 

Alles is voldoende aanwezig, labe's, houdt u gereed." 

De labe's gingen heen, degenen die besneden moesten worden lieten zij op 
kokosdoppen zitten. Toen het zoover was, vroegen de labe's : 

„Wij, labe's, vragen, welke jongen de oudste is?" 

„Dat gij het wel weten moogt, Tanda Eo is de oudste. 

Dat gij het wel moogt weten, Tanda Woeja is de jongste." 

Tanda Eo ging het eerst zitten; toen hij besneden was, zeide hij: 

„Nu ben ik reeds besneden, schiet een geweer af." 

Ook Tanda Woeja ging zitten ; ook hij werd besneden en nadat hij besneden 
was, werd er ook een schot gelost. 

„Wij zijn reeds besneden, geef ons nu te eten." 



90 

(bl. 74). Men gaf hun dan ook te eten; toen bet maal was afgeloopen, 
zeiden zij : „De zon gaat onder, de labe's willen afscheid nemen." De labe's 
namen den inhoud der schalen mede; voor de labe's werd terzijde gelegd rijst 
in kokosmelk gekookt met allerlei toespijs, dat namen zij mee naar huis. Daarmee 
was het feest afgeloopen; drie dagen daarna werd nog een dankfeest gevierd, 
allen keerden terug; zij die voor het dankfeest achterbleven gingen toen pas 
terug. Toen allen waren heengegaan, zeide Tanda Eo: 

„Ik gevoel inij eenzaam^ nu wij door onze gasten zijn verlaten ". (bis). 

Zijne moeder vroeg : 

„Gevoelt gij u eenzaam, mijn jongen, zeg het mij". 

Hij gaf geen antwoord ; hij at ook niet veel ; beide neven bleven maar 
liggen; zij voelden zich landerig, omdat de menschen van hen waren weggegaan; 
naar allen, die waren heengegaan, verlangden zij. Zijne moeder vroeg weder: 

„Zeg mij, mijn jongen, om wie uw hart in beroering is, dat ik het wete". 

Tanda Eo antwoordde: 

„Zij, die mijn hart in beroering brengt, heet Taranda. 

Taranda mBalia, zij brengt mijn hart in beroering". 

Zijne moeder antwoordde : 

„Is het soms uw plan, mijn zoon, om haar tot vrouw te nemen?" 

Tanda Eo antwoordde: 

„Ik ben van plan haar tot vrouw te nemen, daarom zeg ik het u, moeder." 

Zijne moeder antwoordde : 

„Als dat dan het geval is, dan zullen wij u met haar laten trouwen. 

Ja, mijn jongen, dan zullen wij plannen maken, opdat alles in orde zij.' 

Haar zoon antwoordde : 

„Als alles in orde is, wil mij dan spoedig naar mijne vrouw geleiden." 

Zijne moeder, zijn vader en al hunne familieleden maakten alles in orde; 
de een bracht dit, de ander dat aan, om mee te nemen voor het huwelijksfeest. 
Toen het gereed was, zeiden Tanda Eo en Tanda Woeja: 

„Hier zijn wij beiden, wij willen beiden trouwen. 

Sese nTaola antwoordde: 

„Wij wachten een goeden dag af, om u naar uwe vrouw te geleiden, mijn 
jongen." 

(bl. 75). Zijn zoon vroeg : 

„Hoeveel dagen duurt het nog, eer ik gebracht word?" 

Zijn vader antwoordde: 

„Heden over zeven dagen, dan wordt gij gebracht" (bis). 

Hij wachtte en toen hij lang gewacht had, waren de zeven dagen ver- 
loopen en zeide hij : 

„Nu zijn de zeven dagen vol, wilt mij nu gaan brengen. 

De zeven dagen zijn om, welken weg zullen wij nemen? 



91 

„Wij zijn gereed, mijn "jongen, maar den weg weet ik niet." 

„Indien Gij den weg zoekt, dien weet ik wel. 

Als de goede dag is gekomen, maak u dan gereed, moeder." 

Toen de vertrekdag was gekomen, zeide hij : 

„Wij zijn klaar met de toebereidselen, alleen nog maar voor het vervoer- 
middel moet gezorgd worden. 

Moeder, dat Gij het moogt weten, wij gaan per Regenboog." 

De tengko gaf geluid; Tanda Eo beluisterde zijn geluid en zeide: 

„De tengko daarginds zegt mij, dat ik per Regenboog moet gaan." 

Men maakte zich reisvaardig ; toen men gereed was, riep hij het vervoer- 
middel. 

„Regenboog, kom vlug, gij, die in de lucht hangt. 

Den Regenboog hebben wij tot vervoermiddel, aan den bliksem houden wij 
ons vast." 

Nu kwam de Regenboog werkelijk tot onder aan de trap; Tanda Eo met 
zijn neef en zijne ouders en allen die hem naar zijne vrouw gingen geleiden, be- 
stegen hem. 

„Slaat de trommen, slaat de bekkens, 

Schiet ook de geweren af, ten teeken van den huwelijksoptocht. 

Dat het gehoord worde door de naburige dorpen, ten teeken dat er vorste- 
lijke personen aankomen." 

In ééne vaart nam de Regenboog hen mede; daar kwam hun eenvallende 
ster in den weg, een dienaar van Taranda, (Tanda Eo) zeide : 

„Wat is dat daar in de hoogte, dat ons in den weg treedt? 

Op bevel van Taranda worden wij tegenhouden. 

Moeder Lemo nTonda, wil hem zijn loon geven." 

Zijne moeder weigerde niet; zij schepte goud op met een kom en kletter- 
dekletter strooide zij het uit; de vallende Ster hield op met (aan den Regenboog 
te) knabbelen en veilig was hunne reis naar boven." 

„Slaat de trommen, slaat de bekkens. 

(bl. 76) Dat het gehoord worde, enz." 

Sedert de vallende Ster aan den Regenboog beet, was hunne reis niet 
voorspoedig ; nu was hij weder veilig, totdat Tanda Eo op nieuw zeide : 

„Daar is er weer een, die ons op weg tegenhoudt." 

De Regenboog schudde en schokte weer, op nieuw door een andere vallende 
Ster gebeten. 

„Moeder Lemo nTonda, wil hem spoedig zijn loon geven." 

Zij strooide op nieuw eene kom vol goud uit, kletterdekletter ; toen hield 
hij op. 

„Slaat de trommen, enz." 

De weg was nu weer veilig; tot zeveDruaal toe trad een valleiide Ster hun 



92 

n den weg, op dezelfde wijze : toen zij zevenmaal waren tegengehouden, trad hun 
niets meer in den weg en kwamen zij regelrecht aan de woonplaats van Taranda 
en hare Grootmoeder. Zij gingen naar de lobo en zetten zich daar neer. De 
Grootmoeder van Taranda zeide: „Dat is een heele drukte voor ons door zoovele 
menschen bezocht te worden ; laat er eenigen komen om hun sirih te brengen. 

Toen stonden op Sese nDoliadapi, Sese mPantawa, Sese ngKoedoe, Sese 
ngKoeni, Sese ngKoeja, Sese ngKoeranga en ten zevende Taranda en gingen naar 
de lobo om den gasten sirih aan te bieden. 

„Taranda, geef gij orders om de sirih te gaan aanbieden. 

Gij, Sese nDoliadapi, gij weet hoe het behoort. 

Gij zijt op de hoogte, ga gij de sirih brengen." 

Zij maakten de sirih gereed en gingen met haar vijven de vorstelijke 
personen met sirih verwelkomen. Taranda was verlegen om te gaan; Seseng Koedoe 
bleef bij hare meesteres. 

Toen den gasten sirih was aangeboden, zeiden Sese nTaola en Lemo nTanda : 

„Gij, die ons sirih aanbiedt, wilt ons als uwe gasten beschouwen. 

Nadat zij sirih hadden gepruimd, vroeg Sese nDoliadapi verlof om heen 
te gaan en zeide: 

„Gij moet weten, dat wij verlof vragen om heen te gaan". 

Zij gingen met haar vijven terug en brachten de boodschap : 

„Gij moet weten, dat de lieden daarginds gasten zijn. 

Zij hebben ons gezegd, dat zij als gasten wenschten ontvangen te worden. 

(bl. 77) Als zij moeten onthaald worden, wil dan daartoe bevelen geven." 

Zij gaf de noodige bevelen ; tegen den avond werd hun hun maal gebracht 
om te eten en daarna werd hun sirih aangeboden. 

„Hier heb ik 't al gereed gemaakt, het eten moet nog slechts gebracht worden. 

Gij, Sese nDoliadapi, gij hebt er verstand van. 

Ga gij mede om te zorgen voor het eten." 

Zij beval nog eenige slaven het eten aan te dragen ; daarna zeide zij : 

„Hier is het eten gekomen ; jongens, brengt het op. 

Er zijn vorstelijke personen gekomen, hier, op koperen schalen met voeten." 

Toen het opgebracht was, werd elk zijn deel voorgezet. 

„Aan ieder is zijn deel gegeven, laat ons nu gaan eten. 

Wij zijn klaar met eten, neem de schalen af. 

De schalen zijn al afgenomen, de sirih is nog niet rondgedeeld." 

Zij namen de sirih aan en deelden die aan ieder rond. 

„Wij hebben de sirih al gegeven, nu gaan wij maar heen." 

„Ja, gaat maar heen, keert maar naar huis terug." 

Na het eten en het sirihpruimen zaten zij bijeen in de lobo en zeide Mo- 
tanda Eo : 

„Moeder en Vader, laat ik spoedig gebracht worden." 



93 

„Trek uwe beste kleeren aan, gij wordt naar uwe vrouw geleid." 

„Ik ben al aangekleed, laat ons op weg gaan." 

Hij stond op met zijne moeder en zijn vader en werd naar het huis zijner 
vrouw gebracht. 

„Slaat de trommen, slaat de bekkens! 

Dat het door de naburige dorpen worde gehoord, als teeken van een hu- 
welijksoptocht." 

Zij verlieten de lobo en gingen regelrecht naar het huis van Taranda ; 
allen gingen naar boven, zooveel als er maar plaats was in het huis; hij ging 
het huis in en het slaapkamertje binnen. Zijne ouders zeiden : 

„Dat gij het wel moogt weten, wij komen den bruidegom brengen (bis). 

Wij hebben hem gebracht om te trouwen, begrijp dat wel, grootmoeder." 

„Ik heb niet anders te zeggen dan: goed, laat hen maar trouwen. 

Goed, laat hij maar gebracht worden en haar slaapkamertje binnengaan." 

Hij werd naar zijne vrouw geleid en binnengebracht bij Taranda; zij 
werden man en vrouw. Toen dat gedaan was: 

„Laat ons verlof vragen, om weer naar de lobo te gaan." 

Zij sliepen in de lobo, den volgenden morgen werd de huwelijksprijs ge- 
bracht ; de betaling en de bruidschat werden overgereikt. 

(BI. 78). Alles liep goed af, zij werden onthaald en vroegen verlof om te 
vertrekken. Sese nTaola en Lemo nTónda zeiden: 

„Tanda Eo, mijn zoon, ik wensch terug te gaan. 

Weet het wel, wij vragen verlof om heen te gaan. 

Slechts gij hebt de belangen te behartigen van neef Tanda Woeja." 

Tanda Eo antwoordde: 

„Goed, moeder, ga maar, wij blijven dan hier. 

Wat mijn neef betreft, voor hem zal ik wel zorgen. 

Als wij hem maar gaan uithuwelijken, dan is hier ook nog Taranda. 

Alles is er voor gereed, dat Tanda Woeja zal trouwen. 

Dat Gij het moogt weten, haar naam is Kota Lolowe." 

Zijn vader liet hem den Regenboog roepen. 

„Mijn jongen, roep ons den Regenboog, dat hij hier kome." 

Tanda Eo riep den Regenboog. 

„Regenboog, die u lang uitstrekt, die in de lucht hangt, 

De Regenboog wordt als vervoermiddel, de bliksem als leuning gebruikt. 

Moeder, wil maar op reis gaan, hier is uw voertuig al." 

De begeleiders keerden naar hun huis terug; den Regenboog gebruikten zij 
als voertuig. Toen dit was afgeloopen, zeide Tanda Eo tot zijn neef: 

„Broer, laat ik de noodige bevelen geven voor uw huwelijk met Kota 
Lolowe. 

Ik en uwe schoonzuster Taranda gaan u naar uwe vrouw geleiden. 



94 

Zeg mij dit, hebt gij er niet op tegen? 

Alleen als gij het goed vindt, zult gij tot haar gebracht worden." 

Toen hij had gehoord, hoe de andere partij er over dacht, maakte hij 
plannen om naar zijne vrouw te worden geleid. Het was niet ver naar haar huis; 
hij werd er heen gebracht en zij trouwden. 

„Gij, Kota Lolowe, begrijp het duidelijk, 

Ik breng hier tot u mijn jongeren broeder Tanda Woeja. 

Gij, die haar vader zijt, ik kom den bruidegom geleiden. 

Het is om uwe dochter te huwen, tante, weet dat wel." 

De Moeder en de vader van Kota Lolowe antwoordden : 

„Wanneer dit uw wensch is, dan ben ik er niet tegen. 

Wanneer gij het zegt, dan zullen wij, och arm, niet meer weigeren. 

(bl. 79). Zij bleven daar ééne nacht slapen, den volgenden dag bleef hij 
bij zijne vrouw. 

„Oom, ik wil heengaan, laat Tanda Woeja hier blijven. 

Ik vraag om heen te gaan, ik ga naar mijn huis. 

De Vader van Kota Lolowe antwoordde: 

„Goed, neem maar afscheid, gij en uwe vrouw. 

Gij en uwe vrouw, gaat maar heen." 

De begeleiders gingen heen ; zij gingen maar te voet, want het was niet 
ver. Toen zij langen tijd daar gevestigd waren en er jaren, maanden en dagen 
verloopen waren, gevoelde Taranda dat zij zwanger was, Tijdens hare zwanger- 
schap gevoelde zij zich onwel, zoodat Tanda Eo bezorgd werd. 

„Ik ben bezorgd over Taranda. 

Zij is zeer ongesteld, daarover zijn wij bezorgd. 

Grootmoeder, wil eens zeggen wat er aan moet gedaan worden, dat ik het 
wete." 

„Uwe vrouw zal ziek worden, tenzij er een feest voor haar gevierd worde. 

Begeef u snel naar uwe moeder en uwen vader." 

Tanda Eo vroeg aan zijne grootmoeder: 

„Wat voor een feest, zeg het, dat ik plannen er voor kan maken. Welk 
soort van feest, dan ga ik daarvoor snel naar mijn vader." 

Zijne grootmoeder antwoordde : 

„Dat gij het wel moogt weten, het is een groot- woerake-feest. 

Tanda Eo vroeg verlof om heen te gaan: 

„Grootmoeder, laat ik heengaan en mij naar mijn vader begeven. 

Regenboog, die u lang uitstrekt en in de lucht hangt, 

Regenboog is mijn voertuig, ik ga naar mijn vader." 

De Regenboog kwam aan, hij besteeg dien, vertrok en kwam aan het huis 
van zijn vader en moeder. 

„Wel, mijn zoon Tanda Eo, komt gij hier met een bezorgd hart?" 



95 

Tanda Eo antwoorder 

„Ik kom inderdaad met zorg, Taranda is ziek.'' 

Hierom ben ik gekomen, omdat ik bepaald in zorg zit. 

Dat Gij mijne zorg moogt weten, moeder, daarom ben ik gekomen." 

Zijne moeder vroeg: 

„Wat voor zorg, mijn jongen, zeg het mij." 

Haar zoon antwoordde: 

(bl. 80) „De zorg voor een woerake-feest, zooals Grootmoeder daar boven 
gezegd beeft." 

Zijne moeder antwoordde : 

„Zeg eens duidelijk, mijn jongen, wat er moet gedaan worden. 

Komaan, dan zullen wij de benoodigde kleederen maken, mijn zoon Tanda Eo". 

Zij beschilderden foeja met roode verf, met glimmende hars; zes varkens 
werden bijeengezocht; het zevende werd vervangen door een tros bualo-pisang. 
Tanda Eo reisde heen en weer tusschen zijne ouders en zijne vrouw en praatte 
over en weer, zij maakten alles voor het feest in orde en bepaalden den dag. 

„Moeder, zijn de benoodigde kleederen voor uwe schcondochter reeds 
afgemaakt?" 

Zijn moeder antwoordde : 

„Al de kleederen die uwe vrouw noodig heeft, zijn voorhanden, mijn zoon." 

Haar zoon antwoordde: 

„Als zij voldoende voorhanden zijn, is het goed, ik wilde het maar zeker weten. 

Nu ben ik er van overtuigd, dat alles voorhanden is.' 

Zijne moeder vroeg: 

„Zeg eens, wanneer de hoofddag van het feest is; dat het zeker zij wanneer 
het plaats heeft. 

Reken den dag uit, dat het zeker zij wanneer het doorgaat". 

Haar zoon antwoordde: 

„Dat gij den dag moogt weten, over zeven dagen is de hoofddag. 

Het is vast bepaald, gaat gij dan ook mede naar boven". 

Zijne ouders antwoordden : 

„Goed, dan maar op reis, dan gaan wij ook mede". 

„Kom, maakt U gereed, de zon is reeds laag. 

Regenboog, die U lang uitstrekt, die in de lucht hangt, 

Da Regenboog is ons voertuig, de bliksem onze leuning. 

Regenboog, kom hier, moeder en vader gaan op reis". 

Zij bestegen den Regenboog, in een oogenblik waren zij boven op het 
Zwevende Land. Toen de menschen bijeen waren in voldoenden getale en al het 
gereedschap en de kleeren voorbanden waren, zeide hij : 

„Alleen dan is het goed, wanneer er een zieken-hut is, met jaarvogel- 
koppen versierd". 



96 

De planken der hut waren uitgesneden in den vorm van jaarvogels; er 
waren er vier, korte en lange zijden. Nu kwamen Sese nTaola en Lemo nTonda. 

„Mijn dochter Taranda, houd u goed." 

Taranda stond op van hare ligplaats. 

(bl. 81). „Als alles gereed is, dan komt de dag waarop de zieken in de 
hut gaan. 

Morgen is het een goede dag, mijn jongen, voor de zieken om in de hut 
te gaan." 

Toen de dag gekomen was, werd zij in witte kleederen gestoken en in de but 
gezet; drie dagen lang werd zij in de hut gelaten; zij mocht niet poepen, pissen 
of baden; daarna werd zij met bloed bestreken en verwisselde haar gewaad meteen abe. 

„Nu wordt ge met bloed bestreken, mijn kind Taranda."' 

Driemaal ging zij de ziekenhut rond; daarna daalde zij af op den grond, 
daar lagen zes varkens op eene rij, ten zevende een tros bualo-pisangs, niet slechts 
een kam, maar een geheele tros; ook de trommen weiden op den grond gebracht, 
men sloeg de trom bij den dans. 

„Slaat de trom bij het dansen, om tegen geesten te vechten. 

Taranda nBalia, scherm, dat ik het zie." 

Nu kwam Matia Eo, de zuster van Tanda Eo, gezonden door haren groot- 
vader daarboven op de Zon, dat was zijn verblijf. Terwijl Taranda aan het dansen 
was, werd haar levensgeest door een Roofvogel weggenomen ; haar man prees 
haar en zeide: 

„Als Taranda danst, komt zij met alle negen gewrichten op den grond. 

Tanda Eo sprong in de hoogte op het Zwevende Land. 

„'t Is lastig en moeilijk ; mijne vrouw Taranda 

Is door een Grijpvogel opgepakt, haar levensgeest is weg. 

Moeder, maak mij mijne vrouw weder levend". 

Deze werd op nieuw onder den zak geplaatst; hare ziel werd weder 
opgevangen en in haar gebracht; zij werd weder levend, kwam weder tot zich 
zelve en rustte uit. 

„Laat het dansen maar gedaan zijn ; ga nu baden." 

Zij ging naar het water ; de kleine en de groote trommen werden mede- 
genomen. Toen het baden was afgeloopen, kleedden zij zich weder aan en keerden 
naar de hutten terug. 

„Laat ons daar ophouden, om uw levensgeest te doen naderen. Gij 
priesteressen, doet haren levensgeest nabij komen." 

Zij wenkten haren- levensgeest naderbij te komen, dansten met de kleederen 
der zieke in de hand; daarop aten zij voorspijs; de rijst in wioebladeren gekookt 
werd uitgedeeld en opgegeten met kippen- en varkensvleesch : na dit maal gingen 
zij naar huis en bleven daar en zorgden voor het loon der priesteressen : een stuk 
katoen, een hakmes en pakjes rijst: daarop werd aan den bek van een haan 



97 

gezogen, een kokosnoot liet men op haar hoofd in twee helften naar beneden 
vallen. 

Nu kreeg hij [Tanda Eo] Matia Eo in 't oog, de oudere zuster van Tanda 
Eo, een jong meisje, opgevoed door haren grootvader; nog niet eens waren hare 
tanden gevijld; bloed van Lemo nTonda bij hare eerste menstruatie kleefde er 
aan haren handdoek; dien had zij in het water geworpen en hij was afgedreven 
naar de zee, opgenomen door haren grootvader, levend gemaakt en als kern in de 
zon gezet; daarom werd zij Matia Eo genoemd. Toen hij haar had gezien, was 
Tanda Eo's hart niet meer in orde; bij het zien van dat meisje was zijn hart 
verdeeld en anders geworden, hij dacht er over om haar te trouwen, daar zij er 
zoo lief uitzag. 

(bl. 82) Nu kregen de priesteressen haar loon; toen ieder het hare had, 
gebruikten zij het namiddagmaal en zongen nog eenigen tijd, tot afscheid aan de 
woerake's; den volgenden dag werd er voor de priesteressen gekookt, toen vertrok 
men; het feest was geëindigd. Ook Matia Eo vroeg verlof om heen te gaan aan 
Taranda en Tanda Eo. 

„Schoonzuster Taranda, ik neem afscheid. 

Tanda Eo, ik v r aag verlof om heen te gaan." 

Zij ging heen, in een hoed als vervoermiddel ; ook Sese nTaola en Lemo 
nTonda gingen heen. Toen de lieden waren uiteengegaan, beviel Taranda van 
een jongen ; Tanda Oa was de naam van haar kind. Niet lang nadat het feest 
voorbij was, kreeg ook Tanda Woeja een kind ; Kota Lolowe baarde ook een zoon , 
Tanda Oea genaamd. 

Niet langen tijd daarna gaf ook de grootvader van Matia Eo een feest; hij 
liet overal kennis geven dat zijne kleindochter de tanden zouden gevijld worden. 
Tanda Eo bezocht het feest. Toen de dag gekomen was, ging hij per Regenboog 
en deze bracht hem naar het huis van den grootvader van Matia Eo. Hij vroeg : 

„Grootvader, gij moet het weten, ik kom het feest hier bezoeken, Groot- 
vader, ik verzoek u mij uwe kleindochter te geven. 

Dit kom ik u zeggen, ik wil haar tot vrouw nemen." 

De grootvader van Matia Eo antwoordde : 

„Mijn jongen, dat durf ik niet, zij is uwe oudere zuster." 

Tanda Eo antwoordde: 

„Ik begrijp het best, Grootvader liegt mij voor." 

De Grootvader van Matia Eo antwoordde : 

„Ik bedrieg u niet; Matia Eo is uwe oudere zuster." 

Tanda Eo werd verdrietig en ging heen. 

„Ik word toch maar bedrogen, ik ga maar heen." 

Hij keerde terug naar het Hangende Land, ging zijn huis binnen, doch 
slechts voor een oogenblik ; rechtdoor ging hij naar zijne moeder en zeide: 

„Moeder, Gij moet weten dat ik op reis ga." 

Verh. Bat. Gen. deel LV. 7 



98 

Moeder, gij moet wel begrijpen, dat ik wraak ga nemen voor vader." 

Hij ging de zonen dergenen die zijn vader vroeger hadden aangevallen, 
bestrijden ; eerst ging hij zijn neef Tanda Woeja halen, dien nam hij mede met 
nog veertig volgelingen. 

Aan zijn huis op 't Hangende Land aangekomen, hield hij zich maar een 
oogenblik op; zelfs naar zijn kind keek hij niet; hij nam alleen maar eene sirih- 
pruim, zoodat Taranda argwaan kreeg. Hij kwam terug bij zijne moeder. 

„Moeder, geef ons het noodige mee, wij gaan heen." 

Zijne moeder voorzag hem van teerkost; aan zee gekomen riep hij het 
schip van zijn vader: 

(bl. 83). „Waar is het schip van vader? daarmee gaan wij varen." 

Het schip kwam voor den dag; hij riep het toe: 

„Kom hierheen, dat ik van dichtbij aan boord kan gaan." 

Allen gingen aan boord. 

„Schiet eens een kanon af, Tanda Woeja. 

Schip Koperhuid, met u gaan wij varen. 

Dat gij het wel moogt weten, 't is een krijgstocht, wij gaan op zeeroof uit." 

Slaat de trommen, enz." 

Ook hij viel zevenmaal aan, de zonen van To Karö Oedja, Sandopo Dada, 
Mobangka Toë, Mobangka Laboe, Ligi nToja, Patiri Malela en ten zevende den 
Anakoda van Ternate. Hij nam slechts wraak op de zonen der zeeroovers. Hunne 
vaders waren vroeger allen gesneuveld; slechts zij waren in 't leven gebleven. 

Telkens als hij bij een hunner schepen kwam, zeide hij : 

„Geeft u over, dat ik het zie, wij komen u gevangen nemen." 

Laat ik zien, dat gij mij hulde bewijst, hier zijn wij, roovers." 

Maanden zij hem dan aan om zich over te geven, dan antwoordde hij : 

„Een zoon van Sese nTaola mag zich niet overgeven. 

Zich over te geven is verboden, slechts aanvallen is mijn plan." 

Zij vielen elkander aan; allen die zij tegenkwamen sneuvelden ; de zevende 
was de Anakoda van Ternate, die, gehooid hebbende dat de zoon van Sese nTaola 
voor zijn vader kwam wraak nemen, zeide dat hij al den tijd niemand had 
aangetroffen die zijn aanval kon weerstaan. 

„Wat komt daar aan voor den boeg van ons schip ? 

Wil eens door den kijker zien, 't is zeker een zeerooversschip." 

Soengko nTada antwoordde: 

„Ik heb 'tal met den kijker gezien, 't is inderdaad een roofschip." 

Tanda Eo antwoordde: 

„Als het een zeerooversschip is, stuur er dan recht op af. 

Schiet nog eens een kanon af, Tanda Woeja. 

Slaat de trommen, enz." 

Zij brandden los, zelfs de zee kookte er van, de boomen in de nabijheid 



99 

van het strand verflensten ; zelfs hunne schepen werden warm ; bijna verbrandden 
zij zelf. 

(bl. 84). „Geef u over, Tanda Eo, hier zijn wij, zeeroovers. 

Tanda Eo antwoordde: 

„Een zoon van Sese nTaola mag zich niet overgeven. 

Ik mag mij niet overgeven, juist aanvallen is mijn plan. 

Doet de enterdreggen haken in den voorsteven van het schip." 

Zij wierpen de enterdreggen uit en deden ze van weerszijden in eikaars 
voorstevens haken. Zij schoten en al de krijgsmakkers van Tanda Eo en Tanda 
Woeja sneuvelden, beide neven streden met de kris tegen den Anakoda van 
Ternate, die een harnas van vuur aan had. Tanda Eo en Tanda Woeja trokken 
harnassen van water aan ; zij voelden het vuur niet, het flikkerde nog maar slechts 
een weinig. Toen zij vermoeid werden, gelastte Matia Eo den Hemel-Haan jonge 
kokosnoten aan zijne sporen te slaan ; zij nam hem mee in haren hoed, daalde 
neder, zag op hare broeders neer en bemerkte dat zij het niet meer konden uithouden. 

Toen Tanda Eo het kokoswater had gedronken, kwam hij weder bij en 
streed opnieuw met de kris tegen den Anakoda van Ternate; geen enkele steek 
raakte; zoo hevig kookte hun bloed, dat zij het niet meer konden uithouden. 
Toen het eenigen tijd zoo had voortgeduurd (zeide Matia Eo): 

„Uw levensgeest heb ik al opgeborgen, hier in een amulet. 

Steek maar naar zijne schim, broeder Tanda Eo. 

Zijn levensgeest is opgeborgen, steek maar naar zijne schim." 

Daarop keerde Matia Eo terug. De Anakoda van Ternate sneuvelde. 
Tanda Eo bracht zijne makkers weer in het leven terug ; hij keerde terug naar 
de aanlegplaats van zijn vader, liet het schip achter en allen gingen aan land. 
Hij ging het buis van zijn vader binnen; het schip ging heen en keerde terug 
naar zijn vroegere plaats. Hij bleef den nacht bij zij o vader over; toen ging hij 
naar zijne vrouw, slechts voor twee nachten ; zijn ceef liet hij te huis. Toen hij 
heenging, zeide hij tot zijne vrouw : 

„Denk er geen kwaad van, dat ik niet thuis blijf." 

Taranda antwoordde ; 

„Gij bedriegt mij, dat zie ik aan uwe houding." 

Tanda Eo antwoordde: 

„Uw man Tanda Eo bedriegt u niet." 

Tarandft antwoordde: 

„Hoe zoudt ge mij niet bedriegen, uw gedrag is geheel veranderd," 

Tanda Eo antwoordde : 

„Weineen, het is niet veranderd ; het is zooals dat van alle mannen." 

Hij ging weder naar Matia Eo; daar gekomen, zeide hij: 

„Wat ik vroeger al eens gezegd heb, dat ben ik nu nog voorneineus." 

(bl. 85). Zijn Grootvader antwoordde: 



100 

„Het is zonde; het mag niet; gij zijt volle broer en zuster." 

Tanda Eo antwoordde; 

„Ik ben zeker van bet tegendeel, wat Gij daar zegt is leugen." 

(De grootvader) „Hij zegt dat ik hem bedrieg, kom eens hier, Matia Eo. 

Sta gij hem dan maar te woord, dat hij het voor goed wete," 

Matia Eo antwoordde : 

„Ik ben uwe oudere zuster, wees daar zeker van. 

Mijn vader is een wali, dat gij het weten moogt." 

Matia Eo was dus eene bidadari, want haar vader was een wali. Tanda 
Eo antwoordde: 

„Gij bedriegt mij maar, ik geloof er nu niets meer van." 

Matia Eo antwoordde : 

„Twijfel er niet aan, wij zijn van ééne moeder. 

Wij zijn van dezelfde moeder, maar niet van denzelfden vader." 

Als ik u bedrieg, laat ons dan de zaak voorbrengen 

Tanda Eo antwoordde: 

„Goed, laat ons de zaak voorbrengen, dan zult ge de uitspraak vernemen." 

Zij gingen per Regenboog, maar hielden eerst op bij zijne vrouw. Matia Eozeide: 

„Schoonzuster Taranda, uw man gedraagt zich slecht. 

Houd u goed en vermaan uw man. 

O, ik heb medelijden met die arme Taranda." 

Taranda antwoordde : 

„Het is zeker bedrog, ik arme vrouw !" (bis). 

Tanda Eo hield zich stil; Matia Eo zeide: 

„Schoonzuster, ik ga verder en begeef mij naar uw schoonvader." 

Zij gingen naar het dorp van Ta Datoe, maar Tanda Eo was haar voor 
en zeide: 

„Matia Eo komt daar aan, zij zegt, moeder, dat zij uw kind is." 

Matia Eo kwam en zeide : 

(bl. 86). „Het is geen leugen dien ik zoek, moeder; ik ben uw kind." 

Mijn vader was een wali, weet dat wel, moeder. 

Ik ben een vaderloos kind, een kind van het zeestrand. 

Ik ben een vondeling, een kind van den zeeoever." 

Lemo nTonda antwoordde: 

„Gij hebt mij de waarheid gezegd; gij zijt werkelijk mijn kind. Mijn zoon 
Tanda Eo, men bedriegt u niet, mijn jongen."' 

Tanda Eo antwoordde: 

„Hoe zou men mij niet bedriegen, ik heb haar nooit te voren gezien. 

Gij liegt mij wel degelijk voor, ik heb nooit gezien, dat Gij nog een kind 
hadt. 

Gij liegt mij bepaald voor; ik heb nooit gezien, dat Gij nog een kind hadt. 



101 

Als Gij werkelijk nog een kind hadt, zou ik let gezien hebben, toen ik groot 
was geworden. 

Gij moet het wel weten, ik zal haar in ieder geval trouwen. 

Dat Gij het wel moogt weten, ik ga mijne zuster trouwen." 

Zijne ouders antwoordden : 

„Wat zullen wij u nog tegenhouden, gij wilt uw zin maar hebben." 

Taranda zeide : 

„Ik zal zoo naar u verlangen, mijn man Tanda Eo! 

O Tanda Eo, zie eens naar uw kind hier." 

Tanda Eo keek in 't geheel niet meer naar zijn kind ; hij gaf niet eens 
antwoord. Matia Eo zeide: 

„Misschien zult Gij ook wel verlangen krijgen, schoonzuster Taranda!" 

Hij keek niet meer naar haar om; hij huwde zijne zuster ; zijne ouders kon- 
den hem daarvan niet meer terughouden. Sedert verdorden de boomen en zonk 
het land weg, doordat het water uit den grond opkwam. Tanda Eo werd door 
zijne ouders verlaten en ging heen, wellicht naar boven in de lucht ; het is niet 
bekend, waarheen hij is gegaan ; ook weet men niet, of hij nog leeft of reeds 
gestorven is. En hiermede is het uit. 

Panta, Augustus 1901. 



AANTEEKENINGEN EN TEKSTVERBETERINGEN 

OP HET 

Verhaal van Sese nTaola. 



In deze aanteekei ingen zal men een aantal fouten in den gedrukten tekst 
verbeterd vinden. Een Toradja'sche verteller heeft niet het minste begrip van 
tegemoetkoming tegenover iemand, die zijn verhaal opteekent, en wordt niet gaarne 
om verklaring lastig gevallen, eer hij uitgesproken heeft. Vraagt men hem aan 
het slot van zijn verhaal om opheldering, dan weet hij meestal niet meer hoe hij 
zich tevoren heelt uitgedrukt ; hij geeft dan het zooeven gezegde in andere termen 
weer, wijzigt of vult aan en maakt zich daarmede van alle verdere verklaring af. 
Doorgaans spreekt hij op de vlugge, slordige wijze van den dagelijkschen spreek - 
toon ; telkens ook mengt hij zich even in de gesprekken zijner luidruchtige om- 
geving of laat zich afleiden door degenen, die mede zijn verhaal aanhooren. Ik 
heb echter den verteller van dit verhaal later nog eenige malen tot verklaring 
en aanvulling van den toen reeds gedrukten tekst kunnen bewegen, waarbij hij 
sommige gedeelten weder een weinig heeft gewijzigd en plaatsen, waar hij zich 
vergist had of iets had vergeten, heeft hersteld. 

Wanneer men de moeite wil nemen de hier opgegeven verbeteringen in 
den gedrukten tekst aan te brengen, kan men zeker zijn dat hij behoorlijk in 
orde is. 

Daar er nog geen Spraakkunst of Woordenboek van het Bare' e bestaat, 
zou het een onbegonnen werk zijn om taalkundige aanteekeningen te geven. Ik 
heb mij daarom bepaald tot opmerkingen, die naast de vertaling noodig waren 
tot goed verstand van den tekst, vooral daar waar geen woordelijke vertaling 
kon geleverd worden. 

De nummers der aangehaalde bladzijden zijn die van den Bare'e tekst, die 
ook in de vertaling zijn aangegegven. De tekstverbeteringen volgen hier eerst 
afzonderlijk. 



Tekstverbeteringen, 



BI. I. regel 11 van onderen, napopangkoni, lees: tapopangkoni. 

r. 8 v. o. kapeoasi, lees: nipeoasi. 

r. 7 v. o. nakandjo'u, lees: da nakandjo'u. 

BI. 2. r. 10 v. o. mampatuwu is juister dan mompatuwu. 
De uitspraak van het samengestelde voorvoegsel mampa- of mompa- is bij 
velen onvast ; maar in 't algemeen wordt mampa- voor de beste uitspraak gehouden. 

r. 8. v. o. napeoasi is niet fout, maar nipeoasi is hier juister. 

BI. 3. r. 15. napakarau tau tu'a, lees: napokarau ntau tu'a. 

r. 16. natutui, lees: natutuwi. 

r. 21. tapeoko, lees: tepeoko. 

r. 10. v. o. Mongkambari of Mangkambari ; het laatste is beter, zie 
bij bl. 2. r. 10. v. o. 

r. 1. v. o. kaoponja, lees: ka'aoponja. 

Bl. 4. r. 2. kalimaüja, lees: ka'alimanja. 

r. 13. naowe, lees : kuowe. 

r. 12. v. o. montima, beter mantima. 

r. 8. v. o. Montompo, beter Mantompo. 

r. 7. v. Montompi, beter Mantompi. 

Bl. 5. r. 18. tepidje, lees : tepidji. 

r. 5. v. o. mompamango, beter: mampamango. 

r. 3. v. o. mewali, lees: mewalili. 

Bl. 6. r. 20. v. o. wou, lees wo'u. 

r. 2. v. o. kfionongkaninja, lees: ka'aonongkaninja. 

Bl. 7. r. 1. naporongo, lees: napoporongo. 

r. 10. narata manta'u-ntau, lees: naratamo nta'u-nta'u. 

r. 13. ndapoapukaku, beter: ndipoapukaku. 

r. 18. ndapalindokaku, beter : ndipalindokaku. 

r. 10. v. o. tapangkoni, lees : ndapangkoui. 

Bl. 8. r. 11. v. o. mongaru, beter mangaru. 

r. 9. v. o. kaononja, lees : ka'aononja. 

Bl. 9. r. 18. ndapoposompo, lees: napoposompo. 

Bl. 10. r. 1. kaononja, lees: ka'aononja. 

r. 10. nu manto'o, lees: nuto'o. 

r. 16. marata, lees: merata. 

Bl. 11. r. 4. kupokaeka, lees: kupokaea. 



104 

BI. 14. r. 14. makurapa naintjani, lees: niakura pangaintjani. 
r. 15. penawa-nawa, beter ponawa-nawa. 
r. 18. ronganja, lees: rongonja. 
BI. 15. r. 9. pondjaumo, lees: pondjaumu. 

r. 10. se'i ma'i, lees: sima'i. 
BI. 16. r. 4. ntaloma'i, lees: ntja loma'i. 
r. 9. napero'u, lees: napero'u. 
r. 3. v. o. kapowia, lees : kupowia. 
BI. 12. r 14. v. o napasambuni, lees : napasainboni. 
BI. 13. r. 18. palemu, lees: paleino. 

r. 20. siongkatu, lees : sio ngkotu. 
r. 1. v o. kuntandai, lees: kutandai. 
BI. 17. r. 12. v. o. ana ; drukfout voor anu. 

r. 9. v. o. wuso-wuso, later door den verteller veranderd in wuntu- 

wuntu. 
r. 7. v. o. Ja mokoro, lees: Djamo koro. 
BI. 18. r. 1. ndatima, duidelijker is tatima 

r. 16. jamo, lees: djamo. 
BI. 19. r. 2. malengimo, lees: malengemo. 

BI. 20. r. 1. om de maat te herstellen, leze men voor bale baleku, dat 
in den zin geen verandering brengt, 
r. 8. v. o. ndate, beter is ndati, dat gelijk staat met ndate ri. 
BI. 21. r. I. ntakaronja, lees: ntakaronga. 

r. 14. ndekupoapuka, moet zijn dekipoapuka. 
r. 8. v. o. napoiwo, lees: napapoiwo. 
BI. 22. r. 4. malengi, lees : malenge. 
BI. 23. r. 3. napakaroka, drukfout voor napakoroka. 

r. 5. Re'i, lees : se'i ; bet woord se'i na pangkoni moet geschrapt 

worden. 
r. 9. voor djondjo, lees: djamo da. 

r. 12. Deze geheele regel moet vervallen, daar de beide coupletten 
waar zij tusschen staat, door Sese nTaola worden uitge- 
sproken, 
r. 14. montjongkoka, drukfout voor montjongkaka. 
r. 15. v. o. In dit couplet kan de maat hersteld worden, indien 

men tau weglaat, 
r. 9. v. o. mai, drukfout voor ma'i. 
r. 7. v. o. komi, lees: kami. 
BI. 25. r. 8. balamba, drukfout voor balampa. 
BI. 26. r. 3. narabu, lees: ntarabu. 

r. 3. malengi, beter: malenge. 



BI. 


27. 


r. 


BI. 


28. 


r. 

r. 


BI. 


29. 


r. 


BI. 


30. 


r. 


BI. 


34. 


r. 
r. 


BI. 


35. 


r. 
r. 



105 

J. en 2 tobambari als één woord te lezen. 

8. wordt door Sese nToala uitgesproken, r. 9 door Datu mPa- 

jompo Jangi. 
7. v. o. mombeoasi, lees: mombepeoasi. 
10. dale-dale, lees: dole-dole; voor sinkandjera lees siugkandjera. 
17. ndjo'uma, lees: ndjo'umo. 
3. v, o. marata, lees: merata. 

1. v. o. maria mompalinga, lees: mariamo mpalinga. 
6. rajamu? lees: rajaku, zonder vraagteeken. 
13. v. o. nuto'oka, lees: kuto'oka. 
r. 11. v. o. pelaerno saeramu, lees: pelaemosa eramu! 
BI. 36. r. 1. era nu, lees: eramu. 

r. 6 v. o. Dit couplet heeft twee lettergrepen te weinig, die 
kunnen ingevoegd worden aldus : 
Dago nTjakodi eraku, i sikomo se'i jau. 
r. 1. v. o. djanu, lees djamo 
BI. 38. r. 14. v. o. kupanto'o da, lees: kupantoüda. 
r. 5. v. o. rembisaka, lees: rembesaka. 
r. 2. v. o. wuju, lees: wujua. 
BI. 39. r. 4. v. o. napetondani, lees: napetondoni. 

r. 3. v. o. ane rata, is door den verteller later verbeterd in meratamo. 
BI. 40. r. 18. nabuku, lees: nakaku. 

BI. 41. r. 8. maintjani is minder duidelijk dan ndaintjani, dat de verteller 
er later voor in de plaats heeft gesteld. 
r. 12. ro, lees: io. 

r. 2. v. o. mai'mo, drukfout voor ma'imo. 
BI. 43. r. 15. v. o. ndj'au, drukfout voor ndjau. 
BI. 48. r. 6. nato'o, beter js tato'o. 

r. 6. v. o. moet vervallen, daar de twee volgende regels ook nog 
door Sese nTaola worden gezegd. 
BI. 50. r. 17. mpetatarapo, drukfout voor mpetataropo. 
BI. 51. r. 17. v. o. karaudja, drukfout voor karoudja. 

r. 14. v. o. napakaroka, drukfout voor napakoroka. 
BI. 54. r. 6. v. o. Sandopa, drukfout voor Sandopo. 
BI. 55. r. 10. napaintjani, lees : nupaintjani. 
BI. 58. r. 14. nakato, drukfout voor nakanoto. 
BI. 59. r. 3. natolilini, drukfout voor natolilimi. 

r. 16. v. o. ndatangara, liever met reduplicatie ndatatangara, tot 
herstel der maat. 
BI. 61. ry 14. zijn in den druk de woorden tete en to'o aaneengevoegd ; 
zij moeten gescheiden worden. 



106 

BI. 62. r. 1. ndito'o mpa, lees: nditompa. 

BI. 66. r. 4. naparato, lees: naporato. 

BI. 67. r. 4. eramu. lees: eraku: ne'e, lees: re'e. 

r. 17. tewuso'i, lees: inpewuso'i. 
BI. 68. r. 14 ma'imo pakabe, lees ma'i mainpakabe. 

r. 9. v. o. nu potunda, lees napotunda. 
BI. 70. r. 4. rnontango, lees : inantanga. 

r. 18. ndipekutana, lees: kupekutana. 

3. v. o napesua moet van het volgende ri worden gescheiden. 
12. v. o. kaweugiino, lees: da wengimo. 

7. v. o. mosore, beter mesore. 
18. se'iiuo mpakorokaiuo, lees: se'i mampakurokamo. 

2. inoradulaino, lees: moura dulamo. 

3. v. o. voor naburesaka tan, lees: naseburaka jau. 
5. ïnautagara, drukfout voor mantangara. 

8. ngkaro-karobja, lees: ngkaro-ronja. 

9. v. o. pata, drukfout voor rata. 

4. Jamo. lees : Djamo. 
7. nawali ntjusa, lees: pewali ntjusa. 

15. v. o. ndjaja, lees mlaja. 

r. 4. v. o. aono, lees aopo; ambanja, lees bambanja. 
BI. 81. r. 3. nenenja, lees: remenja. 

r. 9. nata'anaka, lees: nata'unaka. 

r. 10. Reagko ngkaratu, lees: Kingko karatu. 

r. 13. napokare'e potaro, lees: napokaré'e. Potaru. 

r. 16. ngKakoe — loe, lees: ngKaloe-loe. 

r. 7. v. o. peari, lees: pearai. 

i'. 4. v. o. basau, drukfout voor basa'u. 
BI. 82. r. 1. meariino, lees: mearai; nari, lees: narai. 
BI. 83. r. 5. mpesampu'a, lees : ntesampu'a. 

r. 7. mosn, lees: musu. 
BI. 84. r. 14. njawamo. lees: njawamu. 
BI. 85. r. 11. Ja, lees : Dja. 

r. 13. pomata, lees: pobata. 

r. 4. v. o Ara, lees: Era. 
BI. 86. r. 10. moutjomo nipombambami, lees : montjo muni pombambami. 

r. 16. djai motunggai, lees: djamo tunggai. 







r. 


BI. 


72. 


r. 
r. 


BI 


73. 


r. 


BI. 


74. 


r. 


BI. 


75. 


r. 


BI. 


78. 


r. 


BI. 


79. 


r. 
r. 


BI. 


80. 


r. 
r. 
r. 



AANTEEKENINGEN 

OP HET 

Verhaal van Sese nTaola, 



BI. 1. 

Sese nTaola beteekent : Taola-bloem ; een boom die taola heet, is mij nog 
niet bekend. Over dezen naam zie de Inleiding. 

Maro-ro, > blijven, voor vast wonen, gevestigd zijn. De eerste zin luidt dus 
woordelijk: „T. D. en I. D. waren (als getrouwde lieden) gevestigd." 

Napajoro, vertaald m3t „liet rammelen." De lobo, het groote gebouw in 
Toradja'sche moederdorpeu, waarin voor een belangrijk deel de cultus der voor- 
vaderen plaats vindt, heeft een vloer van planken, die los naast elkaar op de 
vloerbalken liggen. Om zijne lieden bijeen te roepen gaat het dorpshoofd wel eens 
naar de lobo en stampt met een stuk hout op een der planken. Op het gerammel 
komen de lieden af en verzamelen zich in de lobo, waar ook steeds de verga- 
deringen gehouden worden. 

Nu anu; nu is een verkort anu; men begint dikwijls met dit aanloopje een 
zin, zooals wij met „wat ik zeggen wou." 

Kupekitimasi komi, „ik heb u laten komen"; tima, „nemen, halen," mekitima 
«laten halen, ontbieden, laten komen." 

Kabilasa masajasa ara mpa'a, eene aardigheid in gerijmd proza, woordelijk: 
„kerels ruig onder aan de dij." 

Sindate, „daar boven", d. i. binnen io huis; het huis staat op palen; ons 
„binnengaan" is dus „naar boven gaan"; ndate is vaak te vertalen met „thuis." 

Kapude, met ka- van pude, een nevenvorm van pue „heer", waarschijnlijk 
met de gevormd van pu, naast pue met e, vgl. Boengk. kude en munde, pers. 
v. n woorden, Ie 2e p. exc, tenzij het een verfraaide vorm is, te vergelijken met 
Sang. duda, buda, badu', naast dua, bua, bau'. Zie Sang. Sprkk. bl. 234. Titel- 
woorden nemen ook in 't Bar. wel 't voorv. ka-, bijv. kabui „vrouw", nggauma, 
„vader", nggaine, „moeder", nggabue, ,- grootmoeder", in het dialect der To Poe'oe 
m. Boto ten Z. van het Posso-meer. Dit laatste woord, nggabue, zou in het 
Bare'e kapue luiden. 

Tapepali, Ie pers. mod. inclusief; er staat dus eig. ..wij (zullen) zoeken". 
Over kita als beleefden vorm van den 2den pers. zie Meded. Ned. Zend. Gen. 
42. bl. 145 en Tijdschr. Bat. Gen. 42, 475. 

Katimba, Amomum album (?), draagt zeer zure vruchten schubsgewijze aan 
een vleezigen stengel. 



108 

Djongi, een gele, zure vrucht, aan een grooten boom met groote bladerei 
groeiende; Minah. talen rerer, leler, in Koorders' Verslag geen bot. naam opgegeven 

ajinja: da napakapeni kina'anja, „ welnu, laat men dan vast maken zijni 
spijs", o. i. „laat hem vaste spijs eten." 

BI. 2. 

udja mbamba eo „regen die een grap, een streek van de zon is", d. w. z 
het zonnelicht verdwijnt of vermindert er niet door, zooals bij echten, zwaren regen 
Deze regen is levenwekkend, want het zijn de tranen der gestorven voorouders 
die zien dat een hunner nakomelingen is gestorven en hem beweenen. De tranei 
van den mensch bevatten tanoana, „levenskracht, levensfluide", evenals zijne urine 
zijne faeces, zijn zweet, zijn haar, in één woord al wat van zijn lichaam koml 
dat één complex van tanoana is ; de tranen der vergoode voorvaderen zijn dus ii 
hooge mate levenskrachtig. 

bajore, „slaapkop", van jore, „slapen." De substantieven met ba- gevormd 
hebben eene ongunstige beteekenis, bijv. batangi, „huilebalk", bagele, „lachebek" 
bangenge, „drein, zeurkous", barapi, „waagaF', balima, „steler", basae, „treuzelaar" 
(masae, „langdurig"), enz. 

Ine, se'i watu bara ndapobobaki. Wanneer de foeja of geklopt 

boomschors ter verduurzaming met het sap van ula-vruchten is bestreken, of i; 
een uitkooksel van boomschors is gedoopt en daarna gedroogd, wordt zij nog een 
op een steen gelegd en met een knuppel geslagen (mebobaki), om slapper en buig 
zamer te worden. Voor dit gebruik biedt Sese nTaola zijne moeder den steen aar 

BI. 3. 

tesa'iru, „enkele scheppen"; de Toradja'sche lepel dient om groente of vleescl 
op te scheppen ; de steel van dezen lepel is spadelvormig afgeplat en daarme< 
wordt de rijst uit den pot gespadeld en in de groote boombladeren of kokosdop 
pen gedaan, waaruit de Toradja zijne rijst eet. 

Zeven broeken, zeven hoofddoeken, enz. De oneven getallen tusschen 1 ei 
10, vooral 7 en 9, duiden vaak een groot aantal of ontelbaar veel aan. In ' 
algemeen hebben onevene getallen eene gunstige beteekenis, maka mowo'o, „wanl 
ze hebben een hoofd," zegt de Toradja. 

Kampu is in het Bar. de naam van een boschboom, welks vruchten bij ge 
brek aan pinang gekauwd worden. Hier is het 't Boeg. kampu, dat weder 't Mal 
këmpuh, „reukdoosje", is (Matthes, Boeg. Wdkb.). De kampu's, die de Toradja' 
van vreemdelingen koopen, hebben den ovalen vorm van de pinang en dekampuvruchl 

Meruntjupaka potundanja, „hun zitten plofte naar beneden", d. i. zij kwamei 
met een plof neer te zitten. 

aio, „jaarvogel," Buceros; wakia, een fraai gekleurde kleine duif, pun< 
(Mal. punai), een grootere duifsoort, puti'a, vrij groote witte duif, met zwarte vlerken 

mowinti-winti buju, natitiuipalu; mowinti (Mal. benteh) „kuitschoppen," d< 
betamiDg van 't geheele s-pel, speciaal mowinti mbiti, „als degene die de kuit va 



109 

zijn medespeler moet treffen, zijn been gebruikt, motimpalu, als hij zijne vuist ge- 
bruikt. 

BI. 4. 

bomba, Maranta dichotoma, Jav. bamban, Boeg. bampëng, de gespleten 
stengel dient om atap te naaien en de palen van omheiningen aaneen te binden. 

guma bet. in goed Bare'e „zwaardscheede" (vgl. Mal. rumah, enz.), maar 
wordt, door invloed van het Parigisch en 't Ampana'sch in het strand Bare'e voor 
„zwaard" gebruikt. Hier is de beteekenis onzeker, daar de boom, dien Sese nTaola 
op zijde droeg, noch een zwaard, noch eene scheede was. 

sompoa, „aanlegplaats," d. i. de mond eener rivier in zee of in eene andere 
rivier. De vestigingen aan het strand liggen, zooals van zelf spreekt, altijd aan 
den mond eener rivier en heeten ook bijaa altijd naar die rivier. 

Mokonto is het onophoudelijk uitspuiten van bloed uit wonden ; de naam 
zou dus met „Bloedvergieter" kunnen vertaald worden. 

Saloko is een kooi, doorgaans van rotan gevlochten, die van onderen open 
is en als een stolp over hanen en kippen wordt gezet; vooral vecht- en lokhanen 
worden op deze wijze bewaard. Het woord is met al afgeleid van soko, „pakken." 

BI. 5. 

Kalangka is de holte die ontstaat tusschen de verschillende stammen van 
den waringin, wanneer de boom, op welks stam zij eerst als parasieten geleefd 
hebben, gestorven en vergaan is. 

Bare'e dosaki, waarop volgt dölimporongo bare'e; de prijs, die de familie 
van den bruidegom aan die der bruid betaalt, heet zoowel oli mporongo, „huwe- 
lijksprijs", als saki mporongo, „huwelijksboete." Wie ooit eene Toradjasche huwe- 
lijkssluiting heeft bijgewoond, kan niet meer twijfelen aan 't karakter van vre- 
desonderhandelingen, die de besprekingen en de daarmee verbonden gedeeltelijke 
afbetaling van den huwelijksprijs dragen en dan de beteekenis van vredesluiting, 
die de daarop volgende maaltijd heeft. 

BI. 6. 

Reg. 8. voor patiwunga, patikondo, lees pati wunga, pati kondo. Reg. 12 
v. o. id. Parallellen van het hiergenoemde geloof aan de betrekking tusschen 
plantenziel en menschenzieJ vindt men, behalve op de in de Inleiding genoemde 
plaats Tijdschr. Bat. Gen. 43, 175, 176, nog in het opstel van Dr. Wilken, 
Ind. Gids VI, 2, 608 en in dat van Dr. H. H. Juijnboll, „Sporen van Animisme 
in de Maleische letterkunde," Tijdschr. v. Ned. Indië, 1898, bl, 638. 
BI. 7. 

Maka ungka lai'ria moto'omo, „sedert werden zij met een naam genoemd." 
Tot dusver zijn in den tekst de naam van broeder en zuster nog niet genoemd 
en zijn zij alleen met voornaamwoorden aangeduid. De naam Gili mPinebetu'e be- 
teekent woordelijk : „schittering, blikkering van hetgeen gemaakt is tot plaats van 
sterren-onderzoek," d. i. „blikkering, glans van den sterrenhemel." Daar zij een 



110 

onbeteekenende persoon is in het verbaal, heldert bare rol de beteekenis van ha- 
ren naam niet op. 

In het 7de couplet kan het tekort van één lettergreep worden hersteld, 
als men voor ngkasungke leest ngkapasungke 

Kabü, „boe-roeper, boeman" is de wisselterm voor angga, „spook, ziel, geest," 
naar het boe-geluid der geesten en spoken. Singkangugu is „zacht met elkaar 
fluisterend," singka'ü (beter dan singkaü, maar in dergelijke woorden is de uit- 
spraak niet vast) is dan „tegen elkaar oe, oe! roepend. 

BI. 8. 

Kotupa, door het Mak. (katupa') of, naar den vorm te oordeelen, regelrecht 
uit 't Mal. (ketupat) overgenomen door de Parigiers en zoo in het strand-Bare'e 
geraakt. De Toradja's, die geen enkele soort van gebak kunnen maken, kennen 
ook de këtupat niet. 

ganda, trom, bij de Toradja's alleen in de lobo te vinden. Beschrijving 
en afbeelding „Mededeelingen v w. het Ned. -Zendelinggenootschap," Dl. 41, 
bl. 45. 

balombo, „suikeroven," dit heeft de verteller er althans mee bedoeld. In 
Meded. N. Z. G. Dl. 41, bl. 3Y noemt de Hr. Kruijt terecht de hut, die boven den 
suikeroven wordt opgericht, balombo. Het woord, dat geen Bare'e is, beteekent 
in het Paloesch (walombo) „scheede," dus z. v. a. „huis, hut." 

De stookplaats wordt t. a. p. aldus door den Hr. Kruijt beschreven: „In 
het midden van de balombo is een gat in den grond gegraven, meestal f el mid- 
dellijn en 1 el diepte. Naar dit gat loopt een breed schuin kanaal, welks mond 
uitkomt op den bodem van het ronde gat. Hierin schuift men het brandende 
hout; de rook ontsnapt door een kleiner kanaal daar tegenover." 

Reg. 3 v. o. is de maat in de war. Door het schrappen van nu, dat niets 
in den zin doet, is de maat hersteld. 

Bl. 9. 

paraantja, uit 't Boeg. pëntja, 't Mal. pentjaq, „dansende schermen"; pa- 
langka, evenmin Bar. als 't vorige woord, is te verstaan uit Mal. Jav. langkah 
en dus waarschijnlijk te vertalen met „springer, vluggert.' 1 

gajangi, „kris", het Boeg. gadjang; de Toradja'sche vorm is, de looze i 
buiten beschouwing gelaten, ouder dan de Boegineesche, zoodat men tot het ver- 
moeden komt, dat dit woord vroeger de benaming van een inheemsch wapen 
moet geweest zijn. De kris, door de Toradja's ook wel keri genoemd, is bij hen 
ook thans nog niet in gebruik. Op reis en verder bij bijzondere gelegenheden, 
draagt de Toradja een zwaard, anders een hakmes. 

Mesonomo anu tukaka, de oudere broeder van den gestorvene; d. i. degene 
op wieu hij onmiddelijk volgde. Zijn er een aantal kinderen in een gezin, dan 
is degene, die onmiddelijk op een der kinderen volgt, diens speciale tua'i en die 
hem onmiddellijk voorafgaat meer bijzonder zijn tukaka. 



111 

BI. 10. 

In het 6e couplet is gasa ngkedje een scheldwoord, woordelijk „sperma 
penis", een zeer druk gebruikte term om ongenoegen over iemand te laten mer- 
ken. Gasa nu ana ngkadi setu, „dat lamme kind'', gasa nu asu setu, „die be- 
roerde hond"; zelfs van voorwerpen, „gasa nu labu setu, „dat vervloekte hakmes." 

Solora, kasolora, „ramp, ongeval", vooral een dat door onvertogen woorden 
is veroorzaakt. Zegt bijv. iemand: r Als ik ziek word of doodga. . .," dan valt 
een ander hem al spoedig in de rede met : ne'e mompau-mompau kasolora. 

paratonda, dat geen Bar. is, moet wel het Jav. pratonda, zijn, daar het Boeg. 
of Mal. zulk een vorm niet kan geleverd hebben. Hoe dit woord in het strand- 
Bare'e gekomen is, heb ik nog niet kunnen nagaan. 

iba is synoniem met bare'e; voor zoover ik weet gebruiken alleen de To 
Djaladja, tusschen Palopo en "Watoe, in Loewoe dit ontkenningswoord, terwijl hunne 
taal verder overeenkomt met het Bare'e (are'e en ae'e er bij gerekend), dat ten 
Z. van de waterscheiding tusschen de Tomiui-bocht en de Bone-golf wordt ge- 
sproken. De Todjoers noemen het Bare'e, dat ten W. van hun gebied wordt ge- 
sproken, steeds iba. Het woord moet dus vroeger wel een grootere verbreidheid 
hebben gehad dan thans. Van iba is ba de echte ontkenning, evenals van bare'e. 
Zie ook Meded. N. Z. G. 43. 19. 

Voor den vorm wordt het verflensen der planten, die Sese nTaola had 
achtergelaten bij zijne vroegere gezellen, hier nog vermeld, maar het eigenlijke 
doel, waarmede die planten waren opgehangen in de huizen zijner makkers, is hier 
geheel uit het oog verloren. 

Het laatste couplet geeft een voorbeeld van het gebruik van to'o als in- 
terjectie, zooals wij „wel,' of „zeg" gebruiken. 

BI. 11. 

In het 10de couplet beteekent molango mpa'a, „de dijen op elkaar leggen, 
op elkaar doen steunen"; het is hier gebruikt voor de wijze van zitten die in 't 
Jav. sila heet en die den Toradjp's onbekend is. De Toradja trekt zijn ééne 
been op en zet den voet er van plat op den vloer, het andere been vouwt hij 
zooals iemand die sila zit. Alleen de Mohammedaansch geworden strandbevol- 
king kent het sila zitten, maar is er toch ook niet in geoefend het lang uit te 
houden. 

Dja na di jau, natampunisi, moadi, „zij tooverde het te voorschijn, zij dekte 
(de schotels) toe en sprak een tooverspreuk uit." Moadi is adi, zeggen ; gewoon- 
lijk luidt de tooverspreuk aldus: „adi, adi sakurio, ane montjo ri adiku, of ane 
montjo adi mpapa, of wel, adi-adi nipapaku. adi adi weneku, adi-adi utu'aku, dat 
is: „hokus pokus, pas! indien het waar is wat mijn tooverspreuk zegt", of „in- 
dien de tooverspreuk mijns vaders waar is", of „hokus-pokus van mijn vad<r, van 
mijne moeder, van mijn grootvader, van mijne grootmoeder" en dan volgt ge- 
woonlijk, „dan moet er dit of dat gebeuren", d. i. dus de eigenlijke wensch. Van 



112 

de woorden adi adi sakurio is mij het laatste verklaard als to'o hamoa ri tana 
ngkaloe-loe, „naam van een geest op het Hangende Land", een luchtgeest dus. 
Adi is id. met Mal., Jav., Mak., Boeg., Soend., Bat. adji, Bis. hadji, Sang. 
adi, Lamp. adi-adi (Tijdschr. Bat. Gen. XVII, 574) „tooverspreuk"; daar dit woord 
door de Mohammedanen in Indonesië gebruikt wordt om 't Koran-recitecren mee 
aan te duiden, is het in 't strand-Bare'e uit het Boegineesch nog eens in den vorm 
mangadji opgenomen. Bij het moadi doet men de oogen dicht en als men ze een 
oogenblik daarna weer opendoet, staat het gewenschte reeds klaar. Dit sluiten 
der oogen is ook gebruikelijk bij de , , priesteressen", die hare tanoana laten op- 
stijgen, om die van een zieke te gaan halen. Waarschijnlijk is dus het sluiten 
der oogen een bewijs, dat men zich oorspronkelijk voorstelde het gewenschte bij de 
lamoa's daarboven te gaan halen. 

BI. 12. 

Nia in het 4e couplet is uit Boeg. (Mal., Ar.) nia' overgenomen; voor „plan, 
voornemen" heeft het Bare'e panto'o ndaja, tuntu ndaja, „inspraak des harten", of 
au kupomata-matai, au kupomaimata, „'t geen ik mij voorstel". 

Ue ntji papa in het 12 de couplet, „het water van vader"; hierin is ntji een 
genasaleerde vorm van si, dat veel minder vaak dan i, en doorgaans in de „casus 
obliqui" gebruikt, hoewel men 't ook in den nominatief hoort. Ue ntji papa is 
beleefder dan ue i mpapa; nog hooger is siri papa, ntjiri papa, waarschijnlijk een 
locatief, si ri papa, gelijkwaardig met anu ri papa, „'t geen bij vader is, van vader." 

BI. 13. 

Ie couplet, gegesimo kaku, voor gegesikakumo „wrijf mij"; in proza hoort 
men ook wel -mo tusschen -ka en het woord, waaraan dit gehecht is, maar in 't 
algemeen is -ka onscheidbaar. Zooals men ziet aan dit voorbeeld, wordt -ka ook 
gehecht aan vormen die reeds van 't achtervoegsel -si zijn voorzien. 

2e couplet „kom nu tegenover mij zitten en kam mijn haar." Als zij hun haar 
kammen of laten kammen, werpen de Toradja's het gewoonlijk naar voren, zoo- 
dat het voor hun gezicht hangt. 

pala-pala, een der zéér weinige zelfst. n. woorden in het Bare'e, die een 
herhaalden vorm hebben. In 't algemeen kan men substantieven niet herhalen ; op 
enkele klanknabootsingen na, die geen echte herhalingen zijn, hoort men in het Bare'e 
nimmer herhaalde substantieven. Op eene vraag naar den weg krijgt men wel 
eens ten antwoord: „koro-koronja", of „buju-bujunja" of „djaja-diajanja", maar dit 
zijn verkortingen voor koronja, koronja, „de rivier, de rivier", d. i. „altoos naar 
de rivier", of ,steeds naar den berg", „aldoor maar het pad." Van pala-pala is 
geen niet-herhaalde vorm bekend ; daar dit woord ook in 't Mal., Mak., Tag., Bis. 
Malag., Bat. een herhaalden vorm heeft (para-para, enz.), kan men gerust aanne- 
men dat het dien in 't Bar. ook altijd heeft gehad. De vorm is onregelmatig, 
de typische klank der Ie v. d. Tuuksche wet verdwijnt doorgaans in 't Bare'e; 
voorbeelden, waarin zij r en g is, zijn ook aan te wijzen, doch van 1 is mij geen 



11.3 

ander voorbeeld bekend. De rookvliering heet in 't Bar. topo, onder pala-pala 
verstaat men een rek om kleeren enz. over te hangen of een rustbank om op te 
gaan zitten, bijv. om zich te laten drogen. na bet baden. 

Het 10de en 1 Ide couplet bestaan uit dezelfde woorden in andere volgorde ; 
ook in die veranderde volgorde (rawali ngkoe) rijmen de coupletten; dergelijke 
versjes vallen bij de Toradja's zéér in den smaak. 

In het 13de beteekent de uitdrukking sio ngkotu (niet siongkatu) tudu 
tana, „al hare negen gewrichten komen op den grond", zoo lenig en bevallig is 
haar gang. Die negen gewrichten zijn: twee ellebogen, twee heupen, twee knieën, 
twee enkels en de hals. Dit zelfde kunststuk wordt beschreven in het volgende 
versje : 

leko-leko mpebambara, naengkomo ntudu tana. 
mpebambare leko-leko, ntudu tanamo naengko. 

d. i. „buigzaam tot op de borst toe, (de ledematen) beweegt zij, zoodat 
zij op den grond komen." 

Evenzoo op bl. 38, reg. 4 v. o.: 

leko-leko ntudu tana, ntjawi sipa mebambara, d i. „buigzaam tot op den 
grond komens toe; hare schoonheid stijgt langs de borst opwaarts." 

't Laatste gedeelte ook in couplet 14; sipa is uit 't Boeg. genomen en 
heeft hier de beteekenis van „schoonheid." 

Ompa „mat" is geen echt Bar., daar luidt het ali, in het strand-Bare'e uit 
het Parigisch overgenomen; 't woord is id. met Mal., Jav., Soend., Daj. arapar, 
Mak. apara', Boeg. apa', Malag. ampatra. Mijn zegsman mocht daarenboven bet 
woord ali niet uitspreken en zou er dus in ieder geval ompa voor gezegd hebben. 
In ompa kasoro (uit Poeg. kasoro', 't Jav. kasur) is kasoro' bepaling van ompa, 
de matras is hier dus „matras-mat" genoemd. 
Bl. 14. 

In het 7de couplet is de maat in de war. Indien men -mo van Se'imo 
afneemt en achter posompo zet, is de maat in orde. 

Reg. 3. v. o. spreke men ne'emo als nemo uit, om de maat te herstellen. 
In poëzie is deze uitspraak niet ongewoon. 
Bl. 15. 

Toka of toka-toka is thans synoniem met purae of ganae „alles in voldoende 
hoeveelheid", in dit geval „al het, noodige voor een sirih-pruim." De beteekenis 
die het thans nog in 't Bobongko'sch en Loinansch (toka), Saleyersch toka en 
Javaansch tëka heeft, n. 1. „komen", is in 't Bar. nog over in to toka, wisselterm 
voor tau in den zin van „vreemdeling, gast, aangekomene." 

In 't vierde couplet heeft de lange eigennaam in den 2den regel rijm en 
maat geheel in de war gebracht. 

In 't 6e couplet is duidelijk te zien dat de lange o van mebo-bo voor twee 
lettergrepen telt, daar dit door 't rijm op kodjo en voor de maat vereischt wordt. 

Verh. Bat. Geu., deel LV. 8. 



114 

BI. 16. 

Op. reg. 11 is sindate later door den verteller in silau, „daar beneden", 
verbeterd. 

Djarawata in het 4e couplet is het Bcegineesche djarawëta, volgens Dr. 
Matthes Oud-Boeg. voor salabëta „soort porselein." 

BI. 17. 

Widu is de naam van een oud waardigheidsteeken, dat in den ouden tijd 
is gedragen door hoofden in den oorlog, 't Is een soort pluim geweest, van vo- 
gelveeren, bijv. papegaai- of jaarvogel-veeren; de helden die zulk een widu dragen, 
kunnen met behulp daarvan in de lucht stijgen ; een strijd tusschen twee widu- 
dragende helden wordt dan ook in do lucht gevoerd. Thans wordt de widu nog 
slechts bij doodeufeesten gebruikt, om de hoofden als zoodanig te eeren. Bij 
het groote doodeufeest (tengke) is de widu vastgemaakt aan de pemia, het masker 
dat aan het in foeja gewikkelde doodshoofd wordt gehecht; bij het gewone doo- 
denfeest zijn aan de doodenhut widu's gebonden. Bij de Mories dragen bij 't 
doodenfeest de naaste familie-k den van den doode de widu op 't achterhoofd, 
hoog uitstekend en naar voren hellend, zoodat de punt den grond raakt, wanneer 
zij zich voorover buigen. Waar de widu in den hoofddoek is gestoken, is door 
de slippen daarvan nog een koperen versiersel in krakeling-vorm (sanggori) gehaald, 
een achterhoofdversiersel, dat waarschijnlijk uit den tijd stamt, toen de hoofddoek 
nog onbekend was en een touw of reep boombast het lange haar in orde hield. 

De widu is een stuk van den gespleten bamboe, aan het eind nog weer 
in drieën verdeeld; deze drie latjes worden uiteen gehouden door een vlechtsel 
van wintu, een fraai gele, glimmende bies, zoodat zij op een kleinen halfgeopen- 
den waaier met langen steel gelijkt. 

Dr. Hazeu spreekt op bl. 49 van zijn Proefschrift en verder op bl. 201 en 
202 over Oud-Jav. widu als naam van bij shamanistisch e plechtigheden fungeerende 
priesters en leidt ook Mal. biduan daarvan af. Met dit laatste woord (als uit 
't Sanskr. afkomstig beschouwd) vergelijkt Dr. Niemann in zijne „Ethnogia- 
phische Mededeeliugen omtrent de Tjams" (Bijdr. Kon. Inst. 1895, bl. 331) de 
naam der als zangers en muzikanten optredende aanroepers van geesten en ge- 
storven voorouders, meduon of paduon. Indien het Bare'e de oorspronkelijke betee- 
kenis van widu, z. v. a. „pluim" bewaard heeft, dan moet biduan „widu-drager" 
beteekend hebben en O.- Jav. widu van de pluim op den plüimdrager zijn over- 
gegaan. Vgl. bijv. den titel padjunge ri Luwu van den Loewoeschen Vorst, aan 
diens zonnescherm ontleend. 

Bl. 19. 

Reg. 12 v. o. membuka tangoa, van wuka, „uittrekken," n. 1. de stijlen 
van de tangoa, de hut, dien men heeft opgelicht buiten het dorp, een eindweegs 
den weg op. die naar het land van den vijand voert. Daar beluistert men de 
vogels. Is deze hut afgebroken, dan is men ook werkelijk op reis. 



115 

BI. 20. 

Reg 6. nepa ri jae ndjaja, bare'epa djela ri wukunja; dit laatste is door 
den verteller ter verklaring bijgevoegd. Dat gedeelte van een weg, eene rivier, 
enz. dat tusscheu het begin en het eind ligt, heet jae, Par. lae, la (ja) met het 
thans in 't Bar. verdwenen lidwoord e. Dit la is in 't Boengkoesch nog gebrui- 
kelijk, waar 't Bar. koro, wata, „lichaam, stam", zegt en dus ook in de bet. „rivier", 
die trouwens 't Mal. batang evenzoo heeft. De jae van een bamboekoker is dus 
het stuk dat tusschen de knoopen ligt, het eigenlijke lichaam ervan ; in 't Mal. 
wordt bijv. in de uitdrukking badan surat het woord badan in dezelfde beteekenis 
gebruikt. Nu heeft de verteller, toen hij zeide : „pas op de jae van den weg, nog 
niet gekomen aan den knoop", een bamboe voor den geest gehad; met wuku is 
hier dus het eind van den weg bedoeld, doch dit is geen gebruikelijke uitdruk- 
king in het Bare'e. 

In het 11de couplet is de scheiding der woorden ndeku en kupago inden 
druk niet duidelijk. 

BI. 23. 

In het 10de couplet kan de maat hersteld worden, wanneer tau geschrapt 
wordt, daar na in peufi twee lettergrepen geldt. 

BI. 26. 

In het 4de couplet, van onder af geteld, spreke men om de maat ntje'e 
uit: intje'e. 

Datu mPajompo Jangi sambira. De Turadja's, als echte bergboeren, die 
nimmer op zee varen, onderscheiden van de vier hemelstreken alleen pebetenja, 
„de Opkomst", dus Oost, en kasojonja of kasojoanja „de Ondergang", West. Op 
het Meer onderscheidt men de richting door den naam van dorpen of landstreken 
te noemen, die in die richting liggen ; voor een To Rano is dit duidelijk genoeg. 
Zoo noemt men daar bijv. het Zuiden en ook den Zuidewind, Tando ngKasa, het 
Noorden en den Noordewiud D_ongi, naar een stuk overstroomd land ten N. 
van het Meer. Wel is timboro (Mak. timboro') bekend, als de naam van een 
feilen Zuidewind, die in den drogen tijd waait, maar voor het Zuiden heeft men 
toch aan 't Meer geen andere benaming dan de bovengenoemde. In 't Makassaarsch 
van Bantaeng (Bonthain) is timboro Oost, vgl. Mal. timur, „Oost", Sang. 
timuhë, „Zuid". Het Bare'e uu heeft voor Noord en Zuid dezelfde benaming, n. 1. 
pajompo jangi, „hemel-zijden", sudipi nu eo, „zijden der zon", d. i. der zonnebaan; 
jompo is in 't algemeen „zijde, kant". Zoo is dus pajompo jangi utimali-mali 
„Noord en Zuid," pajompo jangi sambira óf „Noord" of ,.Zuid". 

BI. 27. 

Om het couplet op reg. 13 v. o. in de maat te krijgen, zou men den tweeden 
regel moeten lezen: sima'i mebo-bo, dus kudonge weglaten, of kudonge ma'i mebo, 
daar bo twee lettergrepen geldt. 



116 

BI. 29. 

In het 7e couplet v. o. wordt door het schrappen vau ino achter inauiongo 
de maat hersteld, terwijl in couplet 3 v. o. om dezelfde reden achter arambe'i 
mo kan gelezen worden. 
Bl. 30. 

Reg. 16, inoutjuwe manu, enz.; deze en de volgende termen vindt men 
uitgelegd in „Het Koppensnellen der Toradja's van Midden-Celebes en zijne be- 
teekenis", door Alb. C. Kruyt, in de Verslagen en Meiledeelingen der Kon. Academie 
v. W. Afd. Letterk. 4e Reeks, Deel III, bl. 152, vlgg. 

Beg. 20 ewa mangkapa ogu mbetu'e papitu. De naam Mangkapa of Ta- 
mangkapa beteekent „Klapwieker" en wordt gegeven aan het Sterrebeeld ,,de 
Haan", waartoe o. a. de Pleiaden behooren; deze zijn hier bedoeld met ogu mbetu'e 
papitu, ,het aantal der sterren zeven", dat is ,, met zijne zeven sterren." Torokuku 
is de naam van het geroffel op de trom (karatu) bij het doodenfeest. Daarom is 
zijn naam vertaald met „Bijeenroeper (bij een trommelaar) der sterren." Blijkbaar 
is hij eene verpersoonlijking van het Zevengesternte. Misschien is met torokuku 
het gekraai of het geklapwiek van den Haan bedoeld, dien de Toradja's in het 
Zevengesternte (met andere sterren er bij ; zien ; in dat geval is de vertaling „de 
Sterren-Haan." 
Bl. 34. 

In couplet 3 behoort tobambari aaneen geschreven te worden. Bambari is 
id. met bamba, „monding", mbamba, „leugen, praatje, onzin", baraba „spreken, bab- 
belen, praten" en verder met Samoa'sch wawa en de door Kern, Tidjitaal 234 ge- 
noemde verwanten; Codrington, Melanesian Langu., bl 84, No. 44 en bl. 47 i. v. mouth; 
vgl. nog Bar. mebaba en Pakewa'sch mewawa, „een kind zachtjes op den mond 
kloppen om het te bedaren." Bambari nu bet. „tijding, bericht, vooral zulk een 
dat emotie wekt. Tebambari en tobambari kunnen worden weergegeven met ons 
„beroemd, berucht." 

Gora, in couplet 6, beteekent „roover"; doorgaans is het „zeeroover", me- 
gora", „zeeroof bedrijven", daarnaast magumora, eveneens van den stam gora, 
Juichen, luidruchtig feestvertoon maken over een gesneldtn kop." Dr. Matthes 
onderscheidt in zijne Makassaarsche en Boegineesche woordenboeken gora „luid- 
ruchtig zijn, hoera roepen" en gorra' „rooven." De Maleische woordenboeken 
geven gorap, naam van een soort vaartuig, als eene verbastering van 't Ar. uAc 
naar eene aanteekening vau Roorda in „De Wajangverhalen van Palasara, Pandoe 
en Raden Pandji", bl. 482. De Clercq geeft op bl. 59 van zijne „Bijdragen tot 
de kennis der Residentie Ternate" orang gorap op als benaming van voormalige 
zeeroovers. In de „Berichten omtrent den zeeroof in den Ned.-Indischen Archipel" 
(Tijdschr. Bat. Gen. Dl. XX, 1873, bl. 306) wordt gezegd, dat „de rooversprauwen 
(van Solog) in de taal der roovers goenap (lees goerap) worden genaamd", ook in 
de „Aanteekeningen omtrent Sollok en de Solloksche zeeroovers" (Tijdschr. Bat. 



117 

Gen. Dl. VII, 1858, bl 219) wordt het zeerooven megoerap genoemd. Indien nu gorap 
of gurap de volle vorm is van Mak., Boeg. gora', Bar, gora, dan kan het niet uit 't 
Arabisch zijn afgeleid en moet men de beteekenis „rooven" als de meer oorspron- 
kelijke beschouwen. In dat geval beteekent Mal. përau gorap „rooversvaartuig" 
bij uitbreiding „ snelvarend vaartuig" en orang gorap „roover"; het vaartuig heeft 
dus zijn naam naar de roovers gekregen, niet de roovers naar het vaartuig. 

Bo da kuto'o impia, woordelijk „hoe zal ik het nog zeggen", impia en ri 
sa, eig. „wanneer?" en „waar?", worden veel gebruikt in ironische vragen. Ie- 
mand heeft pas zijn mes geslepen en nu vraagt men hem: Matadjamo?" „Is het 
al scherp?", antw. be da matadja ri sa? be da matadja impia? „hoe zou het niet 
scherp zijn?'' Dja maria mompalinja, „eengroot aantal zijn de verdachte teekenen." 
Pali is de bekende stam, waarmee men aanduidt 't geen onder een ban of ver- 
bodsbepaling ligt. Mompali is „verbieden, buiten het dagelijksch gebruik sluiten"; 
het is hier verbonden met -nja en moet dus opgevat worden als „hetgeen verbiedt, 
in den ban doet, waarschuwend teeken". 
Bl. 35. 

Tagara ntasi in de twee laatste coupletten, woordelijk „roest van de zee", 
is volgens den verteller van dit verhaal, eene omschrijving van pale, „hand", daar 
Datu nPoiri slechts met leege handen den vijand te lijf ging. Met deze beeldspraak 
is bedoeld iets dat niet scherp of hard is en dus niet snijdt; in plaats van met 
een zwaard, vecht D. P. slechts met zeeschuim, d. i. met leege handen. 
Bl. 37. 

In het 4e couplet v. o. is dajo ntjakodi synoniem met het gewoonlijk ge- 
bruikte sakadi ngkadago, „het is maar goed dat". 
Bl. 39. 

Se'i in herhaalden vorm wordt doorgaans geredupliceerd uitgesproken, dus 
sese'i. De To Pebato redupliceeren met palataliseering; zij spreken de reduplicatie- 
lettergreep met i uit, dus daidago, luiluku, soisondo, koikodi, eiede, voor dago 2 , 
luku 2 , sondo 2 , kodi 9 , ede 3 en dus ook sei-se'i. De maat eischt in dit couplet 
eene uitspraak sese'i of seise'i, welk laatste woord 3 lettergrepen telt. De re- 
duplicatie-lettergreep, wordt n. 1. zoo geheel met de i samengetrokken tqt ééne 
lettergreep, dat men dikwijls meent haar slechts met i uitgesproken te hooren, 
dus didago, kikodi, iede, wat echter onjuist is. 
Bl. 40. 

In couplet 10 is de maat te herstellen, als men vóór siko de interjectie 
e uitspreekt. 

Reg. 8 v. o. peranga, een gouden ring in den vorm van een worm of slang. 
Keg. 6. v. o. djo lene wawo ntau, vlak, d. i. zonder tusschcnruimten of 
gapiDgen was het bovenvlak der menschen, die op den grond lagen, in zoo groo- 
ten getale lagen ze dicht opeen. 



118 

BI. 41. 

In hec 8ste couplet is de maat in de war; de verteller heeft dit, al zin- 
gende, niet gevoeld. Men zou kunnen lezen: „Jo sikomo anaku, ma'i mampa tuwujaku. 

BI. 42. 

In het laatste couplet leze men in plaats van kupekitima, kupekitimaka, 
om de maat te herstellen. Deze woorden worden door Sese nTaola uitgesproken. 

BI. 45. 

Tabe in het 7de couplet, zooveel als ons ., pardon, excuus" is onder de 
Toradja's nog niet bekend. Het wordt als een bijzonderheid van de vreemdelingen 
aan 't strand verteld, dat zij daaimee verlof vragen om te mogen voorbijgaan. De 
echte Toradja buigt zich een weinig en strekt één of beide armen schuins naar 
beneden; zegt hij dan ook nog moliumo jaku, „laat mij voorbijgaan", dan is hij 
bijzonder beleefd. 

BI. 47. 

Reg. 16. Motanande pale taupuzae, ndahamimo palenja, „allen hielden 
de handen op en zeiden hami in hunne handen". Dit hami is het Boeg. aming 
(Ar. amin), met een forscher aspiratie aan 't begin, omdat men dit woord ge- 
woonlijk luide uitspreekt, als refrein op het gefluister van jdengene die de do'a 
opzegt. Daar men de holle handen dicht bij den mond ophoudt en er in kijkt, 
alsof men er uit leest, zoo galmt men zijn hami in die holle handen uit, van daar 
de uitdrukking, „zij ademden in hunne handen." 

BI. 48. 

Reg. 11 v. o. Voor montompaka zou het beter zijn montompa te lezen, dat 
èn de maat herstelt èn het hier geheel onnoodige suffix -ka opruimt. 

Reg. 2 v. o. rata ri resne madago. In het uitrekenen van goede en kwade 
dagen hebben de Toradja's het nog niet ver gebracht. Slechts voor verre reizen, 
sneltochten, feesten en vooral voor den veldarbeid wordt uit den stand der maan 
onmiddellijk vóór zonsopgang, waarnaar de dag zijn naam draagt, opgemaakt of 
hij gunstig is of niet. Hier is intusschen de berekening van den gunstigen dag 
door kotika's geschied, die de Boegineezen bij de strandbewoners hebben bekend 
gemaakt. 

BI. 49. 

De naam van het schip Lapi Tambaga is waarschijnlijk uit het Boeg. lapi' 
tëmbaga overgenomen. De Bare'e-sprekers noemen geel koper, toga (armring) of 
gala (het Boeg. gelang), rood koper meestal doi (duiten). 

BI. 50. 

In 't eerste couplet worden de trommen en bekkens geslagen, om het schip 
te doen voortgaan. De voorstelling van dit gekoperde, vanzelf voortgaande schip 
is natuurlijk aan een stoomboot ontleend. Bekkens (gongs) kennen de To Radja's 
niet, tawa-tawa is aan het Boeg. tawa'-tawa' ontleend. Op de prauwen der Mo- 
hammedaansche handelaars hangt doorgaans een gong, die bij afvaart en aankomst 



119 

van het vaartuig geslagen wordt. Trommen (ganda) mogen bij echte To Radja's 
niet uit de lobo komen en alleen bij feesten worden geslagen. 

Oloa. in het 9e couplet, is het Boeg. oloang „voorsteven". In het volgende 
is pesoba het Boeg. tjoba, taropo het Boeg. taropong. 

Reg. 13 v. o. ponjomba, Mal., Jav. sëinbah, enz. Bar. somba is een van 
de weinige voorbeelden waarin s genasaleerd en daarna nj wordt, met het tus- 
schenstadium ntj, dat nog het gewone is in 't Bare'e zooals songka, monljongka; 
soko, montjoko. Andere voorbeelden zijn : monjangke van sangke „in de vlucht 
grijpen", panjebi, „stooter", wisselterm van tondu, „horen", van sebi; monjilo 
„visschen met een fakkel (silo); monjopu „schieten met een blaasroer (sopu)" 
monjube „vooruit schoppen" van sube; monjarapi „kleine vischjes, garnalen, enz. 
opscheppen" van sarapi. Meer voorbeelden heb ik tot nog toe niet aangetroffen. 
Dat van de uasaleering der s alleen n overblijft, heb ik nog slechts in 5 voor- 
beelden opgemerkt: menampa, „langs een bergkam (sampa) loopen"; manasa, „sa- 
goebladeren afhakken"; van sasa; mompanumpu „iets in een mand, doos of andere 
bergplaats stoppen; van sumpu; maoana, „gaar", van sana en manisi, „ergens in 
of tusschen kruipen, indringen", van sisi. Zie verder „De Palatalen in het 
Bare'e", Bijdr. Kon. lust, 1899, bl. 677 vlgg. 

BI. 51. 

In couplet 2, dat ook verder nog voorkomt, zijn maat en rijm geheel 
verwaarloosd. 

Samparadja in het 5e couplet is uit het Boegineesch overgenomen, waar 
het evenzoo luidt; het beteekent „anker." 

In couplet 12 is oloanja tana Maka, „met den steven naar Mekka", een 
rijmregel op duanga Lapi Tambaga, die op zichzelf niets beteekent, maar 
alleen den naam van het schip nog wat opfraait. 

Bl. 54. 

In het 4de couplet moet het lidwoord i worden weggelaten, wil men de 
maat in orde hebben. Om dezelfde reden zou in het laatste couplet voor ponjom- 
baka moeten gelezen worden ponjomba, dat meteen zuiverder gezegd is. 

Bl. 55. 

Reg. 13 v. o. boti patani, „een alleen loopeude aap" ; mompatani is „alleen 
laten, zich scheiden van", boti patani is een aap, die uit den troep verstooten is 
en alleen ronddwaalt; to ri wusu, „woudbewoner", is een wisselterm bij de To 
Ampana in gebruik voor boti. 

Bl. 56. 

Reg. 9, patesopu, „weggeblazen", is door den verteller later veranderd in 
patesupa, „uiteengespat." 

Reg. 11, napesuaka kaba, „zij trokken hunne onkwetsbaar makende too- 
vermiddelen aan. Kaba is 't Boeg. këbëng, Mal. kebal, „onkwetsbaar". 

In couplet 9 leze men voor 't herstel der maat banjajore voor banjamojore. 



120 

In couplet 11 is kedo manasa het Boeg. kedo ma'nësa. 

Kedo, Boeg. „bewegen, beweging", werd mij door den verteller uitgelegd 
als „het hanteeren der wapenen, de vechtkunst". Manasa is in 't strand-Bare'e 
zeer gewoon geworden ; het wordt beschouwd als synoniem met nianoto, „vast, zeker, 
bepaald". Kedo manasa is dus „de echte vechtkunst". 

BI. 57. 

Heg. 4 v. o. sigadja is het Boeg. sigadjang, „elkaar met de kris bevechten; 
goed Bare'e hiervoor is mombegajangi, zooals eenige regels verder staat. 

BI. 59. 

In couplet 8 v. o. herstelle men de maat, door ndatatangara te lezen voor 
ndatangara, een geredupliceerde vorm, die iets sterker is dan de enkelvoudige, 

In couplet 6. v. o. bamo ugkukoto morame, „ik kan u niet meer met heil- 
middelen bijstaan", daar de voorteekenen die uwen dood aanduiden, al te zeker 
zijn. Wat marame is en welke toovermiddelen de achtergebleven verwanten aan- 
wenden om iemand op reis voorspoedig te maken, vindt men in de reeds aan- 
gehaalde verhandeling van Alb. C. Kruyt over „Het koppensnellen der Toradja's", 
bl. 158. 

Reg. 3 v. o. de komma na montangisi moet na rongonja staan. 

Bl. 61. 

Uit den eersten regel blijkt dat Datu mPoiri als kind door den wind is 
meegevoerd, waarna in het dorp zijner ouders alle leven tot stilstand is gekomen ; 
eerst met de terugkomst van den verlorene leeft alles weer op. 

In het 5e couplet noemt Sese nTaola de moeder van Datoe mPoiri „tante". 
Bij de To Lage spreekt men dikwijls eene vrije vrouw van eenigen leeftijd met 
tete, „tante", aan. 

In couplet 4 v. o. wordt met adanja bedoeld de geschenken, die volgens 
den adat de schoonouders aan hunne schoondochter moeten geven, wanneer deze 
voor 't eerst bij hen komt. Het eerste wordt bij het bovenkomen, het tweede bij 
het gaan zitten, het derde bij het sirih- pruimen geschonken. 

Bl. 63. 

Reg. 2, sere is het Boeg, tjere, „ketel". Het echte Bare'e-woord voor 
„spuiten, uitspuiten" is djiri. 
Bl. 64. 

In het 8ste couplet drukt Sese nTaola zijne vrees uit voor ziek worden. 
Wanneer men den wal nadert, mag niemand slapen, opdat hij zijne tanoana niet 
verlieze ; door op te slaan nog eer men geland is, verzekert men zich ervan, 
dat men zijn tweede ik niet op zee of aan boord heeft verloren. 

In het 3de couplet v. o. geldt ndintjani vier lettergrepen, daar het is sa- 
mengetrokken uit ndiintjani. 
Bl. 65. 
In het tweede couplet voege men na setu nog dja in, dan is de maat in orde. 



121 

In bet zevende couplet vraagt Sese nTaola met goud bestrooid te worden. 
Dit is eene verfraaiing van bet bestrooien met rijstkorrels, 't welk bij de Toradja's 
ten N. van bet Meer alleen plaats beeft bij de terugkomst van een sneltocht, (Zie 
Kruyt, Het Koppensnellen, bl. 162) en bij de stammen om het Meer bij bet lijk 
en later, op bet doodenfeest, bij de beenderen van den laatst overledene van een 
gezin, maar nimmer bij eene andere gelegenheid. Men heeft hier dus weder met 
eene ingevoerde (Boegineesche), ofschoon geheel in het kader van 't animisme der 
Toradja's passende, gewoonte te doen. De gestrooide rijst dient om de tanoana 
der bestrooiden te versterken, evenals bet besmeren met bloed, bet behangen met 
kralen, het bespuwen met kruiden, enz., daar rijst onder de meest tanoana-houdende 
zaken behoort. Prof. Wilken geeft eene eenigszins andere verklaring, Ind. Gids 
1884, I, bl. 943-945, maar deze past niet bij de wijze, waarop de Toradja's de 
hier besproken gewoonte volbrengen, daar zij nimmer het roepgeluid voor kippen 
maken bij het rijststrooien. De gewoonte der Meerbewoners om lijken en beenderen 
te bestrooien, is intusscben ook door de boven gegeven uitlegging niet verklaard. 

Bl. 67. 

In het 4de couplet zouden maat en rijm geheel in orde zijn, indien i Duru 
Walo werd weggelaten. De verteller zelf kou deze bijvoeging niet verklaren, maar 
een ander zeide terstond, dat er piluru, „kogel", mee bedoeld was. Deze uitlegging 
is zeer aannemelijk. Walo of wajo is o. a. „lood", duru is een aangeboren of over- 
geërfd iets, zooals bijv. stand, afkomst, een erfelijke waardigheid, een geërfde 
kwaal, hebbelijkheid, talent, enz. I Duru Walo is dus „het loodkind, de van lood 
afstammende." In den besproken zin is dus i Duru Walo de aanvulling van 
masandjata, dat aan bet Boegineesch is ontleend, evenals het synonieme masadia, 
„gereed". De beteekenis is dus „de kogel is gereed", m. a. w „het geweer is 
geladen", wat hier dan wil ze gen : de sirihdoos is gevuld. 

Couplet 10: pakoroka is wel in zinnen als deze de gebruikelijke vorm, 
maar de maat eischt hier pakoro. . 

In couplet 13 ontbreken twee lettergrepen aan bet door de maat vereiechte 
getal. Indien men achter wungka en ntamangkoni het enclitische mo plaats, is de 
maat in orde. 

Bl. 68. 

Reg. 1, napasilolongani is gevormd van silolonga, het Boeg. silolongëu, „in 
orde, gereed". Echt Bare'e zou hier zijn: napakoroka. 

Bl. 70. 

In het eerste couplet noemt Sese nTaola's zoon den naam van zijn vader, 
wat naar Toradja'schen adat streng verboden is. 't Is hier echter om rijm en maat 
gedaan, zooals ook in andere versregels wel siko tot of -mu van vader, moeder 
of zwager is gebruikt, wat zeer ongemanierd is. 

In couplet 6 leze men voor de maat : da masunamo. 

Wil men anaku veranderen in anami, „uw kind", dan is het rijm gered en 



122 

is ook de zonderlinge uitdrukking „mijn kind", van een zoon tot zijne ouders door 
eene meer gepaste vervangen. 

BI. 71. 

i Taranda mbalia; de bijvoeging balja is een titel, daar later van deze 
vrouw wordt verteld, dat zij op een feest fungeert. Balia is Paloesch, maar aan 
de kust der Tominibocht reeds goed bekend, daar de Islam, via Paloe en Parigi 
hier gekomen, de reeds in sliamanisrae verloopen ceremoniën der Paloeërs ook heett 
medegebracht. Zooals te verwachten was, hebben de dicht bij de kust wonende 
Toradja's deze shamanistische plechtigheden overgenomen, maar den Islam tot nog 
toe niet. De Paloesche shamanen heeten balia. 

BI. 72. 

In couplet 3 wordt met labe patuntu bedoeld, een koran -recitator, die zijn 
openbaar proefreciet (potama) niet heeft gehouden en niet anders kan voordragen 
dan wat hij uit het hoofd kent, zoodat hij dan ook geen koran vóór zich heeft. 
In couplet 7 wordt bij labe teasantongo, „een labe ten halve" genoemd. 

Reg. 5, ndadjunu, Parigisch voor ndabubusi. Daar het besproeien hier 
eene Mohammedaansche plechtigheid is, wordt het met den Parigischen naam 
genoemd. 

Reg. 4. Tua is het Maleische Tuan, de titel van Europeanen en Ara- 
bieren. Hier is er een Arabier mee bedoeld. 

BI. 73. 

Kolontigi, Mak. karunt.igi, is de Lawsonia alba, een gekweekte heester, 
rood bloeiend, waarvan de gekneusde bladeren op de nagels gebonden worden; 
na één nacht zijn deze geelrood geworden. Op Java heet deze plant patjar 
kuku, Mal. laka ponda, „iemand op den nek dragen, zoodat de beenen van 
den gedragene aan de voorzijde van den drager afhangen. Degenen, die zullen 
besneden worden, worden op deze wijze driemaal rondom het huis, waar 't feest 
plaats heeft, gedragen. 

Ewanga, reg. 2 v o., is het Boeg. ewangëng, „geweer" ; hoewel het Bar. 
ewa in den zin van „tegenstaan, tegenstand bieden" kent, gebruikt het voor 
„geweer" geen afleiding van ewa, zooals het Boegineesch. 

BI. 74. 

Couplet 4; als men hierin kede weglaat, is de maat in orde. 

BI. 75. 

In couplet 3 kan men de maat herstellen, door na depa in te voegen da. 

Couplet 12: mpodaudepe is mij verklaard met pakaliga; daarnaar heb ik 
het vertaald, hoewel ik de vertaling niet kan controleeren, daar het woi>rd niet 
tot de levende taal behoort. 

BI. 77. 

In het 12de couplet kan men de maat herstellen, door voor papa te" 
lezen papaku. 






123 

Reg. 9 v. o. is door den verteller gedeeltelijk veranderd. De woorden 
nabira langka poturu 2 nja kunnen niet juist zijn; indien men nabira verandert 
in ndati ra, krijgt men den zin, „binnen op de bank waarop zij altijd sliep';' 
maar de verteller heeft den zin veranderd in : nasila wua ri palangka, „zij. 
kloofden pinangnoten op de rustbank". Ik heb naar de eerste wijziging vertaald 

BI. 79. 

In couplet 12 leest men den vorm dompakawurake, waarmede het groot- 
woerake-feest wordt bedoeld ; de vorm mowurake of mewurake wordt gebruikt om 
het gewone, in het huis van den zieke plaats hebbende woerake-feest aan te dui- 
den ; het groot- woerake wordt op een afzonderlijk feestterrein voor een aantal 
zieken tegelijk gevierd. 

BI. 80. 

Reg. 4 v. o. „korte en lange zijden". Dit wordt gelegd van de langka, 
een hut waarin de zieken verblijven, die door de hulp der wurake hunne gezondheid 
zulltn herkrijgen. 

BI. 81. 

Reg. 5, moabe, gekleed zijn in een abe, een baadje van primitieven vorm, 
een smalle lap geklopte boomschors, doorgaans versierd, op rug en borst afhangend, 
met een gat in 't midden om het hoofd door te steken. Beschreven in „Geklopte 
boombast als kleedingstof op Midden-Celebes", door N. Adrianï en Alb. C. Kruyt, 
Intern. Arch. tür Ethnographie, 1901. 

Reg. 6 v. o. kajuku ndapongasi ri wo'onja; om te weten of de zieke spoedig 
beter zal worden, zet men twee kokosdoppen met de randen sluitend op elkaar, 
op het hootd van den zieke en laat ze daarna los. Uit de wij ze waarop zij vallen 
(beide met de holle zijde naar boven is ongunstig, beide met den bollen kant 
naar boven is het ook, één met den hollen, één met den bollen kant naar boven 
is gunstig) maakt men op, of de zieke spoedig zal genezen. Manu nddaö ngu- 
djunja is eenigszins onjuist uitgedrukt. Niet aan den bek van den haan, maar 
aan zijn kam (lenda) wordt gezogen, dan wordt hij naar boven gegooid, zoodat 
hij terecht komt op de paladuru, de plank, die te halver dakhoogte als een 
lengte-as door de lobo loopt; gaat hij dan kraaien, dan zal de zieke spoedig her- 
stellen; zwijgt hij, dan zal de ziekte eerst langzaam of in 't geheel niet wijken. 

Met basa'u (reg. 4 v. o., niet basau) is hier de lap bedoeld die de vrou- 
wen der strandbewoners omdoen, als zij menstrueeren. De Toradja'schen doen 
dit niet. 

BI. 84. 

In couplet 5 — 7 wordt onderscheid gemaakt tusschen njawa en limbajo. 't 
Eerste is Boegineesch; of er inosa, „levensadem", of tanoana, „levenskracht, leven" 
mee bedoeld wordt, is niet duidelijk. Limbajo „schim, spiegelbeeld, weerkaatst 
beeld", in het populaire geloof der Toradja's de gedaante der ziel (angga), die naai- 
de onderwereld (torate) gaat, moet hier zijn het reeds van 't leven beroofde lichaam, 



124 

dat nog slechts een schijnbestaan voert. Dat deze gedachte niet Toradja'sch is, 
behoeft geen betoog. 

BI. 85. 

Reg. 10 : „M. E. was een bidadari, want haar vader was een uali". Onder 
wali of uali verstaan de strandbewoDers iemand die door een pongko (weerwolf) 
is gedood, doordat deze zijn lever heeft verslonden, waarna de weerwolf hern heeft 
gevraagd, in welk dier hij na zijn dood wenscbte veranderd te worden. Zulk een 
wali, 't zij hij een hert, wild zwijn of wat dan ook is geworden, kan men her- 
kennen aan de geslepen en zwart gemaakte tanden. Zie Alb. C Kruyt „De 
Weerwolf bij de Toradja's". Tijdschr. Bat. Gen, 41, bl. 556. Dat iemand die 
een wali tot vader heeft bidadari is, moet meer als een aardigheid van den ver- 
teller dan als eene eenigszins verbreide meening beschouwd worden. Wali is in 
't algemeen „wederkeeren", de wali is een onder andere gedaante wedergekeerd 
slachtoffer van een pongko. 

Couplet 9: „onze moeder is dezelfde, maar wij hebben elk een anderen 
vader", schijnt zich aan te sluiten bij M. E. 's gezegde; „mijn vader is een uali, 
terwijl op bl. 81 is gezegd dat M. E. is ontstaan uit het menstruale bloed van 
Lemo nTonda, toen deze voor 't eerst menstrueerde. Dit laatste zal dus wel niet 
de ware loop der geschiedenis zijn, daar juist het in poëzie medegedeelde het 
vaste bestanddeel is en de proza-gedeelten meer aan de willekeur van den ver- 
teller zijn overgelaten. 

In couplet 12 noemt Tanda Eo zijne zuster a'i, hoewel zij zijne oudere 
zuster is; hij beschouwt haar n. 1. reeds als zijne vrouw; de man beschouwt zijne 
vrouw als tua'i, ook al is zij ouder; de vrouw beschouwt haren man als tukaka, 
ook al is hij jonger. 

Vóór het laatste couplet heeft de verteller later nog dit couplet ingevoegd : 

A, mawo ntja rajaku, i Taranda eraku : „Ach, ik heb zoo'n verengen naar 
u, schoonzuster T." en na het laatste nog dit: 

Anu ngkupomawo ndaja, eraku i Taranda : .„Naar wie ik verlang, dat is 
mijne schoonzuster T." 









wap si *mr 
TJERIBONSCH WETBOEK 

(PËPAKËM TJËRBON) 
van het jaar 1768, 

in tekst en vertaling uitgegeven 

DOOR 

Dr. G. A. J. HAZEU. 



VERHANDELINGEN 



VAN HET 



Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. 



DEEL LV 

2 e Stuk. 



ALBRECHT & Co., M. N IJ H O F F, 

BATAVIA. 'S GltAVENHAGE. 

1905 



MAR 31 1 91F 



TJERIBONSCH WETBOEK 

(PËPAKËM TJËRBON) 
van het jaar 1768, 



in tekst en vertaling uitgegeven 



DOOK 



Dr. G. A. J. HAZEU. 



VERHANDELINGEN 



VAN HET 



Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. 



DEEL LV. 



2 e Stuk. 



ALBRECHT & Co., 

BATAVIA. 



M. NIJHOFF, 

's Geavenhage. 



1905 



■ lil 
Inhoud. 

Blad/. 

Voorbericht V — Vu 

Verbeteringen • IX — X 

TEKST EN VERTALING. 
Manier van procedeeren tot Oheribon, tot n a r i g t van de 

se ve n J ak s a ' s der gezam e n tl ij ke Sulthan s 1 — 18 

Papakkum of Wetboek van Oheribon g'extraheert en 

't samengesteld uit diverse Papakkum s, alsmetnaemen 

Radja N i s t j a j a, e n d a n g-o e n d a n g Mataram, D j a j a L a n- 

k a r a. Kontara Ma nawa en Adilloela 1 — 114 

9 Articulen die een Proces decideeren 20 

13 Articulen die een Proces decideeren 21 

15 Articulen die een Proces decideeren 22 

1 Articul die een Proces decideert 24 

9 Articulen van misslagen die een Proces decideeren 24 

1 Articul die een Proces doet verliesen 26 

2 Articulen die een Proces decideeren 26 

Nog 3 Articulen als vooren 27 

Nog '■*> Articulen als vooren 27 

8 Articulen die een Proces decideeren 28 

1 Articul '29 

3 Articulen, waervan de Twee Laeste een Proces decideeren 30 

5 Articulen van overtuigend en decideerend Bewijs 31 

2 Articulen als vooren 32 

7 Articulen van onteering van vrouwen 33 

13 Articulen van bewijsen genaemd Andiandian 34 

2 Articulen aengaende de Vrijheid om iemand als een dieff op te vatten . . 36 

3 Articulen weegens het schuldig off onschuldig houden van een dieff ... 36 
Die bevonden word zijn Zaek met de volgende getuigen te beweeren off 

te defendeeren komt zijn Proces te verliesen 38 

Geloofwaerdige getuigen 42 

Driederleij Regts-oeffeningen 43 

4 Articulen genaamt Sarasa Moertjaja 47 

Tot onderwijs. Onderschei] d tusschen Pradata en Padoe 40 

Een Regul der Jaksa's 52 

Een andere Regul •'•' 

Nog een Regul °3 

Doodmisdaden, behoorende tot de Vierschaar der Priesters 54 

Lijfstraffelijke zaeken naast de dood, behoorende mede tot de Vierschaar 

der Priesters ''' 

Een Articul die thans in de Papakkum werd ingelijfd, om voortaan tot 



IV 

een Wet te dienen 56 

Mindere Lijfstraffelijke en Geldbreukige Zaeken 57 

Pakolie off vergoeding voor d'oneer van 't slaen en schelden 00 

Pakolie off vergoeding voor Mantries 01 

Pakolie off vergoeding voor beesten en vogels des Konings gestolen werdende . . 01 

Pakolie off vergoeding voor gestolene Bomen (.2 

7 Articnlen van Rooff 03 

Nog Articulen van Malieng, behelsende diverse misdaden 84 

Nog 3 Articulen van Malieng off dieffstallen 04 

Nog 21 Articulen van medepligtige in 't quaad doen 65 

4 Articulen van overlast en moetwil 07 

5 Articulen van slaen en schelden tusschen vrouwen, die gestraft worden met 
boeten na de rang der persoonen OS 

7 Articulen van privatelijk en op eigen authoriteit regt te oeffenen .... 09 

1 Articul 09 

L Articul 70 

6 Articulen van Sangraha, off overlast te pleegen, te straffen met de 
boeten vermeld op Pag. 31 70 

1 Articul 71 

Diverse uitbeeldingen van P rocessen, neeven s verscheidene 

wetten, getrokken uit de Papakkum Ja ja Lanka ra. . . 71 
Eenige uitbeeldingen vanP rocessen, na de wijze vanKontara 

Manawa 85 

Kolophoon 115 

AANTEEKENINGEN. 

Inleiding. Ontstaan van de Pëpakêm. Bronnen. Waardeering. Inhoud. 

Literatuur 1 19 — 131 

De »Manier van Pr o eed eer en" 132 — 135 

Het eers-t e Gedeelte van de Pëpakëm 136 — 159 

Hoofdstuk I. Formaliteiten bij de procedure in acht te nemen . 136 

Hoofdstuk II. Het Bewijs 138 

Hoofdstuk III. Getuigen 140 

Hoofdstuk IY. Rechtspleging, Rechtbanken en Rechters . . . .142 

Hoofdstuk V. Misdaden en Straffen 148 

Het tweede gedeelte van de Pëpakëm '. 60 — 173 

Hoofdstuk I. Uitbeeldingen van processen, ontleend aan het 

wetboek Djaja-Lengkara 100 

Hoofdstuk II. Extract uit de Kontara-Manawa 106 

Dekolophoon 173—174 

Alphabetisch Register van de technische termen 175 — 187. 



V 



Voorbericht. 



Niet dan na vele wederwaardigheden is de thans aangeboden uitgave van de 
Pëpakem Tjérbon tot stand gekomen. 

In de Directievergadering van het Bataviaasch Genootschap van Kunstenen 
Wetenschappen van 3 April 1894 legde Dr. Brandes eene nota over, waarin hij 
de aandacht vestigde op het »Wetboek van Cheribon", in 1850 gedeeltelijk uit- 
gegeven in het derde deel van het tijdschrift »Het Regt in Nederlandsch Indië". 
Naar aanleiding van deze nota werd nog in diezelfde vergadering besloten »de 
Pëpakëni (d. w. z. den Hollandsehen tekst daarvan) in zijn geheel in het Tijd- 
schrift op te nemen", en den Resident van Cheribon te verzoeken om een onderzoek 
te willen instellen, of er misschien bij de afstammelingen der Cheribonsche Sultans 
of van hunne toemCnggoengs en djaksa's nog oude wetboeken dan wel rechtskundige 
primbons gevonden werden (Not. Bat. Gen. XXXII, 1894, p. 47 — 56). 

De kort daarop door genoemden Resident gezonden fragmenten van oude 
wetboeken waren, blijkens eene mededeeling van Dr. Brandes, van weinig belang 
(Not. XXXll, 1894, p. 60—07). 

Doch in 't volgende jaar, 1895, kwam Dr. Brandes door bemiddeling van 
den Heer H. A. de Nooi.r, destijds adjunct-inspecteur bij het Inlandsen Onderwijs, 
in het bezit van den, in het oud-archief alhier ontbrekenden, Javaanschen tekst 
van de Pëpakem, zoodat hij thans het voorstel kon doen om naast den Hollandschen, 
ook dezen te publiceeren, waartoe besloten werd (Not. XXXIII, 1895, p. 20). 

Was dus reeds in Februari 1895 tot de uitgave van het Tjeribonsch Wetboek, 
in Hollandschen èn Javaanschen tekst, besloten, gedurende een gansche reeks van jaren 
werd door allerlei omstandigheden — het handschrift is zelfs eenigen tijd zoek geweest— 
de uitvoering van dit besluit belemmerd en vertraagd. Men zie Not. XXXIII, 18'. »-">. 
p. 04. Not. XXXVII. 1899, p. 145. 159 en 100 en Not. XXXVIII, 1900, p. 114. 

En toen eindelijk met het drukken een aanvang was gemaakt, toen volgde 
kort daarop Dr. Brandes' benoeming tot President van de Commissie voor oud- 
heidkundig onderzoek op Java en Madoera, waardoor zijn werkkring zóó aanzienlijk 
werd uitgebreid, dat hij, ook in verband met de nu herhaaldelijk gevorderde reizen 
over Java, geen gelegenheid vond de uitgave van de Pëpakem verder te leiden. 

't Was om die reden, dat mij werd opgedragen het nauwelijks aangevangen 
werk voort te zetten en te voltooien. 

Waar ik die opdracht heb aanvaard, wensch ik met nadruk er op te wijzen, 
dat ze, blijkens de in de Notulen van 1899, p. 100 gegeven omschrijving, niet meer 
omvatte dau »de Pëpakem te publiceeren, namelijk den Javaanschen en den Hol- 
landschen tekst naast elkander (te doen drukken) en daaraan toe te voegen 
register (van de technische termen)". 



VI 

Immers, men zou van den uitgever kunnen verlangen, dat hij tevens den inhoud 
juridisch, historisch, ethnographisch en linguïstisch nader toelichtte, dat hij althans 
een poging deed tot beantwoording van de tallooze vragen, waartoe elke bladzijde, 
elk artikel van dit in zoo vele opzichten merkwaardige wetboek aanleiding geeft. 
Doch voor zulk een toelichting zou, behalve een zekere algemeene juridische kennis, 
waarover ik niet beschik, vereischt worden een uitgebreide bronnenstudie, voor- 
namelijk van de onuitgegeven oud-Javaansche Avetboeken, waartoe mij thans, te midden 
van ambts werkzaamheden van geheel anderen aard, de tijd ontbreekt. 

Dit ter verklaring, en zoo noodig ter verontschuldiging, dat ik de mij opgelegde 
taak niet ruimer heb opgevat. 

De weinige aanteekeningen, achter den tekst gevoegd, bedoelen geenszins 
eene volledige toelichting tot dit wetboek te geven ; ze kunnen slechts dienen om 
den lezer een overzicht van de in de Pëpakem verwerkte stof te verschaffen, en 
den belangstellende den weg tot verder onderzoek te effenen. Hoezeer ook overtuigd 
dat daarmede in geen enkel opzicht wordt gegeven wat men zou kunnen eischen, 
meende ik toch deze aanteekeningen niet achter te mogen houden, al ware het alleen 
om aan anderen veel tijdroovend zoeken en naslaan te besparen. 

In het Register zijn zooveel mogelijk al de technische termen opgenomen, 
die in den Hollandsen en en in den Javaanschen tekst van de Pëpakem gevonden worden. 

Over de gebruikte handschriften valt weinig op te merken. De H o 1- 
landsche tekst is ontleend aan het in 't oud archief alhier berustende exem- 
plaar, door de Regeering voor dit doel ten gebruike afgestaan (Not. Bat. Gen. 
XXXVIII, 1900, p. 114). Het krullige, maar fraaie schrift was zeer duidelijk, 
zoodat slechts zelden onzekerheid omtrent de juiste lezing ontstond. In die weinige 
gevallen moest ik, bij gebrek aan materiaal ter vergelijking, een vrij willekeurige 
keuze doen tusschen twee of drie mogelijke lezingen. Overigens is de spelling van 
het manuscript, ook waar die inconsequent was, zoo getrouw mogelijk gevolgd. 
Aangezien in het manuscript nu en dan naar andere plaatsen van den tekst 
verwezen wordt, moest de paginatuur van het handschrift in den gedrukten tekst 
worden aangegeven. Dit is geschied door middel van vette cijfers, tusschen haken 
ingevoegd; in de aanteekeningen en in het register is daarmede evenwel geen 
rekening gehouden. Van het in 't manuscript achter den tekst gevoegde register 
is bij de samenstelling van het gedrukte register geen gebruik gemaakt, omdat 
het voor mijn doel te beknopt en te weinig systematisch geordend was. 

De Javaan sche tekst is ontleend aan het manuscript, in 1895 door 
den Heer De Nooy aan Dr. Brandes geschonken. Dit folio-handschrift, groot 57 1 / 2 
pagina, is weinig geschonden, maar de inkt is zeer verbleekt. Het is geschreven 
met een iraaie staande letter in een schrift, dat wel als Tjeribonscb schrift wordt 
aangeduid en door enkele eigenaardigheden, den vorm van de da, ta, dja en vooral 
van de nga, en van eenige pasangan's (pasangan da, la, nja, ba en la), afwijkt van 



VII 

het hedendaagsche Midden-Javaansche schrift. Voor den druk is de gewone cursieve 
Javaansche drukletter gebezigd. Een poging om, in overeenstemming met het 
handschrift, de pasangan-/a door de zgnd. pasangan la-moerda weer te geven, moest 
weldra worden opgegeven, omdat ter drukkerij niet genoeg van deze letters 
voorhanden waren. Ook de spelling vertoont enkele, trouwens voor West-Java 
typische, eigenaardigheden, waarvan de meest opvallende zijn : het niet schrijven 
van den neusklauk in de klankcombinaties van neusklank -f- klemletter, en het 
willekeurig weglaten of schrijven van de wignjan (dus bv. aligi in plaats van 
alinggih, kali in plaats van kalih enz.). 

( )ok dezen. Javaanschen, tekst heb ik zoo getrouw mogelijk doen afdrukken, 
alleen daar een kleine wijziging aanbrengend, waar naar 't mij toescheen omtrent 
de juiste lezing geen vergissing mogelijk was. Waar ik slechts dit ééne handschrift 
ter beschikking had en bovendien de taal van dit boek eigenaardige moeilijkheden 
oplevert — er komen woorden in voor, die in geen der beschikbare woordenboeken 
worden gevonden -.meende ik mij van tekstkritiek te moeten onthouden. In hoe- 
verre de in de Leidsche bibliotheek aanwezige handschriften van de Pëpakëm (1) 
voor de tekstkritiek eenig nut opleveren, zal eerst later kunnen blijken. 

De verschillende Javaansche artikelen en passages zijn zooveel mogelijk 
parallel met de overeenkomstige Hollandsche geplaatst. 

Terwijl over 't algemeen de inhoud van beide teksten volkomen overeenstemt, 
en de Hollandsche een getrouwe vertaling van den Javaanschen bedoelt te geven, 
is toch op enkele plaatsen de eerste, blijkbaar met opzet, uitvoeriger dan de laatste ; 
dit geldt natuurlijk niet van die gevallen waarin, zooals bv. op p. 68, de Javaansche 
copiist bij vergissing eenige artikelen heeft overgeslagen. 

Een nauwkeurige vergelijking van beide teksten zal leiden tot de erkenning, 
dat de Hollandsche vertaling — enkele vergissingen daargelaten - - in hooge mate 
onzen lof verdient : met verbazing constateert men het feit, dat in de tweede helft 
der achttiende eeuw er menschen op Java gevonden werden, die genoeg Javaansch 
kenden om deze dikwijls moeilijk verstaanbare rechtsregels zóó juist in 't Hollandsch 
weer te geven : al moge ook de eigenlijke kracht van sommige woorden niet altijd 
gevoeld zijn, de ziu, de bedoeling, werd zelden misverstaan. Tegenover het in vele 
opzichten baanbrekende werk door Radfles verricht, mag door ons met eenige 
voldoening op deze in 1768 tot stand gekomen Hollandsche vertaling van de Pëpakëm 
Tjërbon worden gewezen. 

G. A. J. Haziu. 



Weltevreden, December 1904. 



(1) Zie Prof. Vreede. Catalogus van de Javaansche en Madoereesche Handschriften, p. 353 rot 368 
en Dr. II. H. Juijmsoll, Catalogus van de Maleische en Soendaneesche Handschriften, p. 303. 



VERBETERINGEN. 



Pa«'. 2 regel 12: 7' '* ( è^^,'/ k " n lees: 7^' ^,^7 ^^ 
1 7 : tM. <&> <& opji \ lees : i* t <- l '> <&> <k^j\ * 
8 v. o.: iL/)«sTp lees: onshw 

12: rrri ani hi isrui \ lees : art ikj cm asna ^ 

lees : -ü*«sn»w\\ 





lv "Ö 


2 


» 


6 


» 


9 


» 


9 


» 


1 


» 



12 
13 
17 
20 
21 
33 

43 
51 
51 
52 
60 
67 
69 
69 
69 
74 

74 

70 
88 
93 
93 



/ 



2 v. o. : --* 



» 
» 

» 
» 
» 
» 



o„ o 



6 V. O.: ^' 7 M," V 'i?'!^ ''7^'ky//^Tfc7y <5 7 lees: -amant ^juuimniia^A. 



o 



/ 



17: mnccj 1 1 ld m \ lees : vn «n ih »*7i t> w 
^ > ; «c),"n.;_yi\ lees: **? wn _s» «j» w 
3 ; 1. 11 «ji i« a/n ttnji 1 lees : "'" •-* ' - ■ " '■ ' o * 

7 v. o. : m«3»\ lees: o<wi\* 

1 v. o.: 1 m ' ' lees: m^ww 
1 v. o. : <tmiui,i,y lees: xmtK lPji ss 

2: l n mi ifji cm cm iei \ lees : wimïHH07i«\\ 

1 1 : Trinmphant lees : Triumphant. 

8 v. o.: <>'»^'!-j\\ lees: kmi^ow 

9 v. o. : Phabeea, lees : Prabeea. 



H : MijniMM lees: i~ ; '»<>'" n 



12 
6 

7 
9 

e 

8 



Pakalaan, lees: Pakataan. 

1 i 11 1 1 11 -. 11 mi _.-») \ lees: «mulh ^i mi ^i» 

Walad Saksa, lees : Walad Paksa. 

'i.ii na «i\ I ees ' vn w 'KI \\ 

aico 1Wi> - wui 

a a 1 o a 

_-. 1.1 ij Kii 1 tui ui <Kiri\ lees: wwnmMT/UUMp 

1,1 1 11 1 m ï-i/j\ lees : '■,' lt ' ' ' ' ' ' '7^ 



10 en r. 5 v. o. : Ni Raba, lees : ni Rara. 
8 : oji.oji ij i:n 1 11 >i'i<i^ lees : " m^' 7 <■» > " 7*0 * 



14: 7 *o tin j-^vn K>i (inji \ lees : 7 ^ ^ <K> «m wVm^ » 



o o 

IN7 1711 I II I 

14 v. o.: ii'i ui iiiinnn/Hi^ lees: f*.»«A»«2<Kj(u»o|« 



X 



Pag. 95 regel 2 v. o.: «smmn^a/n^x lees; «snmc|.r2iw)M> 



» 


95 


» 


» 


96 


» 


» 


97 


» 


» 


104 


» 


» 


104 


» 


» 


104 


» 


» 


104 


» 


» 


105 


» 


» 


107 


» 


» 


114 


» 


» 


126 


» 


» 


136 


» 


» 


139 


» 


» 


140 


» 



\tmzita rui nu <i\ 



» 


140 


» 


» 


140 


» 


» 


142 


» 


» 


143 


» 


» 


143 


» 


» 


144 


» 


» 


153 


» 


» 


156 


» 


» 


158 


» 


» 


158 


» 


» 


168 


» 


» 


168 


» 


» 


170 


» 



1 V. O.: *sn rj ttrn i in iru iim \ lees : mrjwmtnrrui 

12: Bij »Ingevalle" nieuwe alinea. 

1 ' v. o. : Brawara, lees : Biawara. 

14 v. o. : Schuldaig en, lees : Schuldig aen. 

9 v. o.: icntuniui<£i<L,i\ lees : «™ m «> «; h % 
12 v. o.: Moengoeng lees: Moengpoeng. 

4 v. o.: (£i*"n.Hij\ lees: (f^i^" w 
1: (K.'trKiiiH^s lees: » ji-'«m| h 

2 v. o.: ~"^ lees: ~~nuw 

5 : idham n in tna ij\ lees : '" >>i >) if> iiin/i v\ 

7 v. o: 29 33, lees: 29 tot 33. 
10 : Jav. moetoeng, lees : Jav. mëtokake nioetoeng. 

4: Art. 173, voeg bij: 174 en 178. 
16: Pangara schijnt een schrijffout voor Sangara, zie Jav. en 
Kawi-Bal. Wdbk. en vergelijke de geciteerde plaats p. 87 al. 
1 en 2, lees : Pangara is misschien het Oud.-Jav. pangarah, 
oproeping; zie Kawi-Bal. Wdbk. s. v. arah II. Illustratie's 
van de hier bedoelde soort van boekti vindt men op p. 87 — 88. 
22: art. 223, lees: 225. 
28: p. 961, lees: p. 96. 
1 v. o. : zeven, lees : vier. 
1 : djaksa's, lees : pangoeloe's. 
1 : de vier pangoeloe's, lees : de zeven Djaksa's. 
19: knëdel, lees: këndel. 
7 v. o. : 8. djanamala, voeg bij:? zie echter Kawi-Bal. Wdbk. 

s. v. djamala. 
4 v. o., voeg bij : zie p. 97 (Titier Biawara) en cf. Jonker p. 190. 
7, 10 en 15 : strïsaibgrahana, lees : strïsamgrahana. 
16: p. 43—44, lees: p. 33—34. 
18 : sangara, lees : pangara. 
22, voeg bij : Bjawara, cf. p. 156 r. 4 v. o. 
9 v. o. : Anibakën (?), voeg bij : lees anilibakën (?) 



TEKST EN VERTALING. 



■ >■ i -, . 



MANIER VAN PROCEDEEREN TOT ^ >■'">»">->> . , »).;,..V,,i,., ,,,,!,,,, ,-. -, 7 „, ,' y ,.. 
CHERIBON, TOT NARIGT VAN DE 
SEVEN JAKSA'S DER GEZA- 



9 / . i. a 

OTmwiilCTjM|f,ilU))i«ii] ; ) i ii i } t.n i.i i i in 1 1 1 



MENTLIJKE SULTHANS. * """ " " ' « ^ ' ' '' ' " " '3/ 



Q 

I II I II I I I I I I LI) \\ 



II I II I I lli 



De vier Vorsten van 't Cheribonse Rijk 7 o,^ ^7 *',,/,,, ■■^ 1U m, ) i,»m i »,»_-„.-:! ,/■„, 

hebben te saeuien een Vierscbaer Kadjak- 

san genaemt, dewelke gehouden word "S ''" -''''' ' ''' '" '''""'/ '"'tl'l' >>-»r u y u ' L itl 
op den Grooten Aloen-Aloen, voor den 
Tempel, onder een Wringien boom. In 
deese Vierscbaer zitten seeven Jaksas off o . % o .-> .-> 

i.il ii i i ij ui hi i.i i; .i.v .. i ii i n ii i n li 'i ii lii > i i 

Regters, als 2 van Sultban Sepoe, 2 van 

Sulthan Anom, 1 van Sultban Cheribon en ï! >,, ,,,,!,/,.,, ?i ^ . ,.ii ,,l>l<>^>.>i ,u> ,:ii,:ij,h 



O a i • "> 

7 ' / /;,' > I L) I 11 hl j l I ,7, / 7- ) IJ M L-< I, II _: ) (KJfl l II I I ,/ Hl 



2 van Panembahan, die tot hun dienst 

hebben vier Boden off Paliwara, te weeten ^'~' V^ '" ~"°' 7 W" ' S ' r ''" ® ' I c'/7 7 ' '"^ 

van weegens ieder vorst een. Als de Q . q o 

1 . III ^1 hl Ij hl - I I 11 lil IL) j h'll L. II hl ! I I II II j L' 1.11 

onderdaenen van Twee der Pnncen tee- 6 * 

gens den anderen procedeeren, ageeren ^^„„v, «,,„.,;', a*^ ,•,,,„,, „',, , ,, ,', 

de Jaksas van de andere Twee Princen 

die buijten 't geschil zijn, als Regters, «.| m^ i,m h m/u m - ^ /n m .i a' u->iy ^ yiiy ,m 

andersints beregt ieder Sulthan zijn eijgen 

onderdaanen. "^ •?«"?£«g§^«3" jgtf»™™ 

Alle Feilen van Dieft, Rooff, Moord, , n a a , Q . 

' ii i - 1 n i n i,i ~ihi h>i>' l< h>i ^ m im ui i i i n i ii i ii 

Qnetsing, etc. moeten in kennis gelegd l 

werden bij den Regter; alsmede, in cas ,*, ,;„,„..,„, ^,„ „,,,,*.} ,,,., ,!■.,,.. )i.,_,i v 

van Land-disputen, als den Eijgenaar de 

Persoonen attrapeert en vleugeld, die y .«>».■»-" ■ j"/"^"-j''""t ( \ h ül '"' "'<• ''.'■"/ 

zijn land of grond zijn komen b'arbeijden, ( a 

*te a • n> i n e hu ~ihii ï hi) ,i ia ,i i.j> hi hi i\i in in i , i.i i i hijihu 

on de vrugtsn inoogsten off plukken of o I -' ' '6 oc t ■/ ut 
het gewasch etc. beschaedigen of ruinee- j , , ,,„,„ 

° ji i ii in rui hij i n i n ii i.i / m hi j in i i in i n ioj i ii i n 

ren, off dat hij haar daartoe gebruijkte 

gereedschappen in zijn magt krijgt Alles n,,j,,iu,,i mj, » himêirüs lymnun y ( .-i, .,, , , t 

binnen zeekeren bepaelden tijd, na dat 

het verre weg, of nabij voorvald, te <^£™"^ ,.,.;. r °> ,,.„„■ », ,,_,, ,,,, I, ,',,,„,. 

weeten: Binnen de stad Cheribon en , Q 

, ,. A , -, ,. hj nu ,1 ijl/777 1 7/1» 7UI 11 ) 1,1 -in 1 li i'iijii' 

daerbuijten tot aen Mondoe, Cali tan- a a c- < 

Verh. Bat. Gen. l 



djong, Pleered en Astana, in den tijd ,,,!,,,,,,,, , „, „ ° ° 

van 3 daegen, en zoo het ontvreemde 



&»„„<&. ■>. P > ■ > 



1 j- •• 1 i r n , ■. '"//i/i<//. (.<( . ,iiii, ,/ ,,,,;,,,,,,,, ,1,111:1 

goed, t zij geheel of een deel daervan ' t& t ' d 

agterhaald word (dat meede in kennis """' '>vi' "'>"/'"" ' '"/ ''"" 'J : 'l 7 h ' ''"■/ 

moet gelegd worden) in twee dagen. Van ,/,,, ,',,?, ,;,,,;,,, ,„ ,.'„,„ 7 ,., / r, ,;,,;,,.,/■,, ,, 
Plaetsen verder afgeleegen, tot aen Ja- 



p. „.. i 



. il':,,.,,,! ,i, ,,.,,,,,, ,/ ui 1,1 < i ,:, i i i ii, n ,/i.n 

poera, Palimanan en Singanagara: in den u - ^ 

tijd van 5 dagen, en van de agterhaeling '"^"^r ""!'/""" 'i' /""""""_'/ """'"'°' 

van 't ontvreemde Goed, in 3 dagen. Nog nam» i,,,,Vi ,],,.,, ,?, ,-,,'', ,., I/IU ,.,,,),, .,)„„,?, 

verder aff te weeten tot aan Lossarij, a „ o o a 

111 KI L 11 1 ,, II l i l i : , n i ,,,,,, % Ll ) 1,7) U l (l /.' Ml/ /y (T ^ 

Kadongdong en Soka Oeriep : in 8 dagen ^ U l d II »i I 



en van de ontdekking van 't verloorene "-'"/"""" ""/"-/"^/""y " '-'/ 7 tu V^ 

in 4 dagen; van Bangawan, dat is de >u ^ ,,„,,'> • , ^ -,,,:» f, ,l,i_.v,,i in ,., da™ ^ : ,j 

negorijen aen de Rivier van Indramaiioe . a i n a a a 

° " " Ij LI < II 11 I KI \ Ij 111 I.J 1 lil Kil II 1 I.UL II 1.1 1 /) l.l l l'l i i 11 

gelegen, in 10 dagen en zoo het ont- ' ' ( ^ 

vreemde goed gevonden werd, in 5 dagen; *'~' ''" & "' N 'V'H'il 8? ' ' '"dl 7" V i.l'l'" 

uijt de Parakoewoe in 5 dagen en van «ü Yw^n,^ ra-nwiiiii) ,uim ,i?im Miuaïi 

de agterkaling in 3 dagen; uijt de Che- . o o o > o. o 

° ° ° ' ^ lU) i rL]miKr\ntui,ji.iiii;iiiiii.ii\Liii.iiiiiniiii.iii:i 

ribonse of Sulthan's Preangerlanden in 'J ^ ^ " c '- '"- 

15 dagen en van de agterhaeling in 7 ; ' ,l? ';T x '7 lL 'y '/''" 'J '■'/'/'/ <"-"/<""'" y : -< ; - 

dagen. De geene die de eerste inken- >.»i n i >i>> n ,,,l\i y,],,^!,,^,?,,;:,,?, ,,,, , /M ,u„]i 

nislegging versuijmt, verbeurde zijn actie o □ o j. Q . a 3 

00 <=> o / o 1.11 y 1 1. 11 1 11 1,1 111 in 11 i., 1 , :, ,,, , 1 i,j,, 11111 ,.,,,: 1 

in zoo verre dat hij in cas van diefte, 

niets meer eijsschen mag dan het geene "fn ll ' r W Y">£ W" '/'■"'" "A-r"'" 1 "" 

hij mogt komen te agterhaelen. Zoo hij ümuuu)i..MMtiNn 1 M 1 n y mimi»,,;»,, m. 1 , 

de agterhaeling ook nalaet in kennis te o >. 0.0 D 

00 U) M I 11 1.1 in 1.1 11 : 1 ^ 1 1 11 1.1 1.1 , 11 1 11 11 i.i> 11 1 11 1 1 1 n 

leggen, verbeurt hij niet alleen geheelijk 

zijn regt, maer moet boven de restitutie '-'-"t" 7#' ' '7 ""!■£ L ">i' ' •" "/"■•"«"<< 

van 't agterhaelde goed een Boete Pa- ,9ini,:lii m. „,T,,^ ,j, , y ^ y ,,,,,,^',.,,0, , .,,?,,,, 

palang, dat is 4 reaelen, betaelen. Bij o r> . n o ) a 

1 °' 7 J inuiiii n 1 11 111 ld y til 1 n n lv 11 i 11/ 111111.11.ini 

voorval van Diefte, Moord, Roof off eenig 

ander geweld in off bij iemands huijs off '7 ""'c' ')'" '/'ƒ"' " »y "> <ïv ? " "' 'M' '/••»' 

Erff, als den dader gegrepen off omgebragt ' " L " '- 1 L " <j 7 <" ^ ' ï?i .m 1,1 m,\ ,. « y m , ,;„ ,°, J ,,,!,,/ 

off de dievegereedschappen, geweer en ■» ■ ^ ^ / o 

O ff t & v v ^ *-« 'Jij// > 1 > n in in 1 I III IL1 l.l ^1 ill ,,1, 1 1 ,1 , , Li, ijni III 

klederen van den dieff off het bloed uit 

de hem toegebragte wonden binnens huis W™ < r -V<^"^<< ■'" < -•• y»/v»»?i 

off Erff gevonden werd, item het vinden "^ ,N "-'/•■' ^"<"y ( •('■'f" 1 ' v ? "ilk'-nui '- 1 " "5 

van Lijken, Beesten 't zij levend off dood, ,°,„,„ o - / > o j. 1. 

J ' J > •<-// UI ( l( / I 1 .11 1.1 Ij 1 H ,), 1,1 , ,, ,., ,, , ,, ,,u ,\ ; , , L/N ,1 

en goederen moet Titier (in de rijstblok- Q ° ^ o _, 

, , N , , ..''''■ >.>i»^ i.n 'i.' 11 in 1.1 1.1 1 1 1 n 11 1 n 'n 1 1 n 11 > 1 1) 

ken geslagen) en vervolgens de zaak in ' ' - ' 

kennis gelegd worden bij de Jaksas. Dog '''^/''"M^'^v^/' " '■'' ,; ' 'ivuiwun.iuiKMu 




het laeste is des noods alleen voldoende flfi«p ,,„,„,:■„„ i?,tf, r „,,,,,„ ,.,i?,^j'! i , i/i 
zonder Titier, maar Titier zonder kennis- 

geeving werdt genaemt Sidem, dat is ''°" ->■•[_>) ''■»>''" '••'/ •'-">■>( >.»<'!,. i.l/yn,/^!,,,,^^ 
Verduistring, Verswijging, waarop een Q 3 Q 

, ,-. j , . 4 „ . , i) mi ),) i,-|/i ( i / Li i '1,1 i'iiiin i i:> yii /'/ > Li'ii.ti /// ii, rj 

boete Oetania, dat is 16 reaelen staet, te ' ' £-& l I < a 

weeten zoo er geen Mensch bij dood . ■ o o 

gebleeven is, maer wanneer er Menseben 

gesneuveld zijn, dan daerenboven een ' " " '" '/ '" •'' '■7ó n "7-VT , "L'// ■*'"" ^v"^'"" ' 

Boete van een Menseben prijs, dat is 33 Q „ 

reaelen voor ieder rnan, en 22 reaelen voor ^ 

ieder vrouw. » ° ■ f> °- ° ° Q ^> 

•»"""• il t ii i n 1 1 1 ii 1 1 1 i, i i ii i ii l-^ .hii ^-i i_i i i inihii i^: til -li in 

Het in kennis leggen van een Zaek 

gesebied schriftelijk, weidende zoodanig -/""'"/ ■.«»"/->"»/ ",'/§'/ -"»- /'■" "'" 

schriftuur genaemd Pisaid, dat is kennis- ^ )?i)j)1 m * a )l7)l ^ / o, „ï,,.^,?,,,, , r , ; , 
off getuigenisbrief. De Pisaid waarbij 



Q O O 



een Diefstal de eerste mael in kennis '<<" ^ 7 ^^/ .-^"' <-<> -<^<<y >''"'''''' \'' 
gelegd werd, werd genaemt Pisaid Wara 



n 
KI 



11 1 1 il 1 1 1 1 1,1 I I hl ,j 1.11 lil 1 11 1 11 Hl l " 1:1^1 VUT) I) 

wara waerbij slegts verzogt werd de & ff ° 

zaek in getuigenis off kennis te houden ,„,,;, ) I/M(1/II) , , iw&tfM^M! . M i7ii../;... .1 

off te onderzoeken, moetende den klager 



1 



zijn naem, woonplaets en Heer bij dat ^''T/ ^'"?'' T^V^^ 7'-/''''''' 

Papier duijdelijk melden. Bij de tweede , (i ,;, |T ,„;; m „ ul ïu f ,^; r n^n,^| 
Pisaid, als er van 't ontvreemde goed 

eenig gedeelte agterbaeld is, werd Regt u,.,,, > n m ö^ m -^ ■ ■' >'>'Vyy \" "i?'P" " 

versogt teegens den geenen bij wien het- o 

1 J , ,., I .«. , I I , 2l I 1 hl-l 1 1 Lil 1.1 -1->1] 1>" " ''} ' " >"''"" '- 1 

zelve gevonden is, en werd dit schriftuur "<.' / i u \ 

genaemt Pisaid Pagoegattan, moetende ,,>,,,, nj „,,„ m ^& m ,,!,],,,„ , r »>, ,, r )^ 

den eijsseher zijn naam, en die van zijn 

Partij, hun beider woonplaets en Vorst of «* '•'" "' h l'" '"/ 7 " " '<" ? ' '//'/'" '7 ""!'/" 

lieer meede duijdelijk bij dit Papier 

,-, 1-1 j* j , .. u . , ,11.111.1 11 in iini'ii ■■>'/ >/;. ii.iui-i) '■>"» "f >>"•') 

meiden, gelijk den verweerder, bijaldien ' ' ' ' - ' 

hij een Contra Pisaid indient, mede in i 1 , ,,,.,, 3i W mum|w )|M // 7 / w-,m.^i >Y """ '7 

agt moet neemen. Wijders moet den 

eijsseher bij de Pisaid Pagoegattan, nauw- </^ ">> &t&&< -/'" } i L "' '"■" 1 '['"''" ' '"'"" 

keurig en in de vereijschte ordre, dog 

T i , 1, .. ., II l.l 1 II 1 I I lllll 1^1 ')l " ' ll ') "' ' " l'i' '' ' 'I ' "" 'iV 

eenvoudig ternederstellen en noteeren zijn - < ' f - ' f - ' 

bewiisen 't zij dezelve genomen zijn uit i„ a s» o 

de 13 Articulen genaemt Andiandian 

(bij de Papakkum op Pag. 13vermeld)off m»j.» m.?»».! y m .■'"/' " ^'■ 1 ~" '/;"■"/ 'J/ '•"" 

nadat de zaek is, uit Sasandan, Kawal, 

off Watang (drie Soorten van getuigen ^"W:l'" ? "i'dl 7" mM "' ;, '""'r"r' 



4 

waerop men zig beroept, bij onderschei- ■< » ,r, > fjopj </ & > " 1 " ' ; ' 7 v; ' '" ' " ' " ' ' " "' '/ 

ding zoo genaemt), alsmeede, zoo het ui:i ,. , : „ ,,,.■„,;,),. ,^ ,:,,.„,);,?,,,,,,,,:,,',,, ,, 

geschil is over eenig goed, beesten, etc. 

, - , , ... il lil il L) 1,1 H II I II ' I I I I 'I I I 'I I II II .') . I l?l I I ;M1 I ) 

de soord, de naem, teekens en waerdij; Ho ' " "- ' -' ' 

zo men zig op Saksie (getuijgen die een . : '"<',^', n >/> »>> »-/-.«!/;,/' \ilnn] ,.y,-ioVi< y.,, 

volkomen wetenschap van de zaak heb- g ,,„ „-> ^ o mm/ , „ , ; (/ , n , ; , „ , v (/ , , , t/ ^ /, m 

ben) beroept, moet zulks meede genoteerd o Q a Q 

. . i i 11 11^1 11 in i i i i nm yiihiw ij i 11 ui i ii i'i i i i i i i ii iti 

werden, mits het geschiedde in de termen ' '<p s s 'C ' "^ 

dat er menschen kennis van hebben, son- r vM l ^n^ 1 ,,.^u,, r ,M,N : ;u ;1 iM^i.«n 

der haar namen uit te drukken off haer ill( ,,:,,, m,;),.,^!. » v/ ,,„„,^1 .i ,._,.,,, >•,,..» 

Persoonen bij den Regter te brengen, tot Q )Qo ., , 

, ti»n(U)\ at 1 un -ii.ii _i 11 1 n / 1 11 i) 1,1 1,11 1 11 1. 11 1 1 1 11 1. n 

dat hij zulks requireerd. In voegen alleen " ' l 

de staet der Zaak en de questie werd "' '" ' » >>i >•'»<■' >/> » .»i.»n.i:»). i^.m.j,.-,. »a >< <> 

verhaeld, en uijt wat kragte de betigting ,„^, ( ,„ & m % ^ V"lf:," ri '" »'"-'» " '_'/ 

off beschuldiging geschied, en zulks zoo CTa „ n x 00 a. 

_ , , , ,•**■,, ,1,1 in i '1 i] 11 111 i) 1,1 n 11 n , il 1 ) HH1IK7) tiSil Hl 111 1 ïi (l) 

wel in de volgende Rendeel- en Toetoer- » '■'- ''- l, <' ' " i 

brieven als in deeze Pisaid-brieven. De ""'-' '°" 7 f/7' "Pi r r/J : ' '" *" li '"" "■" ""/'/ 

Jaksa's maken de Pisaid-brieven, een &^^.Q ?(ls ^^&^ M iWug^$<r>^™J 

ieder voor de onderdaanen zijns Vorst, Q . Q a o 
genietende daervoor '/ 2 reael. 

Ingevalle Partijen malkaer over en // ' 7 ' ' ^V-' 4/ AV.' ' '""'-i'/ " p " '[^-^""''^ 

weer accuseeren, en bij Pisaid aan den MOTomM^Tja.tMwJwóaWtmm^ 

Regter aenklaegen, word degeene die o o o .0 

" ' " .- 1 11 1 in mi 1 11 1 .1 1.1 1,11 niiiM.n nu 1,1111:1^1:1111 

het eerste komt, dan wel die de tweede 



Q. O . O 



Pisaid Pagoegattan genaemt, waerbij om ° n BB V"-'-/<— -fP/ 7^,^,,,, „,,y 

regt verzogt werd, 't eerste iodiend, ijthn^iii mtvn iriiin^iii mmm/hui .wm / n nt^*ï 
voor den Eijsscher gehouden Q Q . . / 

De Aanlegger, de Pisaid goegat inge- ?v 

dient hebbende, laet vervolgens door den «>-^'~/'y '"' ? ' -■•/'■/ jy>" •"-'§«-/■':.' P "'- 1 ''^ 

Jaksa zijns Vorst, een Sereggan of Citatie- . , « « 3 v ™ ipj ^u: y >.-> kï . y » ) ,?i i ! -j m 9 3 

brief maken, van inhoud, dat den Jaksa .0 >o 

)i * 11 11 1 n 1 > 1 1 11 1,1 1 ^ in -.) 11 1,1 in 1 1 1,1 1 * ui 1 11 > 1,1 11 • 

van den Aanlegger van den Jaksa van 

de Persoon die gedaegd staet te werden, 7 L » V-"-""/^'-"" ""' " "- v-'^/" 

requireerd, dat hij op den naestvolgenden nuru> i,i),)> ,/,.,i ,/l,,, , i, ,?;,,!, ,.?. »ï# ».-## »"?. <ƒ i..j 
Regtdag (zijnde er twee Regtdagen in de x q > 00 

x " 1 1 in 1 1 1 ,1 n 1.1 a 1 11 i.i >) 111 ; 1 11 > 1 nam m -linrri ui i.y i ; 

week, namentlijk Zondag en Woensdag) < Ul ' '" l ° / / 

den beschuldigde persoon, als onder zijn Ï3I" '"^""" '"' " ' ! ' ' '^''" , l " J 'V r " ^" ! ' ■' ■ 

vorst sorteerende, zal voorbrengen. ^iMinu^ifli.MUM!)^ .li ^-.u;)nuM,| i»m 

Waeromtrend (evenals in de Pisaid-brie- n o o o o > 

v r ' w ( -' 7 ii ' '■ ' ' ~' y i ) "Pil 7 '■" ''■' ~' 7 ' " ' ' " 7 1 / 7 ? 
ven) nauwkeurig gelet werd, dat de 

naem der Jaksas en dergedaegde, mits- '••< 7'-^'" «"'•-'" ï---v-§'/ -/ -'/-'- 



gaders des laesten's woonplaets, en de >t <» ~ > >.v,. „ r , ,',! - , , ,, ..) ■n... -lii-^LW^r»,™^ 

datum van de citatie, duidelijk geschree- OT .o ,„,„,.■,] ^ ,. ,?„•„,,;,.„_ ,,/.,,, J , s , ,n 7 v ,-„, 

ven worden, dewijl bij faute van dien de n n n Q 

. , ' - , M ƒ.1 Mlil Ml 1,11 II MIMI I I '< "I 1,1 II M;J 1Ï.711MI>/ 

Sereggan niet werd aangenomen, enden '•'- '" ^' a ' ~' 

aanlegger van zijn Eijsch moet afzien, ^«ii'J'j'r «"•'-'^'■'^ i/<umm-/ ></"-' 

vallende in Lebon(gat offbreuke) Asaroe ^ lT , o ti m o ^ , , atö Vï ^rii«y<m^«| mi - - 

denta d. i. duisterheid (vide Papakkum n Q Q n Q , 

. 11,1/lM I MIMI i.ji.-i '1 ƒ ' /i/ '-»■>->? HM i/au,») /mm 

Pag. 8). Den gedaegde werd niettegen- ' " o <? <^ 

staande bij op den naestvolgende regtdag iy ' « '•» "' ;>_> ; ■ ' - ' ? ' " ' J '^ 7 "'/.'/! " '"' V "21 7 " ' 

geciteerd is, egter gelaeten den tijd van gg ( ^«»^«i j j 7 «iMKi^«if^* ? jjig§4<3«« 

drie maanden, mits bij present en niet . n Q „ q q . 

, .. „ ' ... , , i, i,.i ii. i, i mi i. // ii i.iii ii ii mi //;//' '»^ '/' ''-'iO' '' 

van lnujs on op reys is, andersints werd 'er t ' ' &■ c/ 

die tijd gereekend na zijn tbuijskomst. <°" 'y» .^w> "V^u/m^i^-W'^ */'•" 

Bijaldien den Aanlegger off gedaegde ziek , M .„^ rl) «^ rM S V rm^^ ^ 

off anders wettig belet zijn, mogen ze een „ . _ a n a o -> 

gemagtigde aanstellen die uit bun naam, ' 

voor die tijd bun zaak waarneemt, dog ^1 -y-- ^<< »<'""■» 7 V<V^ n -7ï' u, "^ M, ~ ' 

zulks moet gesebieden met voorkennisse o o , o rm N wm ^ U! ^m| m«£^«j^i& 

der Jaksas, dewijl andersints dengeene _ n o. o 

llKJKllin 11 M> M M I' ■•) MMII Ml II 1 ij I IMI.t",^ 

die zulks versuijmt bet proces verliest ' l " c 

(vide Papakkum Pag. 10 art: 3). r ^^&^^Mi r! g^^»Q a * 

Na gedaene dagvaard versebijnt den aen- ,,,?,,,_„ ,- U m .?> » ;,iu //"?^^"- ; ü'/ y»™ -'*'-/ 

legger op alle regtdagen geduurende gem. nn oa o. 

... ,,...,, .. , , ,m ivJ 1 1 r,i^ ril t.^M/rli/U 1 'ij 'i'?''^ 11/1; 1,---/ iy 

tijd, dog die tijd verloopen zijnde, werd & s ' ( ° 

op zijn off zijn Jaksa's verzoek aenteeke- <-} »$ ö w y, < : »■»•■»> « • •« - ' '2/? ' »»-|«»^ ™ < /> -« ,., 

niog gebouden van de defautten bij non- ,o ( o ( a. m , 7 ? t o ^ , , q, ? ^ o ^ t) ,„ ; (/ , „ , , ,) 

verschijning van den gedaegde: op de ~ „ n / , 

, . , 1.1 i 1 i.t 111W M n -".lil Mi.il i;i 11 i:n W 111 r ii. in.in 

eerste regtdag na gem. drie maenden, et ' i< ^ c ^ ' a " 

werd den gedaegde verweesen in de boete « » « " f ' ; i "' K ' " -* '''" r ' '" '■" ' " '/ "" ' '' W ' '' '' "" 

Papalang doende 4 reaelen, omdat binnen r> M „„■. , , L11 ,,-, ,,,,,„ ,m .?< ,i, 1 im ? ,i,y 8 1 1 - 

de drie maanden niet verscheenen is: zoo „ „ . a n a n o q 

M Ml:. 11/ 1JJU M,)M1L11ÏM.1 dj> Jï.1 \' '"-/ '•' ""■ " 

den gedaegde op de daeraen volgende ^ ' 

regtdag compareert, neemt het Proces ^k./,mi ■""'»'/ •" ""Lil ? " ?i " r '^ V 1 "" ' ^ 

zijn voortgang; dog de tweede regtdag ..o^^y, , r u>n^, r „,,y.}i • iii-liii.'..''. 

mede defailleerende werd hij op de derde ' Q . 

., , ..,.. , .. , „ . , , , IMIMlMJl/iniUMlIUIlMIlDM/lMM-l .! I " ', MM 

regtdag, t zij hij verschijnd of niet, schul- ' » '< ' ' 

dig verklaerd, en het Proces teegens hem » ' -' ^ ïïl 7 ' u M ~ 5 1? ' lJ " ] S " " ' M ' I ' "' "" c '" 

uitgesproken, krijgende den aenlegger ,, V) ^ iri ^ ', t „ L -„ L , 2i m & y » ïi mi 7 m ^ ») » / " ? " 
als Triumphant daervan een Soerat Koe- 

, , asn uviri ,vi mi m ^'ii isn/i tfn /.// / / /. m n i n .■ i ö.wia n 

koedong off Appoinctement. Bijaldien « B u ' fi ' ' 

het gebeurd dat den aenlegger zelfs niet § 1 ^r N V l " "'^ L °" "' "'^' - 7 ' " '7 '" '^ T"' 






compareerd, 't zij in gem. drie maenden '">,?, ,'■/ '" 7 "-"/ 7 •/ ':'/"" 7 ;"" """ " ' 1 " " 

of in de daeraen volgende drie regtdagen, ,„,„,:,,,„ .•/,.„ V'/'""' '/<" 'y 7 < «-" 1- "» »• 

zoo werd die tijd weder van nieuw aan , -, . , Q , 

1 I 1 1 n 11 1 1,1 > 1 i 1,) i.ii i'n in 1 11 111 ui 1 11 1 1 i.i j 11 1 ii' 1 11 

geteld en zulks tot twee mael toe, maer - ' ' ' « ev ' u ' ' 

werd ten derden maele van zija regt »//:ï''Tt' '/"'W'' 1 'f" ffl, 1''"" r! ''"i"" / ' 

verstoken en den gedaegde ontslaegen. tjl „ , m ,„ />„ „y, 7 , ,,, ; ,, J/(/ ,.*, ,.„ T ^.,.i A>? »-• 7 » m 

Als den aenlegger behoorlijk gecom- n a n =>« 

. . , »?^./ iiilii:iiniu in 'I '" ""M- '»->' 7"'"' '- ' 

pareert is, en den gedaegde mede ver- ^ " J a 

schijnt, werd de Pisaid van den aenlegger & > »«ftgj«* » •'» ■"» ^nm.,^* y 1 - ëi tm »»< '/ m - n 

den gedaegde voorgeleezen. Bij aldien n o f( o. , ,, ^ ,->,;■■, „, ,,?,„ , 7 ,„,„, /M,yyy 

hij de klagte bekent off in cas van dieffstal, , , 

het Boekti (de agtergehaelde goederen) " -' '° "- ' 

off Tjina (de agtergebleevene dievege- i/Ïm^mmm../ ./mm^/ m -n ./..m* /-/'/'j?' '<'-' 

reedschappen,offkleederen van den dieft) o <, ?rr)) ,- n ,°, „-,,<, „,..,/!« , ....» 7-", 

erkent; werd hij (zoo hij niet aen den Q 3 

lijve werd gestraft) verweesen in de ver- -' / ' ^ * Ul 

goeding en boete daertoe staande, als mi .,» mi i m/m. iih'i ./"y» m./umm.m/ 

volgd: D'AenklagteisTidarsaofLokika. ^ ^^^^ 7'-.'/// ' ; ' '"/* 

Tidarsa is bij Exempel aldus: Den b ö ^^ a 

eijsscher iets ontstolen zijnde, suspecteert "% ®""" ' " "V'' '" , " " " " " , /^"'"/'" 



den gedaegde, omdat niemand als hij, yyiin , .' ^m mm . ly y&>." . r?> '■"- i ' i " : " " ( '"y 

kort voor het goed uijt zijn huijs verlooren j g n) ^ i/m) , m ,^ t/ ,.„„;) . y - ( , ( ) ,_,, , „, ,,,„,,, 

is geraekt, in sijn campong geweest is. , 

T „j. i i' j i. 1 j • 1. 4. n.ï/M/y/./'i/'i. )Mii.iM-)yM"»'--'i;r""/; ";,' 

Indien den gedaegde nu bekend m het r < vd 

huijs van den eijsscher ter dier tijd .#.-!_*».»» -^ m./ m^m. i,m< m > ..-» ^" | " , - , » I,,M 

geweest te zijn, schoon hij ontkennen j? . ^.^.„jmm^ t < r . mi fltóM*). A u,i« 

mogt de daed gepleegt te hebben, so 3 

„^ 1 ,.. . , 1. mm!-]/.. ./.// nmiuni,, i"M' M//" 'Mi-'MJM i,'M 

werd hij verweesen in de vergoeding van ' - ' a < a a 

't ontvreemde goed en een boete van 4 ( ,~)m..,m 7. .. m. m-m ,/y." m./- "';■/;■,"" ' 1,; "y 

reaelen, dog hij heeft 40 dagen tijd, om , ,; ,,,,7,, ; /, ;, ;, 7 ,, ( ,, r(/ ,7m</ .m,/m , ?;.. v v 

zoo hij zig onschuldig kent, natevorschen a 

te 1 • J J J J* i» 4. 1 X. t*. //1 "/ m;m;/ /M'/J"'7'/ "/M..M . .-'...m/mmm/ 

off ook iemand anders de diefstal heeft '■'. '" 1 ' ' ' ? 

gepleegd, off na hem en voor de ontvreem- ^mm)m/m/ imSi» > m /? mim, MMiy.w yy 

ding van het goed in 't huijs is geweest, gj u ^ o o , , ; , , / , , ; (/ - M) / t] ,-„ , , m, ?, 7 rui 

off ook off hij het Boekti mogt konnen . . _ 

, „.. ,,. , ^ , , ., . ,,; ); .„,7/,^JM/ 1 .77</ / .../MMM..I^./.M/'M.1 '/<"7 

vinden. Bij aldien den Gedaegde ontkent » l 

in het huijs van den Aanlegger geweest ri^wumw 

te zijn, zoo moet den Eijsscher hetzelve ^ . t f }i j ifKI ,;■_.,,,. „ ,^„;!, 7 „, ? ,.? ( ,...»/ m<... 

bewijsen door Saksie off getuigen, en in , n , n . 

welk geval er trein van Proces volgd en ' " " -'- °t> ' 

de aenklagte de kragt heeft van Lokika. ™ & y -" - <"< • - ■' • >! " § ' / 'J / c ' ' l ' fi '' " ^ ' " 8 ' L " 



Lokika is bij voorbeeld aldus: Als ^ ,?,,.„,?„„ „„> q Q> nw , ,?, ,?,,!, ,;,?,,, ,,,;,, ,.P, 

iemand een Paerd voor zijn deur laet , & / 

graesen of eenig ander goed buiten heelt ' ' '' 

gelegt en daer komt een ander Persoon, 7""/;y" > "'r/ l "'u""" 7 " t "/" 7//^/"'" 7" 

die den eigenaar waerschouwd het zelve ?:,,jC>>^ >> .-.»,.- ^pi lh 1 ...,. ;. y..i 7 .,., mm/<'"< .. 

daer niet te betrouwen, opdat het niet n , , 

somtijds raogt gestolen werden, en het ' " l - a 

zelve daerop gestolen werd, zonder dat ^ >>~f §>■><> »»>>j ï>""v '>^J> r L >' '• l, '" : " 

er iemand anders dan bij gezien is, zoo iZ,fi. t ,i,,:„ ,'..:.! inj, iy .,.,,.. , . . j m mi»:,, ,m|„, 

dat hij niet alleen het laeste daer ter / . Q . . /■ o 

" 1£t\.l I.I I.I III II I.I) I I IL) Uil 'ƒ1'/ I I l II I. II I I II LI I II >J )| 

plaetsc gezien is, maer ook tegens den °^ 

eijgenaer gesprooken heeft, in schijn van ""^^^«"^^V^^ 7 cn «* 

welmeenentheid, maar dat hem in dit iliin <unasnt8> y. i,,,, ^./'-' i.jwiipi.i.ii.Mii|iuH, , ,i 

geval zoo veel te suspecter maekt: als r> a o . -> o o o >. 

& "f ,,,() ,1 , | , ,,, ,,) L) , |(, Lil <E/1 ,.) lil 1,7 1LI '1,1 rUIKVItQ LI I) II 

den gedaegde dit bekend, valt hij in een 

j ,, ,i i. . , -, , iiii.i,iinii.)i)hi>}.lhiii.2i)iiii)i>/^i.ii.J\i-i).iiili-ii> 

dubbelde vergoeding en 4 reaelen boete, Ui '«t. c/ h v a < 

dog heeft even als in Tidarsa 40 dagen * n <■/ <■ ' "• « ;'/ <■ » f »™ >/"-i £>/ < » i & ^ '\17 * " } n ' ( 7 '■'" 

tijd om te ontdekken, zoo hij kan, wie „j,,,,,,-,,,^,,, /,,,„,,,, „f,,,, y, „,},, ,,,, ,,„ 
de waere daeder is, als hij het niet is. 

~ ... ., . . , , II) LIILli I 11.1) Il LI I.I I. II LUI Lil l.'l II lil > 1,11 I. II : 

Dog bij ontkenning van den gedaegde 6 i j ' 

volgt er trein van Proces, en moet den // 7»» * § § »° wmo ^0^,1 ». u£ ^ < y >■ \ m 

Aanlegger hem met Saksie off getuigen „^„.fi^&^&g^g^^iQ^*'.! 

overtuijgen. '^ ^ x 

Als den Eijsscher Boekti otfTjinakan ' "/"•'"-! ''T ï°& 7' ■'"■•"/»'£ 7 9- £•/'■•» 

verthoonen, zo is zijn beschuldiging Loki- m >/ ^\ w < '» >' *» ' '/ '/ & '•" >•>" j "> ,; ' '" ' " ; ' 

ka, en den gedaegde het Boekti of Tiina >. -> ) -> --> -,,,,,, ,,), ?, 

00 J 1,,/ I I ,1 1.1 III IjlD'.LII 1,11 Wij Cl I LI UI I II Hl I I I II I I I II 

erkennende, werd hem vergoeding en w fl a } 

■ . , 1 • T 1 -1 J A • J LU IJ , ,, I n'l M l.'ll ,1 HLIIMI II ' I.I MM ' '/ Ij J l'" I "J '/ ''' 

boete opgelegd in Lokika, dat is dubbeld. >■», e ' K ^> '" «<-'«' 

En al bekende hij slegts Tidarsa en de •" 1 ' ?>->-> 7"" 7;,' " : " , ' 1li;IMI1 ''"'' 'y'-" 7 '•"" 

aanklagte was Lokika, zoo werd hij .,„££, m^-Iilï», „^ . ,» ... ,. 1 -^. , ,...r. my- 

gestraft in Lokika. Bij aldien ook iemand Q x . x 



1. tl : 1 1 11 11 



. , , , , . „„ „ . lV. ... K7 ... LDJ (-1 ... .) in ...1 1 1 1.' 1 " ' ■,' /'.' 1';'' 7 

bestolen werd, en het T ina off Boekti "- 1 ' ^ ' ( ' ° ' 

m handen heeft, en daer komt een ander ■.» ».»,/..£». » • ^''"r 1 " 1 ^ 1 ..... , f . -..,.. ...'7 ■,.. 

die dat Tjina off Boekti, off een deel of MjnCTH » ,,,,,, ,?, ,'i. m. y...; ,1 ?•...'. lui 7.1' 

stuk daervan, voor het ziine erkent, die a n -, Q 

L'lni'l.niJIIIIIILIIIjlLI^I.III.IIII/lll 

valt in Lokika en werd een dubbeld ver- ^ ^ ' L 

goeding Opgelegd. M|.«ê^«ig^^tó«Vir»i^.amM W ^oiiA)em^ 

Maar is 't dat den gedaegde, na het ,,, U >.;V ..!.... .npn.. . ',,.ƒ,,....,/ 7.,.^.»'^'" 
voorlesen der Pisaid van den Eiisscher, de n „ Q ' a , , . , , .. 

J ; .'... ., MI,ll,,MJ,IM.lillll/llll/.H'l' I' . I Hj II' 

aenklagte off betigting ontkend, zoo moet ' 

hij een contra Pisaid inleveren, van in- H^i «^-«««^^™ ! 'ar^ È T^ MlS 



8 
houd dat hij een Sereggan of citatie n* s >1™™mê™&2*oa « ,fl„«,a fM1 fl 



ontvangen heeft, verscheenen is, de klagte Q a a Q a ~ 

. , hl i I i n 11 i i in ia hji n ,, i n i i i , n , ,, i , ,',, , , , , ', 

gehoort heett en zig onschuldig houd. '- ' -' a 

Deese Pisaid moet hij drie dagen na gem. "'" ".'<<"'/ >'>»>> ■■'-/>., .n. ,,'.,, ;.jh<,,,,, 

zijne verschijning, ter teekening bij de ,,,,.,_,,, ./,, /: ',, ,, ;,,, ,,] ,,1^,-,, ,/, „>• ,?;,\,,, n 

gezamentliike Jaksa's rondbrengen, op Q , Q a n 

...... .. hixiin i IJ j in ,,i i i ,:„ ,,,!./ ,,, , ,i i ,,, n, i„ ,,, jn ,.i 

poene van schuldig gehouden te zullen " " 

werden. Bij aldien de een off ander der ^ * ' ' 3 " ■'■ ' 3 ' ' 'dl ' ! ' " "/ ' ! '<' ''" " » y_ ■>/•" 'd) 

Jaksa's weigert, zoo wel in dit als andere h» w> m^ Si uijrn.i ,, ,.', ,.„ , „ ;, ,', , , , 7, ,., j„ , , 
gevallen, de Pisaid te teekenen, zoo valt a . Q n 

° <™£7 l') 7 (:l) II ^/lc\" ,,))_.,, I IM ,/ ij lltljlO, hl il jl. 

hij in een boete van 4 reael, mits de ' c " 

Pisaid binnen de gestipuleerde tijd ter "■"~>> : »< >•- r v >'"y y *' >>'i>>'n" <">>"<\ : >' >> ■ » 

teekening gepresenteerd werd. Ook kan «i ,<, „ JM & ,.-., 7 , a?,:,] m U ^ 7 , „ ^ CT:MW j W 

zoo wel den eijsscher als verweerder zig a 

(L)ltul ~lh)h-)i\ ij 1111,1 i l'ii.i ->ï\ n in /,;_/ n ^j hi i // 

schuldig maken aan het gemelde bij de " u BCT ' L '"- ' 

Papakkum op Pag. 3 Articul 7 : Angrasa & " '" ' : " ïïl h " ™ 7 '" L dJI ™ > > -n 7 ^>? l, 2i 3 . . 

wadie, en Articul 8: Anna wadie,enPag.9 «&£; m m i,^i\, u i.ii.,m.„ l ,! , ; ,,, & ,,, , , /( „, , (/ 
Articul 7 : Anganninie ; het welk plaets o Q j a 

" ' <uri o i ri i hi \ ihi hi ,n hi i:> i.i in ii i ai hi ^n i i hi hi 

begint te neemen na 't voorleesen der ^ 

Pisaid, en duurt tot het eijnde van //'/'"---"-'-'""»-/ «K»M r ^ 

't PrOCeS. ■'-"" «3 i: " '- -" '■ " ^ _am i n 3 / / * V» ij .1. i 1. 1 ƒ /, / /, i ƒ, i ii n 

Weederziids Pisaid brieven dan inge- nam . ,r> o . Q Q 

dient zijnde, leezen de Jaksa's dezelve Q 

r» ... j n* <]•. l>i ii i hi , i)i i i i, , ii tl i?i > t / -iiiT/i) tl lil i i in i,l) 

aen Partijen voor en vraegen daer op off 6 ' " "- ' l let -< 

zij de Proceduure derven onderneemen. 7iMM5w(St.|T|^i|wy.K|^M^ii J ia.a,Kwi^S 

Het geen met Ja beantwoord zijnde, fl^^^w,^,^,,^^ 7 „ ? , l3 ,.^.^ 
waerschouwen zij partijen weegens de Q 

...... , . aantonen mtimiiitijmk i i i.i i n uni mi n ihinijii 

swangheeden die de processen aenklee- f t er f 

ven, in deese termen: De Rijken worden Küui<|^t.i|j,Ti9-|OT ? ■ukSm^ ( .» ■'/,)';'/ < ■■' <•'' 

arm, de Armen sterven (dat is, zij worden ^ M M ^ „« „ „ n , , y h , . n Q (/ ( „ , , „ o , ( ^ (/ ( n 
door de onkosten der processen zoo dood , n 

, .. ,.. , ,, ... ., ilui\ ;l> t ii in : i il in , hu in iihi , ii; i , i.niMii i,j il i.i hj 

arm, dat zij somtijds wel haer vrijheid ver - '" 1 ^' et < a 

liezen, en dienstbaer worden). Zij moeten 7 ?* , ' n ^(^3 7 177 LW1 " »'/^" ^uaMè^Jiw m 

betaelen Beea (salaris voor de Jaksa's, ^ P( ,„flisr^hh, i/amn „ ;.,m M ^ ^ ./«»», 
bedraegende l 3 / 4 reaelen van ieder Partij Q<i Q 

-»„,, , , _.. , TT ^n hl 111.1 Ij) 11 1 hll Ij) 11 II, / ij ! I / hl, _1 hl hl hll lil I) h'lll'll 

off 3 1 /, reael van den Eijsscher en Ver- ' d ld ' Un ' ' 

weerder te saemen), en Toombok (een °T n ' "dl "■'/;,' '"7 '" 'dl ^ «y ?-» 7 « » v ( ',r'^/'" 

namptissement van penningen, genomen ,:,h/m ^ ,, ,1,,^ ,/,, ,^, /<; i, 1J1 1.,, ,.,1, },.,],, ^.j, ., ,^ 
na de waerdije van 't geen waerover men o o a „ o 

t , hll ~ 1 hl 1 I I Ij 11 I I I hl 1/ l I 1/ I I ? I 1 1 I hl I II hij Lil Lil 

procedeert, 't welk verdubbeld en door °' ' ' 

beijde Partijen ingezet werd) en die het " '" l] 'J ,]l ' ; c '" " " ' L ' L ' ' '" v " '""i? " " l ' 7 



9 

rroces verliest valt in boeten. Zoo "ar- iuïn^Hn^tSiiLt nriiuh mi Mn-i^iimTiitn,njt-nS)rrt l ui^?i 

tijen dit b antwoorden met te zeggen, dat a o o on 

zij des onaengezien het Proces ongevreest ^ *~ 9 ü J 

onderneemen, dan neemt het gedingzijn "^«|*»j^"«»*3f*|^«>"3ïon?«||g ) MM«rny««ii 

voortgang. Maar bijaldien den gedaegde m%<u^ ,njj,jiufomi^n,i ^ 7 r»^,«7^™,««Q 

het Proces niet durft onderneemen, is hij o o o o r> a o 

KT^M tnnwitm .' I Wi' ïfivnin (iricni(isnfiM cun tui .1 u) Xji 

gehouden den Aenlegger te contenteeren a v 6 

na den inhoud van zijn Pisaid; en zoo het M ™ g^™«ïï/H™™-^ 1 ^ «j™g««^ 

gebeurd dat den aenlegger terugge treed, - / m,? «a *£ o i > i £) ™ 7 ^vmiï,pi'3 wi ^«3? o «Q A 

moet hij aen den gedaegde uitkeeren het o o o o o 

•* do ja annmi (KiiymiuntEtaatn/ianaJiMf) <ntoiz nojiunijnnsinrui 

geene hij van hem bij zijn eigen Pisaid q ' u 

ji-ij «ij •! t j utaJitunnn (uim-jmm faocn/i ri nvi mi -f» ceji -ji, na tuil in im 

gevorderd had. Als den inhoud van de 2- « to Ul ' B«t t 

Pisaid van den Aanlegger den gedaegde Mn.hiihi m,^^, ^ ^iIki^i^iv? M^hSi.^^v ^in 

is voorgeleezen en den gedaegde bij die milïï|l ,^ lm ^ ; 3,^^ um „ ir/a) ,^^ 

gelegendheid eenig gedeelte daarvan heeft . a „ Q 

bekend (dog niet zoo veel dat daarop een er i ^ u^ufo u ^ < «v 

Decisie kan vallen), zoo' werd hij door de tmm<unaxiidiru^nriasn°i(^a^a^ ^StSioj><un ^z^ 

Jaksa's gelast meede een Pisaid in te ?ffll £) 7 „ l g M 3Mfo5,M« WJ 5ï«io B < l y ïa? n*iA 

dienen. Bijaldien hij nu bij deeze Pisaid 3 o a n Q 

. ...,.., i i ï.iijiiijcriicm iisii/ji.ii ^iiKiitun in^'jniMii\ nmviti^an 

weder ontkent het geen hij bij het voor- t~ o -< i »t/ 

leezen van de Pisaid van den Eijscher M^Kn^M^i^^cntMM^fMunM^^ 

bekend had, zoo maakt hij zig schuldig „ f £) A>3feiï(au£i Mf& jm«^m^S«S 

aan Amoengpang Anna Bakwa (zie de Q Q „ a Q 

iVlï (IJl CI11 (TUI T) frJlfC iNTl _bt (L0 HjI 1571 7? W) fl M l (Hl thTl/1 (KTJ 

Papakkum Pag. 3 Art. 12). d t < 'o ft ^ 

Als een van beide Partijen, voor de ^M^wMtó|<rn^^o 1 ^^o|o'r 1M M ( *3 

Jaksa's verscheenen zijnde, 't zij in W wKira^i&i^ioMiam,A"iuiwMuwMiMi 

Poerwa, het begin, Madia, het midden, off o o o a„ 

7 ° ' ' ' ii7;i(Hjtn)ilül?u,iUM| hiii^i.iiijiui.rii^uiil 

Wasana, op 't einde van 't Proces, terwijl 

zij in de Paglaran of vergaderplaats in ^§»<> »'<<«^r 

tegenwoordigheid der Jaksa's zigbevin- ^n^im^Mii^itviiiunaji^iM^^miruajivini^im 

den, van daer opstaet en weggaet, zonder • a „ / a „ a „ , _ / m 

de Jaksa's te waerschouwen, zoo is bij h 

schuldig aen Andia Kalangan (vide Pa- ^%^-»^^^^^^^^^' M ^ 

pakkum Pag. 4 Art. 13). ,ju,.m« 

En indien een van beide tegenstrevig Q o o „ .^„„„"o,,,,, ,,,», M 

° ° iiiiiiiiri^i i i i ïr-ii.ici -i mi ini i i li <• in ii i~i i-l tinjl (KJj 

is in 't obedieeren van d'ordres en be- 

veelen der Jaksa's, die verliest zijn Proces, fi*!* - " ""•" & s '"l»"> -p»|fc"» ■»««•*«" 

en valt in een boete van 4 reaelen, alzoo «Qmw?m«m »^?<MM.3ï«^^^<K7-/ng^sJ 



hij zig schuldig maekt aen Amoengpang ^^^ ^„.^^^^ 7 «.^^ftrf3^^ 
kara (zie Papakkum Pag. 4 Art. 12.) 

Bijaldien nu Partijen als bovengem. Ij t I U{ Q 



10 

standvastig blijven om de Procedure aen -n^^^^^ i?^»^*** O,™ Q^^^l <ntxi 

te gaen, zoo werd haer door de Jaksa's Q „ Q o o 

° truTixcittuit^i isn tmtHiti^ittA ii'ri <tn <Ui thn _/n tui xm *Q cru > 

belast op den naestkomende Regtdag, de ^ ' ° ^ ' ' ^ ' 

Kendeel-brieff met de Prabeea over te ^"&«™«^»»«ffrï»'«£*#Ö«i*&^ïMM« ï 

leveren. De Kendeel is van den zelfden ^TiMiun^nsniMMKOTSMiru mmïm mj öw?) m 

inhoud als de Pisaid en heeft daermede s o o o, 

ihrnnfns rtiLVi tn m z ttsn mxtti turi {-xji ritcnxutiotLittajitun 

geen ander onderscheijd als de naem van 

Kendeel, dat is Teeken off Bewijs dat het ™^-— '7-^ •* g ^ *l«" »"£«f *^ •?«• 

geding werd getenteerd. Als een van Mcmmmiwnvuiwinnt&lMfciMMajniciiïwajiiMw 

beide partijen op de gestelde regtdag o. . . on 

tui om im isiijt 01 hm abtei crntmao] ri tui ithtifi tunt&ixxi iru ikï 



niet verschijnd off verschijnende de Pra 

■. • , -i-i j j?/-'i.i. n aJitunxnti-L'ixjiruitunantuitkan i.i ivuiitHn^iiisn hiixci ttn 

beea niet medebrengd, off niet ten vollen t ^ d ui ta &j 



1_> 



betaald, moet als vooren den' Eijsch der «V)^^iiw^^>o7^i7r/^ïijniJ3 7^^»M / »''f''wi»s«M~^'M 
aenklagte bij , de Pisaid van den aenleg 



iui tisn m trui tm ~m tui nTi imn \\ 



ger gedaen, 't zij hij zelfs of den gedaegde 
zig hier aen schuldig maekt, voldoen, en 
valt in een boete Papalang, doende 4 
reaelen, zie hiervan Papakkum Pag. 3 
Art. 11: Anilat Kara, en Pag. 8 Art. 6: 
Awi Rokta. 

Maer als de Kendeel met de Prabeea ^,m mmi «,tQ m ju.m/&imiSwi^iiÖimj ; *tii£»| 
behoorlijk ingeleverd werd, zoo stellen / o o o 

" ' ntKittui^n .asnitui n.im ,iu kixu) tuiten mju^ (KH/zitun ruiax/l 

partijen hunne handteekeningen op mal- 

kanders Kendeel-brieven, off als zij geen « raKn «igj«n«§i» 1 'n£ (7 g« f| ^«« M A 1? «ii 

apparte Kendeel overgeven, maar zig SjaMHw^-n^^aiui «Qm^tihsh-S/mhotm 

refereren aen hun Pisaid (gelijk gemeen- o o 

vo J ° 11a lEiiirutiJini in in ihntruj 11 n/W(Hl-i*<&J~fl. miki trui ion > 

lijk geschied en in haar keuse staat), ^ L6J 

dan geschied de teekening op malkanders "^«^""«-flg^gfl «j £«»«»$§,,.*.,£ 

Pisaid-brieven, waerop zulks genoteerd ^M^Ma™or>»^<MCT^^«jn^^.?^j^^s>i^iiwï 

en vervolgens Kendeel genaemd werd. o . .000. 

° tui ttft riiui zuil iin-Kuntrviji ixn ie/i wtï <Èn m ari.vrri tisn _/ïi ;Ci 

De Zaek dus verre aengelegd zijnde en 

een der Partijen zig als dan van 't pleijdoij 3*1™° M ^<">^<«"™~r^'" 7"" " a " 

willende onttrekken, valt in een boete tiji mi ^^^071^1^^11^^^ 

van 8 reaelen (vide Papakk. Pag. 10 

Art. 1 uijt de Oendang-Oendang Mataram), 

en maekt zig schuldig aen Ametjat Ra- 

kitan (Vide Papakkum Pag. 4 Art. 6). 

De Kendeel ingedient zijnde, neemt den ^««-fS^-n^gn*! m QQ ^to^^ 
Jaksa Malakarta (dat is, de Jaksa's, die sa 

-> 1 1 1-» \ t 1 »-n uil ,^i inAKntisn\ tin ^mthnti^^ tui. Li.Liii-n tin ntisnaotM 

in de zaek als Regters ageeren), dezelve »**,«?, 1 < 

na huis, en ontbied aldaer de overige "-""^""M, 7 ? a gJ n dA ^^^»«°»)^tu ^ ^ik^^jkti 






11 

Jaksa s om te onderzoeken, on de zaek turit&KWHt/nnsn-i Tiawi77»,MïiaMWM.aimM,CT ! 

ook duister is en behoord geteld te wor- Q Q a 

den onder Assaroedenta (vide Papak- "^«1«Ü1""«™^™2*««"-7«|^ 

kum Pag. 8 Art. 2) in welk geval het «rno^.™* ^^^^(u^^^m^ ktku^^S»?» 

Proces verlooren werd in Lokika; dan off ^^^ •^„.^„.««^„x ^ 

de vereijschte bewijsen wel bijgebragt o o 

zijn, 't zij uit Andiandian (dat is de 13 B^^W ^^^^«.«jo»»^» 

Articulen bij de Papakkum op Pag. 13 ^S^^^^^^j^ ^ «ïièltó^m,^ 

vermeld) off dat den eijsscher off verweer- ^^ g MJMa So^ a ^^^^ 

der zig beroepen op Watang, Sasandan 

off Kawal (getuigen bij onderscheiding "co ^< cj*v <->' » 

zoo genaamd). In geval van 't laatste, ^oTira^MWOT^y uiKinii>|juMi| i^w 

zoo requireert den Jaksa Malakarta van ^«^„„^^^^„„^ 

de Jaksa wiens Vorsten onderdaen in o o o o 

Proces is, dat hij dezelve op den naest M ' L i a ^l «f"**?^-* "ZJC 1 }™ Wt nj " v,l>0 ' i f rtl §l^ 

komende Regtdag in de Paglaran zal i]^rujj\ na ^mwjiowi <e> mirvnhnjirun ^wffynari 

voortbrengen ; dezelve aldaar verscheenen , ratSBi)MMraH n < ^«i»& L ; ( ^^,,Q^ 7 

... , ' GJ*^ W, et 6 B U[ 

zijnde, werden g examineert on haer ge- 

IV) (ISO 901 l?0J (IQ (1571 (LI ish \\ 

tuigenis overeenkomt, met het voorgeeven ° ( ' " 

van den Eijsscher off Verweerder bij hun 
Kendeel vermeld staende. Zoo Ja, dan 
werd het Proces vervolgd; maer als er 
verschil bevonden werd, word het Pro- 
ces verlooren, alzoo hij zig schuldig 
maakt aen Watang Boeboeken, Watang 
Tjatjad en Watang Poetong (vide Papak- 
kum Pag. 4 Art. 7, 8 en 9). 

.Na net leekenen van de Kendeel »i(M9J»(8»~5,wï'M'r)(êi n MnjiJhaJiawt^washKaao/iM. 
werd Partijen belast op naest komende o o o o 

Kegtdag in te dienen de Toetoer-brieff * ' L ^ l ê ' ' lt ƒ ' 

en Toombok. De Toetoer-Brief behelst eiM^^-nw^^TiwaSan^ «&£)£ï«n^ 

almede niet anders als de Pisaid- en | L iiam2 r in 1 i3^Y llj ,r , f''' , " , " i » JI 

Kendeel Brieven, maar moet door den o- o ->. / o 

Eijsscher off Verweerder zelve, en niet ' /fo ^ ' «"'^ « ("tl! 

door de Jaksa's ingesteld werden, zie de ^^™$g$g^ K, ^ WOT ^^fiH2£ ,f ï5f*| 

reden hiervan bij Papakk pag. 23 ^.^„„^^^„o^^^m.^om-,,, 

Kontara manawa. De zaak dus verre aan- ^ ^ _ -, „ ~ 

gelegd, en deeze beveelen om de Toe- Ul < ** * -' '•'. 

toer-brieff en Toombok in te leveren ^-^uigjm^fciMftwj.|» < i)Mi 1 nijri"-uii.H(/(;/ 

gegeeven zijnde, en een van beijde par- OMW)x , u ^ o ; ,^.,, £ , ■ ij( , t ,,.„,,,,.„ 

tijen zig als dan nog van 't geding zou & n 

willen ontrekken, die verliest het Proces °£A 7™§^*™^ v ,^^™£i m :p, .,^> 






12 



met een boete van 4 reaelen. Ook kunnen 
zij zig schuldig maken aan Wang abiek- 
soeka (vide Papakk. pag. 3 Art. 3) en 
Wang anjiroet jara (Vide Papakk. pag. 
4 Art. 4), namentlijk als een van beide 
zig teegens de Jaksa's of Jejeneng aen- 
kant ; wijzer wil zijn en dezelve als wil 
leeren, bij voorbeeld de Regter te willen 
voorschrijven dat het Proces wel op de 
Kendeel alleen kan affgemaekt worden, 
begeerende van het indienen van de 
Toetoer en de Toombok bevrijd te weezen. 

Die ook op den gestipuleerden dag niet 
compareert, maakt zig schuldig aen Ataja 
marta (Vide Papakk. Pag. 2 Art. 9) enver- 
liest hetProces met een boete van 4 reaelen. 

Die nadat de Jaksa's reeds bij den 
anderen gekomen en vergaedert zijn, eerst 
verschijnt, verliest mede het Proces, valt 
in een boete van 4 reaelen, en maekt zig 
schuldig aan Ang oengan kara (vide Pa- 
pakk. pag. 4 Art. 10). 

Die door de Jaksa's gelast zijnde zijn 
Toetoer-brief op den door haer daertoe 
bepaelden dag mede te brengen en dezelve 
niet brengt, die verliest het Proces, en 
valt in een boete van 4 reaelen, als ma- 
kende zig schuldig aan Angenoek Pringa 
(vide Papakk. Pag. 4 Art. 11). 

Die als even gelast zijnde de Toetoer- 
brief te brengen, dezelve vergeet en nae 
huis terug wil keeren om dezelve te 
haelen, die verliest het Proces met 4 
reaelen boete, alsoo hij zig schuldig maekt 
aen Anoekma Watjana (zie Papakkum 
Pag. 2 Art. 3 onderaen). 

Die de Toombok niet overleverd off ten 
vollen niet overgeeft, verliest het Proces 
met een boete van 4 reaelen als zig 
schuldig makende aen Amrat Kara (vide 
Papakkum Pag. 5 Art. 15.) 



/ O / o. . 

ttJii&inasnin w 2 aoyi om jtómwtinidcip'r) \ wa nti rt»m% 

/ O a / C) / 

(KI i, n ii vi t i, i ~ji teil piM \a-ri _ / ( /; in i i in uva 'i il UT) w 

o o o . O o 

Ij II I LI ,1,1 -. , Lil LII ,111 11,1 I I LII l.l . II II I tl l.l UK 1,11 ^ 1 l.ll 

Ci Q ■ } o o o 

truia i M7tE\ /./■> mnnsnaJituniBt ieiti i n < ; i.u^i uiit&ituuiri 

I o o 

tri maxi m ritu i tin-, n n > i - \oji a > mi in li ina\ i i zi u 

ó Cl o. / -o /o 

>/l;i> ) iiiLii i na jni .i o ' i >n tuiaa oji amiru>^xii{^A^ihJi^k 



O 

nn 
U 



O 



O 



; )/)(.MUWI 'l'$'- >]'M i:im /) In' £-1 l.ll l II 1,1 -.1 1,1 1,11 l.ll 11 

O o. 



7 ' 'i,i ') ' " V" ^rR-V icr ' l ¥* "^ r " '" - / ,rn s "jituKcin 

"n itsy/i m w 

O a .a . n o o 

ffnivii in ihi . ii.ni ii Li. r.ii ihi,i mi ,ilj i ii ij i.i.i i mö~jm 

iisn mi _j Lii. vu ui ijj, i, n , lii i uiiiM un cm m i nicnztÈn >n 

Ci a o- o Cr a 

wi 05» ca (un (lti tan ilm Li tin mi ,1.11 n ,vi g tin -ji xm in li int/i ».ii 

O O o.. 

(W) Ml Uil (UI iisn 11 nl hl.1 7Llfll.il 7~1 (Uil Lil - )) IC? II 11 L.11 l IH1 -tl 

(Lil II) f£')fl57) w 

O o o . O £> Q. 

^ )i tvi i tin (Ui (Lii tuin El il i ildi tin (i urn 11 i i aji lii 11 ui uil ili cm 

(TLi^n tKiiez tirn -MtKiiivi^ tui ui, ui Lintini in tin tin , lii iniui 
O o 



itsr) (E) ^) tuil 



irvi /i iini pi tuil, vj'i li tiri nturmMi~.it ui iiitnni \\ 

Cao* O o 

JIV^i l m i,i lii m tui (Uiten y ii il > i i tTJi -Jittn 

. oo. / o O O 

(CHfn) 7.) ,),() f.» \ anaji (EJiaxKrutti rnxnii.uii intti iciiti^iin 

"$ii 1 "° 1 ' rv1 ? " J ' KQ'um Mn tioianaJi n-h iim tuui truyi un tui un 



os)) ~<?) trnirirjtuiiKHl ^7) ot) dvj, ( w on w 



'^( 



Q a a * O o» 

ƒƒ )) UI t l.l (UI (Uil 1 VI (UI l.il (Lil Ml] tl-.! tEJI-JIKj tUIVl^ll tlfl^tUllCHl 

/ a Cl O X a o- o 

iwi) ik)) iUI Li n jti? i>a i&) ,ix) in/) ,),'» tin 11 m ti ,ri 1 asn tui aJl ,un «31 



o 
tvinuxjii oji 



O a * a Ci a . O 

7i,i_/) tincKitizctui ui tip tui m-i tin ttsn tarn lii ») in 1,11 n.1 ,mi ,l,ii 1,1 

rrui^uitinxnntnn ui un tui un rim (Linruji tvnaai om mi inini 

(T) i;7) it5)) ~/)( O-llKln LD) 2 (Hl -.71 (Hl M) O (KS) (hl \\ 

o a a . O . O 

)l T) ll,M (K) ^) (Bil «511 LU) (17) (UI (Uil tm IUI UI (in 71 (TUI -)) ,1711 Zll FH11 

O Q . O 

ui ini tuil iisn ,ui (Kil 11 7) ,un i 11 tri t urn li ana mi ,tli { lim 

O' O Q. 

tuni \ i).t) tui an run oji asn ri m ,in ruin inn aci i 1: un -m tvri uzi 11 

tn run 2 an -/)) iisj) tisnm \\ 



13 

M<l6r QG lOGtOCr-oriGI GD lOOIObOK H& n noiion^iLii.i c nolrci lioimj <Éi<w7)»jjf£/)~a<w)_/n<Ki 

behooren ingcdicnt zijnde, zoo is hot Pro- n o / / 

i.n 111,1. n inri ,1.1 ii isn in ajiasn <ntöm ni^niumn om-yinhi 

ces daermedG voldongen, en werd het L j Ui k ' lto Ul 

goed waerover geprocedeert werd,bewaerd '° !"*"-> °^< r- vi3 -'~iy ' •""-» m fy ' ' ' '"^' 

in handen van den Jaksa Malakarta, gelijk «uui.i/.jMiuti rmarn isn<um£i<n«sn2«g»z nam 1 m , ! 

mede de Pisaid-, Kendeel- en Toetoer- & a. a Q 00 o / 

tui itnajii i-^ urn _a»_a iivris jjTi-yMiiiifliw^'n.i.ni n in 

Ofl o. . / O 00 

■ ~ m (eji rut acn nsn\ 

(?) , .O. 



brieven, dog de Toombok werd onder de 

Seven Jaksa's ter bewaering verdeelt. En Q8«&«™^**«^«™^™^gjR«»--fiS 

werd Partijen aangezegd, dat zij han- ^ay»7^raooM^.^wh(cjo^M^^flji*ij(U)»n~fl 

erende het Proces, met de Jaksa's off Boden o oa o <■> q o 

« 7 ;N7j ixy'rioJitBH&iaJ) ihi :in/]i;i asnuui ui uuituz »rn ^*.<unasn tui 

niet moogen spreeken over haer Procedure, 

,. j j , . 1 -i • ,i.-j,iiiiimu.h'ti\ runmn. no:i ntjiuiiuï oJionom i<ii\ (M 

en van t goed dat in geschil is, geen o* (1 < 11 e 

gebruijk mogen neemen, nog daeraen <in9^9^&a&<t,iM^^/Kj^^^CT?M^«/i/i«Riwi,»i 

eeniger wijse de handen siaeo, op poene ^ w «$& ™&. nmTm „„ M( »„ |fl «™ 

van t Proces te verliesen, vide Papak- , 



. _ _^ _, , _, . . . tj, ui > sjn tui (Uit (isntri tui urn tun lEfitruiinn mn \rj otn on ~iotn itn 

kum pag. 9 Art. 8, Moerba Giene, dat ' ' ' a 

is: zig te verheffen boven de Overighcid, ^^^^^<nn<^<at^^^«rn<^<^vnm^mnn^ 

off ongehoorsaem zijn aen de Wetende .1.™^^;},^!^™»!.»^ rni<g.£nc^M<g. 
ordre der Jaksa's. Zie ook Papakk. Pag. , Q Q a 

trn mom z tin jn éi xm om -ri mi ari »oj lij tui np onn tisn asn/j m 

26, de laeste periode uit de Oendang- & * * ° " 

Oendang Mattaram. ' kl,,,;! " ,,nn 

Hier na vergaederen de Seven Jaksa's «wmbj MwiiujaM m»oim £ wuiuimkwi^ 

ten huiise van den Jaksa Malakarta (dat Q o o o . 

J K (Ul li om iKi tui ini <E) <io { tvn iff ) ji in ni ij ffO o n cru i iuii 

is, die in de Zaek waerover gehandelt . » 8 ^ ■ ^cr 

werd als Regter ageerd), leezen en ver- ^~^^^w^ «/«•^«{««M^om 

geleeken de Kendeel tegens de Toetoer, r ^^Mo^^^^M^^8«Q^«^iMiM7^.(S9Jj(K^ 
eerst van den Eijsscher, daerna van den Q / o 

LionomiHri'iioi/ihiiinomoJlcniirnhniirijnLLii.i^iij 

Verweerder, off er geen verschil, tegen- * ' l * 

Itrijdigheden of variatien in gevonden r i ™^™^ mM §HW^n ,m ' iJ ' ar l tm "&W 

worden. Zoo ja, dan worden de gebreeken ^,hSiirni : i-i i^ii^ i^iiü'->>^/ ^ L ' >> li ''^ Lr '< ' ' '■'' ' ' 

Hl-mtBI'TI 1,(1 _J\ WUKTJ^IKTl ld ij Lil LI >»/lll jgl I -ijl 



. , , L .', .H'. , ,',„Ao „r. ^, (UJ 2 ; ui _^i mi _ ;\ ,1 ) iim n> 



van de eene partij vergeleeken tegens a . / 

die van de andere partij, en die bevonden 

werd de meeste Tjatjad off Salla, fouten «i«\f>*%>a>™ •*"<*"« 1 

en gebreeken, te hebben, verliest het ^iurn.viM^i^iirn^iLiiM^ t',] ijinn n^.i?ji ii»^, . 

Proces ; off is 't dat bij de éene Partij veel ^ Lt)M) o oi ,, ^„.„„^ „ T ,„, m ^ fl ,^ 

Salla Koeliet, ligte gebreeken, bevonden o 

werden, en dat daerentegen bij de andere Ul l a 

partij een Salla dagiüg, verschil off tegen- ov^Kioai^oi ,j n i^l))^ i.>>~i ?* v>» y . » >-"<" ■> 

strijdigheid van gewigt, off een Salla Toe- niaiw} t ,,^ r .-„,,[>,„„ , f „?,„.„ 7 , „,j ,] , ] g , , 7 , y 

laDg, gebrek van 't grootste gewigt, 



fl O o o o 



bevonden was: zoo verliest die geene het "^ ^ ' ' ht & <a*-L6- <-->< c^--< i 



14 

Proces die een Salla daging off Toelang ruMwiMUfflotn witl^i in«u3S ^mmwo 
bevonden werd te hebben. Die bij de Q o o. 

IH)J) II IV) ?D _J tL/n tl.) M ? XJ) DL) V) T) rNWC DOl -i« 1X1) Ml <&» 

Kendeel en Toetoer bevonden werd Salla 

Daging te hebben, maekt zig schuldig «"^«" Q,yt8üQflQ%*uwH«y'V M ' a % 

aan Watang dawa Sinamboengan en lu^^ni^^^m^^n^minjia/n^ns mnStajim m 

Watang Tjindik Tinuttikan (vide Pa- dCo o . . - o 

pakk. Pag. 7 Art. 1 en 2) en verliest CJ ' ' ' ' 

het Proces bijaldien de Kendeel en Toetoer &«^#^™»«^«*p«&«.12f* 

van partij even gelijk zijn. Zie verder 

hiervan de Papakk. Pag. 21 : Angas Karta 

Basa. 

Bijaldien de Kendeel en Toetoer te- 
gens malkaar zuijver bevonden zijn, zoo 
vergaederen de Jaksa's op de Paglaran, 
en zenden in cas van Landdisputen, haer 
Paliwara off Boden uit, om te neemen 
oculaire inspectie en onderzoekt te doen, 
ingeval den gedaegde bij zijn Kendeel en 
Toetoer voorgeeft te hebben Jomana 
(verjaering) off Jomana Satmata (confir- 
matie van Jomana voor menschen bij en 
omtrent het land in questie wonende), 
off dat den Eijsscher voorgeeft te hebben 
Satmata contra Jomana. Welke boden 
van hunne bevinding gedient hebbende 
van berigt, en dat het voorgeeven van 
den gedaegde van Jomana off Jomana 
Satmata, off anders van den eijsscher van 
Satmata contra Jomana, vals bevonden 
werd, zoo wert het Proces verlooren. Maer 
de gemelde aengevingen aenneemlijk off 
waerheid bevonden zijnde, zoo werd in 
geval van Jomana, den geenen die zulks 
voorgeeft, en in geval van Jomana Sat- 
mata de geene die Jomana confirmeeren ; 
item ingeval van Satmata contra Jomana, 
de geene die tegens Jomana getuigen, 
door de Jaksa's gebragt in den Tempel bij 
de Priester, en laeten haer aldaar ter 
bevestiging van hun getuigenis een ligte 
eed, Ipat-ipat genaemt, presteeren. In 



15 



cas van verschillen over Land, waervan 
geen Jomana voorgewend word, alsmede 
van andere Goederen die bezigtigd moe- 
ten werden, werden de Paliwara off Booden 
insgelijks afgezonden om oculaire Inspec- 
tie te neemen, en gedient hebbende van 
berigt, werd hetzelve geconfronteerd tee- 
gens de Kendeel en Toetoer; bijaldien 
er verschil bevonden werd in de groote 
van 't Land, de belendingen, het gebouwde 
op 't zelve van huijsen etc, idem in het 
getal en soort der Boomen en andere 
Gewassen off Plantagien, alsmede in geval 
van questie over andere goederen (geen 
landerijen zijnde), in de kenteekenen van 
dien, zoo werd het proces verlooren. Maer 
als het zelve met den inhoud van de 
Kendeel en Toetoer accoord bevonden 
werd, zoo werd het laetste middel ter 
hand genomen, te weten het hooren van 
getuigen; en werd den Eijsscher alsdan 
gevraegd wie de Persoonen zijn die hij 
in zijn Kendeel en Toeioer zegt, kennis 
van de zaek te hebben. Gebeurt het dat 
hij de naam niet kan noemen nog de 
woonplaets, en zijn vorst off Heer aen- 
wijsen, off in 't geheel geen getuijgen kan 
voortbrengen, en nogtans zig in zijn 
gem. papieren daerop beroepen heeft, 
zoo werdt het Proces ten zijnen nadeele 
gedecideert. Maar als hij zijn getuigen 
behoorlijk kan aanwijzen, dan werden 
de vier Booden der Jaksa's na dezelve 
toegezonden, om haer te hooren, en schrif- 
telijk Rapport te doen, werdende haer 
wel expresselijk gelast zig geduurende 
deeze commissie niet van den anderen 
te scheijden, het zij om te eeten, drinken, 
slapen, ja zelvs niet om hun geheim 
gevoeg te doen, op poene van een boete 
Oetama off 16 reaelen, indien dit door 



16 

de Booden dier Jaksa's, die in qualiteit 
als Regters ageeren, overtreeden werd; 
en 32 real off een dubbelde boete Oetama, 
indien het gedaen word door de Booden 
dier Jaksa's, wiens Vorsten onderdaenen 
het Proces voeren; alzo zij zig schuldig 
maken aan Amoetoeng Rakitan (vide 
Papakk. Pag. 4 Art. 5). 

Bijaldien de getuigen bevonden werden ^w#n.&M#nii*M&OT<LiMMM&MM0 ™ - £) 
niet aennemelijk te zijn volgens de a„ n a „ a n a 

Wet bij de Papakk. (Pag. 16—19) off l *~ d Ul è 

gebrekkige kennis van de zaek hebben 7'° ? /,^7 ''"«^-^«"^'""^-"r"^ 1 ' 

(Pag. 3 Art. 10 en pag. 13 Art. 3), ZOO -^ m m u m i i »^ a.'j ,ini -n h * l » ,|i) ,ru u? m .i ,u i:ii &j 

werd het Proces verlooren. Maer wettig cv a on a 

° (vim T) tui rm ~_i ui ,?.ii tin no tm ^j int ^i.Ktl aJi tui asn tui ui 

zijnde brengen de Jaksa's dezelve in den 

Tempel bij de Priester, om haer Eed ter ^aê^^^i -T"^"" 1 ^ 7 MM 

bevestiging van hun getuigenis te laeten Mjêiiwjijiwnnuöi^ .|um|M«iuni| 

afneemen, namelijk een groote Eed met . a o o. o 

' " ° nam? in ui rui t&i ~jim ttiam ? ajitrui ten nsnji tunnntcma 

den Alcoran boven 't hoofd, waerin zij ^ n 

j a i_-« il» i vrr i «i (Ui/tuna-jj 17 .mm iisn/itm «iiuoict tui nnnn tixn ? i i .uu un 

sweeren, dat bijaldien zij de Waerheid 5 ' <- / ' <^cr ^ 

uiet getuigen, zij nooit geen zeegen mo- ic«(m<Luoi«7nMM^n i «MiM.i^^a.7if(m(Ki.i^,i,ii> •/ 

gen hebben in dit en het toekomende 0?M ^o,g M ^^^^^ ? ^,« 

Leven, en dat de vloek van God haer Q n a o 

„, , liii -rr ilill I] ril hl) 111 1U1 Uil UI hll ïini l 1 lil ifl -Kil I) IJ lij M _rl l&l 

mag treffen als meede de vloek van Kang -' toe o en ui i 

djung Sinoehoen van Goenoeng D'Jati en g^rwsi-jnunM^nL^ aa«<nvzaai^a.iïi turns^-un 'f^y 

de vorsten zijn Successeurs mitsgaders ^ m ^^8^^ oim ™3n.«i^«iiJ 
hunne (der getuigen) voorouders. Daer- n a 

. i t i i i.i nJuunnJi iKrunann tinisittn/i iko tantcn ^aieji -~Jj. $q ren > n i n 

na vergaederen de Jaksa s weder in de ' U( J ii ~< . i^vcr ~n 

Paglaran en maken het vonnis op, waer ^l En, l^ l "" ffl » ,u § Ml | ««"'"«'«""S 

in zij alle zeeven moeten overeenstemmen, ^ ,, M1 , oji^êiiu Si m ^ mna^oji 77 ,tM«?^»©i-3g 

en werd de uitspraak gedaen uit naeme q a „ Q q q „ 



der Seven Jaksa's : den verliezer werd ver- 



tuTnamcul^t) tun tm _//» cm ■? nm tri ten mi <n tiui ? ). n mm ij , m 



weezen in een vergoeding in Lokika, dat £>™§^™^ ^^^^«^^4 
is dubbeld, dewijl alle zaaken, schoon in MHn^xajiMnsnn 0AimtsiMitxim^£it8ixm<6.LiiM 
Tidarsa aangeklaagd, als er trein van o . O Q J 

° ° 7 aJ> mi tui asn min uw truijj 3J> tun ten ~m tta i&i (nji-iA-aJitiatbiiGA 

Proces op volgd, in Lokika vergoed werden w 

met een Boete Papalang off 4 reaelen ^^^r^'/riT^i^^ 

daerenboven, het een en ander tot een ^®^p*|^»a^^*^* i g|/ l fl < ïï/p 

straffe omdat den verliezer g'oordeelt 

word het proces aengedaen te hebben uit 

vexatie off andere stratwaerdige inzigten. 



17 

De Toombok, die de dubbelde waerde van 
't goed waerover de questie is uitmaekt, 
werd dien volgens door de Jaksa's terhand 
gestelt van den Triumphant. 
Ondertusschen kan een Proces, zoo ff«««»A™«a«*»««^ ^«.«.^«^^«m^ 

lange het nog ongedecideert is, bij toeval i.lnj mmi,w >ji.u> ? ^) ? / ' V " ^" 77 £ ' 'P 1 ^/? "^M 
verlooren werden, door bet overlijden a a o o 

^ /. > I / ,H11 <im LH IL» (.71 [UI UI UI ,£■) Jf) ^ 1 (LA lil) ^ MD (UI K LT1 KI 

van den Vorst, Pepattij, Jaksa, en den 

Eijsscher off Verweerder zelve (vide Pa- ' --- - --''-----^ 'j--''-7-' M ~' 

pakk. Pagina 24). ^i-n^m/^i^iLiim/jw 

Het Proces dan als vooreu uitgeweezen Q o a a q . 

ziinde, werd uit naeme der zeven Jaksa s „ 

en onder hunne bandteekenmg een balaran -' ' o t < 0^0 c/ 

aen den verliezer verleend, daerbij het iMiTun.-sM'w'nOT^ ^oïTi^Sïiun^asnzMiM'riiBn-M 
geding ten zijnen nadeele werd uitge- , u ^^ fi^^^^™,^ «$£,5,^ 



Cl (?) / (?) O 

i ■ n 1. 1 1 cd iisn i ,io is) tjm o~i isii mi iisn i iui ilu i ) tuin ii lm ki _^i 



sprooken, met bijvoeging egter, dat het hem 

vrijstaet, Advisen, over de wettig- off 

onwettigheid van 't gewijsde, bij andere 7 l:n '*»£?.■&} *™'/ ^ MM ™^£i •$È& M - S f ,r, ffll 

off nabuurige Regters als Gabang, Indra- „. ^«^„i iQmaoi^^jQ^ v ...i«ü tiuii *»&< 

majoe en de Preangerlanden te vragen, „ x Q „ o 

- , . -i ,..-, *r Li) 11 MM) 1) Tl M 11) UI I W 11) 1,1 _S»TJ*J in/LI iL/lKTl l&t/i 

gevende hem daer toe den tijd van 15 ' " '° & Ul 

dagen. Bijaldien hij in gein. tijd van 15 i.ni.i) » ™? LirmiiinoiJiii l^k^ ^1^1 ^rvtmmhn 

dagen daerop geen antwoord geeft, werd o ^ai u^^^^iï^^^a^^ 

aen de Triumphant de Koekoedong afge- o <?) . 

geeven, waerbij het vonnis in zijn faveur t (>(>li « H ° " v « ^ 

uitgeweesen werd. Maer ingevalle deese ifcni^jJ^ifcnMMM-fli»^*»!.**"" <M*n«Ai-S 

nabuurige Jaksa's eenige erreuraenwijzen, .?,,-, o, , _ ?ni , ,^ , ,, ,?, L . ,,^ ? L< „n^^^a^Mi 

waerop den Verliezer met goed fondament o co /- ^ q. 

t ) ki .ki n-n ld 011 ui Kn lu \ ajinsn in rj in tiKi^t rrnxwyï 

Rivisie zoude kunnen verzoeken ; zoo moet "' ° 

hij zig ten dien eijnde addresseeren aen «Y n ïfy*^"^c?*f*t ia * n, f M,,M ^#' ""^ 

zijn Tommogong Pati, die het zelve aen nuïn-im^^i^- «ïjj^-ii ijmili; KHt")-!) ^uk 

de Gezamentlijke vier Tommogongs com- n / a . 

° ° I I ^1 hl! l-n/j UK Wl „il ).')) (KI LI)) \ 7) 1 l.),)l) _) Kil l.l 1111 1,1 

municeerd, dewelke, 't zij in eigene " 

Persoon off door Mantries die zij mogten W^^TI^P 1 W? M ' 7 **»«»«*% 

goedvinden daertoe te committeeren, het ^u,/iL,ii-niuruj,\ 

aengeweezen erreur tegens de Papakkum 

confronteeren en gefundeert bevonden 

werdende, werd de Koekoedong weder 

opgeeijscht, het Proces herzien en op 

Nieuw gevonnist. En werden in zulk geval 

de Jaksa's gedimoveert van hun Regter- 

Verh. Bat. Gen. 8 



18 

Ampten ; en aidere in hun plaets weder 
aengesteld. Dog bij aldien voorsz. Advie- 
sen der Nabuurige Jaksa's ongegrond 
bevonden werden, valt den verliezer in 
een Boete van 8 realen. 

Als een Proces, weegens gebreken /^«Mi^mnn^rr^ioituwKM^SSi:! 
duijsterheid der bewijzen, door de Jaksa's ,, m jaQ^^ t y, j,'^,.t_.,,.V,, » , .') . „ v S^um^ 
niet kan gedecideert werden, zoo treed o & <?> . a 

° ' ajj na naaten nsn ti.i.i tsn i i n i 11 i i in > i un t 1 ta i ktj o 

men op tot de vier Tommongons, Patis 

en den Resident, off verder tot de Sulthans n '/"""•' 'j ' " ' ' * ,:1 § L ^ BI ' V ü ' BI V " 7 - ? 

en den Resident, die de questie dan de- y 11 ' v c ^ ? '" ''~/ // '^' L7 ^ /^' ,; /' , ''7' 7 '' !0 ^ 
cideeren door den Eed, off het Duijken o o o 



(zie van 't laeste de Papakk. Pag. 20). 



i crn oji 1.1 k?) ,o m ,u t) n i ii ? i i _ -i inm ?x» ,tu jn i 



Bestaende de zaeken die door de Sulthans BI 7 M *?<^ * ' " "*«" — « ' ™ "»•» — ' 'j 

en den Resident gedecideert werden ««^\ i^ m ^ mi» 1.11^11 ri 1 'u 1 « u/ ui o «i ld" 

voornaementliik in disputen ovei' Land en o o / a , „ o 

Volk. Ten laesten adresseert men zig aen . _. 

TT tt T-l 1 11 1 1 I-T T» lilMIOTJ 1,71 lil UM,I rilfl/) l)LI?)LI)?\ ?J 1 ) ? (O )] 7YJ JVJ 

Haer Hoog Edelheedens, de Hooge Re- Ul "i Ul ' ' ' **><£-d 

geering van Neerlands India. " lêararitum^jru 1 1 > ^ 8 n 7 1- n 2 m -t*»™ m,i >> w y 

o a a o 

17- • tui m arn t>j) tui nai ,ui na n ou.ii ^ i ,t m 11 mi ?M ^nsn ,wi 

o q a . 00 

U"L» (LM IKl _J? t? Tl 71 LÏ1 2 Kftf (IS7I lil) Lil V, II tlSïl \\ HST1 \ ƒ J C N\ 



PAPAKKÜM OF WETBOEK VAN CHE- 
RIBON G'EXTRAHEERT EN 'T SA- 
MENGESTELD UIT DIVERSE PA- 
PAKKUMS, ALS MET NAEMEN 
RADJA NISTJAJA, OEN- 
DANG-OENDANG MATA- 
RAM, DJAJA L ANK ARA, 
KONTARA MANAWA 
EN ADILLOELA. 



il mt (Ki tun tui tui ihv xnji lunumri rmcun ikt <tt) ti 707 71 (lttj t ta/t 

a„ o„ Cl a a 

run mi trui tun xrm tip asn -^umi tui tuiiai (fjiji-n uk thatisn\ 

(K/7 (NT7 tUI (UI (KT7 (BI -JIJ (KI KI (KI (BI ,tST7 TT Bl/ltUI 

(KT) (Lf? (LM tnjl (KT) Tl v (IJl (KT) T) (L5T (KT tUI (Wl \ 

O 



CK 



O» 



(UI (KT) 71 KT) l thO TT (B) (KI (UI (UI (KT) (UJ ,UJ 



GJ 



£) 



(E/? -/)) (U) (TUI rvi f \\ 



trui .7x7 q ' 



Articulen op het Procedeeren, waer- 
aen een der Procedeerende Partijen zig 
schuldig maekende, het Proces komt te 
verliezen, met een enkelde of dubbelde 
Vergoeding, en een Boete van 4 reaelen. 
Namenlijk : zoo 't verlooren werd in Poerwa 
off het begin, een enkelde vergoeding 
indien de aenklagte Tidarsa is, en zoo de 
aenklagte Lokika is, een dubbelde Ver- 
goeding. Als het Proces verlooren werd 
in Madia off het midden off in Wasanaoff 
op 't einde, zoo is de Vergoeding, 't zij de 
aenklagte Tidarsa of Lokika is, dubbeld. 
De Taxatie der Goederen bij een dubbelde 
Vergoeding geschied Eerstelijk in Tribaga: 
dat is, als de ontvreemde goederen door 
den Eijscher bij zijn Pisaid of Klaegschrift 
zelve getaxeert zijn, de Jaksas dan ] /3 van 
die getaxeerde waerde aftrekken, en 
't overschot verdubbelen ; Ten anderen 
in Samaijta: dat als het goed agterhaeld 
of aenwezig is, de Jaksa's zelfs de Taxatie 
doen en zonder affkorting verdubbelen, 
zoodat in 't laeste geval den Triumphant 
zijn goederen terug krijgt, en daerenboven 
dies waerde in gelde eenmael. 



o__ a~ o a * Cl o. 

Ij UI (KT (KT) rut ajl (Uil (UI (KT tlSTI .7571 (LM (UI (UI tCTI (KUI (KT) (TUI (UI ISTI 

crtKruiji 7? lm (kt _y» rui asn tui ^n tui ,vi tui M tui isn Kn (Kiem crn 



.157) (KT) (KT 



Q 

KT) (Kt) .KT) 



unjl n w ikt _s« kti .xti nrn cm un ttairntui tiaji n trui i 

O Cl . a 

tal 7) .vi t (KT^/7) tui tui trut ito (in tui tn ui Kiii&iun\ ntuun^ 



X Q» O / 



O 



o 



kt? tun rn cm tisri 7.17 mr isn iji a. i \ nt) i.ii ii vi? kt 77 uil i iai tia 

o a ^ . O O 

/ I III VI ilSKI/l 77 LM 7H_iV 7.T7 .7X7 ? (KT? (L/77 OT1 T71 tisnjl fBI (UI IX» 

i.' 1 1 i.i i.i i i Liithcn tHiuj (htji tui (U) tun tirn trui i>un tui en asn i 

tKYIIHTlWI (KT (UI (1571 771T llinUIJS 71 II) (KT ^AUI .1577 tUI -ij H.1 Ujlj 

o a. a y 

lUii isii !tJ7 mi U7I i i vi Ultra ll<? n tu; ,uiji om cm ui ui i i ui ia 

o a Cl o 

ui (Bi truien LU oo .777 uiifi ii trui t uil tm .1. 1 tui tin .>. n iji 1 1 ia 

* / O a 

tEjjtuniuiiun iktkw) ihi xjituri rira<uvi<iLiji rinMtta ^-nq iq r)ui 



■co- --"nv 

. o O 

7. II ,L,I KT (1.1 77iL/7? I '77 M T7 UI 77 M 7L7 11 I. II ' h y 1.7 

.1571 \ 77 

tX) (UI 77 (LT77 (K77 (177 (7X7 ,7j77 IJ7 ,E7 KT) ,7J7 OT7 ? 7.7 (Ui T7 TT 2 7 7 1 04 ISTI 



- i i.i _ ) ijiitui ^i ti ti n tuil ia i^i ii i.i i 

a Q 

1 (Uil IJl E<7 KT) ,7J7 0T7 > KI (UI 77 TT l II nul L57I 

o O X 

77 7X7? (KTyl tUTI 1577 (U) 71 111 M UI cm ftUI tlCI M M^/j Ifl 1.7 77fl7T7 itl 

r, (?) . O . - O O 

K7 7.77 tui tfa iai<iJi tuil tnn iei piini >ni 77 1 1 / 1,7 .11 ti 1.1 »i 11 

l£ I 7X7 ,1777 VI (UI UI (UI tta -Jl [ (KT LI ,7- 7 IVI UI TT) (K7 7_7 tHIJl Uil X .7 

/ -o . Q ° - ° 

LO 77 (L777 .K77 (L77 LT 7X74 .N77 T7 (1777 t (bT7 .KT ~1 (K7 f)T7 > \\ 



20 



UIT DE PAPAKKUM RADJA NISTJAJA ir > & ,.■» , , '.) .m vn ..-, .h,,?f r n^v» 



xsn ^j- 



3. o 

1:11 i ) i ) >, ;( 1:1 111 !■■; i.i i I m 



9 Artkulm die een Proces decideeren. ff o ,„„,,.>,„ ,,„ g L? , o a . ; o § f n 



M - i i.i i i i.u-n \\ 



1. Ania Wadie: verschil in den 3 , 3 

" 11 i. n t.m t 1 1:1 , 1 il o 1 i 1 1 n.i 1 11 >i,n >/ 1,1 m rarim \\ 

inhoud van den Kendeel- en Toetoer- Brie- 
ven. [2] 

2. Anjala Wadie: die de Jaksa's jj"»«n«*«^ ^m^oMm^^^^^Qm 
vooriiomt, ongevorciert compareert en ni.inMi/tiriDj) iiid? LHMiiniM^iwei ijmi 
ongevergt spreekt. Q Q 

VIM ^im .7/7,7 ni.u/ 111 1,1 1 1 11 1,1 ui/)\\ 

3. Akarja deessie : na 't indienen l u " ^' WJ 

der Kendeel, dingen te zeggen die ter r^r w ^r MM0 1§T- ,,a,a ^ 

zaek niet dienen en geen overeenkomst fim^-rj^^ Mir^ayn(mr}it.icrnnio)iun~^a<v~snm 
hebben met de Pisaid en Kendeel. 

4. A n n o P e k s i e : die een Zaek weet 

en nogtans ontkent te weeten : dat is als « L " "l V L ' '" ^ N ^ ™ V " p ' 1 ? ^ - 'i 7 "• **" 9 

iemand 't Boekti vind bij een ander en -r^n 1 >,i, r^n unan^ u> >. u n Q »Q n.» m i :?, . n & J 

de Laeste zulks loogent, alsook dat het n o / o 

■i i 11 l 111 in 1 1 i.n 11 1 1.1 _-/ lii n 1 11 1 in 1 n 1.? mi i.i j ii tu 



i.i 1 / Ki ;.7) t 11 hTI in 



goed hem toebehoord, nietteegenstaande 

degeene die het Boekti gevonden heeft, é 7 ' '■"§ 7 ïï* ' 7 $ '" '°' '( § " 7 

zig beroept op Sasandan off Kawal (zee- rmS^.uiwm.M^MnjM^» 

kere getuigen bij onderscheiding zoo ge 

naemd). 

5. Annier Joektiara: duistere fjiuntnami^Mi'n^ in mrfaji j*kn«sn<ut<>-.~n tjv»?^ 



menjanka of betigting, zonder Tjina of 
Boekti. 



77 (L/M l^D 77,7y77 f. Il I { I I IjOl l.ll \\ 



6. Anier Baija: Versuim om inde n<un<tnasnaM\ in m >/ ^^mnt^m ~sn jmmiuu 
Pisaid-, Kendeel- en Toetoerbrieven, te ^ ^„^ , o f/ ^ , / ^ CT ( n^ ? g M _^ M) o | 

11 i.iriw 



melden dat hij getuigen heeft, dat is, dat 

er menschen kennis van hebben. * ( -* 

7. Pantja Baka: varieerende en te- //«) «-1™,™-^ lhot ^ 1,1 u >u a/;.j k> ^tdü - ; o 

genstrydige bekentenissen tusscnen den naiKniaiMMaaji ii-m-vi.i.1 M,un\ unnjianMnjitwga 
Eijsscher off Verweerder, en zijn Sasan- 
dan off Kawal daer hij zig op beroepen "^' " 
heeft. 

O. JMana rralajaj Clie Zig Op toa- n ten tunituirui tuut . iiiiarioi~Ji3Ji~.0MihniiiT-inii ii'n 

sandan, Kawal, Watang off Saksie beroe- Q □ o 

, , , , . . . I177\ UWl^) IDitJli lil I' Cl I 1. -l.ll II I > L7 iqismj ,\ 

pen heeft, en dezelve worden bevonden ' 

dood te zijn. Q , , Q . 

~ , r 1 ,• 1 -i najruisnilMiBKtsrfs i.-ii 111 */ /-i niumni ut LI hi~.ii ui I.I 777 

9. Ataja Marta: nalatigheid om " ' ' " 

op den gestipuleerden dag te verschijnen. oiMiM(A«m^e»iBfm»«i)*SwïKKMii|«i l }'» 



21 



13 Arhvalen die een Proces decideeren. 

1. Awie Roeta: Als iemand iets 
na zig neemt en voorgeeft hem toe te be- 
hooren, zonder zulks te kannen bewijsen. 

2. Akar Jantakka: Dooding van 
Letters in de Toetoerbrief, 't zij een off 
meer Letters haer klank te beneemen 
off door te baelen (van de manier van 
doode Letters te maeken kan in onze 
letters D en G een gelijkenis gegeeven 
werden; te weeten aldus '<) , 't welke bij 
de Javaanen in gemeene Geschriften ge- 
schied in plaets van doorhaelen). 

3. Anoekma Watjana: iemand ge- 
last zijnde om op zeekere bestemde dag 
zijn Toetoer-Brief meede te brengen, de- 
zelve vergeet, en uit zijn huis wil gaen 
haelen. [3] 

4. Ambirat Saksie: die in zijn 
Kendeel zig op getuigen beroept, en in 
zijn Toetoer daerna daer geen gewag van 
maekt. 

5. A n g g a n d o n g Saksie: die on- 
gevorderd zijn getuigen meede brengt. 

6. Ina Saksie: Zoo iemand in de 
Kendeel en Toetoer geen mentie maekt 
off hij getuigen heeft en naderhand, op 
de vraeg der Jaksa's, zegt, wel getuigen 
te hebben. 

7 Angrassa Wadi; die van agter 
zijn Jaksa (daer het gebruijkelijk is dat 
hij zitten moet) zig vervoegt agter een ander 
Jaksa off ook zoo hij zijn handen v rijft, 
als iemand die zig prepaereert om iemand 
te slaen (zijnde er wel voorbeelden dat 
zij iemand dood gestooken hebben) wer- 
den gezegt angreneh kaken ati ing Jaksa : 
de Jaksa's een Schrik en Vrees op het 
hart te jaegen. 

8. Anna Wadie: die hevig tegens 
zijn partij twist in praesentie der Jaksa's, 



O Q O O O 

' «sn m ra i.ifjKim \\ 



j I 1/7 nn im as» asn tn «i 



't3 J 



II l.v ui -n oi ^ \ wicm^ in i.n \ tq n ui nan\m in in 7.-71 in 

. O 
' / '/ ' ' '/ ü'H'ii-ri ttn unnjiTi^n vmop ti.o ti to w 

Ij i n i, n ui m i.n \ i )) a i m n isii uil tiTl \.ri <zi 77 \sn m i n 

i< n _vj *ri asn on ,.) cm in i ï \\ 



I f l v %i .1. i) -ei n m ik i;n ^Jtruiifji-Jirhanum cin n un f 11.11 

/ a. o o 

ti !jgtt«5B i i i. 'I tam (UU mi il cin/i \\ 



o O O 



O 



II i n ifi T) isn _: ;•) 701 _ / \ ,is7i m <n ciji run ik/i tj n?n ri tui n i ^ n 

o a„ / a o 

ta o- j K» _b» T? in nm o. 111 1,71 1 7/ lt» 1,1 mi 1 1:11 - ; m 17 1 n 1 



,r iW'"~r'W j i 



7':'/ 



\ iisr) 



O 



Ijiunmn 71 *n ? iki nm^i \ tvm cm n cki ^rtctn cm 1UI 7^? 7,17 ^?j 
j imisn w 



<n in niJi nnnJi V r t'~n 

I) 



a o O O a- 

til tm (UI 101 ~r/ \ nu cm 77 rui un (in *r> 



nsn nn^J) in 1.11 



a q a 

tKIl T7 .7,11 Tl t/71 (KI (UI I. 71 -^ II K7 N\ 



m 



II (UT! Tl (7-7 (Ut (1X1 \ Ïj77 OT) T7 -J-I -i-7 »-7 77 {OS l 7. I L~) .1.1 IT , 1 7? 1T7 
i?XJ ^ ^7 TTI ^ .7.7) «1577 O (1777 E 7 » 1 ^"'7 I '7 7^7 ^ I 77 11 IKI 7. 71 )S( M 

isn Ki i.c mi -i i .iniCTi v\ 



17*777 tin o iw \ hSïj cm ri i i i°7> i i ï , i i in ir mi ^4 1 n 1 1 j.t 

7.71 T) rLl Hl CK] Ij 1 II l 71 I I l- ) 1.71 C7 Tl .7/7 (TT) -flitp L7 Tl 1 1 



22 

die men toepast Sabda poeroesa : woorden 
van dwang. 

9. Anglienga Pandaïja: die zig jjiuh rui nrn 't/i miim\ tisncrnriaJinjniKi&iynninëiirLjxn 

beroept op Persoonen die niet present off a„ a a a. . 

1 A r <£) -Ti /tl'> uu tin cm ti rty» <tsn rui uyn ia /pi fijn m ri i > ? n ï iiik 

nabij, maer absent en verre weg in een 

vreemd Land zijn. er 

10. Angreeka P a n d a ij a : getuigen nMnpnn u m un tisncmnojMMi^nMW'hiijita 
die geen genoegzaam off gebrekkige ken- lt , K77(L/nv 

nisse van de Zaek bebben. 

11. Anilat Kara: die de Prabeea off mt/nwuruiramx tisncrnncK^^Sn^M!ivi\^-tnxrnLuijn 
Salaris voor de Jaksa's te swaer agt off & a„ / 

wil affdingen. 

12. Amoengpang Annabakwa: jjmnfèjiuiunim^ftw^ «imniMdMMwijM-nii 
die bevoorens eenigsints bekent en daerna o o o o . o a o 

wmv» ^w,vw»vuw v/^u 1& «ino uvu.vui; vu uc«viuu ^ ftpitniM tt£)!Ll (KTJI niCTIZ HSÏ1 IH1 KTl IKV HO _JI <K ) lUl ~I *.? 

ontkent. 

13. Awak Poeroesa: die Toornig- ? ^ N 

heid in zijn antwoorden tegens de Jaksa's //miowi~|T|»jn isnorj^rïMxÈi^rMiJdJKwxisrjdj 

UIT DE OENDANG-OENDANG MATARAM. » ^««^«.^^My^a. 

15 Arliculen die een Proces decideeren. v nco ti 



DD IE) U)11 (E1/JW 



1. Wang Akira deesti en Gtoena 
Paranti: die de Jaksa's tragt te cor- 
rumpeeren. 



o o X o O O . 

;j ,L'7i (KV ni il iw> fl.j) ao) (15)? w »n o ot jn \ «sn aii rj rui n V) t KV 



Q.. 

urn Ti ti urn tl i ) l*t ,im _- ; 



'11' 



2. Wang Ajoeja: die terwijl de i l ï>"iY l '^ i "™ 1 l'^'™™^' hl1 ^^ 1 ° lnl, 1 t "' 
JaKsa s raodploegen, zijn oordeel enge- ajiiiuinmiviMiisn tYii^iiijiazriiMiziipiiiiJi'rii.inLviiiiin 
voelen mede verklaerd. 



3. Wang Abiek Soeka: die zig te- 



,£1 on tun tui cKiji \\ 



a. G) Q~ / 

i n i ii < i i i,i i.n i n 



gens het gevoelen der Jaksa's aankanten, // ' ; ' " ^ ,r "~l '■" ' "' 7 '' '/ ' '~' '" vm V} ^>§^^4 
en dezelve als willen leeren. [4] untmi8)<untEJi<nngnm^\, 

4. Wang An jiroet Jara: die zig . Q on nga 
tegens de Jejening (Gecommitteerdens van 
wegens den Vorst om bij de Regts-plee- 
gingen te adsisteeren) aenkanten. 

5. Wang Amoetoeng Rakitan; (/ u e ,,( „•„ ,,,?, .„ »o| ,éM ,, ,j t a »; « ,?, «^ . « £ . 
die het gelid breekt: dat is die op de weg 0.0 r° o ° 

° IO -T)|H7)_bi\ I I 1. II ~l 1,11 I I l IL >l 1,1 -II ll^t {UI 1. II hl-1 11% 

een der Boden of Paliwara (die te saemen 

als in een gelid moeten gaen zonder zig «3ï»^«^^^r^^°^^ 

te mogen afscheiden) van zijn makkers 

aftrekt en aenspreekt ten eijnde uit de- 



23 



zelve de gesteldheid van haer Zaek te 
verneemei) off om onderrigting te vraegen. 

6. M e t j a t R a k i t a n : die nadat bij 
de Kendeel en Prabeea reeds ingeleverd 
en overgegeeven heeft, het Proces niet 
durft onderneemen off vervolgen. 

7. Wang Anamboeng Watang 
Boeboeken: Een vermolmde Piekstok 
te willen aenlassen, dat is: als de Watang 
(dat is zeekere getuigen bij onderscheiding 
zoo genaemd) daer men zig op beroepen 
beeft, verscheiden off te veel off te weinig 
en niet overeenkomstig met hem, die zig 
op hem beroepen heeft, gesprooken heeft; 
en de Laeste zulks zouwde willen verbe- 
teren, vervullen en herstellen, off de Jaksa's 
als aenneemelijk opdringen. 

8. Wang Anamboeng Watang 
T j a tj a d : die zig beroept op een Persoon 
die een dienstboode, quaeddoende, Blinde, 
Doove, Stomme enz. is en dezelve voor 
goed zouw willen doen doorgaen. 

9. Wang Anamboeng Watang 
P o e t o n g : Een gebrooken Stok te willen 
aenlassen: als degeen daer men zig op 
beroepen heeft, ontkent van de Zaek te 
weeten, en met het tegendeel zou willen 
doordringen. 

10. Ang Oengang Kara: die met 
zijn Jaksa (gelijk gebruijkelijk is) niet te 
samen verschijnd, maer na hem, en na 
de Seven Jaksa's eerst compareert, en 
dit zonder Exceptie, zoodat als zijn Jaksa 
ziek is, hij met desselfs Bode moet com- 
pareeren. 

11. Anggenoek Pringa: die na- 
latig is in 'tmeede brengen van zijn 
Toetoer. 

12. Amoengpang Kara: tegenstre- 
vig in de observantie van de beveelen der 
Jaksa's, zoo ten opsigte van het overleveren 



I / töi ojn tsi oji asn/j m aai aai tmji oaicmri tui\ m tui t&i -Jion 

ojn ibi on trui aai aa -^jfn «ju <n op trui ^j oaiioji <n om tuui ooi xa 

Q /o O 

i i t »; oa/iii turn tm oji uuKEJioaitiw 

Ij oji ojn tm ƒ i tui l'd i:n oari tini aaji nai cm ori tui ^* vitiaituirui 
(iifuij i.) ri oa ojiooji mini tun aai tui aüi i'n aai tui ia ozi n 
« on -) i jj) oji aa aa aria n ,ia cm aai omjicti tui ,u» w 



O O a a * 

II tvi un aa^ji, ui ten ra > i naji mi cm ai tui isn aai mui xn n ,t» i 

on ~a a n t&i trvi ttniui aan om vm tui M irn orui ri tui ? \ oji aa ooi 



o Q 



o 



ji\ tui aai aan, ti 



o 



mi aai ii tm cvi aai osn mn uvi aai oji \ tui, aai aan, trui \\ 



O O 
il i i ojn on&ji oji aai oji aan \ aai tni ariana <vi aai xaoj] oa ^mxn 



O 



'T 



X 



iii riam aai on v>> tui xn aai xn on ri xm tui aai tvn t&i aai ^a a/n 

Cl Ci fa O a~ / 

(in nxi >m taai aa ^? f ibi aai on aui lii aai tori \\ 
tm '•co C- 



~ C> Cl 
on aai nri \ aai cm 



tn tui tun en osn t aai aan ofittritui ooï ri 



,1 o.» tvn 

/ O ^a* O a 

ai aji i ai mi i n * n aez tui on aa aai xp aan oa tui cm rui ti aa -n 



a. a a a 

ai aa tin ok aai ^i oji oji osn, \ anaxiajn 



'T 



'W^7££$W ;i 



Q 

aa ^aur mi 



o Cl a o 

^t> n aa rui aai aaijl ts/i nn orui cki na oji trui tui ti aa 



n u/h cm aa, aai i-Ji cm \ aai cm <ri aa tui tui &i ~naa aai ajiati-n 
aa xm aa/irixrmaai oaisi aa aui tal aa sj.ni W^l « 

Ci Ci O af 

II tun (èi (Ul Knm\ aai cm ai ui \ micniasn pi 1 *!, *s*> -sa^i >-' 

tn ti tip q (un aai aan tuil ,isw ui &i ia rui am aacui-n asr>/l aai ai 



24 



/ 



der K.endeel en Prabeea, als loetoer en <n m via n^iuiM finten ma !UjMxA(&i<rvi>i-ïii ni in>ïj 
Tooinbok. 



13. Andia Kalangan: die terwijl 



i, il itl il i 



U8 H£»W2W* 



y' o a a . 

"/Ti ."< ij >i il hi - i inihrni>mni in i.u^iniw 



hij agter de Jaksa's zit en de Jaksa's [5] //< " ^'""""- < "^ •<<<» v <<<'<--< <<" ».^ 
over zijn Zaek besoigneeren, opstaet en o<^/i^To^^o2^M^(CT^«ï)feaK(^^^n(CTiii 
zonder iets te zeggen off te waerschouwen, j o 

00 ' irM l.l.j Ij 1,11 I I I :l ;.i 1 III l.l il hlltW 

na buiten off van haer aff gaat, evenveel 
tot wat eijnde. 

14. Soedra Watjana: mancque- // ° / '3 < " < \q « » "> 7 ' " »» ' / " ^ 7 y 7 ',y <3 »j»-?i 
ment van Letters in de woorden in de 
Toetoer, vergeleeken tegens deKendeel. 

15. Amrat Kara: nalatigheid in 't //Liimw-m Qcfnnojimn'nKmini^iiri^znuii <.-» 
Leeveren van den Toombok, geheel off ten o o Q & 

' ° lil <tl l.l >L> Ij III l Ij > I > I, II _ Ij ni DJ l i; )L) ,1 1LI Hl j 1 II U< 

deelen, off ook zoo hij reeds, zonder de- 
zelve, voor de Jaksa's verscheenen is, 7 '••/:'.'/"' ' - •"'■ ->"/</ wj* 
dezelve vergeeten heeft en wilgaen haelen. 

UIT DE PAPAKKUM ADIELLOELA \]^&™^**ytfMi*pen*üiuuü*M 

1 Arlicul die een Proces decideert. mn«tnji^\ rara^raïM^j(qwmTn 



1. Akarja deesti: Versuim om- //w^wtim^n ^oh^m^ooctw^^^ 

trend de lOetOei', dat IS '. die Zijn loetoer -n asn mn tin o (tri tui cm nru mnri ^inntii urtasn iti 

aen de Jaksa's zullende overleeveren, de- o . / / 

11 H7? IU) irVKKjOO jtQ l.l 7 1.11 1 I 11 1 11 LI j ij 1,11 l.l Uil 7.7 _7 l.il 

zelve daer zoo maer neerlegt en heen gaet, "' ~ "' 

zonder de Jaksa's aen te spreeken. lï Mtm Ji'* 

9 Arliculen van misslagen die een if^<ma<riajiao>(MtiniM^<èi^tKnnimirv>i<iJhiMru^ 

Proces decideeren. * m -* ™ " " '™ a -" & '."ï ™ < * 

1. Djamoer amet Katjang: die n^^^VdW"'"" «S^r'^™^ M,M,£ " £ *^ 
betigt werdende van Malieng off dieverij l7) ^ ^ s> 'unp,, S ? o Si «?i « ><m, « 

't zelve ontkent en zijn beschuldiger weder 
betigd. 

2. Santa Praijlaija: de geene die //>^^(^^^^^<^7 M ^ M ' K '' 7 / M ^ , ''' ,: ' "™ 
op de ge woone vraeg der Jaksa's aen Par- ^ ™ ? m? k» •£ iy ti «ï <& m> £» ^ ^ m ^ im.™ ~/ & 
tijen off zij het geding durven onderneemen Q ' q 
zegt, niet te durven, terwijl de andere Mc/ * *U I im 
wel durft. M ~n#"*T 

3. Amoek Kap oenggoeng: die /lt> , e^^wn j9(m^),B/.Nuiui.)u]Miui 
in cas van questie over grond off Land, a „ a 

i 1 ° ' ) ; , ) E)_1 (Hl (C) 'M IjW (in/} l.in.M;/ l(i)l).77 TIWljil Lil 

nadat de Pisaid is ingedient, de Planta- 

gien, boomenetc. bederft, ui troeijt off om- ö«|^«^a«»M*2*«i*"™ r ^ M g>d 



25 

verretrekt, offandersintsookde tuijnen off wvnQiï^ f &«»*,«» n&*n3inniKn$$i 

velden bearbeijdt en beplant, zal in een o 000/ 

boete vallen van 16 reaelen. Dog als het- v -' ^ ' 

zelve gepleegd word na het voldingen van a ^ w ^"^7 M,M ^ W««6jfe^e» 

't Proces, werd hetzelve verlooren, alzoo .J?» ^i.™ -■» ^^6«fc\ uAimiAMaptfMeu&agj 

men zig schuldig niaekt aen Moerba x o o n n 

«1 «7)7 091 Tl \ 1.T7 JU ; Ijl xaxnm \\ tn xwii iki i$a £n mièn 

Gierie (vide Pag. 9). * « / /o &«6 

Thans is overeengekomen, dat voortaan ™£«&«**£»^mj «^«i&Miö^mt^Mi ,,,u, 

de Velden off Thuinen etc, die in Proces M^e^MiniMumm^iièii^tsnuiirit^ikniiQ 

komen, zullen mogen werden verhuurd <?> . o o 

<f<T/9 ri M 2 uri -t? iB) ~JljK>, »s»J <nt) «:? <ui mn <nTfl rui trut kj mi sl>i m 

door de Jaksa's zoo lange deselve in 

Proces hangen, dog zullen de in geschil "™™^M^«§«j#$«™fl8^««»oi£ 

zijnde Persoonen daer geen huurder van «KiOT^iuuiisiiOTMME^Miij^wnMjffljSmwi 

mogen zijn. De huurpenningen zullen <?> . q . 00 

J X O (IS77IWTJ (OHfnxllKTII ItflILjM/lW 

verdeelt worden, d'eene helft voor de vier er - 

Tommongongs en Seven Jaksa's, namen- 
lijk de Tommongons een quart, en de 
[6] Jaksa's een quart, en de andere helft 
voor den Triumphant. 

4. Simbar Toemrat Ping Ka- ^nS? /Tutijciiui^ïkt? 77 iw?^ ™on rfaJniBmB»aM<a 
jon: Als Grooten Procedeerende haer be- & o o o •. o _„ ^„,,,0 ,, . „/ 

•* mi iyn ui (tni (Kifl isn hï» mu cci tn.i isnj^ xn urn in i&j »u isn > uk 

dienden tot Watang nemen (dat is bij 

voorbeeld als een Groote iemand betigten- "^r^l^^"^"^""""! 

de van een Paerd van hem gestolen te |MM(m.oMbiia'rii)W!^MMMM l u)Mj\\ 

hebben, zulks doet alleen op fundament van 

't getuigenis van zijn Dienaar) ; alsook 

wanneer de onderdaenen van den eenen, 

tegens die van den anderen Sultan in 

Proces zijnde, tot Watang gebruijken 

persoonen die haer meede onderdaanen off 

met haar aan een dezelfde Sulthan onder- 

hoorig zijn, 't welk niet wezen mag. 

5. Sar o e Basa: die Tweederleij zeg- ir M T"" MV ^^M^-n^gg^ ™ 
gingen gebruikt, bij voorbeeld als hij bij m Q,^^i^M,aj\*mun<n» v é™ tj^l^m,™"^ 
de Kendeel off Toetoer in 't begin zegt a n soa* q- 

, tui ,«7<M -n tfen ri np rni mh 'U vi rti un *. J i. ) isijj ern na -n «•» 

van één, en in het midden of op 't eijnde ^l Widq I I O o 

van 2 Buffels. ^SüaMi^QyStutnum^^ 

6. Poenang meet Loenas:diede im<m. v \ xn wp} (t ^A '&<&yMq&* tMe9v i' n til/*' ,R 
Jaksa's ordonneeren wil bij Exempel, als ./ 00. n ,,, nir , ril . 01 .., 
hij uit ongedult off assurantie zegt, off ook ^ a 
maer verzoekt, dat zij zijn Zaak spoedig «■•— u«-M«"«| ■jn-MÖ-ai u A M -ng.f 

Verh. Bat. Gen. 3 



26 



willen decideeren en afmaken. 

7. Amateeni Dammar moe rok: 
die door de Jaksa's nog niet ondervraegd 
zijnde, uit zig zelfs, zonder dat de Jaksa's 
het hem vergen, tot verklaering van zijn 
Zaak spreekt. 

8. Amateni DamarPrasanda: 
als den aenlegger ge?raegd word na zijn 
getuigen, en hij dezelve opnoemd, den 
Verweerder dan daerop invalt en zegt (mo- 
gelijk wel met waerheid, dog ongeoorloofd) 
dat het niet waar is, off dat die getuigen 
dood, off door de Rovers genomen off 
niet wettig zijn. 

9. Massang Damar: diens Sasan- 
dan off getuigen bevonden werd niet ge- 
loofwaerdig te zijn na de Wet. 



^P 



jj tun ten <n asn aa 1 i é i t ) -r\ xrnji \ asn crnn uiag; aai _-> n ui 



Cl 



o O 



anTMUniEA TtiKn^a tai xn tui ten aan uw iekio <kio<7 . . 

Q a a 

vj asn mn aai aai aa uji ikm ui > i j ; ua aan w 



o _ / 



O O 



») ten <n asn aa on ten lim iki aa \ au cfri » i l l-"c km _bT o m i.-m _si 



a o„ .. ., 

a.i aai ^zi itatni cm asn naai in rn m asn ~/ntazt ri uu m in 



\aapm cm asnn ),d ?.i rn 



"C/i 



a o / 



o 



aanaJI hii^i i,i i.i i:i) i i i n i ri ï i] ta\\ >l KittntM) in n lu 



j^ M,9lo W^' 'Ullpl'l' 



O o. o o o 

! I l W(KJfl ft/IKK) 1 I UI -II M KM_aJ 'O WEIW l/T) L) ML) Hl 

(O Q O . O 

f)J) (IJ) (KM (KTfl 11 III l.l Lil LUI (Cl V) (VI 2 (Hl ~m «SM LI (7 II) ^ JP £$ 

(uiaaiMiannri lm »<7 _ïaie» ~Ji(Htasn ,\ 

>i(un(EJiBJi!ixi<EA\ asnamtn r i .sa ni.it 1:1 ui tui au nam M ki 



UIT DE PAPAKKUüfi SQLQKANTARA 

1 Arlicul die een Proces doel verliesen. 

1. Sragala Loemoempat ing 
Papalang teboe toewoe ing So- 
tjanee toemanem ing Woekoe- 
n e e: die nadat hij bij de Jaksa's reeds om 
regt heeft verzogt en verklaerd [7J het 
Proces te onderneemen, zig alsdan nog 
van haer Itegtbank wil onttrekken, en 
tragten zijn Zaek door de Tommongongs 
off Priesters beregt te krijgen. 

MT DE PAPAKKUüfi RADJA NISTJAJA 

2 Arliculen die een Proces decideeren. 

1. Watang dawa Sinamboe- 
ngan: een Lange Piekstok aengelast om 
langer te maken. De Kendeel lang genoeg 
zijnde, vermeerdert hij de Toetoer. 

2. Watang Tjindik Tinutti- 
k a n : een korte Piekstok af te korten. De 
Kendeel kort zijnde, bij de Toetoer korter 
te maken. Deze verliezen het Proces, als 
partij's Kendeel en Toetoer eveugelijkzijn. 



mi aa aai «3 122 nvri 1 1 .7 _> ui km n l )/ ui ,ru urn VI 



iijij,/ 



'T 



Q„ 1 

lim ^> ), )) (UI iUI l> Jl i£ I —-) n 1~U 2 KT) M TT w 



a. . O o. 

jjl/Kl m TL1 (ITJI (LI Cl ^) LU (UI I ) IL) tLIIUTl JiMMJ Uil TT ).) I 

O O 00. O o 

()ö)it(kt\ (unamn uiasn lii vvkci ui (en m hui ^oji ten ~ji.m\ 

S Q Cl o 

1 il') l,T)_) I II ).l ITT ]_)_!) h>l 1LI LI TT Ta (LT (UT) Jdfl KT) TT KT) 

in oji n/i tui asn m<njiji<&itruia&. uin < ■ ; 1 1 uinci asn wnasn 
Cl v a d (?) a a 

tEJICrh I 11.11 LI 'Hl ) >L1] Lil L I Cl )"L) (IK I 1 LU iimi.ll IUUI 



'f^^/r 



11 1 1 : 1 : .v u n 1 > rui vmtui asn -? :. n ui ut 

C a 

(Kil itiflTiKiin 1 ) lu ^ 



6* 

O O . 



a 



II .U) Lil l.l UI I I ICI I I UI l.l 7 Lil .171 I) T-IWIMT) TT ,1511 1.7) 1) 



|6 



rn m nut ~rn ut tl trui tui tui -nap vuuna^ini ttisti isnunaaui 



(UliK.T_f)(KT7\\ 

il o T>i) fc) ki i. /) .ki asn i.il Mfi \ uu on i 11 ui ^Atun aji il » (EB 

O O o a, / 

lu ii k) iti/i il kt i,7)~ii i i u i 1 1 aan uivuini n ui ^.un 

? i Ht uu _) utaaa HÏn <st aai asn aa na! (KT^iam plH^yi 

a CV Cl Sa ° 

asn asn ui n uu (ui n xnnJiajinriasii ri apaxntsriii ui gatuttun 



27 



Nog 3 Ar Heulen als vooren. 

1. Een Proces werd verlooren Poer- 
wa, in 't begin: het begin werd gerekent 
van na 't ontfangen en accepteren van de 
Sergan off Citatie bij den gedaegde tot 
het indienen derKendeel en Prabeea. Dus 
werd het Proces verlooren eerstelijk, wan- 
neer den gedaegde niets inbrengt tegens 
de Pisaid van den Eijsscher, dezelve niet 
ontkent nog zig defendeert, en voorts al 
het geene in gem. termijn zoude kunnen 
voorvallen, waerdoor een Proces verlooren 
werd. 

2. M ad ia, in het raictden: 't welk ge- 
reekend werd van na 't indienen der Ken- 
deel en Prabeea tot het indienen der 
Toetoer en Toombok. In 't midden word 
het Proces verlooren door Watang Sa- 
sandan en Kawal, als namentlijk hun 
getuigenis verschild met het voorgeeven 
van de gecne die zig op dezelve beroe- 
pen heeft, off anders door al het geene 
in dit termijn zoude kunnen voorkomen 
daerdoor een Proces zoude kunnen ver- 
looren werden. 

3. Wasana: op 't eijnde, 't welk 
gereekend werd van. na 't indienen van 
de Toetoer en Toombok, tot de afgave 
van de Koekoedoeng Op 't einde werd 
het Proces verlooren off gewonnen door 
't nemen van oculaire inspectie, het Exami- 
neeren van Jomana en Satmata valsch 
bevonden werden, en de getuigen geen 
off gebrekkige wetenschap van de Zaek 
hebben, overeenkomstig met de Wet; en 
aen de andere kant, als 't een en 't an- 
dere na vereijsch bevonden werd. [8] 

Nog 3 Arliculen als vooren. 
1. Tirta Karta: als een Zaek aen 



o o . o o 

Iju/.tKi ten (i.i <rn | t) (lu ia ra am nut urn ui &ji arui ^ ut 

o- O o 

rtni oji tut (kii cli finnis aa tui tu w 

Ooo. C) a~ / O O 

II V 'fö/b?,' 15 " llM "^ "-" lcm "PJI " m l / "^i M ~ ' '/ ° N *-" <"» 

rn ui rifn cun uin uit ri rui ? m na ui a/nap am am in jltiuiiui 

tiïn un on m «i mi ttn m ^1 lu tm ui mi cm «nj \i kn inaói 

a, / .o o 

(likïiiki^i ' / ' ' n il ui cm cm (Kl ' amnsn jjKi.i-ui.ua ifji^jiajt 

O G) a- Cl Ci Cl 

tl uu _s* a n on (Ki n un risn un ca (Li (ia iui (Mi ia-ïAnn iÈo r/ta 

(TUI jjt (Uil IIUI 'fl (CTl (LM \\ 



n 1.1 m nni (Li ten am un (tniEiujn ri hm M ia sui xrri aan un ca 
(Kil (Kl il rol (ül ttsn oji (IJl ia (Mjl JO) (VI ruiri in ■?, i M ui ti 301 jjt 

ri ut uï.Mi uu \ ri ilu (M si cki 1 ) in inn mi vutli/iti rui mkisu 

o C a~ 

uut 77 ,151) at in ui in /! ,?,i) ) li 1 1 i.i ?i in ,m cm cm cun/t rui 10 

a o O 

1/11 (Lil 'El BOl Tl 77 IQ 11 (W/l Ifl J=* 1) (ai l LU Tl (bl Ml Uil KJI 11 Uil 



,11 Igll ( 



ili ui. 11 .Lii (iji a.i (Ki in umin iimmi un ij inruil (Ki/i 

o a . / 

in, 11 ui zin—i <&)T) (7 run nut si ui aaa inu.,11 xnui 1 u 1 , 

O o» a„ o 

UI (Kl in UI 1L1/I I. II UU 1 I I. Ij .LI Uil Kl _r/ ,£? Ml, UI K II tj Hl 

C ~>. / / O Q 

(Kiiizi uu u, 'i 1 ni uu Lil (i 1 un .Lil (li ie, u ; .1. 11 in 1 77 i:n ? 1) 

o O o- O o, 

11 mi in mi ui 1 1 on 1 it<i) in vi ui 1 1 1 1 n 1 m 1 1 1 rn m x inci 

a . o O . a. 

ID 1.11 )) in.1,11 ,1 1 min ).7;^ kuil, uii.i _i "l nl ' u (Cl irn 

riiu?fi(in\ 1 1 uu cm ï »i,i dl 11 1 rn .mi _-i namai naart 

n ld / 1 11 kii n 1 1 > fa rit 1' 1 t, 1: :.. 1 -'n 1 1 11 ij ij 11, z ziaa 

o 3. a 

umi nu -7) ui m-i 71 .- 1/1:1 1 ii.i 1 ) mi-.~i 1 j 1 1 )..•) ijtm 

.'' 1. 11 .'::■.■''■ I 1 > 1 1 •' ■ 1 j ■ ■ : ' < ; '" ' ' Kl 'I '•'' » ' ,1 ' -"■' 7 ] 

n. o 

rn OM CbCI HA '131,177 UI 2901 UI '■ IKl Ml _-w\ .1. II ijm / )ƒ 1.) -.12301 

ui m mi u, .1. .') ie ; 1 m, ij li/ i.; 1 : rn ij < il 1 1 1. >i S» \ i/'iijfy 

o 
,7,7) 77 ci/.m - 1 ta mi mi najiitinmamiunit 1 ia w 

n(Ll (ïn (im ui rni -il. l'i kk 11. 1 m > ymi ui 1 '-ƒ '/ isrianihi 

OJI (LI 11 77 7.77? Kl ^1 I.U UI L I I. II . ( J ' . MIHIIW 

II unuti k'uuu \ asn ern 71 tuin £ 1 1 1.11 mi .,1 tJiyna/ntTt mi 



28 



<in t>j) t>j) trnthci ik mi j3»(E?an mmoii 



de zijde van den een off andere Partij 
suijvere bevonden werd, zoo werd bet 
Proces gewonnen vergeleeke zijnde tee- 
gens 

2. Doega dopara: diens Kendeel- ^toTn^in?L)-n\ wi m ^ k> ^ ü ? a muo «a w m m; 
en Toetoer-brieven verschillig bevonden _ o / 

werden en o o 

3. Sangara: die duidelijk liegt. ff""™ ^™t w ™^§^™™™tH 

UIT DE PAPAKKUM JAJA LANKARA f/«j««ai.jfl<m«i.£«a '^»''»™^'/»ni| 

8 Articulen die een Proces decideeren. (a^*»*n '-'wiui"'» ;_'/'' ltllilHI1 "» 

1. Sasra Bauwt: die ten halven be- //M^ama/m naicmrna .n^'HaimniwiMmiLimi 
kent, maekt zig suspect voor 't geheel; ^ ^ ^ L x ;/ ;/ ., t o } /^ ^ ^ m 
bij voorbeelt, van 100 reaelen bekennen- 
de 10 off meer schuldig te weezen, werd 'T' uu i'/^* 

gehouden als off hij 100 bekend had. 

2, Asaroe denta: duijsterheidinde // L/ " K1n 7 fc '^ N ^lo^fM^a^TiT^^Tj^onM 



beschrijving van de goederen enz; bij 
Exempel als bij de Proces Papieren slegts 
genoemd werd een Paerd, zonder te notee- 'er t ' ö ^< < < ( 

ren een merrij paard off hengst off hoe -^(nigu.p^TiiWMimp. 7 u, ^ <n f 
van Couleur, item goud, zonder de Swaer- Sa Q ™ ^ «» m ,.« ^ ^ o 7 £> ? T cn t >? ^ ^ LI ™ *» 
te te melden ; off ook fouten in woorden, Q 

brj voorbeeld, als men m plaets van Koeda, «^a^i 

schreeff Koedie, item abuisenin 'tschrijven |j«|m«»»S ? iinu^i ^ v , B^«s^ a a.wi ? ^«ïiaAi«j 
van de naem van den Eijsscher of Ver- 
weerder, en wien hun Yorst off Heer is, 
de naemen der Jaksa's en de datum ; en 
zulks zoo wel in de Sergan, als Pisaid, y<m^w&y<mM3n&Mén«M™&^tyrf* 
Kendeel en Toetoer. 

3. Anguptoena: te Procedeeren niMcfngAM\ iQtm^u^Mi.T^MMu^jn.inM 
zonder een tegen-Partij te hebben off / o„ o o o o 
dezelve bij de Kendeel- en Toetoer-Brie- d i "'-''- L y 6 Ul ' 

ven niet uit te drukken off te noemen. ^^§T1^i M ^™^ 

4. Apus Linga; die het Tjina van J)U nQ^ans üS^^M^M^ïg^^^Mi 
den dieff verwisseld, om het regte te ver 
vreemden. 



am am ,£a cm m om ,i>ii /f jdottiji tm-i^am j*n*rft-i xsn u 

Cl O . • O 3- <3 

cm vim n <in\ m 1,1 lii . < idimu (Hinrnini mti duiui 



o o o a„ a. 

(»X4 ■nn r \zM 90) o-n itn (Li trut w 



5. Ina badra: die de Tjina off Boekti // «% an*™^ Sn cm 17 <w mi nm £?n ,8 aS m rn ™ >j en ? 



niet aenbrengd, maer verborgen off voor 
zigzelven houd. 



O Z (P) 
asn m tisrj dj) (hii nn mi tut n m m q \\ 



29 

6. Awe Rokta: anders Off Contrarie yvniui>n.rntagi\ i^^rnMiinanMernnaji^ia^a^nM 

dan bij aen off op zig genomen had te Q „ s o o o r> 

J (UT? (.7 o im -n (Ki f£ j ? o) nn vi urn tui ij ha tmj n ren z itri on -jt 

doen ; dat is : als iemand op de vraeg " " " a * ' » 

der Jaksa's aengenomen heeft het Proces l#" 8, ïï* M, ® e ï£""«8«2*» 
te tenteeren, en naderhand zig daervan 
wil onttrekken. [9] 

7. Anga Nini: als d'een der par- ii«/nra<&<&?\ tisncmriMiruam<EimaQ'ni^<vna£<nKn 
tijen den andere aen 't Lichaam quest „„Q„,„. ° o o 

J l lUii^nimaMiHiiirniunan'nasnz notEa^Jimojntun tuten kiji\i, 

geduurende ten tijde van de geheele 
Proceduure. 

8. Moer ba Girie: tegenstrevigheid |/iw^o(m'n\ «sntm^ojitntóntuntÉaiatuitn^^jun 
off ongehoorsaamheid aan de Wet; dat is, „ m ^ ^fflu^A^»^^^,*.,,, 
dat als het Proces voldingen is, een der Q 

Partijen gebruijk neemt van de Boekti, ^ ^ ' a < t ' 

Land off goed, zoo lang het in Proces hangt. «?<">?* 



UIT DE PAPAKKUM RADJA NISTJAJA 



)i «_« »n i?o7 (er? (iriiyi n (lm i ie/1 on tvn tui itx.1 (cm nsn 



1 Arlicul. a„ O a 

nsn -a»»f» (ui xiit^nirids: mm un\ 

1. Die op een stuk grond off Land vier o o o . . p> o o o 

Jaeren heeft ge woont, off het zelve zoo ^ * 

lang in Possessie heeft gehad, zonder ^«^wm,^ M w| ^^^ra^^^iM 

Eehriek-Eehriek, dat is zonder dat den M/tm» «ji %a <un m w m w mxmi^ ,-■ -°~ 



M/j Kil « ,+n,lJ>j KUO 77 M 77 «77 ZMOJMZ MtH^Kl nn ,,7y , , 
Kil ^A IfliKll KKEIt~Jl (IQ OJItrUiCWKI !HJ L< 'lil tl Ui; tEJI ttft 



eigenaar off pretendent hem eenige voor- 

waerde in gem. tijd heelt afgevordert, 

off order gegeeven diensten gepreten- ^^^^^^™^^&^^^ w 

deert off genoten off eenige andere gewone ?: t ki v» rm ^^i^fiiitèniisri 3) >nn ntent ijjntiim 

bliik of teken dat hij eigendom daerop . Q . o . 

nn/i F i-ioTi r ii^niLii'yimii\\ asn ten tui n mui tfó tun m ten tfn 

hadde, die heeft het bewijs van Jomana " h 

(bij ons genoemd Verjaering), en werd M«yjjji«««|MMifl ? «M^«iiMj*M»>a-nMïfflw 

de geene die daerop Pretentie maekt ^^^^^^nil, ,iy, t i^ijiu 2) ,?,,:,, ^Qi^i 

zijn eisch ontzegt om reden zijn regt 

(want hier word voorondersteld, dat hij 

daar Eigendom aan gehad heef i, maer dat gH"&"f2A V 1 -" 1 "' 7^'fe 7' ö^ **" ,ï, '^ 

het Land WOest of ledig geweest Zijnde, n^ M 3iQ^<untÈiK^MJhaJitn^<nM«ztEaint^asnviitJ>i 

hij 't zelve, zonder Eehriek-Eehriek door na. 

' M M^Aasnasn ttntuitKiii iktiiui mam ojij* tpii.vnij ttn Mn 

den anderen heeft laten bebouwen) ^ ° ' 

gezegd werd Karoeban Roenga (begraven ^i&#§^™™^TO^"r° ,M -"ü 

en de wortels der boomen reeds daerover iB) ow.hi( : >mji Qpf^l ^"m^w-i^wh-i <,y " 
heengegroeijd te zijn). Dog dengeenen . . . q . 

«577 (JTM 77 1 17 3(7 -a» 7.17 (Ytl IKJcm 1577 -7) !L7 I. II 1,7 I ) 77Jyl IJl lil 



Hilj m :b?» i i^itLUM/j tuil in i i i i / i uunw.iïwn 



die voorwend te hebben het bewijs van 

Jomana, werd een ligte Eed ipat-ipat «#«a«a«|«»-2* r 3 " #«"•©« ««W*"! 



q 



30 

genoemd atgevorderd, dat hij de grond orifi^MSYi^iTi^^fMiM^fMO'un.i/rii^iipioiijri^sN 
in questie vier Jaaren zonder Eehrik- 
Eehrik in possessie heeft gehad; off bij- 
aldien hij zulks bewijst door andere men- 
schen ('t welk egter geen persoonen mogen 
zijn die met hem in dezelve Campong woo- 
nen off met hem aen een en dezelfde Sultan 
onderhevig zijn), zoo moeten die persoo- 
nen den gem. Eed presteeren, werdende 
dat getuigenis op zig zelfs genaemt Sat- 
mata, en te samen met het voorgaande 
Jomanie Jomana Satmata. Ingeval de Ver- 
weerder eenvoudig voorwend te hebben 
het bewijs van Jomana, en den Eijsscher 
voorgeeft te hebben persoonen die het 
contrarie kunnen getuigen, zoo moeten 
dezelve [10] hun getuigenis me^e met den 
Eed ipat-ipat bevestigen, en werd dit ge- 
tuigenis insgelijks genaemt Satmata. 



UIT DE OENDANG-OENDANG MATARAM 



o o . 

ij 15 (in im Ti ij? i oj) (Li itn nrn inJi im nn «y?) ■?.? rui (cm vi 



3 Articulen, waervan de Twee Laeste a n 

dsii ^Hhrntui ui urn tsi-nriiui xn thnizitisnnn djw 
n ,. . , (ICaJ 11 GJ ^' 

een rroces dxcideeren. 

O o o . O o 

]. Wanneer beide partijen, het eerste " ' '^v ut < / bef 

en tweede geschrift, Pisaid en Kendeel ^<cn^iMtm^masn3ajiM«^ s/6tisnvi<Lwaa*<M-J 

genaemt, hebben ingedient, en de Pra- ^,Q^ Mr g,^ E|(W)( ^ r71MM J 
beea off Salaris voor de Jaksa's betaeld, na 

, .. j , j ... T.i.un on ici/111 111 >> mt in 11 j,"») tnsniu) iri 1,1 in ijti! ilin 

een van beyjde alsdan nog wil terug- Ul ' ltH i> c^ O gj < t < 

treeden, verseld ineen boete van 8 re- r^^najwrui^ ^«^toi?™^^^? oi.tr?? im<i3ï<io «a.i&i-i 
aelen, binnen 40 daegen te betaelen en . o o o 

7 ° tan mi rui iii y ?i ui ïiitnfn i f i ij i .i 1,-iij in i n ,vi inni\ n 

werd bij gebreeke van dien opgesloten 

tot de volle betaeling toe, waerna het 7"gg^%^™"T"l£™ M ^rH 

Proces zijn voortgang neemt; en die het ^an^êi^^^iHr^^ii^nji^iuiii^nririmitfnQ^ 
komt te verliesen valt in een Boete van a / 

iun i£? iu ^ini ei in ni w 



4 reaelen 

aldien de Pisaid- en Kendeel- » M M " ~i a y m m M M ° % M ' ? ' «* ' 

o 



Brieven, en de Prabeea off Salaris ingedient ^ui'H ' ;, ?(/37'" lli1 / '•' '-' ,t ' ^f 7 ™ ,:) T -" t " "3Z w a 

is, mitsgaders Partijen hunne handteeke- o . „%_„„„, °, °, ,^>a, 

» O J (intulifrliuijn-i i i v ? mi m (uil cemn/j rui yn int _t* i i u i y ?.i 

ningen op malkanders Kendeel-Brief 0o Q 

gesteld hebben, en dan de Jaksa's een dag «-&*%»?" W ua * t 'V mi,mtm M fl Wfl 

stipuleeren, waerop de partijen moeten ^ .i^otommjQm^ ^-n^u^/io) i/him^h 



31 

verschijnen, ten eijnde haer Toetoer-Brief ^^77^2$™^^™^™™™*^,^)$ 



(zijnde bet derde off ketste geschrift, 



w/1*! ■lu 17 KiZjHjfHi ^acrvi q Mtisr/rmtnj} VKnimn cmtici 



irvi 



jl 1 1 (Hl mi 1 1 l f 1 ,jo) ui ib (M tnjt uji aw m \ (uniKurvi xnrn 

(L~l .IS77 -s» (K71 L^C HM iMjJ (Kil Tl \\ 



O- (?) / . O O O 

, . , N i m (N71 (L71 (lr^ \ «El 7/7 7,71 (£1 i707 (bil 1<7 71,1,7 l (KI ~_1 (til 1/1 (UI (K7/J,KTI 

dat ingedient word) neevens de loom- ȣ* '^' c/ ff <-^< 

bok off namptissement van penningen in %} icn <§ilg.g. *!«&>* m mMo^^mi nenao^^ 
te leveren, en een van beide Partijen in 
plaets van te com pareeren zig alsdan 
nog tragt te onttrekken, verliest het Proces, 

3. Wanneer iemand procedeert en niet ^.SiAMiu^lMjnMflnjia^nflin^inMi 
zelfs verschijnt maer een ander in zijn <p> o o o Q 

~> 1 G-l L77 Hl bil 7j?T HO) ^« tljl (UI 7S71 7,71 77 O l (Hl ~1 (£1 ,701 Tl (ja 

plaets voor de Rcgter komt buijtenhaer " " VCxJ b & 

voorkennis, verliest het Proces. ^fSP 

UITDEPAPAKKUM JAJALANKARA 

5 Arliculen van overtuigend en 

decideerend Bewijs. 

Q Q~ a DO O 

il vi asn Li nn a-n xn ca tui .isn/i asnam ritji rinjizon ti datum 

1. Wattang Patti ing Angni- " Ui l l *, W 

wat: als veele menschen (drie het fl ^ r "™^? r^rtó^l^^^ 4 " 1 
minste getal zijnde) zeggen gezien te f>p^^w^M t ^^Biitiuiun^im^^aM^iBtamiS^ 
hebben dat zeekere Persoon Vrouwen 
off Beesten off goederen, heeft vervoerd 

/v> I • J* _ „ _„A..:„.,1 77 771 Mi'M iUllE..J 1.71 .VII. III II llfQZiVl VI V<,V7I(K1\ 17LL17J 

en gerooffd, zoo is dien persoon overtuigd, '^^ w cr < < 

en mag bij teweerstelling off tegenstand, ^w>'iariwihv hi ijiniam^ rjviiM^isnvirjMi iü ,j 
als men hem vervolgd, dood gestoken . . . o . o . 

° ; ° ni.niLivii,ini:>iLini\ ntui m n ui i vn M om ui ~m(Kl 

werden. Indien iemand aangenomen heeft ' _ „ 

... . i i i i. j nq.<un Lil uinvn.vi nmnfh UI \nofi uil isii (V) nsn n lli itqu-z/ot} 

aanwijzing te doen van de plaets daer ff ^' ( er t <ji f < er 6 

zig den dieff met de gerooffde off verloo- > > -d ï / t?i .ai mi :m| ^ ( u m w ^ 11,0^1 iU | u ,wi « «i 
rene Vrouwen, beesten off goederen ont- Mw ^g^ ? ^^^^ w ™^ 



\S ^ ¥\ IKn * rl *° 7 *° ? *^ ~ / ' li:l it: ' 't" iL 7 ,K1 y/ t ^ "^ <u> *? 



(UI 77 7£7 (U7 ,M 77 (LT77 1W71 (tl 1771 (1/77 171 ,1711 ,H7 (KI KT] 1171 IJl (liTl (Kil 



houd en daervoor [II] Loon aengenomen 

,„,,..,,, . , tui nri rniiaXci 77 ktkhïi xnirül (unnjivm (HiMifn 

en onttangen heeft, doch zijn belofte niet 'cr ' ff o»jo 

komt te volbrengen, die werd verweezen wr|uMiw)M|ijw^!iruMiflira(M^(m^fil 

in de vergoeding van 't geroofde of ver ^^^1^0^^^™^^^ 



loorne, off een menschen Prijs, dat is 22 
reaelen voor ieder weggevoerde Vrouw 



7,/J ll"Tl(LUrL7 7\\ 



2. Tjina Jomana Patti ing Ma- ff«& (ki^iumjieïm o «sn mie» hw\ ié»i(»n^(M««in»»n)»oi 



Heng: de agter gelaten geweer en klee- ^ mOT1(KI A„ M . MÏ « ni a«,^« en ^u 
aeren, die veele menschen weeten dat 



(K7/JW (1771(771 



7,71 l:i ij ;,i 11 1 uithQ iitni 1.7 ihimkui li n vm mivi itli \ (Ki yvi 



A J • n? . n 7,71 L?l IJ ,171 17 I.L1,^7 11 (CT1 11 7/7 7,71 L7 1.1 17 7777 10 

den dien toebehooren, overtuygen den ffcr f <t- ' « ' cz 

dieff, die als hij zig niet wil overgeeven ii^^tm^a^ rj.vin.-Sl^iiM^^^^^ 

dood gestooken mag worden. aOTiöS«A*u«^tAÖ«Mi«» 

3. Waton Patti ing aglu: zoo _ a n 00 a . 

, .. , , ., . , . 1I.7J171 b712(K1^7in»ail3l(777(L21\ ttiV om 71 (UI HfTI (VI ^K1) IV! Hl 

verscheyden menschen (drie het minste " ' a cr 



32 

getal zijnde) gezien hebben, het zij wee- a Q „ a„ a a a. 

° J ' ° 7 o art ru mi ip q im rn ?, ; nrj ,i/n i«j tisn m in 1 1 in >?> ;, / <u ^ lu 

zentlijk off in verbeelding off bij manier 

van het zien van Spook, dat zekeren ™^^^^™^™^™^"™™^™ 

Persoon tovermiddelen teegens haerlie- ■ nahojm /m',\;i>., » ii.^p",i n >.,>!:?, m^iihimvi >p.n 
den of andere menschen heeft gebruikt als o Q . o o o o . 

° n-i) (Kil (Hin/n uu hij ii ui in i i in (un n in lii iujj i,i i ri 

Slaen, houwen, Steeken off rauwVleesch 

te Eeten geeven, enz., zoo werd hij n™*™®"*™"®^^!™ *»*««*» **»««»£ 
daer op voor een Tovenaer gehouden, ^^ni-riuiAwm^* 
en mag dood gestooken werden; aenge- 
klaegt werdende, en bekennende, off anders 
door verscheijden menschen als vooren 
beschuldigt werdende, weid ter dood ge- 
straft, en zal zijn goederen in zee geworpen. 

4. Boekti Pati ing Beegalrhet tf«^^MÉOT^«/»flf@ffn^\Micm^M»^»«a^c»j 

gestoolen off geroofde goed bij en aen ,Q wè £l f| riT ^„M^ rm »«| „,uü 



het Lijff van den dieff gevonden wer- 

dende, overtuigd denzelven, en mag bij ' ' btc ' ü a 

teegenstaande dood gestooken werden. «««yj^fiSiMMCM»^ 



ijiui (ifiiöj !Uj iui nsn mol tunna /t\ mn cm m tui n tv> i ibi itsm/n 



OQy Q. „O. Pü..,^,,,^, 



fhfl ^d) (TUI (EU ILfll w 



5. Pangpang poengpoeng Pat- 
t i ing B a u w t : er is geen regt voor 

iemand die op het Bed off in het Slaep- & "o d I < I ' d M 

vertrek van een ander man die een m| «|«igMwi«iiiaMM|wi^»iJ| ^«i»u 

vrouw of huwbaere dogter heeft, dood- ^^^«ai«^«nw ra yOTv r«l1lê u " 

gestooken is, off uit het gemelde vertrek 0lP) 

tii tv i fWOTM)JÓi?MMi(LJKMiOT\ <n tvvi on m l,i il urn >n 3JI1 

ontkoomend, en door den man off verder Ul ' a < <"" 

vervolgd zijnde, op de weg doodgestooken •A»OTi^«^M««i»fuiiM~»<E3M»<m <m«~|m 

is ; en niet doodgestooken, maar bij zulken «-„„^m, NM) ^ & ^-n §"-^^^ ** , ( e,u<m 
geleegendheid g'apprehendeert werden- 
de, zoo werd hij schuldig gehouden. [12] 

UIT DE PAPAKKUM RADJA NISTJAJA y&™ *i» *«*"-* 3%™ *<3 9a ' &0J ' JhM ' u 

2 Articillen als VOOren. amapasn^iiaïtuaJittó^ciKMajijiM* 

1. Tjina Patti ing Papougeen: pMu««i|MMO|^(m^N m™^w^uium 
een kleed off iets anders door een mans • ^ ^ /„ ^ CT ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ «, ^ ^ & , ? «> . 
persoon, aen een anders Vrouw of dogter 
gegeeven, overtuigd van hoererij, t zij « "<- ' a c - 

dan als reeds begaen off als voorgenoo- ^«sn^SiMru^w 
men om te doen. 

2. Sagelar Sajakti Patti ing n^Qi^^^V^^^^^'^^^^^ 

moet il: die Op de markt Off Uit de amiciianirvi^iaJi oji tunasniuiidnajiici -hmmpz * ««-»»' 

winkels steelt, werd overtuigd door het 



33 

zien van die daed door het volk op de M) 3ïaw^ ï , OT ^YrMöT" ,M,ru? 
markt. En zoo hij bij zulken geleegentheid ^ Q „ , Q 

<n mui (ki <n (in ioJinricm<ncmnn tui3Ji\ tuniui ibi^ii (üimttun 

door het ontstaen van een oploop onder ' 

de menschen mogt dood gestooken wer- '&" ^^/^a™^™^^ 
den, is er geen regt voor hem. 



a a 

invnri\ luriruirui 



UIT DE PAPAKKUWI JAJA LANKARA ,,- r -g^^-«TO 

7 Arlicuten van onteering van vrouwen. •^■^Mi&MMiQ«f«e.»ir&«ii.ri* 

1. Bauwd Tjampoer: als een man ^,tm(wi(uiiK9(&j~7\ bricrri^aji^iviitnjiprinjtiuviM^riisj 
zig vervoegd bij een Vrouw op heijmelijke ^„^„„^ü,^»^, «^^«^ 
off ongevoeglijke Plaetsen, bij voorbeeld 

, i «> • rnvi 2 nx.1 tihtun tui T) on im«)W^.m rirCji t rui maai !Hi~rn 

te samen met haer te wasschen off in ' er b a < < v 

het Secreet daer zij haer gevoeg doet asmvmm ifA-n Mmia^ ^iki^^w 
te gaan, off te kijken. 

2. Bauwd Andaniskara: vermen- ||iOi^wjn^w^T)\ (isncm^aji^cöuaji^^rufiaji 

ging met een Bloedverwant ; op een Ver- ^^^^^^^^a^^^^^ 

menging van vader off moeder, met hun ' Q 

kinderen off stief kinderen, off schoonzoon r *& » '^ ^' * 

Off SChoOndogter, Staet een doodstraff, rauêinp«uo^ininjj\ amma^M^tmnj,^^ 

en behoort tot de Kegtbank der Jr riester. ,^ N ^^^(^^«i \ 1*11^00?^ ^^^Mt/n.isriM ^ 

En op een Vermenging tusschen verdere Q 

M^aJlin,nwriJ>(ioi(Vimi/) iunthl]f&l(tnwrHi/)\ riviinnp 

magen, een Lijfstraff naast de dood, dat « « ^ I ê -d I ^ ' *£ 



tHimi-Ji(isn\ xrrjtuujdsn ^xinirup >un nj mi tm iuti m ~n rj aru t 
mi asn ctri iru ~m M a^n \\ 



is geesselen, Brandmerken, en verzenden wm) r! «^ ! o W i M M| ; oi Mraw ö l,? l ; 
in de Ketting. 

De Bloedschande word gereekend in 
op- en nedergaende magen zonder eijnde ; 
in zijdmagen, tusschen Broeder en Suster, 
item alle die van één borst gezoogen heb- 
ben, zoodat zeks het eggen kind van 
de minnemoeders met het kind dat zij 
voor een ander gezoogen heeft, niet mo- 
gen trouwen ; voorts tusschen Oom en Neeff 
en niet verder, als zijnde 't huwelijk 
tusschen broeder- en Susterskinderen 
g' oorloofd. In Swagerschap heeft geen 
plaets, mogende een man met zijn over- 
leden vrouws Suster trouwen. [13] 

3. Bauwd Moeng Poeng: die een ^^mó/on ^l^nrj0JniBt«B>»ii(S)x4MimMi^xa 
Vrouws-mensch uijt haer zelfs tot hem Q Q a <?, 

° !hö,isn hsii tiw (& i tui ntirn 2 mui (Lm xk mi m pa \\ 

komende, aenneemt en niet afwijst ge- & ^ " 

lijk zijn pligt was te doen. 
Verh. Bat. Gen. 3 



34 

4. xJaUWQ fl D g 1' fl 1' fl, n g 1 e n : ZOO een ii\7ni\jntinJh^^cc)tKiji\ isncmnMmtijiiruii'n-un'V'inrt 

man met oneerlijke woorden een Vrouw Q Q „ Q Q „ Q Qv . Q „ 

ojj _/n (&j «il au <i/n (tl <K) /kij im <hi ? j «ji ? d/n na im ru chtjj mrt 

off dogter aenspreekt, en daerover door 

die Vrouws man off zoon, off dogters vader ^^^^-n^^&^^ W 

off broeder (die niet verre van haer aff ^*?m™M^rw^^fijï<isn??M\\ 

was, en het aanhoord, zonder dat den 

eerstgenoemde wiste het haer man enz. 

te zijn) dood gestoken werd, daer is 

geen regt voor. on ^ 

.Bauwd A n g a s: die op een Vrouws- « ê ^ l ' ' a < 

persoon verliefd zijnde, voorgeeft haer «i^anï^«^^(Kw^^^«^^^iLm(oiKM!ij»^7.>-rtii 



. Q o O 'O . . „o 

i (tm d/w iin ^/n afinioj] /t \ nsn cm tn cki 77 hji 3 trui tüitun tut m chi 



tot zijn wil te hebben gehad. ^ ?v 

6. Bauwd Angeries: zoo een man, 

TT . .. ., . . nxmtuntm ^tnicinioJi/}\ cGiicmtniKci ntüiiiruitMT 

een Vrouwspersoon tot zgn wil tragt te " d Ul ' ' er 

dwingen, door het trekken van zijn i7^?o*?(imM^M^?(;<|i^^»™77£m imiru^u 
kris. o o o 

<hO~mcKjt>Ji^»iHr)iHinictJiji\\ 

7. Bauwd Wisa: die het een off o oo ' o a. 

, , , tt, ,. WTT , 11 ten <unt»XKU) \ (isncrri ntiJincvi itunttJitEJiiun 11 cm MtEJinïn 

ander goed, als Kleedjes off Vrugten etc., " Ho < < v< 

tot een present geeft en daer Olij enz. in ^iio^Mï^w^^M^iM^i^^^oT^iiJiaji 

doet die als het aen het Lijff komt, off ènwï|lA ^a,3 MW , ^«W^^g^ói 
genuttigd word, verlieft maakt. 

UIT DE PAPAKKUM JAJA LANKARA 

£^ ADIL.LOELA HO^MiHTift/ni^rtMM^MnTiffidM^jfflTii^ïjjrwicin 



(Uitnam Mjj w 



o o o o 



ld ATllCUlCn Vütl OBWIJS611 QGnüi6ïïl(l tip asn .ut mi iui ojukh ^/iiumninjtirit^\ tui mi tui tm 

Andiandian. o . „,„, 

.<.wc.lv «./d w . luiiitjijtiKiwiinjiiunmw 



/ ~ on 



1. Tarka off Menjanka; betigting, 
beschuldiging, aenklagte door den aen- " i t ui 
legger off Eijsscher gedaen werdende. 

2. Pat ra: g. geschrift off Procespa- //^^y (iQw^^^ijniWvn^™^^^ 
pieren, als Pisaid, Kendeel- en Toetoer- / 

brieven. 

3. Saksie: getuigen, waertoe be- ji-mmi^ tisncmriMMirLniMi^iuihi^cm^Mi'ri^ w 
hoord: a- . o _. o 



1. Dat zij kennen degeen voor wie, 
en tegen wie zij getuigen. 

2. Het goed en de Koopsprijs. ^Ll^yin^am^^i^iétaji^M^ ?w®, ^.^w?»^. 



t> tun tun mi un tin hij ^* \ truiMtitia m^actimi^amimi 

mjiw un'iuiinantaM'riajtxmnri tij) rn 00 rui on ~j> cm <n mihw 

a„ o C) Q« o o . a» o 



3. De datum: zij moeten haer getui- 
genis met een Eed ipat-ipat genaemt 



tunêi rn cm oji ui tisn mi tel tem iwtisn m ui -n ui tcj ^ twi <m ikti 
0) a. o (?) O 



, . , .. 1 -r» . vim/} tun n cm ri m tjn tw tü tip crii n vil m 01 m mikt) axi<n 

bevestigen bij de Priester, en moegen Ul ' 'er <^c- ®i> ' c- 

niet getuigen in faveur van degeene ^anïM^iioi^ii^M^^icne.iin^^df^.t^i^oTiax»-.! 



35 



die met haar aen een en dezelfde 
Sultan onderboorig zijn. [14] 

4. B o e k t i 't welk Tweederleij is, als : 

1. Boekti roepa: het ontvreemde 
off gestolene Goed 't welk 't zij geheel 
off ten deele weder gevonden word en 
aen de regter word vertoond tot over- 
tuiging van den dieff, alsmede het 
goed, off het Land en volk waerover 
geprocedeerd word. 

2. Boekti anjaoelonni ing Pa- 

ng a r a : uit bekentenissen, als het 
aangeven van den Eijsscher door den 
Gedaegde, 't zij geheel off gedeelte- 
lijk toegestemd of bekend word (zie 
hiervan eenige voorbeelden op Pag. 
56 en 57), 

5. Tjina: het dieve gereedschap, 
geweer, en de Kleederen van den dieff 
door hem agtergelaten, off hem afhandig 
gemaakt. Alsmede in Cas van Land- 
disputen, het gereedschap off de Instru- 
menten, waermede d'een des anderen 
Velden beploegd en b' arbeid heeft, en hem 
bij die gelegenheid afhandig gemaakt 
werd om ter zijner overtuijging aen den 
Regter te vertoonen. 

6. Jomana: is een Bewijs dat iemand 
zeekere Grond off stuk Lands, off het een 
of ander goed 4 Jaeren heeft gepossi- 
deert: ook werd Jomana genoemt een 
getuigenis van menschen die verklaeren 
iemand iets ten zijnen eijgen Lasten te 
hebben hooren bekennen. 

7. S a t m a t a : de Wetenschap weegens 
een Zaak bij veel menschen door hooren 
en zien. 

8. Pramana: een geschrift te heb- 
ben van dengeene die men beschuldigt 
heeft ; off ook als hij aan de Jaksa's, toen 
hij op de Klagte van den Eijsscher ge- 



oi m^*i^p 



o o 



//<KTj<fcTj>\ asnrrrirnruiomirui^iajioniti \\ 

s~ . o 

IJ rui i rui om ti on rn ren om rei oji ruiri \ 



.o O O 

om luicrn^omrui ruit&i 



o 
ru^rui 



MaJixnaxirn 



tvi om on rui (Ui 



T N 



o o 

noen trui (tui om rvirui/) te 



ittuia 



tw «W7 



(UI t (UI (UI -Jl 



Jft WCT,M |T 



I (TUI t (KI (UI (Cl tl \\ 



o Q O O a o„ q, 

n(Uion\ (un cm rn rui asn &a rnn ti rui ^n rui rui rui on 



V^T 



Q 



O 

itisntvi 



.O a„ . a 

(tOiin ri (VI om mi asn tui om om asn 



(ui [(si7 rui om tui rui run 

(tJiri rui run >asn (vi cm cm mi il (tq\ rui ajm tui mui ri itnw 



/ . O» . O O 

onom\ run mi mi omnzmt&i asn ^jirvi ^ajnrivizomooiomrui^ji 

a o o 

i asn (ui cm cm (ui r) iwj_\ rui ajui oei mui n 



il ri rum i $ji on \ ixsïi crrirnruiarn^ananniaynomri^ iti-J),M n 

n cm run 

da (Kiji \ run asn tui tui asn (Vi Mi \ oma^^/iasnanruirijtiom^A 



a . 
asnrvi om 



rjcm^M/i flfiwgj^ 



a„ a a o 

run rui asn rui rui ten 



luniui 



O 



tuirEirvi iHirunonjl\ rn (VI i (Ui il (Hl l (UI onai ui i rui (UI on 
a O * a~ o- O 

(Cl IH1J rn (Hl (UI (UUI pi IHTIJI (Uil (Cl (KYirun ritlXI i M Tl IHlluri (£1 rts; 

Cl C) o o 

n rui run nsn \ (tsncmcnruiajncmomtciprtc>(n.i\ omap^om 



run tuiruji (ci(tsn/i\\ 



Cl Cl - co 

nirui rui tHi\ asn cm tn rui rnn ri run tui ti \ om (ui (Ui (Uj ti rj om \ 



'1 



asn rSl om rui ^orn mimi <ci rn asn -Ji trui ajunpiw 



36 

hoord is, zeekere dingen heeft bekent 
en toegestemt. 

9. O eb aij a : Accoordbij wisseling van //un^^x^w^^^^M^i^OO^^^ 
geschriften. 

w trui rut in txsi ort/i w 

10. Oetara: als de Zaek zoo rugt- 

baar en bekent is, dat men op andere W^" 5 "™ ^.Ö^MB^^M^'r,^^ 



negorijen en regentschappen, daar reets ^^ 
kennis van heeft. 



MtKf)-ïA,\\ 

c~ — 



11. Ba Wa na: het bewijs Uit een Pisaid ntentm(i:i\ tknantnaJiawoJii^-uiMtEaxjna^isntcitnAinM 



van vroegere tijd waarbij men bij voor- . o o o o 

° •» J J &m tui tui (un &p (U) (Hl /) itm n ito ? tui tuf/i iuii na n tnccirnn 



o o . o~ a o . a . o 



beeld het vinden van een Lijk op 't Land 

1 .. i_ .. , t i n. tKTl tel (UI ~/Tl, Hm (VlteT) 71 (NT) (KÏflSh is'll teil (UI !hO IH11 tUT) IHI tÜh tlQ 

onder zijn bestier staande, heeft aange- t < d I t- 

geeven en in kennis gelegd en over welk «™«^ 
Land nu questie is. 

12. Poeroesa: Dwang;datis, dat als 1l a ^ nr l aJ ' s ^(m^Mvfuu^tm^i.\MeEa^Maj,afnxnji 

de Jaksa's overeengekomen zijn [15] het ^^^„^„.^„.^^ ^„„^^«J 



o o o . 

(miimiK iun ^(w (iJi(isïl<nnni(tt(untEn'ri(Ui\\ 



Proces te decideeren, dengeenen die het 
komt te verliesen daer tegens opposeert, 
en de Jaksa's hem dwingen zig te onder- 
werpen. 

13. Njata: eijgen Confessie, 't zij aen ^<cwj«sn\ tisnchiintuiaJiif^^miLii^i^riiinztKinM^jn 
den Vorst off Heer, off aen den Regter o o o Q a„ & a. / 



Il tUl (Hl (10)11 (UI 1(1 7 1 .1 M (TUI %I(UI IKV tui tui Jtl (UI (TUI tem 



gedaen. 

UIT DE PAPAKKUM JAJA LANKARA 

2 Articulen aenqaende de Vrijheid om a» n . 

■3 J fci asn _^(kd ,ui (uitun tp&iui, rut (Mini \\ 

iemand als een een die ff op te vatten. 

1. Een Malieng iS geen malieng: dat nteTitiaiEntrütiMii^iihcrri.vinrrj (ukuiccuhtkuiji nwnMi 

is : Schoon iemand over de weg gaende, cv o o. 

u " * ti «i (ui(rriteri(iji!isi!iri(En(nJi(uri r ri(n(toy\ 

dieve gereedschappen bij zig gedraegd, 
is daarom niet als een dieff te appre- 
hendeeren, zoo er daaromtrend off daer 
hij vandaen komt geen gat in de pagger 
gevonden werd. 

2. Maar al was 't een Priester, en wierd /;^u«k-^^(cti^ib??(S«t^ i&i^^^^'ri.K^^-ntMï 
bevonden heimelijk binnen iemands plaets, . o q q o q- _ 

J r / „^ z (un tci asn tHi^iiam iea tun iim tun tHri tw irw (un ^ m tui^\ 

bij nagt gekomen te zijn, die word voor 
een dieff gehouden en mag werden opgevat. 

ntuiiKittaitentïhttuitimtui^riJi^iuhii^rhit^tip 

3 Articulen weegens het schuldig off « ^ u v 

onschuldig houden van een dieff. M^oo^^wM-r,» 

1. Een dieff werd onschuldig gehouden ii^ton^^^<tMtunèmtuiiEn<nji\ D|CT!«sn^w«^ 



37 



bijaldien den beschuldiger hem opgevat 
heefft zonder het slaen van Titier, en 
zonder de Zaak in kennis te leggen bij 
de Jaksa's mitsgaders er geen menschen 
opkomen die hem daarvoor kennen. 

2. Dog den beschuldiger het slaen van 
Titier etc. in agt genoomen hebbende, 
werd den opgevatten persoon voor een 
dieff gehouden. 

3. Malieng ikanja: een man gegrepen 
op de gesuspecteerde daad van Malieng, 
bij een Vrouw van wien eenig gerugt 
is dat hij daar wel verkeert heeft, werd 
niet gehouden voor een dieff, zoo er nog 
geen goed in zijn handen gevonden wierd, 
maar voor een pol van de Vrouw; en zoo 
die vrouw hoog swanger bevonden werd, 
zoodat men het ontwijffelijk aen haer 
zien kan, worden die van dezelve Cam- 
pong, off wel die op een derzelve baleij 
zitten, en uit een en dezelve Put Water 
scheppen, verweesen [161 in een Boete van 
4 reaelen ieder, dewijl zij zulks hadden 
behooren bekent te maeken. 

UIT DE PAPAKKUM OENDANG- 
OENDANG MATARAM 

Anak-Annak malieng: dat is, als 
in mijn huis een dieffstal is begaan, en 
een gat in de muur tusschen mij en mijn 
buurman gevonden werd, zonder dat er 
blijken zijn, dat de dieff uit het huijs 
off erff van mijn buurman na buiten is 
geraekt, 't zij mede door een Gat te maa- 
ken off de deur te openen, zoo is mijn 
Buurman gehouden in de vergoeding van 
't mij ontstolene goed. 

UIT DE PAPAKKUM RADJA NISTJAJA 

Larie: Voetspoor; als bij voorbeeld 
10 Buffels gestolen zijn en het spoor 
nagevolgd, mitsgaders de Buffels off maar 



O a DG) O O 

ir^Knznsnrhniyaiundnjt wem xn titci ntcntasn W<pi$P 

xm :ni xn wV» ium tui ui nurmnsn i i m t xn in tun mi xn n tuut tn 



O 



Q 



Mum isn nsrt (LUici rjiviztHi/) ion tui un xm tn^rnxm ttnrixn i 



tun trui niciw 



a . X O O o a/ / 

il ri rvit (Hl _b« un rei (Hi dm ui xnv iun 11 iru run ihi 9sn tuiisn xnti 

o o / O a« 

(Hi xm xnnxci xn un mi rj tin tfji tm x/i trui rniciw 



a„ o O O • Q« ° 

II luixuixmxmtcm \ xrinm nM.n»i iruixniuiruixniiuitui 

/ . O O a. a- 

trixni (Hi/> hg; tui <n tm <n ui z rui tm (H~n tui mi trui xn tui tun tui tHV 

O, , Q O O" 

ti 'm <i£r~*i xji \ xm isn ui .t/m o imn 'nxmi'n mtcnun (ia 

o„ o» - a» 

tun 7i xnv tin trui ixm xnuiri<Hn\ xn xn xn on 11 ui 2 xn 9n xn (Ui 

o 
rxi 



■11T12 trimt tuinn tul (Ui ten tn rmtmi tut urn xm tm tnticii M 
tun iisri ttöae; tm % tmi tui mv xm tmji flMMO«|M!WWiM 
in ain \ tui tHi tui xm tui tul xm tn tci \ aai tui (hu tisri tnyj tn xxi 
inxfricmtrui/i tuiiHyi^xritHyix^trntrvin tui xnixfn <m trui ~ji 
xnrituit mn om tisn 9 ji xm a ji xn tui tui 9sn tmxui^Jix'nitinrixiii 

XUUl^ 



nui MtHTunxMtui xx an ^ttxr, ixm ti xm tui truttcrnxri 
xm ^xxrri xn xn tmi(Ui~mrm xnihtuixmnri tut/f \\ 

nxm rm iHVtHi iQjxn rui \ tisn arn tn tui tn tui t ihv tui trui tel xnji 
xm xx tun ti tci tmn xn tip xn tui trui tui urn xm iïstj cm xitmrixm > 
ti tm H5ii trui 11 (Hl tui rui tui osri 111 rnim tui mi tisn m un cm n pi 



.O 



. o 



tui tHitHVtHixnxnriuitHvxnruix.itHii ui ,unji w 



H 



tm tun tui i (i-i urn ti xm <ki trui (irrn, vi ,ifn _yi ikti 



1 1X9 tl 



xn xn urn tuiji'n xg; tmtui xui \\ 



i trui (i:m i^l t 

i 

umi 
O 



a O O - o o. a» 

nruiTis 9incmtn(ui'nuit9aixmrHi isn TixnitKi trui tul xm xn 

o O o- - 

tui pxmtHitntu) tem xnji tun ui tui "~nan^inri 9i ki\ t^inimm 



38 

off in de Campong daar het spoor ophoud, Q „ Q . 

al is de buffel geslagt, indien maar nog H ' ** W ' ' ' d 

de kop ongevilt gevonden word, zoo is A«.ffl*ra§.fAi»fc«itti&j^f 7 «ii««ii-fi« 

degeen bij wien dit bevonden werd ^nnQ^-jj^cun^ oJiamap(LmMw»™ê)<rui\ .kd»o> 
schuldig aen de Vergoeding der 10 Buffels. 



o 
m.1 min MtiJt a-J) tun \\ 



Die bevonden word zijn Zaek mei de ^^^g^^u^o^a^ 



volgende getuigen te beweeren off 

, n . . .. n rm m turn J5i<>rh mi ihyi tiSri m tn.1 ? <ui (in 

te de f endeer en komt zijn ' ^ ' 



irmw 



Proces te verliesen. a . a a. 

Ij AJ) AO) (U) (KI) (KT) _i*^ \m OJI (TLI (CÏÏ) (UI HST) _i* KT) (Ut 

UIT DE PAPAKKUM JAJA LANKARA ^«^«a,™*»™ j 

Akoeta Saksie : Zoo men een Bloed- niunihmiuiajiMiS^ nQcmvfaJt ^o? (ckkaikd^im^^ 
vriend, off een Papatti tot getuigen neemt. 

Amboeta S aksi e: Zoo men voor een ^«/npdjnojxKD^x (is7)otta?aj)(i/>?m!kt) Si^icmicun.^ 
Lebe off Modien, kleine Priesters op de M)W1 „ rr! ^^ (U ^ 1 ^ M %^, 
Negorijen, een quaeddoender tot getuige 
heeft verkooren. 

AmbaUW Sabda: ZOO men de ge- nmnpiuniKniup^ <iQrmAiA^A7(UUi^(^TT(i&A-/«i^it/n<i^ 

tuigen leert wat zij zeggen moeten. a 

Asiembar Raksa: Familiaire vnn- ° 

den tot getuigen genomen te hebben. [17] \\^S»é^> Kn - 1 * s £!^mm.mm.S.,«« m ^ 



o 



on (UT) (EJ) m iJi/l w 



UIT DE PAPAKKUM RADJA 
NISTJAJA 



II tui tui tur) ^(kt) tri M uti ^ &) nj> %iim M trut rem 

Q. O O 

(IS)1 _ü» (KT) (UI (LA (KT) (ÊJt/J'-nilK (KT MW \\ 



CT 



Sirna Tjatja: die aen beide oogen ||.unMWM.MdN ^nori^MayniMiKTj^iTTwia/LAOj)^^ 



blind zijn. 



Al TT J\\ 

n/ a / DO a a~ 



Sirna Pamiarsa: dooven aen beide ijS^Miuiêi<unaji\ (ènon^Ma^MiKn^i&j'rj^ójus^ 
ooren. ïSotwï'wooti^tijw 

Sirna Pang Oetjap: Stommen. //&mm«jiwiiu^ AQoTTTAMAy^^Ji^Ai^.cr) 



Saksi ambau Tanda: die Jaksa's nMmiSKun^vur^^ as»™ irjitJiiunoJKKv^Miynrj 
tot getuigen neemt. 

Saksi amboeal Tanda: Verre fa- 
milie, schoon zij ook verre weg woonen. 



IjMl 



39 

Ang Umban Saksi: onmondige, „^Qma^^tmS,- 



off die beneeden de 14 Jaaren oud zijn. 






Pantja doa: gebuuren off die op een ||Mw^iw!»n ?9rm^M^M^ja^«V/<rntn^jm 
en dezelfde Baleij zitten en uit een en 
dezelve Put water scheppen. 

Pantja Wati: die zig op een Vrouw n<uiMUMsn\ itmamiitiJinntviztniuiajitiawnï >ntüutui<n 
beroept. 



ten • nsrj on trui ~ji tui ri oji z tuin w 



7 



tm ztm/i w 



Saksi Walad: als twee Off drie ijMttai3rvitn.iti^\ (encnttniMMiKn^^tnmt^i^ntiraM 

getuigen tegens malkaar varieeren. MrrrMWM ,,-n MMueie 9 ?r » 



UIT DE PAPAKKUW JAJA LANKARA n «— »»^««— «*««% 

a - a 

lumnp tisn -sï ikt> (ui (uj »a> tut tuui trui tnri T7 w 



Sa wal a Saksi: Zoo het getuigenis iiM,o^m<MiNT)^\iwion7?(K/)<M[H7>^^M(n(k/)(?iiif?^(n 
van de getuijgen strijd teegens het te 

° «° J ° m iUiztiJ) tw ri tin <nM<ritiK ttan tui xn [oji <n tunttm trui niuittarn 

kennen geven van dengeenen in wiens Q ^ 

- ... (tl IVI tUI (KTJ _ï# \\ 

faveur hij spreekt. ' 

Angandong Saksi: getuigen met ytuncrntritfrizcuiti™^ ^tmtnajinrcizojntci^tui^tU 
zig draegen. Zoo iemand in zijn Kendeel- Q a„ o / 

ot Toetoerbneven de getuigen noemt, 
dat niet weesen mag. 

Volgens het Raedsbesluijt genomen ^tuiêiamtntLfizt^tLn^m^Msêjinnt^tncrnzmtru'nt^^ 
op het Voorstel en Advis van Ki demang o. o o o . o a o a o 

v wio>v v, »«*« ü-i vivujt. ö ^ajt^ri^^ntisrituiaxn^-rjixmttiMiKn^ irj tuut op tin umi 

Radja Gondala mogen Vrouwen geen ^ 

. • ,.. «n. / , , ..\* t . Kitun^>i\ ti~Jiicnxrn~ml(ui\ <wiiw>\ in/» «stj <tf7»J) \ tisncmtntKi 

getuigen weezen, bijaldien (zegt hy) dat ^j ' 

er heeden off morgen gevonden werden a^^tm<>^\tun^vitniinza^ MiKatnvt^^vficno^i^ 

Toija Natja: een Rivier zonder bogten, Mrn ^ txJ)rn ^ l gQ, lj ^ ^ r,™,™™^ *&<&&<„ 
Marga Natja: een weg zonder bogten, ocy QCy Q 

T . niutHitm tin tin trui MttntntiMtna<itntunztnM^ZMtifi\ tun 

Lata Natja: wortels van Boomen en ' m ' » ' f ^ 

opschietende Ranken zonder bogten, dan ^^«^<7Mi«S(g<w ( w™M™.&\^É2" :r, " x, 9£ 

zullen er ook gevonden worden Vrouwen ^^^-n* 
die opregt zijn, en de waerheid spreeken. 

Een man die K e d i is, mag geen getui- niÈt^^s ^^rjMtntLw^crntunrjtvizttJitntutta^y]^ 

ge weesen. _Kedi" beteekent gemeenlijk Q o 

" o j ;uituitvitntuvznntiJitiJitcrintiJ]turitS'inni\ trwnmiiiiufin 

vrouwen, die nog geen vuijl kleed hebben m ' u Q Q a 

gehad, [I8]hetgeen hier verstaen word niet v <tJ " un,mM SA ^^^^ £>™ M ^ r u 

van jonge Vrouws-persoonen maer van ^miiuntniviztruitiotHn TftKm-n^n^tui^nuittsriTf'nz^ 

zulke die zoodanig geschapen zijn, dat o o q- • 

& fev/oviio-y^u ^y", «« mimi tuin tin itHyi tntunznntunkjitiniruitBinri^tviiivi'ntini 

schoon zij rijpe Jaeren hebben en bij sla- ° 

pen egter geen maendstonden krijgen ^^^r»™^ M ^™ ^^^n*-*' 



40 

en geen kinderen teelen. En werd dit ni m] mm & ma m mi 5> mi & mi m\\ 
mede toegepast op Mannen die zoo ge- 
schaapen zijn, dat zij zig geheel met 
geen Vrouwen vermengen, en omtrend 
dezelve onverschillig zijn, maer integen- 
deel gaerne hebben de Streelingen der 
Mannen. 

Wang B o b o t o : de Meesters van Hae- //«j^on^icTij^anm üsN<Tr)^w»(T)MMWM\ ^hi 
ne- en Poeijoet- off Kemphaenen- Vegte- ^„^„^„„„^^„„^^^^„.„„„«j 
rijen, van Hartdraeven en diergelijken, 
item dobbelaers en Speelders. 

Wang atjoekit: Verkoopers van 
Trassie of Blattjan. 

o O O o . 

Wj i • j. \t i „ti* n iUi tui m trui asii/is asn cm in m tj (ui z an ?i rui i rui (ui aai m rj 

ang adoehet: Verkoopers van Pi- " 2\ <~>i t ( t *b t 

nangkalk. oi run tni mi miuiiuiiwiuii mi ^a\\ 

Q O . Q O 

Wi v. Trr_~««l-„-_ _ _ naji taii.n tf i\ <b»i ctrirniui triiuit tui cru mm niitumni taiM 

ang akoemba: Wasscners van » ben t i k>uui i j 

Kleeden tot schilderen. uummw]^» 

on o 

W„_~ _™~ a .. „ „ ~ n CP 1 Q m „ .i i)Viiv;i(ZiiM\{Ui(Ulthnini,HTi\ter)am(n(Kil(k/l(irnr)n^iuiiiiii 

ang amoentrang on bwart- " b^h ' < l 

Wang akraka j verwers rituii fni mi Mttciiici ma ti-jiHn^i^ Mi<n mm mi tnmz(un 

CiO 
mi rn vi z cm <sa <ui truiji w 

O O ■■ ■ J 

dj) ki (SA (Ui n n \ (uiicmridJlriituiziUKrituizirui (uuniLmtl 



a Q O . o a 

)<iu) (ai(vnriMiisnn\ ani cm m tui ti tuizxn man i trut nitKiiun 

Q o o 

iicririiun zt) (ktkhiiukui ma (u> mi ^l\\ 



Wang amellereng*. Verkoopers van ijiükuksao^^s (biiarrtnajitnióttxntnxaiirvi^in 



houtskoolen. o o 

mi rhoanna mui oji (kti ^n\\ 



Wang abibiman: die zoo arm zijn j/o «men «m? <bxht^\ (isriarntnfutniuizMi/nAtui^tsAM^ 
it ze geen Kris, Parrang off mes ku 
koopen, om hun fatsoen te houden. 



dat ze geen Kris, Parrang off mes kunnen o o 

tn (um ti mi (ui.igi mi Mini iJUj mcrnttnm-M mi trui? /ƒ l»? 



Tl dClin (UI (UI VI KM (ISll ~JÏ1 (HYI rn tLfTI Znl Ml M (UI IUI MA IK1 hll^ 

Doedoekoen: Medicijnmeester. ||oki«|«|,m|^«(tim^mwi*imotIh 

Wang agamboe: Ronggeengs, Top- nèinimgt^ r/ (umni mi mui tui ma mi mi 3iw 

peeng- en Waijangspeelders en hunne 

kinderen. 

Wang dadalang: Meesters van gem. //o^^^^n^^^™™^^^™™™^' 

Speelen. rjiüioia/mnitHn Man rui ma tui Mn -tA\\ 

Wang atjakkee: Kramers van Ja- //«le»*»^" ^^^oi^^-r^j^in^iu 
vaense Specerijen en Kruijden. 
Wang agendieng: gongsmeders. 



o 

(KtlMl ^A\\ 



11 tui tui cm m \ tisn (im erri cntui (isn asn xrn tui oruirntun jol tin 



o a 

1(UI (UI MA (UI (HTI^AW 



Wang agent jet: Koperslager. //«^^gn^ ^iS^èfMtó^^iög 



o a 

tui (ui ma tui aai _t* w 



41 
NOG UIT DE PAPAKKUM //Y --"-^< r <--- ...ï,,,,, 



RADJA NISTJAJA 



) o 

Kil IZJ/tll VZ IH1 f). 1 Lil , 



Pring Sadapoer: Kinderen en ^(£j*j»<wxljj\ ^«MMiMMi^ntag^enMiMfl 

Kindskinderen off die van één familie o o o 

zijn. CT 

Bata Sariem pakg: familiare Vrien- prawrlgj^ ^cm^^ajizajitn^mim^jui^ 

den [191. o o 



<n 



niuninr, imn iprnn ui hm iikti _b»\\ 



ii-'i iu 1 1 1 »i uu ?i in 1? tv, unn \\ 



Toeroes Saheedjo: die van ons #-^^m^^*^«\ »TJcm^iM^<i/»rn»M»aMiM»^ 
afhankelijk zijn, boven en behalven de- 
geene die Boedaks off Dienstknechten 
en -meijden zijn. 

Karbo Sakandang: volk' van één //^ r >.>.i»m^ M f . r ^iü^i M ^ 

Buurt off Campong. „i.u.iwnVni^^ 

Durjana: een kwaed-doender off on- j/^ «£««»> £)<& r ». r -Mü,u*,-,. 7 . 1,-.,,,). 3g 

deugend man, die sterk liegt, en wiens <'/<;</ n«« Nninly^nMu m, n.nfU 
woorden zoo variabel zijn, dat men op 
hem geen staet kan maaken. 

Balantik: Krissenverkooper. r o, "W ; „l „l r ,,,,-,,, ../i.,,,^,,^?, 

O o a 

%ifl n in } n mi ui nniapni hm i in _ i w 



1 



Kamassan: goud- en zilversmits. „.üimim, ,,,, y . , ,, , ,, 7 m mm i^«»" mr i 

O o ° 

*n rol *[i ( m i.i 111 11 un ^-1 w 

Kapetengan off goelang-goe- r -»>.>< mY.!> .»n ? ''"^/"r"?'"'/"''/"" 



lang: Stads wagter. „,.,] ,, tn .,?, 



o 

)l KTJ 1,1 lil 1:1 I II I ' Ml - ' \ 



O ) 1 1 

KI O 1 * n„„4.J !?«« 11 MMI »l I MM I Ml- MIM 1 ,11 II ' n I ,1 lll.l II III , I 

awoela Saksie Grusti: Een (/ < 1 >> < 1 



Knegt zijn Heer. 



ó 

h tl - I \ 



1 



Gusti Saksie Kawoela: Een //"///'"" "/'" 7 -< r /'">""" 

Heer zijn Knegt. ,.,1.1,3,* 

Sisian Saksie Goeroe: Een Di- „&?>»»■■>.» >»-»-' , >»rr 7 ig. ,,',„„, 

cipel zijn Meester. mi:'« 

Goeroe Saksie Sian: Een Mees- U c* n w« n &&£,»Mia A V "' '•' : "V "'"" 

ter zijn Dicipel. mmi5i\\ 



42 

(jelOOjWÜBFaigB gBltllCien. najiaaMr>aJi(trn^».<tcn<unasn(En\ i.'n na m i'u n m 



UIT DE PAPAKKUM DJAJALANKARA 



/m) i },n ^mmnJi n 1 1 ui i / i n - < i.n i i i / 
O 

OOJ (EDJtlR tlLQ CIXJI ,7/T» TJ \\ 



Danawaton: Lebe en -Moedien, off nuMn^^^^ QwmiMmmicnm&iiiïiMim 
eerste en Tweede Priesters op dessas 



) 7 _ / \ 



off Dorpen. 
Koeli Natja: voornaamste des volks- fjomirwaniui^ M07)^i.n|M?n)«n.iHoo^i,iii| 



tl rot n rot q w 



/ Q O 

«.in j tii tttt i.tt ^t iq\ in inrta )<n,ut / 1 n iv; m i i >i tj .: 






Para Sikara nitjee: Rijkeoffwel tf miMi,r)),^o.n ^^o|M^o2M<m^\ 
gegoede Lnijden. 

Dar sa Solok sana: die van een 
goed en zeedig voorkomen zijn, en een 

i n nni o 

stigtelijk Leeven leijden. ° 

Taksoe Boejangem: Priestersdie //i»Mi^w|K™,a|\ <iQ rm ?p > L j r? i -tt.i.n^-n isn-3^ 
door Vorsten geraedpleegd worden. ^gw,.™* 

Sati Kapti: Mantrie off Minister die ^matm^ iQrfntfM^i ^ ^, .», 5n<&« i..m n 
door Vorsten geraedpleegd worden. 

Doernitam Malembonem: Pe- //( ,^ <^^^^9, «^ <Q ^ *, , i u u ,'?, ? ™ ,.,, ,„-,, 
patis off eerste Ministers die door Vorsten 
geraedpleegd worden. 



a a„ 

ni rt na n<inrt nsn \\ 



UIT DE PAPAKKUM RADJA ff «j &«»«*« ,,M,,,y,, ( „^ ... ,., ,.■■»! .^ 

NISTJAJA o 

Mahakoela: die Kinderen en Kinds- uritin.,,,,,, , ,1 i.n.n^n naan »(£* 
kinderen van mantries zijn. 

Saksie Maha tjirie: ontslagene off ,, , mi^.-n n»S >V .9 J^mwiw hij* nriaaów 
geweesene Mantries. 

Saksie Maha teedja: Koewoes //mj-h^miii h^hk\ ^niiiiiKirthii^t.nutijin 
van Dessas off Dorpen. [20] ^^ 

Saksie Tjampaija: de Beebi off i/MMi.i*iNii£»~»<u^ iLniih>i^iit,/,invii,ii.iK)^iw 
Tweede van de dessas off dorpen. 

Saksie N o er tjaja: Mantries van ffM«»'£*f*» »»> <<< "'</' »■■» ^«1 '•<* 
dessas off dorpen. 



43 



UIT DE PAPAKKUM JAJA LANKARA 

Driederleij Regts-oeffeningen. 

Drigama: Weereldlijk off Burger- 
lijke Regt, g'oeffent werdende bij de 
Seven Jaksas. 

Agama: Goddelijk Regt bij de vier 
Hoofd-Priesters off PaDgoeloe. 

Toija Gama: Silem off duijken, 
met een brieffje daar een Eed op ge- 
sebreven staet, om de bals. Hiertoe 
beboord wijders bet volgende: 

1. Wanneer een van beijde de Partijen, 
nadat bet besluit om te duijken, gevallen, 
en den bestemden dag daar toe versebee- 
nen is, een da^ Uitstel begeert, verliest 
bet Proces. 

2. Die op de plaets gekomen zijnde 
daer men duijken zal, zig begeeft aen 
de kant der rivier, en daer in staet te 
kijken, off een stille wenscb off beede te 
doen, verliest 't Proces. 



II 1 1 ki in ii ii nama nam nut tm i 1 1 1 1 i xi m 1 1 \ 

O Q„ o 

rrnan n t.i in i n m :- lam m ■ i mi m 

O- 
<n(UI!H11-ll II / 1 I) 711 ,LI \\ 

O» 



ui cm li ii i i tl <m ;kjl-<; tHn ^i mi tui «n w 



t 



U Lil mi ui i i il ii in lij, ui n>i i. i<l~i ni i i i.ii , i \ajk \\ 



o o x a 

II ij i n >. lil rn ; i il i,i i.ii il a~i!l _ i i n i.n.ini n i i i >) i n 

o . q„ o q . o o 

i i iii ï i i ii/i ui tin^i Li n in i.j i ii i ii 1 1 1 i 1 1 i ; i , I in ton 

h>i Kna 1 1 ii i n - n li i.ii w 

->„ a / 

II u i ii in _: i ,' ; -Jl j,i li mi i ii ii i.i i i i _ / i i ij i i j i i i n i i 



1 • fin lul mi i ii n 1. i 1 i i _ ; i ' ' / ■ ' / 

) in in in i i i Vlam ni , // m i i i i n 



. a Q Cl 
li - ii,] i n mi in ;in (KI 
I Ji k>1 <- 

.O o o. a 

u hl t i n mi in li i 1 n in / i i\ i / KI mi i il m n.n n i i ? 



(Do.,. 3» a 

f! n lil 1,7 ^1 in in ,i l i i »ƒ in in m i i i il il L i mi i i t n li 



o/ 



G) 



f777 ii Hl n UI m : 1:1 il in tn il il l na 1 Kin mi ii m / 1/ L.l'jKf 



a 

i tl m 



.O ) ) o 

im ui UI i ff LI ii i mi m f mi .: i mi i il in ~ i in mi i ii 

Q Q 
LH II il Ui 11 K71 Mll \ mi ij in mi .ml : I i il i il l i.i.n iirm'il 

o . ) 

THUniUl~Ji.<KI Ml mi ij m > j.i : i i n i ii >pjj^ 



■> 



3. Die met zijn handen Water schept 
uit de rivier om te drinken, off zijn 
aangezigt off mond te wasseben, verliest 
het Proces. 

4. De Staken die in de Rivier in de 
Grond gestoken werden, om daar bij neer 
te duiken, moeten van hout en twee 
vadem lang wezen. 

5. Als de Schaduw van deeze staken 
drie voet groot is, te weeten io de Na- 
middag: Zoo is het tijd om te duiken. 

6. Die duijkende zijn band off banden // 7» "<■/''< >"> > " -/»■• : "J ■■'-','/ '/'/ " 7 7" 1 -" 



ui 1, ij. m hï il i 1 nami in m 1 1 1 I : i j in i . i 1 nLHt 

o O Q 

1_-i 1 I m 11 1 > 11 1 1 m \\ 



Ij ïf Li > >l 1.1 mi )in m ' 1 i'i ' f ■ 1 1 m 1 ma m ij 1 lij m> 
1.1 111 I Ifl-H "™J)^ 



van de Staaken loslaat, als of bij na 
een stuk Thin (dat men heimelijk daar 
ter plaatse in 't water mogt hebben laten 



,7 1 nam m^ > i .'Vim unaJi iii < i •/ >-j i " • ' " ' ' "ƒ ' ' " 
o 

Ll^ml lil l 1-1 ij if : 1 



o o o 



44 

zinken) wilde zoeken, verliest 't Proces. 

7. Ingeval de Duijkers beide onder ^m.)^)m^~|wmi\ ^^«muitw *ti<m 
'water doodblijven, dog den eenen met ,}£,,>>:« ^m™*^ ,„ v , n-rS .. 7 ,,.^i.'.m .m 3 i 
de handen aen de Staak vast, en den a ^ o . . o 

kiiLjuiiaaiii nnna ''" li ncrmiHta ie» ikiinti *« ren 

anderen met de handen van de Staak aff <dil>> <d ' ^ d 

zoo verliest de laeste, en wint d' eerste «x&^-n™*?™™ "7 ,„>m^ 
het Proces. 

8. De Duikers duijken tegelijk onder, ^tnA^uiiunSiamxMxmMi^.iEa-^m.M^ > ibim»i|«| 
en moeten zoo lange onder water blijven, ^^v?,,^ ^^g^g»-^ <™TV~" 
totdat zekere batok off klapperdop, daar 

een gat m is, en die op het water drijft, ui i 1 1 < a <-* 

vol water is; die eerder boven komt ^^^^ c ^™/?^ ,M ^™^lt^'Y' ly W E ^ 

verliest het Proces. [21] %r*««»%««f<ör 

9. Maer beide lang genoeg onder water nMjuHiiuiMqajMiRKJi i|Mmi^Mn|n| 
blijvende, moeten zij opgehaeld worden, o q ... 
zodra de Klapperdop vol water is, en a 7 ' '"»"«"» ^ ' . ^ "'- ' ' 
een behoorlijke tijd gelaaten werden tot ^^^•™^^W fl ~ ,9 % N m«mi«| 
Ademtogt, en dan voor de tweede maal m^nij,!.; l;»^ ïjmmi[]wiwmm| *|wm^w^ 
weder laten duijken en geen van beide 00 q o 

te vroeg- boven komende, als vooren weder ^ rt 

ophalen, tijd tot Ademhaling laten, en ^^ü» s * Mlö g9«ifilWJfil t BI-* fl W M ' 

ten derden maele laten duijken. «im^m™?» 

10. Als in drie keeren duijken, geen 11^*1^1 MM&icrrtMwnttsnmji ^xmtmA^t^^i 

van beiden komt te verliezen, word het „.^„.^ «jA« n «n»i*ij>«£i«> / f ^«^^0 
Land off goed waerover het verschil is Q 

, „ . . _. .. , nin<LMtM^W<M(*naJ)M.<tfntcn<rriiKntrvi^ 

in tween verdeelt, en ieder Partrj de ' ' '^ 

helft toegeweesen, 

ƒ/ li (W i.i( rn 1 u i;i i i _ i M - n i i '^JL/r) 9 ren _yi tun (Li <ul 

REGULEN UIT DE PAPAKUMS, GE- n > 

NAEMT JOEGOEL MOEDA, AN&AS u * '^ Q a 

KARTA BASA, RADJA NITI EN S^™^™^ mk»«m 

KONTARAMANAWA ^«17^'ffl "»•<»■"* 

Joegoel Moeda: een opregte die ^tt^ajiae^mma^^ (Énan^K?^^!?^^^' "^«7 



niet variabel in zijn woorden is. Joe- ^„^ ^, r „, „,,<,,, ».?.., .;?» ? ^^,^, .-, , 

goei moeda doet regt, zonder aanzien 

van persoonen, 't zij Armen, 't zij van 

een middelmatig vermogenoff Rijken; off >>> • e»^<w> &> <" <-» liM^.L» &>* ^««^m?»^®»^ 

van rang en aenzien geringe, middelstan- g^ q p. ,. . o or^ 



n 111 1V1 'J '-i^-IM -H\ 1:1 èn 111 111 in HJjMN kt wi 1 n ' -■" 



dige off Grooten. Als in cas van Proces 



M^n (Uj on/l n HMW nsn li» tvi am on/j <U> mn otj iX.1 afi mi m«-j 



45 



een van beide partijn, bij de Pisaid, Ken- m°ï u.iizinq/i <&.%■■> ttniM^™ > >/ ' >■'?» 'p"/> 5« i 
deel, en Toetoer, in den aanvang, midden, a . . , o / fy 

' ' °' ' > ii i.i ) 1,1 in i i i I n i n ii i,i ii i i il 11 in n i i > i i ' ' l ' / 

en eijnde, geen verschillen off tegenstrij- '' 

digheden bevonden werden te hebben, T-'H '"'"" '7 "^S^ 7"- """- •"•" A','7 

maar alles met malkaer overeenkomt, zoo jmwi « 

werden die papieren gezegd, zuijver en 

conform te zijn met Joegoel moeda. 

Angas Karta Basa: doet regt in f/enM«Aieij£«n i7, ,?,, l ,i, l xj, f < > ,,< v ,„, r i>,,„ 

de Leugen; de Leugen datis, de missla- „% &,<$ ,£,,,*„, ,nam^iuit n »™ i.- 1 , , - ,imm.m .«»/ .< i 
gen, verschillen en tegenstrijdigheden, die 



o ! ' 



in de Proces-papieren gevonden on anders »'gt< o 

begaan werden, werden in drie trappen ^uM^^è,,,,^,,,,,.^,^ dj,,:),: 

verdeelt, en affgebeelt bij een wonde, als : ,<,,„, OM , M ^M«ynra™^\ <un(m&Mi^<m**i 

Een wonde slegts in de huid, een wonde _ y 

aai M wil oJ) nol m ^p tun fa trij > wi nvi^iannr) ut wi i;i i i w l 

door de huid heen in 't vleesch, en een c~ t na 

wonde door de huid en 't vleesch heen tot «^^«A-*"*?"»*»"^™**}* "" ' 

Op 't been; Off kortelijk Salla Koeliet, M .itj ici «S asn^ unMtm<t*aaivnipam!Lmg*mji<ui(i3tzm 



fa ,ria Hn/rvi^n a nn npriHT) xn <m arn tisnj) w 



Salla Daging, en Salla Toelang. En werd 
hier geleerd, dat den Regter de Trap 
der Leugen, misslagen, etc. van weder- 
zijde moet ondersoeken en bepaalen, en 
die [22] daeraen het meest schuldig is, 
verwijsen: Invoegen degeene het Proces 
verliest, die een Salla Toelang heeft, 
al is 't, dat de andere daarentegen ver- 
scheijde Salla daging en Salla koeliet 
haeft; als ook degeene die een Salla 
Daging heeft schoon de andere verscheide 
Salla Koeliet mogt hebben. Als den 
Eijsscher en Verweerder misslagen van 
gelijke trap of soort hebben, verliest die 
geene het Proces, die de meeste heeft. 
Bij aldien zij evengelijke misslagen heb- 
ben, 't zij van de Eerste, Tweede off 
Derde soort, zo verliest den Eijsscher 
het Proces. na \ 

De misslagen van de Eerste soort, off "' ^ <' ' - '■' ' 

Sala jang Koeliel, zijn: Saroe Basa op mi ** ij «»"«»« ij ö|&» 
Pag. 6 Art. 5, en Asaroedenta op Pag. 
8 het 2 C A rt. van de daer vermeld staon- 
de 8 Articuleu. 



46 



Van de Tweede soort off Sala jang 
dagieng, zijn: de 9 Art. op Pag. 1, en 
vervolgens, namentlijk: Anja Wadie, 
Anjala Wadie, Akarja deessie, Anno Pek- 
si, Annier Joektiara, Anier Baja, Pantja 
Baka, Maha Pralaja en Ataja Marta; 
de 13 Art. op Pag. 2 en vervolgens, te 
weeten: Awie Roeta, Akar Jantakka, 
Anoekma Watjana, Ambirat Saksie, Ang- 
gandong Saksie, Ina Saksie, Angrasa 
Wadie, Anna Wadie, Ang'ienga Panda- 
ija, Angreeka Pandaja, Anilat Kara, A- 
moengpang Anna bakwa, en Awak Poe- 
roesa; de 15 Art. op Pag. 3 en vervol- 
gens, als: Wang Akira deesti en Goe- 
na Paranti, Wang Ajoeja, Wang Abiek 
Soeka, WaDg Anjiroet Jara, Wang A- 
moetoeng Rakitan, Metjat Rakitan, Wang 
Anamboeng Watang Boeboeken, Wang 
Anamboeng Watang Tjatjad, Wang A- 
namboeng Watang Poetoeng, Ang Oe- 
ngang Kara, Anggenoek Pringa, Amoeng- 
pang Kara, Andia Kalangan, Soedra 
Watjana, en Amrat Kara; 1 Art., Na- 
mentlijk [23] Akarja deesti op Pag. 5 ; 
de 9 Art. op Pag. 5 vervolgens (Excep- 
to Saroebasa bovengemeld), namentlijk: 
Djamoer amet Katjang, Santa Pralaija, 
Amoek Kapoenggoeng (namelijk 't eerste 
gedeelte), Siembar Toemrat Ping Kajon, 
Poenang meet Loenas, Amateeni Damar 
moeroek, Amateeni Damar Prasanda en 
Masang Damar; 1 Art. op Pag. 6, te 
weeten : Sragala Loemoempat ing Pa- 
palang teboe toewoe ing Sotjanee toema- 
nem ing Woekoenee ; de 2 Art. op Pag 
7 als : Watang dawa Sinamboengan en 
Watang Tjindik Tinutikan ; de 8 Art. 
op Pag. 8 uitgenomen Asaroedenta voor- 
meld namentlijk: Sasra bauw, Angup- 
toena, Apus Linga, Ina badra, Awi Rok- 



Ci Q- » O o. 

il r> (Dl i tui ri tui tui tun un ui un .tsn ~J joimwhwwiv tun 

o o 

Tir£.iruntui^itcitcuitunTi\ un inn tui xn \ un mn ru tot xp \ 

/ a Q o/ o 

un un tum rituitui\ tun , ui n tui tun -si tun tm twi uri un ti q tun 

a/ / 

tui tun tvm \ tui xpn urn un \ tui tun tui nu lm \ un asn ,iu <&i asn w 

o o o / 

(O ^ tui trui qasn tm rui tui uji un «n \ tun tui ti asn un.irn tuvi oq 

o o . . 

un\ ajnuiuntviQJia-ris un fii *"n asn ^a tun .^"v tun cm Vtn |3 

Q Q O O O 

mii7u\ un tui tm un .n \ un ti mi tvi in \ tmanaJi w\tun 
trut cm tui tip tum \ un ri ti tun oji rri tuin \ un tui trui asn *rj \ un 



C- 



tUh 
Q O 



iiuiun wi>ïuun\ un li un ^jitiiui « tui ^ibi trui ^ruiifJi rui 

a o / o . 

tul uji tuil ti \ ui un tun ti numcui uJI uncm rn <m nr >^}"' *->• 

uiitvuiuu\ ui «ïi ten tun st-tun \ töi <& xnn ti unjiTi \ nn 
tl un ti mi un tuyi \ üiaJiiuiaJiiisiiiuni'ntu-iji\ tCiuntuify 
ui ashun ten tun tuin \ tui tun ao èa xn asn tua ik» <to^ x tüitunon 

Cl 3« 

è .1 ui asn tui un \ uh tui tui un ti \ un cm ui tun uji cm \ tun 
tsiiuiunTi\ un op oaji tun rui tui tuin \ *. j \{tuicui <ui tui \ un 
,Ei ikm -n \\ m n taaan jji oji un ui oji rui }\ un tm ai ri n cd 



o 



o 



a 



/ 



i > 7ui n tui z tui tui ^,i \uitun ui tui trui jixt&i tun rjt&i ^^ « 

O o 



ti un rui mi ^i un ui tuncui >- 1 irui % \ tm ui uui ru uvi s un 

t£ji un tui or i \ °i^tisni(EiiuiJitunrii.wz!Uiji\ tui iwr^ï'ffi 

a / Q / 

tuituij\ un tui ri iuii ^iui tui t^i ti ccnj^\ untsitntisn ujtici ten 

/ O ° ° » 

nui3Jitui\ untsitiJitixiruiw ntüi z*q tui _b»(iL» un viojtrui^ 

[tuicmruirui Qi tui ~i ïïjtui uiru\ asn^t^ u^unriruit 



Cio 



r> 



wi^ turi^iüi^u^Yl^ n **itf'gyifi* u *'£!>' m 

rruru^ ei unia ui i° tui ^.lui ipj\ ui un nji ^ïuii^tui 



O 



O o . 



eniunapjw rui r/ uj t uuui ~ji turituiun ui rj rui ?\ tui[tui 



. Cl 



Ci? x 



rmun\ uncmnn(Ui\ un ui tui cm\ mi tui un ^% unevi 
rn<mtun\ untu1tu1 ! u1^ <ÉjuncmTi\\ tjvi ?^,J^ ,rw ?(^3 
i,n PmJirui^ \ n iu uuisn uil un cm tui tui cvt-^tui^n tui tui 
tim^tei^i^QituitiiiiQiM^Ti^ri ™<™Jl tH l%i r l'Q i 
kn oh «i tui iki ru $ ui un cm lU/j ru <uiun tui tui tru) tun tru,j 
i.inuiiiTiEÏwwiui \ tuitu\untuiuii,iuiunuitu}U).ti7n 



/ x~ ° ° o as" 

tl n \ flJ~t1 ,1^1 t 11 i 1 Tl /Til nn i i i i i n n m t ti /*ni a ma -. . . „y-. ,» -• - 



m i i\ inn imi rui iKD nn rEjirvi hm itJ) itm uj) nsnn niMtffiaJiOJ) 



47 

ta, ADga Nini, en Moerba Gierie ; voorts »,J; MHHMÏ | iM)M ^, 
Art 2 en 3 op Pag. 10, en alle de ar- 
ticulen van onwettige getuigen, op Pag. 
16-19. 

Van de Derde Soort off Salla jang //^'^«^/^^a^o^jj^itn^i.iynpfriyijrn^jiM/,/)^») ., 
Toelanq. zijnde 4 articulen op Pag. 24 „, ltV ,^^. =>- o o, 

<J' J f o nJliirinnirupjasnri/rnjiims ik» tuinen trut ^tm trui cm na nsn\ 

namentlijk : Kanata Leena, Kalinga nata, 

Kali napoera, en Surasa Moertjaja. ^^^^^«a^yn^,»,,,,^^^^,^ 

00) HM \\ 

Radja niti. Volgens den Regul van ||raMTiK»?i«n <Q,<Qr>aji<uiMMivn\ mnMnim 
Radja niti word geleert, dat de Jaksas . . . / a 

" ° annruimi ntijinrjihv n«n2\ vrnmncrnamima asnafnm.HA 

moeten onderzoeken off de betigting is * 

Tidarsa off Lokika, mitsgaders off de Wf"»'T"iï'%&'&^ ^«s*^™*^ 
Confessie valt onder 't eerste off onder 't <kt>\ ^wti^^Mic^iHinmas^imi^iunntnAiMMiiat 
Laetste; Staende op het eerste een en- 
kelde Vergoeding en Boete, te weeten 
als den Gedaegde bij bet overleesen van ™™"™T ^^r^^^^^T ^ 
Pisaid van den aanlegger de betigting (Hv^y^imiojnr^ash^ 
bekent, maar als hij dezelve ontkent en 
er dus train van Proces volgt, zoo werd 
hij gestraft in Lokika, daar een dubbel- 
de vergoeding en boete op staat. 

Kontara manawa: onderzoek op jjKnaJiinitfman'riisiaaiu>\ uncm'najihirmti/fiiKn^ ««i 
avontuur, en werd de Jaksa's geleerd zulks o o o 

wel in agt te neemen, dewijl bet somtijds 

i_.. il , . , j , ha (Hl iv) run tin rt ixn i ni m in \ rimm'-ntini i.jii infii i . i n 

en bij geval komt te gebeuren dat er ' 'dr ( a ' 

iets ontdekt word, en den beschuldigde M)ïMnw72,wMjM)HMèmiio)MM\ aiiminmn iii'h 

zig zelfs beklapte, om welke reden er ook o 

° r 7 cm rt tuuun tim tmn t&itruin hj 1/ i i / i i a i l i i / ntsn 10JI 

drie geschriften genaamd Pisaid, Kendeel 

m j. 1,1 ,, llllll.l, I " 'M I-»,1U ;)?1,1'H l I I II il) t II il ) I II II l I t lil II 

en Toetoer, die een en hetzelve vervatten, '£- «k ' ' ' ' 

gemaakt werden en waervan de eerste ,]t.> i,ini,?i'>jn-i ,,, .', , ,, n,^j ,) ,,^1) i/,,!,,,/ , „ ,', 

en tweede, off de Pisaid en Kendeel, wel . o 

' ' 1 . KV - 1 h 11 i~n iht 

door de Jaksa's mogen gemaakt, maar 

het derde off de Toetoer door partijen --*£™^ nw, ?' ; '' '''''"'■' ' "\ ' ! \'"i 

zelfs moeten geformeerd worden. [24] a y 

niu) nncmi vn i » ~i iioji ■ ) i > im\ un umuM 

UIT DE PAPAKKUIW RADJA NISTJAJA ° '/ ''"' '%' "/ '■"" "' '"' " "' 



il _;ti yi 1 11 11 1 11 > 1 11 1,1 1.1 1 . 1 11 1 



4 Arliculen genaeml Sarasa Moertjaja .^.m.i 



i 

1 



Twee Haenen vogten, den eenen met |/m»mjsh^«.ii5> «p-, > t^ > ,:„ > i-y ..'... 1/ ... ii-> 
Twee en den andere zonder Tadji off ,„-,,.&,,„.„.,< „•„■»».. ,,.:V i ( n il( ..<< <)y> 



1 I II I II l.l ^> L.II 



48 



Vlijmen, en de Haen die met twee 
vlijmen vogt verloor het gevegt. Dit 
werd toegepast op Twee persoonen die 
tegens den anderen procedeeren, waervan 
den eenen zijn behoorlijke Pakakas, dat 
is geweeren heeft, Namentlijk de Ken- 
deel- en Toetoerbrieven na behooren, en 
wettige getuigen; en den andere daerin 
gebreekende, nogtans den eersten het Pro- 
ces komt te verliesen als volgd: 

1. Kanata Leena: diens Tommon- 
gong Pati komt te overlijden, terwijl 
zijn Zaak nog in Pleijdooij hangt, ver- 
liest het Proces. 

2. Kalinga Nata: diens Vorst sterft, 
terwijl zijn Proces nog voor den regter 
hangt, verliest hetzelve, waarop toege- 
past word iena poegeran: de stut ge- 
brooken off omverre gevallen, 

3. Kali napoera: diens Jaksa ge- 
duurende het Proces komt te sterven 
verliest hetzelve. 

4. Sar as a Moertjaja: De Party 
die te overlijden komt terwijl zijn zaak 
nog in Pleijdooij hangt verliest hetzelve. 

Het gemelde is nogtans onder deeze 
bepaeling te verstaan, dat als den Tom- 
mongong Pati en Jaksa gevaerlijk ziek 
zijn, den Vorst andere, die hij tot die 
Ampten zouw verkiesen, in haer plaats, 
eer zij sterven mag aanstellen, dog in 
volle functie, zoodat ingevalle deeze 
nieuw aangestelde persoonen subit kwa- 
men te overlijden terwijl den zieken Tom- 
mongong Pati en Jaksa nog leefden, 
evenwel het Proces verlooren werd, de- 
wijl de Laeste die Ampten niet meer 
bekleeden. Insgelijks mag de Persoon, 



o O Ci . -3 o 

J-s ', l n lil ijl 1 ij i l / 1 11 l I l 1 l il ij il > 1 il i I l ij in n l l 

1 . o o 

i i i. il cm tutoriitn ), »/ oji om cm orut oji onon^t cm cm (EO on i i ï 

w i.n hl) iii:i ton ^niil n M h'n i i i i i.ii in : i ij i.i ii i 1 1 ii 
Cl Q.O CY 

ii i.i ' f i in i ïi ii i ii jn ii i.ii w 



Ij m osn \cm tnjj on osn m rut m\ oin cm r> ckq noji itun oji i j in 

o 
iijj oji ij uu on ~ji tui osn ? w 

O Q 

jj TJ XIUI (Hl _i* (&> -Jl Mem ÖQ OJI (EO "Tl 11 (Uil ? OJ) _w» Oji ofljl om 

oTji^ojnnccni^w 

o o i. O O 

jj i . n .rut uut os» t i £ t ii i mon.tsn \ osrt cm n oji rui ieo ~ji >, i m 

o o (P) 

itn mi m ï ii ii uu i iji ^a tut onji om pi cct on ,uo rt osn onjt > i i u 

Cl Q- o Ci 

i ii ii 1 1 1 i ij i ui ■ i ii yi ten (bil xn itjiuj cmni on/> \s 



o . o o O O a« 

jj (isn cm uut (h d ui tri trut on ojjni\ iÉn cm ii rut ci-jI (IJl (BI ~J),i)Q. 

Co O 

mi cm m ojiKmonoji onji om pi (ut on o.o rt osn op ixn^a \ ven 

trutqru) anxm w 

o / O Ci - o 

jj om ,7jt on *_ji om o oJ) -y/m oji (éittJ) mji \ asit cmvtcKi in i I 

Q . . O O O 

iKi nm on -üt(£Ji -Jj.Kj cm on oen on o jiktti on/t tnt (ejikooo .^i i ~ { 



hm i u ? i o on onn q w 



Cl . 



jj un (isii ii n iiuin : i ïi-jiUt ui un ^uiiun (Vi(iK arn ^Jt\ n ui 

o e q~ . ei q ci o o da-o o , 

i n i n rut ik/) cct osn om on on on on (isn (Cl oji >isr qiun I i 



on -i£.oni nsn : 



Cl o Cl 



y 



o 



onji om (Htoni cm oi om rut on ^t osn oji on twi wrt mui on tun cm ri 



V!kl 



a a o , . Cl 

>n2(Ki o i i i i ii - ■ 



{(imasnctji omojn cmcnomcKioK in ^i\ k/ 



CO .O o Q > 

MM -i uï i mi tin on om /i om om m oiondo.'iorioni ^acncioJts 

a a„ o Ca o . 

i i on in n i » rn q i, » n ui ? in ^t tem <tQ.UA onn \ «im»M-ï* n 

i n tut n m ,i 1 1») aait im onKit i i i'.n i n - i 't ( osn/t rnoat 8 cl 

) o o o a o 

i n 1:1 S/l ïu i.n ii i/ii i i.ii iui^j! mi. n i. n iluijI i,n i i ii,] 

o q„ Cl . O . o 

ui un rut st. mi cm (un om memt on onijii» on juikh» 



a _ a~ O 
i on tui pi ii 



trut \ (Hl tut om Ofiuo iMKCi on ^Aomrtasnop <k J _yi w 



49 



die in Proces is, als hij zig ziek bevind, 
een Volmagt in zijn plaats aanstellen, 't 
zij slegts voor een tijd tot dat hij we- 
der gezond werd off, indien hij gevaarlijk 
ziek is, om ook na zijn dood in zijn zaak 
ten vollen te ageeren, moetende daarin 
dan ook continueeren, schoon zijn Magt- 
geever niet [25] van die ziekte mogt ko- 
men te sterven. De voorsz. Sterffgevallen 
en nieuwe aenstellingen beginnen effect 
te hebben, als het Proces voldongen, dat 
is, de Toetoerbrieff met de Tombok in- 
gedient is, en duuren tot de tijdstip dat 
de Triumphant de Koekoedong is ter 
hand gesteld. 



ii 7 " ! ê 7 g § " ™ 4''" ' ' / / 'y ïïi •"» " - / ,; 7 - 

i )> -n xsn nifcw un/i w 






II T "™V *P Mlh: "> » (1 ^ii'in fyifi.ii.iiiiii.n n rn n 



7o/ onderwijs. 

UIT DE PAPAKKUM OENDANG 
OENDANG MATARAM 

Onderscheijd tusschen Pradata en Padoe. 



Ij v^.aa i.n y ii,,>ii .ijs™MWni\ (ïiiiaii m 



O 



<L"7 IS)) ^ KI) LI 17) K7I ,t^ I- 'ƒ l'l tl IV) ,' I (1/ T| ,£!/!> 
LI M(WJIIL»llfl lil hll lil lil in ^1 l.'J \\ 



Tot een Proces Pradata behooren alle 
zaaken bij Menjanka off betigting, na- 
melijk van Moord, Rooff, Wonden of An- 
niengar, diefte bij nagt off Malieng, diefte 
bij dag Nanajab, en wijders alle andere 
zaaken van Menjanka off betigting. Een 
geschil over Land, daarvan den Vorst 
als Ëijgenaar gemeld word, behoord tot 
Pradata. 

Tot een Proces Padoe behoord: quet- 
siën over een stuk Bosch off woest Land 
door het gemeene volk tot bouwland 
bekwaam gemaakt, wanneer in cas van 
wonden off Anningar en diefte bij nagt 
off Maling, 't Boekti bij den beschul- 
digde gevonden werd, dat is, in geval 
van wonden, zoo er bloed in de Kris 
off Golok off ook aen de kleederen off 
aen het bloote Lijff van den Dieff, en in 
Verh. Bat. Gen. 



Ij lumi ia M -Ü/UI OJ Uil p rf UWZOJIh htl l I KI i.-ii«yn £> C/t 
O .- Cl „ o . 

>l t i) ïriy tmi iv) M, Luimen ti n<( i „ > ,< >n,7\ i.u i i 1.1 i u 

„ o a / . q „ a» . o 

tun tin !hu(ci\ nm vi nn ttsn i n l i : i 1 1 1 \ i.ni i 1,1 innnnw 

HXJIXmj) 1 I II) ILP) h) I 1 £1 I II 1 ,11 l I II I II > I I _: / II I II 11 

O . j 

iI.iiiin ri uiriini 1,1 iri i ii u i n i n i i i n i i i i 1.1 11 ; 
' 'O "-lO s «l i ~( 

o. o 

Mn on o Kucyi^n himi/n lv / i i .-■) 1.1 1 _n, i i in i na n m 



m u ' 



im aa _b9«/w <ui <ta ri i i ? i i ii i i.ii -.i i ) i il i-ii i n ■ ii il ij 

as Q i)i) 

- ui i ii i ii 



iKaamirwn v) ttun iej asn ti/n aa xn in i > WK> '// "' ' " 

O a a a, 

tiïn ni n iu) jriuniMiiuii m 'nni ,n mi \ 11 i . i 1.11 1 1 n 

O (f) a a, . Q o ). .-> i 

iiniiHlflchi Lilü-lia^i i i m i n i il : i i n i i iniiiiiiin i 

1.. . i ' 1 • 

il^ii.liiliiij^ in i i il i n i n : i : i n i iji i'i ijl ii 

a a o. ) 

in i 



,1111.11 i n i i i i i ii i I i.i f ij i.i i.j in i.i if i u ij / i i i 

a ) i 

.ii i.n i i >i ij i n ' i i i i j i 't i i i l i ij in 



50 

cas van diefte bij nagt, zoo het gestolene 
goed bij den Dieff gevonden word, dog 
hij verklaard hetzelve te weeten: het 
bloed door het slagten van een Hoen 
off andere beest aan gemeld geweer ge- 
kreegen, en het goed van langen tijd 
herwaards bezeeten en gebruijkt te heb- 
ben: zulks behoord tot Padoe. 

Alle dood- misdaden behoor en onder //'/"" '-'"' ? ,n ></""> 'J ,),.,< „r, ,, ,/ L) n, ,_ # 
Pradata. Alle zaaken waarin den Vorst „*,„„, , , o ^ a . a 

• jin utiaasnunnm , n.n rünr} y , , f,ji , /L ,n , n 

als Eijgenaar werd benuemd, behooren 

tot Pradata. Als bij het gemeene volk V" >^> U^n' 1 ^™^"^™!^' >- 

een woest stuk Land werd bebouwd en //fi'^» uimi| ntlunj mi ,;,,;,, nu,.,,, 

daerover qutstie ontstaet, mitsgaders zij „ B1 „ , / i . 

daerover komen te vegteD, en één off 

meer menschen daerbij dood blijft, die v L "" -"■/'" M' "" 

zaek is Pradata 

Alle zaeken buiten Last van den Vorst, 
dat is, die hem in 't bijsonder niet aan- 
gaan, en dus geen ordre geeft om dezelve 
in Proces aan te leggen, behooren tot 
Padoe. Een zaek waerin een Schulde- 
naar [26] en Schuldeijsscher, over het in- 
maeuen der Penningen in questie raeken, 
malkander schelden en slaen, en klee- 
deren van 't lijff baleD, behoord tot Padoe. 
Een geval waarin twee Persoonen een en 
't zelve Goed eigenen, behoord tot Padoe. 
Het verrukken van Limieten van Lan- 
den, behoord tot Padoe. Dog zoo bij 
geleegendheid van dusdanige questie ge- 
vegten ontstaan, namelijk over 't ver- 
rukken van Limieten, en daerbij iemand 
dood blijft, zoo is de zaak Pradata. 

De drie volgende Articulen behooren ,,,„,, ,,,,,, ,,\, „.,,,, ,-. , a ^ J 

o «j ««ivu ij ,.ii ,, i ju i.i , ƒ ,j ,.,i y i i > i.i i i ii ,,, i i im_i , n i ii ij 

tot Padoe als : K r i a Wik ria, koopen en -> 

Verkoopen. Toeawa Tantoea wa, m '^ ^ ' ' ' "- 

bewaaring geeven en in bewaaring nee- 'V'V "/'" ""/_■,}" " '"/''/'/ ''"<<'<» ,,jn, 

men, Weetanja tan Weetana, over 

Werkloon. En werden deeze drie zaaken 



/ 1 



1 1, 1 1 ,j I ij, 1 1 ii i in i n ij ij i ii i u, 1 1 ,1 ,.) ,1 ,', * , ,1 

. n i m • i ta' . r» > ) i n, / , n n ij i ijiih,Ïi luj, r, , i ^, ,j ,.„ u , , ,u 

genaamt Parwala, Twisten. Die het Proces ° ° ff O 



51 



verliest, valt in een boete van 4 reaelen off ,wiunrv)^nn%!^-yiriMur)QiM,xji^nn^iL\.'iiry^\ mi 
van 4 Laxa, en een dubbelde vergoeding. 



a„ a 

1 I 1,11.1 I I I I f£/|- * 



") 



Die van een zaak die Padoe is, Pra- //y^M^L^™^,^^,...,, , . } , , - ,» >/, »., 7 
data maakt, off van een zaak die Pradata , f , ,.„„. x ,,-„ , , .,„ , f , , ,, 7 , ; ,U, , , , ■„ 7 ,, , , , wy « 
is, Padoe maakt, valt in een boete van 
4 Laxa off 4 reaelen. 

Alle goederen in Proces bangende, n> . .,n i.iyLin.nia nam > i u..!m|^mij.«i.|w 
moeten worden bewaard in handen van 
die Jaksa's die in de Zaak als Regters 



in i,i\ tn in,niMnw\ ihfn cm ji i . ; . ... . ini ^i\ wn > " 



I KI \ (CJ1 'Tl IH71 o /KI (lO \ 



ageeren; Bij de uitspraak van 't Proces '' '"" '' ^g^g^^r^ 

moet den Trinmpbant aen dezelve Regters «.■.-.i.*»--*** ui-!mmkmi/!iumm,| i/du./,,,... i 
voor moeijten betaelen, zoo de waerdiie o o 

van 't goed een Keti off 10 reaelen mon- 
teerd, 5000 of ^ reael. 

UIT DE PAPAKKUM RADJA 
NISTJAJA 



il i j hi in i ii i i n il;;/ £) * »j _ < »rtl <L/1(L/1 mi li^ji 



a 

n i.< ii in ii ii 

i i 



Die een geschil met zijn naasten heeft, fliSiamoM imtu ènm-AM'Kn'qKmm ^Si<qKmt^n 
en daarover regt begeert van d' Jaksa's, o o ° ° °. 

moet volgens de costumen, Pisaid-, Ken- no o o o a a 

, , _ _. . , _ • .. , t.l? l'l I7.1TI ; I II l II II l.l II l I II II I I I 1,1 -I I II 1 II II 1 1 II 

deel- en Toetoer-Bneven maaken. En «& < ' '•' -■''- "i '' ' 

zoo iemand daartoe onwillig is die werd uxma^ y< m ../'.y <\' ;<;. -/ ■ - i?<Mï 1 u 1 üi^on<kii» ? 

in 't ongelijk gesteld, als off hij 't Proces v ,.,„ /M ,,,;,, 7 , ////7 , ,,, , ,, ,!,y,y ,, r 
hadde verlooren. 

Een Proces uitgewesen zijnde, werd //>/ uiiKuej-n^nK ; ■> --i^-^^^-^^i^" -"" 

aan den Triumphant een Koekoedoeng „^^«„^„^ ,.»^,.-„J, ..,.-,, 



(ten blijke dat 't Proces in zijn faveur 

uitgeweesen is) en aan den verliezer ( asKé-cr ( t 

een Salaran (waerbij bij in 't ongelijk ^PitijTj^ijj^.&j^^ii^^iMir^tm^cmiii 

werd gesteld) verleend, kunnende de ^^^„«^ ^^^~^.ur»^t3?^I 7 

laatste zig daar mede vervoegen [27] bij n a , 

de Jak sa s van een ander district, bij ' o (i u ' ' a en 

voorbeeld Gabang, Indramajoe en de M-^^^^i^m^iyna»^ M«&»aiS£jvn<mn'',, ... - - 

Preangerlanden, om derzelver Advis te „„„^^ ^mnnfy» .,,,,,, nmm.Sk * mm »'.../ 
vraegen over de wettig- of onwettigheid n / o 

.. , nicniiennhrJiirvi -Jn i i m Wimm \ -m til rii.m i n rj yi i 

van het vonnis, waertoe den tijd van ' > 

15 dagen staet. Indien hij binnen dien tijd g™ ^g^&f %T l)ï M : J ' T1 S VV '7' "/ '•>' ' " 

geen antwoord brengt, werd de voorsz. , ma „,^„^^8^ ... .» 3 .|iii^mw^i| 
Koekoedoeng, en niet eerder, aen den / e> e». <a ., ° o 

nmiSuiMiuM. i n HLm.Knn.1 ..; 7 . . . i . . . .. ^ ..." 

Triumphant afgegeeven. Dog zoo het ' ^ 



52 



gebeurd dat de vreemde Jaksa's binnen 
den tijd van 15 dagen, eenig erreur in 
het gewijsde vinden, waerop den ver- 
Heser op goede gronden Kevisie zouw 
kunnen verzoeken, zoo moet hij zig ten 
dien einde vervoegen bij zijn Tommon- 
gong Pati, die liet hetzelve vervolgens 
aan de gezamentlijke vier Tommongongs 
communiceert, dewelke het aeDgeweesen 
erreur, 't zij in eigener Persoon off door 
gecommitteerde Mantries, tegens de Pa- 
pakkum confronteeren, en gefundeert heb- 
bende bevonden de Koekoedoeng ophou- 
den, het Proces laaten herzien en op 
nieuw vonnissen door nieuw aangestelde 
Jaksa's, alzoo de Jaksa's die zodaanig 
vonnis geweesen hebben, van hunne Eeg- 
ter-ampten werden gedimoveert. Maar 
ingeval voorsz. advisen der nabunrige Jak- 
sa's ongegrond bevonden wierden, zoo 
werd den Verliezer een boete van 8 reael 
opgelegd, en aan den Triumph. de Koe- 
koedoeng ter hand gesteld. 



' l<ci ili ivit/i una un ;tj\ ki ,i/n ui tui ui En 



fira v- T* ,, tyT 



a O 



a . ei o 



Q 



Cl . 



m >i uil : inm u tuiuiiun i ii 0)117 \ inuuin -,mi 'l/t» in 

o o O o o 

oji tini i i :injj un thl 1 1 1 tui uiei joi tun ui » ; uil i) i. n n in 

o a. o o 3- Cl o 

Kirrui ? un li 'on un ieinr> icii .iiumti v,n j >„i ui ili li 

o 5 ^ 1 hi l 

a~ a / Cl 

(iciiiun tui un isii tui nnnttJi vn ti i&i mi rt un i. n na i u in ^i 

O o Q Cl a 

iui un tviji un un ui <n ten i un rtn ie/i i. n i nji i > im uiiui i i tij 

O V o 

ii ili tin ^i <uy tui n~i n.tj M.«Ü> <u). nn^iitsrj ttstj ra ixi ihi^ji tui 

O a- / o a 

un tuijiun ui nrunin rium ua ik icn ~-i .ui tui tsntiai g.i an 

C) Ci / / i. 

ui un un i >» tui un un \ tui ti)M)»)M?M^»£»icmu.ni 

Cl o a O a~ a. o- 

191 /.ti i£b (ui 07)1 jm <i-4 ui ui m <n njn n. ) _y» m \ txnnnnri,xn un 

Cl /a Q - o O 

" '"/' r) 'ii'l 'l 1? */&&'' 'li* 71 'H " n/ l S,I ' U ^ W,M,/B1 ' ri iixjniiui 

i.i\ ucun ^imuvnum\ 1) i n m -nuniunun}u\tnji/}>n um 
Cl > 



nsn uj uitunajiuuiui (Lij m rt i u nm t 
iim iimjiji w 



a. et 

(Dl -J1I 10) UI niJii 



Een Regul der Jaksa's. 

Gij moet in Processen agt geven, off 
Partijen van 't begin tot het eijnde stand- 
vastig bij een en het zelve blijven, zon- 
der te varieeren : in de vereijschte ordre, 
en niet het agterste voor, in bedaerdheid 
en zonder fors off hard te spreeken, 
mitsgaders off zij tijd en plaats behoorlijk 
in agt nemen, en de Phabeea off salaris 
en Toombok off namptissement van pen- 
ningen goedwillig en naer vereijsch leve- 
ren. Jaksa's moeten zijn Tjandra Tirla 
Sane Tjakra, dat is: Tjandra, als een volle 
maan, die een ligt is in duijsternisse ; 
[28] Tierta, als water zuiverende het vuile 
en onreijne van 't Rijk ; Sane, als een 
Bloem, die een aengenaeme Reuk ver- 



ij vi ui mi v n m titdiiii ui BH \ ui i in in 11 » i > i n i i 
O o . » G) a a Cl . Cl 



Cl 
i n hi n i j \ ,i.r) .tutm ui 7 i vu pi un ui mi i i ),),) t )) k ) ) 



ra mini ui ft lytri )()i_) i) ni i o yi i~i i.m m i)ir> K) iKiaii 



i) uiji ii tri raui i) mi 1 tui m 



nici ipiKIcm 



on o ■• ) 

il .1711 il) 11 in i) iin M) ik rj uil i n r i ? n ini \ il ,U) (KI ^r) i i ? i 

~. ° o Cl Q 

mi tl in ii inmni^innin^nnnnriintins tui ui un un en 

i) un i m ik mi _b) ld tn. i ri un t un un ui/i 11 in ui na i n '. ki \ 

o/ o Cl Ci a. / 

lii isn \ (Kim \ n vm \ un cm i ) -niuil uj mira mi i_n 

.o.O(?) a/ . o o . . Cl 

ieji ui in ,un ui un w mi un 1:11 idii 1 )i 11 11 11) iinhii irn ^ 

. . O a- o o O . o Q 

in 'ï cm ui xn «s ,-)7i ,111 1) mi ^ \ 1») ti ,m) a 1 un yn vu in ifn 

a Q . o 

mi ui 11 11 m -sj ).ii 11 11 Ki 111 mi ri unnriifjinAvnvii n 

Cl . CiCY . o 

1.111111 rivn 1:11 1 1 1 ^ 1 1, 11 1,1 111 1.1 m in iriuu uimi 



iituitHluii i) in (.) 1 11 1 1 11 1 )_s»\\ 



1 

in : I JK I 1 / »l t l.n il 



53 

spreid, Tjakra off Deewa (weleer een 
Affgod der Javaenen), als God met ver- 
stand en in regtveerdigheid regt doen. 

» 

UIT DE PAPAKKUM JAJA LANKARA , /7 MMn),M„M T ,,„. ( ]i„M 

Een andere Rerjul. 

Koesoema Witjitra, gierbaSa- 
djie, AweeTrinaragina, Madja 
rawa, Seewasa, waer van de verklaa- 
ring is, dat de Regters moeten ervaaren """" "/'/'' 
zijn, op de kunstgreepen der Durjana en 
Duratmaka: Boosdoender en Dieven; want 
zij zijn aangenaam van voorkomen als een 

Bloem; bun practijquen zijn zoo fijn als ^v""""""" '/'/'/ '/"^""""'v'"/'' 

Water, dat altijd nog eenige weg vind, en m « iiui j» yi m> ^i m, , f ,;,, ênh.vnvm.nMKin.11 

dat men niet vatten kan; als de Wind, 

zoo subtiel om ergens in te koomen ; als 

Mati Raga off Tapa: dat is, als een arme '•"«"■"'« T 1ÖH"~" «.«^«.«.«.ö*.,.. 

devote Cluisenaar, die om een almoes n^/D-n «ijj.ihihjn M£w^o!^«)j.>iaj8 

komt bidden, zijnde haer intentie intus- 

scben de geleegendheid van iemands huis 

. . J , -rrr ,, /V« T» i 'tsftni 'm IUI IJ l II lilt II IJ\ Lil LI hl II l' I I I I III I I I II : 'l 

te bespieden; als Wolken off Rook op ' *d co < 

de Bergen, zoo groots en stout. Dit zijn ^mn 3 zim^ umi m^Hu.uilkiHiN ^.u 

de Practijquen der Durjana en Durat- .g,,,;,,,,-,, ,.,_,, «,,,,„,,, .,,,.V ..«,.,. ,ni\ ,.,,,.... ,. 

o.. . O O ■ 

in i. ii ikj (rn ki \ tisn cni il i nu il i. n > n i n > i i i i.i ii i.i il 



Ij I I il i , IJl . i \ i ij £J j l i j i II ; 1 ii l li i i i _ i i. u j.j . l 



a i _-) i 

i n ii i i > 

J 

i t ) 

'•' II III II . .' I l-s Tl 1 I II I J \ I II » I I J_ I I II III II I I II I I 

i. / ) O o. • 

iiiiilj ii n lii ij i; i.j.ijii i n in i ii in i i . i i.i is; 



q. on .i 

1 1 / i.ii ,£..) \ i ii orj jij,? i ii ij n i i n ti i j jj ij i.i/iM i ii 



O O Q„ tl 

i i / hl „n hl i i\ n nj i in ii 1 1 ii i.i i.ii i.n ui j j 



LD/111 l I / hl „II ^hl 1 )\ lïim 1 I.LI 1.7 1 I 



maka. Dezulke zijn met regt onder- 
worpen aan Jara en Koekoet : berooviug 
van goed, en van vrouw en kinderen. ^unimmiAtdh^i^ 



. . a o 
ii lii fn ui hiiLiiLiinim \ ii lii tn hi i n i n ij i 1 1 n 



Nog een Regul. 



i i Ml tisn ttniiri <ii<io Jee tm\(ui-n ikh i.ii ;' i in i/ 1 1 1 f ii) 11/ 
ii ,ui(ifi-t'i isi (vttun in? <ntj vn ii i'i lecitnj) i.'n rut ma K»m 

Bij pleging van Malieng off dieffte bij ^li|ei^mi|ón .» ..-iuYli j.ij - m/m./ .'i ui <» 
nagt moet Titier geslaegen en openbaar o ^ 7il „ , „ ,, , „ 3 , „ , ,-, ,.,,, „ „, 7 , , > 

gerugt gemaekt, mitsgaders vervolgens de a a 

... . , , , , .. J M /../ I.I . : II. II 1.1 lil III LU I II 1.11 I IT 1/ I 'M .'il I MM l/KI 

zaak in kennis gelegd worden bij de t) 

Jaksa's. Als dit in agt genomen, en 't im^m^amrvi^Siaja^w «i^ni »-y »■ »> »y •" •» 

Boekti, het ontvreemde goed, off een ^ T „g.^,-,, ,,,:,,,,„ ,,,,,,.„ ,, y ,,M ;,,■„,, 

stuk daarvan daarna bij iemand gevon- o , , 

den en deeze zyn ontschuldiging on voor- ' cw 

geven duister bevonden word, bij voor- &^M&«^«tmi^"ni»2f* v j 1 4»&A**" '"" 



54 



beeld, als hij zegt het van iemand gekogt ,.,),,,,,,-, ,, ( °,,.„ >;,,,, ?n, ./l,,,,!,?,, 1,2,^- 



i.i i n i i.i ii i ii 1 1 1 1 1 1 j * I >i * ii in in 1 1 in ï.i i ii 

ï a a/ 

■ Il 112 in 1 n i.i l ll il i n > lil i II i i i 



i ip r> l.l I I I I I II 1 II l il ! )'">> 1/ LI) > 1 1 11 1 / IJ H) i 

te hebben maer den voorgewende Ver- o a a . a 

*-' nu/en A «m «n mii nn a^ 

koper het ontkent, en hij hem Contrarie 

niet kan bewijsen, zoo werd hij schul- </"<;/"<"<""</ y 

dig gehouder,; dog als 't door den voor- ns , r „,,,,i„ ,,iJn. ,.);,. in „^uyti ?,, mhot 

gegeven Verkooper [29] bekent word, 't zij > Q . 

l L J J 1,1 KI l£l M Lil i:i>)\ LI i II lil II III II 1 I lil tl 1.1 1.11 )\ 

in den eersten Persoon off verder als hij '" J Ut J / '' ' " >&t ut 

zig op een ander beroept, zoo is hij on- ""'/' ""-/' V' "y<"-/' "">?" 'W"^/" : 

schuldig, en moet den laesten Verkoper »jü ll M, l ii 1 .,|ummui.,Jn.l,|.iii^N ( lM 
zig verdedigen off schuldig gehouden wer- , , ., . 



li l») iruuiiiin.i i.nii ii ; i i.i i ii i i i ii i.n in i i ï,ii ili 



". 



den. Dog als de voorm. Kennisgeving 
versuimt word en den bestolene nader- ''/ 
hand evenwel het goed off een stuk daer 
van vind en daervan kennis geeft aen 
den Regter, verkrijgd hij wel dat goed 
maar geen dubbelde vergoeding, zoo als 
anderzins plaets heeft, en als hij van de 
wedervinding van 't gemelde goed geen 
kennis geeft aan den Regter, zoo werd 
hij daervan geheel ontzet en valt in 
een boete van 4 reael. 

Poodmisdaden, behoor ende tot de //'/ ''"■"«-" ' ";," "/'-" " -""" " '"•'' '11 '" - '7/ 

Vierschaar der Priesters. "> « \ <■ » ?1 ' 7 h " ' " • » > " j / < / &* " 'y • y ' ' 

UIT DE PAPAKKUM RADJA NISTJAJA "V' " ""/"/' "-'V ^ 

Awe Sada: Vergiffgever. niwimnr 1 1) fn n / / ^ im n 1 1 . 1 1 1 ^ m >ü 



Anga Ni da: Brandstigter. 



. o 3 

// 17J 111 I II 1 



Eehkawarna: Toverkunst. ,,; „;, /; /;/ , ,,, ;,, ,, „,,; „,, 

Paladara ing dia: Vervoerders off tl ,, ,,,,., ,,,»,,,, , ,] „],ii jij/i>iij jj.m^jiri. 

Rovers van Vrouwen, de Oosterse off . •> 1. . . .. . 

' i 11 11 1.11 11 11 1.1/ 1.1 1 > n m i.ji 1 11 i l i nol 11 1.11 ui ij» >' 

andere vreemde, die zig aan Cheribonders ° 

verpand mogten hebben, daeronder be- '/ ; "/' ><yv"W U1 -' 3*^ V "'■"V" ■'-'•; 

greepen; zijnde dit namentlijk een dood- ,.,..] ,,, ,„^, ,, , ,,,. ,, m ^i^uh 3 iihiudmi 

misdaad, wanneer de wegvoering ge- Q .0 o 

7 000 1 11 1.1, ; 1 ij^ii 1.1 j ;i 111 1 1 1 1 1 1 i 1 1 11 11.11 1 1111111 in n I 

ecbied tot buiten de grensen van Che- ' ' d 6 u ' 6 ' ' ' 

ribon, want binnen dezelve is 't geen ""'/ "<<""" • 7 /')'■'•/ ':'/ «••v-"'-'-"» "" 

misdaed ter dood, maer werd gestratt '"/•'/ 
met een swaare Geesseling en Prada off 
Slavernij in den dalm van den Vorst. 



55 



Radja Wisoena: Twiststokers tus- 
schen Vorsten. 



Awod Akara: Amoekspeelders. n< n n,,,^, „-.^ ,£LQ„,, ■ - 

Saniboeni Teliek: Verbergers van //«> i,g,£,£l.,?, h -„ r .£) ^, r , 7 ,-,,, „ ;>, ,, JQ^ 

Spions ; werden na geelegendheid ook wel > a n n n 

met een Lijfstraff naest de dood gestrafft. "'-''' ' I' ' >> W 



a 

i n 



Die ongeoorloft in 's Konings Dalm //7 öm.-.i .-,.y, ,!,,,,„',.„ ,,,,,„,,'. ,,, t/ ,,,,.,,.■, 






off Hof komt: staat aan 't welbehaagen 3 • 

van den Vorst, dezelve te straffen off te ^"-f""" ^ '' "" " "' ' "' 

pardonneeren, mits 't beide geschiedde nls "--'-/'"7'7" " •"• "" '//'!" '" "'" ■' 



'" > i t ii t i i ,i rii r, ,, 1,1 j) ,, , „ , ., 



met kennis van d'andere [30] Sultans en 
den Resident. 

Raraton: Een Rebel, die zig voor een n>iri>>:» > >>> >, ,j, ,i>i,,i ,,l Q<n„ , t/l ,,,„,„, ,, 



Bloed-vriend des Konings uitgeeft om 
daerdoor aanhang te maken, tegens het 



i/i * i nu , i i.i^i i ,y .,; :,) D'y in,, ,, » \ i >; nr, .in, 
Q _ .-_ _ A A . . . / 



Rijk en het Leven des Konings. "W ""'"?' "^ /""? """'< 

m m > i n n i i ir,i Li ii i il i ii i ii i ! i ii ,, , i ,, ,,„ , i , 



Lijfstraffelijke Zaeken naast de dood, //i^ '?i''^^'/«»/t'/;yKMii! ,^ |£/ ,/,,,, ; ,,,,,,,, , ( , ,, , 
behoor ende mede lol de Vierschaar ,m,n , ,Q ©^ L ,, .& IW , ,„■,,,, ,, ,, , i ,,, 

der Priesters. NfctA M &SW 



Van Drigama: Regtsoeffening der //> » »" nt.»fpniniïjyn> >.:,,.,. i,,,,] y, ,,/,-,,, „ 

Jaksa's treed men somtijds tot Aeama: o o n 

om. o uivu .wuiuj o-i-guuju. t^lijtsmwijll lfll> II I I ,.,, Ij IJ, II IjlU?!,!, I ,,, | „ ,, 

Regtsoeffening der Priesters, te weeten 

in zaeken van Jaja Praijaija, dat V™i*"7V*»<Sf«*V»'*l°l&<i*'*«i 



is in zaeken van Doodwonden en an inrna^^-niuaui^ ^uwju 7 mui „,,, m 



dere swaere Quetsuuren, die gestraft atmi fl tóf0l fl M .mm',,),, 
werden Kis as: met de dood off het af- 



>Q«»ttgj> - 



• ,, i i i t-i • ii i >i int il.) >, il, >£>)<> . i.tl i i i , i il ,,),) , I i i : , -, 

hakken van de hand. En in zulk geval i ut t ui n 

werd Jomana vervuld door Agama, te Jinim|MMHiMiui.iMm\ ,.„ imam :, ,i),j, ,, 

weeten: Bij aldien verscheijde Persoonen , r;) | L|| ; / „!,! u/ ,„,„,> Il// . 1/;| / .;, / , ( ,, , (/J ,. 

verklaeren gehoord te hebben, dat den a , 

... , , . . , 1 1 ii ,,n ni n > i >i fqnam\ i m i i i n, : i , , u i ,, i ., i , m 

delmquant bekent heeft zeekere wonden ' ° ' 

aan iemand te hebben toegebragt (boe- ^irfMt ui^vvj^min, , , r ^nnx^3),,ni t) ,,,,,, 

danig getuigenis Jomana genaamd woid), , , /M , .. , , f/ , „ (/ r/ , , , „ lll \ jl ;,,,, ,,,;), 
zoo is den delinquant daardoor in Drigama 
niet straff-baar , als met geld-Boeten ; 
maar in Agama wel, namelijk met bet 



56 

afbakken van de band, omdat de Pries- 
ters het gemelde getuigenis laeten ster- 
ken met Eeden. Dog deeze straffe werd 
in deese tijden niet off zelden g'appli- 
ceert, maar in dies plaats gemeenlijk een 
Qeesseling, Brandmerk, en Verzending 
in de Ketting. 

Een Articul die thans in de Papakkwn „^u^n^^M^^^ölgi^M^; 



werd ingelijfd, om voortaan tot niiiiiti,|i.n|i.iiu.si.Rii|™ui 



een Wet te dienen. > >m EmA&^tajutn/i^ 



De geschillen tusschen de Priesters, ^vuM^^njt^St^t^tStM^n^^2i>^o^»sn»m 
als met namen de Pangoeloe, Eatib, 



/" _ .9. 



xrn zii) mi vin n» ei i.i ta n tn y ui K) n trti dei ~n n di i 

Modien, Marebot en Madana, zullen 't ' Ul <* *~ 

zij wat zaak het ook zij, voor de Regt- «-f«|«-*«|«|«| v^o^^ud]^. 

bank der Priesters zelvs afgemaakt; en iumiS wil ^mm «uut^ünnKmMai {^w 

zoo een ander haar of zij een ander ac- a a a. a o g) n o. 

° X-i 3^1—1 M »tn Dl cm % Kil 1SÏ1 Tl Ml Ml en «a. in kiti ■jaMjj 

cuseeren, zo zullen die voor haar Regtbank 

betrokken werden. En zullen voortaen "tfM 7» , foje8^™" , 4 -a-a-l,0,,Mm -| 

den Eijsscher en Verweerder de zaak mtmMimMm^^^êiuanniqMaKtiqxmcuiêi'niq 

schriftelijk, bij een Soerat Prateela off q q a . «..„«« Aft«««A 

Memorie aen de Priesters moeten aeDge- 

r«ri tt i • i »i_i iii lti pi til iiMTjtn^jthi wrLi Mi/l «iii«jp jiuim 

ven. [3IJ Het voorz. voorregt, is egter niet <-" ' '<£-« ^ ^' ' '«-' 

verder te betrekken als tot de Persoonen > "-» g -% ^ 1| & *m ^ «^ <m mi mi is* w .^ ^ êi 71 u > m 

der voornoemde Priesters alleen, en niet M _ sl ? lw , s f ll , /)|1 : 1) ^ )i;T)U?i/I ; H .u, 1 m^u ( .o 
tot haar bediendens, alzoo die voor de a x o 

-»,,.- t 1 j 1 11 "Tl Kl\ «4 ^ W! umpriKn unEannnmniaJIJIscn'ft h'iini 

Kegtbank der Jaksa s betrokken moeten ».»-£-< *-* 

worden. Maar het voorschreevene zal in « -^ *?«*> '"-i^ x > l "**^ ^ ti7 7 KT ' ** "-' N ' v ' V " ' 

zelver voegen nog plaats hebben omtrent t} , g j> o ^ ^ M o u o g ^ ^ ^ ^ « ^ , , 
de volgende geestelijke persoonen, na- a 

,i..1 « • J /T-l 1 .'.11 r» tri ItlKJEllUTllh Tlrm lil Kl'Tl L^l -^171 UT1 7V1 M,J 11 M I 1 

menthjk: Said (Een hoger titul dan Pa- ' KJ>( ^ • 

ngoeloe, en werd in Mecca verkreegen, h^ytitj.^mi^j^i^w 

en is Erffelijk van vader op zoon); Sa- 

rief (een trap minder als Said, een Saids 

dogters zoon verkrijgd deese titul) ; Cha- 

dji (die hier van daan na Mecca gaen 

om te studeereD, en na geleerd te zijn terug 

komen) ; Padrie Jang Adiel (Priesters die 

groot nog kleine zonden begaen, en geen 

Godsdienst off Bedestonden versuimen 



57 



maar devoot zijn) ; Padrie Jang Salieh 
(die alle Godsordonnantiën onderhoud 
grooten en kleinen : de groote zijn Sam- 
baijang, Poeassa, Hadjie te zijn, de 
Huwelijks-wet te leesen, en tienden te 
geeven, de kleine zien op onreine Spij- 
zen) ; Padrie Jang Waraing (die niets on- 
reijns eet off doet, en niet alleen 't Quaad, 
maer ook den Schijn des kwaads vermijt). 

Mindere Lijfstraffelijke en Geld- 
hreuhige Zaelcen. 

UIT DE PAPAKKUM OENDANG 
OENDANG MATARAM 

Onderscheid in de Boeten, tusschen 
gemeene en groote Lieden, na Proportie 
van hunne rang, als : Een gemeene man, 
4 reaelen ; Een Bopatie (subalterne Re- 
genten, gelijk de Pangerangs van Talaga), 
15 reaelen. Een Prijeij Besaar (Tom- 
mongongs) die het ornament van een 
Lampiet off' rotting-mat, en Kandaga 
off doos voert, 10 reaelen; Een Prijeij oem- 
boel (Hoofden van Negorijen, die wa- 
dana's off Hoofden over andere mindere 
negorijen zijn en den Rang en Titul van 
een Mantries hebben), 8 reael. Prijeij 
Leloera (die in de Stad resideerende, 
't Bewind heeft over een off meer nege- 
rijen), 5 realen; Alle Bediendens off Kneg- 
ten, 4 reaelen. 

Die iemand leijd in Pringa, dat is 
Perijkel: Plaetsen van Perijkel zijn, de 
Hoven en Lustplaetsen der Vorsten en 
ook een ieders eigen woouing; zoo men 
daer niets wettigs [32] te verrigten heeft, 
die valt in een geldboete van 10 reaelen, 
zoo het een Prijeij off Mantrie doet; en 
bovendien voor ieder Jaksa 4 reaelen. 



II u K7 tfn [tui i,n viajt-ia Mn i.i i n » i.i i ojnKiinna-nxaxm 

■*.».£■» Il IK ;/, '») f. 11 L77 .),»), f. I IC) 'ü Ij 'ilJliMmill; Ij NI 

o . G)D c, 

I I ! I II 1 i Kil II l II 101 hl LI 1-1 1.1 II Ml llll KI -. I \\ 

00 rf I o 

) . ). 3. ) 

jl I I I.I 1*11 I II KI ILI 1 I 1 III I.I I tl _ I 1,11 II LI I. II ! I I 



r 

i/ii nh (in :ih <f i i n ti i&iji w 



O- O 



/. 



1 1 



II Ij hl Kil 1 Ijl Ij Ml IJl 1-TI 1,5) Kil I \ ILI i Ij 1 1 I lil l II I 1 I 1 1 



'3 . a 



/ 



-. ) 



n/iiisnn - i i ui iï) li in ki ki i n \ 11 i w n ki > li i ii i Im 
o ") / Cl O a. > 

KI I j KI j lil I I II ! lil 1 1 ,11 111 \, I 11 (Til KI , I II I II ' 1 I 1 II 

J. 
i n i.ii ij i.i ' i i -i il i i ti mini i n n i in a ij 1 1 1 i.i _ i < in 

o (?) ( ' ei 

lil I III II l.ll 1,1 'III lil Ij 1,1 11 KI KI I j 1.1 - I I j II I ( Ij II III 

iu /( w ij ui 1,1 ~i<" i'n.i >i< -i M£ J " '/' " ' •' 7 '" l ' ' ■' 

ij ii i.i i i i i ii ki ij yojin t.i> ii/ ij ■>" '" ijjj >i ui i ■ 
a O a * / 

lil lil II j lij »l >l ,1 lil KI I j 11 j Ml I I lil 1 'I \ 1/ Hl Ij II' 

,3l Ij KI ' I I I II II il 11 KI Ij 1,1 1 I III Ij 11 III II I I 



l,i i/i >i >> 7", i)K" !!>>l '< 'ii-nijiniiiiinj 



rt l/l 

11 11 l II ' II >l I II I I I II III I II 



M Ijill'KI '1 ' 1/ I >/ ' >' I "'/ '/"" > ) '" '/ 



) 



hl'/-''"- ij'"'")' >",>,"■<-> mi iii ii 'i ui n ,i iji ii 



3 1 . 9 



,i, tJn^iitiiiiK', n'l'/ '■>- "I"fl """"/ ' ' 



•) 



/ 



Ml 

00 



,j i.i i.n i i i n i ! K»_: i in ' iij ' " 



58 

Over een Quetsure, met eenig ijser , r 7 ,„7 7 ,,, 7 ,,, g^gj ,;,,„ « „,, , ?-, , _ 
geweer aen 't Ligliaaui boven de gor- . ,,,,<><■> 

gelknop toegebragt, 10 reaelen en den , 

n JU J 1A 1 '''■"""-"/"/>'/ " ">><>/ < > illU'il'l ,/, II > I, , ,, r 

Gequesten daarenboven mede 10 reaelen ; ' ' > ( 

en ingeval van twee wonden, dubbeld 7"""7/ </-";/' <<""/</"''/ ""-"/'"'"'"/ 
voor den gequesten. v L " L " ■'/ ' :, i * 



Over toegebragte slagen, beneden de //'/""y n^inê, :, ,,, ,,,,, , /7 ,., ,',, , 7 k, u *h M 

gorgelknop schoon nog gequest nog ge- ,,,, 5, . ^ ->. 

Ö& r O O ~L OO y' -l> >> '-il' 11 : 1 m i n 1.1 i ; li ,,., i ,,,,,,,,.„,,,,,,, , 1, 

build, zoo er bij menseben kennis van 3 "- ' 

gedraegen word, tot vergoeding van '' V ",7 7 ;'"'■'"'/ ' '' ' "v •"""«-" 'y - '77 " 

schanden, 3 reaelen aen den geslagenen ; mnij y.u, ,7,^ y, , ,^ t , „, , M; /M.y , ( y, „,,m 

zoo de huid gequest off het vleesch ge- int . . 

O "1 O LH I.J II I ■ I 1/ • > I I I II 1 I 

buijld is, 5 reaelen. 

Zoo de Quetsure van dat effect is, dat //yiu,,i ~i<n< « y /.y, .,,.',, ,, 1 ,/i.n„ , ,, u.lij uu 

iemand daerdoor buiten staat is, als ?. o o a 

' 1,11 l I l 11 . ' I II Ijl! I I I lil I 'Ij U lil ILI jll 111.11 , lil I, 

bevoorens zijn werk te doen, off kost 

, .n 1 II I II II I II II I I I I I ) Ij II lil ILI I 

te winnen, 10 reaelen en een vergoe- ' t H w ui 
ding van een halve nienschen-prijs off 
lö 1 ^ reaelen. 

Zoo iemand geslagen werd boven de //'/""/f":; '/^"-^"lUM-y/^y ham ,„.-•, 

gorgelknop verzeld met scheld-woorden, „„/,,„, „ f l>JL „ ,, lr „ ,],,, ;,,,-„ ,^:,, , r „, 

dog zonder de huijd gequest, off het _,. ' 

,,,.,,. , , " ''' ' " " ' ' ' ~' ' " '" 'j'j '7 '-' 7 ' >>' 'Il LU 1,1 I I I I lil , 

vleesch gebuild is, maar menschen daer - ' > < <■' 

kennis van dragen, verkrijgt 10 reaelen. '> ni '""-'/ 

Bij aldien een weduw off gescheidene u^n, i.j,.,,y,',,,>, ,:,y , ,, ; _ii,, ,.,). n, .-,,, :,,_,,, 

vrouw, kinderen hebbende, door een ge- -, Q -> -, 

'l> >> 11 ijii' i-21'i II i> -n in ï 1 i'i 1.1 1 n i,n 1 1 1 ni\ 11 

huwd man tot onkuisheid gedwoDgen 

word, verkrijgd tot Pakolie off vergoeding 7 '■"""""■" "'"'/ " "'77 'V;"/7"7'7:7' 

van schande, 10 reaelen. Een Weduw off mn,/ 

gescheidene vrouw geen kinderen hebben- > o o a , 

Ij ij 1 11 1.1 - 1 11 1 1 11 1 . 1 1 n 1/ 11 I 1.1 1 \ / C Kil li y t.n 1 n } Lil 

de, verkrijgd in 't zelfde geval tot Pakolie 



4 reaelen behalven dat den dader in alle V " L "'l " ' u "~>' */;''/'■"" ■ "7 " ""7/ 

drie voorsz. gevallen verweesen werd in h^h, ,.,.,■->,, ,?, ,],.»] 7 „,?,/,., Q M fl M n U , 
een Boete van 10 reaelen. Een Maagd 
als voren gedwongen werdende door een 



iii y 11 111 iLi,) 1 1 11 1.11 / >i 1 1] 111 1 1 i'<i 11 n 1 11 111 1 



weduwnaer verkrijgd tot Pakolie 4 reael, "V"" ' J " ' ' ' : ï" '/'" A'°» -'-7' < 7'' : "" '/7 
en den dader valt in een boete van 8 reael. >/i ^ .■ * > » n ~> i/l>i> n'n n ,.,, , r,, t/ ,, ,,, ,,, j , ] , ,., 
Zoo een Maagd door een vrijer tot ge- 
meld oogmerk gedwongen word, verkrijgt 
tot Pakolie 4 reael en vald den dader 
daarenboven in een boete van 5 reaelen. 



I lil 1 I I 1 II 1/ 11 I I I I / II I I ,\ 



7"/'7 



59 



•■ i ii i i i i ii 



Twee Persoonen met den anderen veg- ,,™ ,,?, ,.■„„, ,,^,l,,7....i./ 7 -u 7 m, >) ,) , 
tende, en den een den ander een quet- . , o o . o 

I II ) 1,71 II \ III I / hl 1,1 -. I I II III II I I II l I ) I I II III l.l )j 'I 

suur met bet een off andere ijser geweer " a 

toegebragt hebbende, vervalt in een boete "" "/"",')-/;!'"" "/ "/,'. 7" """ -• 7'"" r ' 

van 10 reaelen en een vergoeding van 17 vnw S isn n» i/^iiuiu^^ 
reaelen. Die iemand in een gelijk geval oo . / / a .o 

° J " ft ii ri > i,i in 1 1 1 i ii i ii i,u \ i i /mi t i t ii i H 1 1 1 i ii ui i i ij 

quest met een steen [33] off hout, en de 

wonde doorgaat tot op het been, betaeld 7""""7"'» ? - ««^««««.^««r.wa 

een vergoeding van 17 reaelen en een >n.,.j'ui ^n, ynMnu^lu^ ;_,y, n.|«|ipMH:iJjj\ 

boete van 10 reaelen als even. Zoo er (/ , o ,, M)/7 , y7 nir , M ,,,„„ „°,n, ri 

twee wonden zijn werd de Pakolie ver- 

, , , , , , , .. , T .. n i 1 II 1 I , II I II I I I I I I I II I II II n ^ l\\ 

dubbeld ; ook verkrijgen de Lijders be- I < &- 

taeling voor de medicijnen totgeneesing f/'7 ü '^ M - i * M, ? m '^™* 1 " w " rn ^ MW | ? "(ü3 1 ' u 

üer wonaen. > * j,,,,,^,,,,,,, °,„ , ,,,.^ , , ,,, 7 ( ,.-> ,,i^,i i t n n 

De Bloedvrienden van een Neloe off Q , 

, mp , n i-ii iii i i i'ii ni ui,] ii in i i ~ i i> il in ii i i' ii i i 

lovenaar met hem in één Campong woo- ' 

nende vallen in een boete van 10 reaelen / ;"'' 7,7 ''" ■" " " ■'■"■■ 

ieder (werdende verondersteld dat zij r/ , lll , 1 . J ir '„„ 1 l „ l| ;,r^„„ ) .nn, 1 MMM, r ] 

kennis hebben van hun bloedvriends , 3 Q Q ^ 

II ,X II > I III II l.l l\l • I II I II ' I II II I I I II II I II l.j I I I I I n 

Tooverkunst, waarvan zij hadden be- * a ° 

hooren kennis te geeven). Bij ontkenning "/;/77 l >>»> ? >> A > l >iy i r'"l "TT" ""•'/■ 
werd de boete tweemaal verdubbeld, en 
dus 30 reaelen betaald, en zo er menschen 
die daar mede woonen kennis van heb- 
ben, vallen deselve mede in boeten, na- 3 , 

.„., -._ , . . il i i i\ i,ii ï'n i i mi n/i.i i n - i in i i i > >i> ' i 1 

mentlyk 20 realen ieder. " ' ' 

UIT DE PAPAKKUMDJAJALANKABA 

> 1 ) • >Q ! 

Al w • 1 I 1 II III I) I 1 1. II 1,1 1,11 1 I II lil II I I II 1 I ' I II I I I I 1/ III '' I 

ng roesak Maniek: bedervenen //'"'/ <,:/-' ' ' ' 

uitrukken van Limiet-tekens, een boete ,,„,,i ,.ia >,■>]> > "Vy & " y "" 1 "'"' 1 '"'" " " 

van 16 reaelen. 



j.) i n'i]-!! II i I in I 'M/ '■'" ■' ".») '"'/;'// V '/' ''■ !'" 



' i 

,/ J ( jj lil lil j 



Die iemands Sankoel off verpandeling //•■••• " '/ " ] : V '" ' " 7"'7' '" ' V" r " »"'" 

verbergd en tragt te vervreemden, valt iï,iini .i'i,.)i.inn << -'"'/" """/ 

in een boete van 4 reaelen. „„,,,,,;,,,„,„,:, «*»*«**& > *«»&& 

Die zijn Sankoel off Boedak, zijnde "' "'< 

„r 1 ■ 1 «1 1. J .ft, „W ,n in I» tl'l I I il I I l.l llll > I 1 > I * I 1 II' II III -i' 

een Maegd tegens haer wil bederft off >""" \,,, i ' i 

beslaept, valt in een boete van 4 reaelen, ,;' (/M ,,,,, ■„:,,.,, ,,'i,.i> nm,,,;, ./■>. ii,>>i]<»> y<< 
en verkrijgd verligting van haer schuld ,.,,.,,.,.,,,,;-,,,,,„„„,* 

5 reaelen. 



60 



Die zijn Sankoel slaet, dat de huijd 
en 't vleesch gequest worden off dat het 

boven matige kastijding gast, als boven 
een boete van 4 reael., en verl'gting van 
Schuld, 5 reaelen. 
De Boeten zijn: 
Nista off laegste van 4 reaelen. 
Madia „ middelste „ 8 „ 
Oetama „ hoogste „16 „ 

Pakolie off vergoeding voor d' oneer van 
't slaen en schelden. 

Gemeene luiden den een den 
anderen slaende off* scheldende, 
een vergoeding van. ... 8 reaelen 

Hun vrouwen, den een den 
ander scheldende off slaende. . 4 „[34] 

Kertini: Een Bakkelan in de stad, 
rang hebbende naest een mantrie, en 
Boeijoet, Bakkelan, en Koewoe: alle 
hoofden van Negorijen, ieder 10 reaelen. 
Hunne vrouwen ieder. . . 5 „ 

Juragan des Konings . . , 12 „ 
Hunne vrouwen. . . 



Juragans gemeene . 
Hun vrouwen. . . 



Kabaijan op de Negorijen 
Hun vrouwen. . . . 



6 



Kabaijan Oendoesara. 
Hun vrouwen. . . 



Kapalla Boedjang: hoofd off 
Mandadoor over vrije werk- 

luijden 4 

Hun vrouwen 2 

Panakawan: Lijfknegten des 

Konings 8 

Hun vrouwen 4 



8 


» 


4 


» 


4 


» 


2 


» 


6 


n 


3 


n 






II ,n Si in i o yi ■ > " i 'j ' ' '<y " '■/ ' ' " ' ' " •' ' ' " " ' " 

, , ,,"', , „ j, , , ,,' ,', , , ,,\ ë) ij lO/iaèn : i i ii i "WW '/ ' j ' ' 
i'n n -ii ui ruin 1 nnsn n in (M on ikt) i.iii i têa 11 -n i ut ruji w 



o a. O o 



1 11 (£7 \ n.j) nn «n ikj) 



i.n i finasns £n ttntf/i iuiji«i(vii«ifj«n nsn \ xn m<unnsn <tn 

wmmm -jn nsn w 
co 



q a o o o . 

" n (1SI7 LL? (KM 



II iuj ihi Kil iui n arm «ui mn iuj m a 



IK (KI (E/7 «V) (KI n v 



^A 



Cl . O O 



II «i i ii (in nsn hm m «ui h'tihk on oji «ut non lXJt 1, nsntvinmaji ho 

Q O 

(IJl VI (Kin llll rniHYIt«UI!Un KI 71 VI !W|ipl lUrUIJJ «f LM (KI _•* 

O . 

virinxit ho^jihjkvi rinm nnnji «i rum «ui <un «o mi nsn «iti 



(UW «UI/I w 

..Il 
t 3 



II hoi (&M«sricmvi(i^(m<HTi«uicrrinr)\ urn ,isn rui mn mi «f «sp 

/ o o 

1 / _ 1 \ [ki nsi 1 hoi tui \n «IQ n&«ntEV «ui ijTi tuit) ji 1/ 1 noji ,1 1 ri hoi i 



a 
«ui 



f ° 

Lil I.) I II 



uil on mi (ui «ui 9 nno mui «yin «lint 1.11 n «i inruiitnrjni 

1 1 1 njin w 

o 

1 1 «I (LM M Tl 071 (KI ^/! (Wl cm HXI «ïl<&\l\ tul IJ HOI l (TUI «Hl KI 77 

/O O 

«inr) iruirie-injuivuinri Lul<in«m «i «non ri «a ui ruin \\ 
o O a 

II «I HM (KI Tl I II 'in -Jl I. KI QFJI HOI II l 1 77 KT) l «UI Uïl I.ITj (VI l «Ui 

/O 

«jnn ti.viiruin«i itilnjinm n in i i nsn «ito mu «uinw 

o 
ii «en dn 1 1 1 77 (Ki oji mi «lonit irui H/n no tui nsn 71 n 111 «uin «1 

/ o 

tl (LM(,*Q(LTI7 77 «Q 17 'tl 2 77*70 lil ILIflN 

II (KT) (Cn HM «Tl ~IYI(itl Ml) NiLO IllKDJiM/I Lil (K) (KI «I f I 11 I «UI II 

)i 1 1 1(7,1 1 // 11, in nsn «in n-~n u i«ui/j^ 

6^ Ou o o 

II hji «71 HK een HtnaJiriiui taji uinnjiriien trui un in i uu 1110 

HlUrUIJiri Lll(jn(im77(K7 77T7 877T7 lll«UIJI\\ 



61 

Vakolie off vergoeding voor Mantrics. 

Pepatie 30 reaelen. 

Hun vrouwen 15 „ 

Tommongongs geen Pepati 

zijnde 20 „ 

Hun vrouwen 10 „ 

Demangs-bebauw off eerste 

demang8 16 „ 

Hun vrouwen 8 „ 

Demangs-ordinaire ... 12 „ 

Hun vrouwen 6 „ 

Jaksa's 16 „ 

Hun vrouwen 8 „ 

Ranga's 12 „ 

Hun vrouwen 6 „ 

Jngebeijs 10 „ 

Hun vrouwen 5 „ 

Radja Peeni: Tweelingen, gebog- 
gelden, en andere wanschapenen ; voor 't 
schelden en slaen van dezelve, een 
boete van 15 reael., en voor hun dood 
66 reaelen off Twee maal een menschen- 
prijs, 't welk genaemt word Bewat Ka- 
prabon, een Koningsboete. 



o a o» o O o o 

jj Ij nCKHnnUlT) tui tm n n ninm ?nui xm ijj *2// NX 

o o o o . / 

nxn ui nsn ^ min wit trui xnn tuj non nsn nm 1.1 i i mn xn nin 



{ ii i non finam w rui trui aJi -jn nsn w 



G) .. o o o o 

j I nsn |(B? 07i nm vi xa ri nxi tui nsn^uinnnm l trui x/n tij non kdim 

/fa / 

nntuixmntn n iiiixrixrn tn ito tui ttxi tui mn nsn w 

n xn iê/1 .i n « >i uti ha n h n ttna \ m tui mn tnMnJi m Jn un 
o a •. / 

Tl ScniHl (UI (Klflll vi i nji ;un Lil \\ 



i ifn mi (ki n n vi t trui mn i i 



il ir mi -^v ,\ji i) turn trut tun tui M/l nn if.n na <M ~/n nsn \ ti \ n 



i ii i 



"JTg' 



na tui non )7 u) i tri/i a 



£ 



Q Q O tl / O 

I ti rrn n .1 xj n oiz, rui x/nuj non nn rui i i m i i jn i »i \ tï m 



i.i n i 



1XO IE'1 ~/llnSn \\ 



O O O /Cl 

ij i i i/ i n un tuiriuiu iï i i n 1 1 Ki/j i i ui i iuii i ii ->i i 'i i/ 



/ 



o (i Cl . o (?) £~) >■ 

il tuk »i ui <m nsn cm r? <iji n i i i ia tui tun ti i > i : i i i i.j >> 

• n l'q.Ml Ml Jlll l.'llVj 



nnntm ' inui^/n in w 

P' 

isrj \ i. ii ij ia |M isn iii is'i'i ft ui ij ii ii f >■ n 

i&iru/j in tui tiJijj tên cm nuijj urn i xri m tui 17* •; na o > \j mn 

o o / o o o O ~> 

mi i:i oo i n hl ii ni m \ i i in i ii : i : i i ji il i ''/''/'/ 

D / ei et O 

m ixrumui 1.1 ~>hm\ ^ ""/,/;/ ? '''''' " 7, "/i' '/ '7 ' ' 

o O S 

m mi, i i ii i n >-m - ii i ii i.'i •' i f i ii 
CJ v_^ f (J 



Vakolie off' vergoeding voor beesten en 
vogels des Konings gestolen iverdende. 

Een Koebeest 16 reaelen. 

Een Buffel 16 „ 

Een Bok 2i/ 2 ■ 

Een Kust-schaep 5 „ [35 J 

Een Harte-beest 6 „ 

Een Gans 2 „ 



//'/ 



, i in i,n i n i i ii i cm ii i n iMMiii 



mi tuinxK iiiirintHnTi w 



nn/i im mi tncmnn u imxci kiim/j i i i n ui i 11 im ij i i i i ] 

/o ei a o ' 1 O / 

II untóxfh i ixii ii in m i I mij m^ ii i i i n i ii 

II mi nxvrnnrufA rui m ~n t " 

II Qtao 1 1 i \i cm uj 1 1 i-ijj f* en m i n i I ; i » i n 

II bi in <iïi *n truin ui cm ij jü >h i i ni nnsn 



ie/1 np xn nn -. 1 cm 



V 



° Q 



tui -jn i n 



n «jn on ncn^Acm rjmun rui x/n nsn w 



62 



Een Eend- vogel 1 reael. 

Een Kidang 4 „ 

Een Steckel-verken off Landak 4 „ 

Een Tanggieling 1 „ 

Een Kantjiel 4 „ 

Een Tangaloeng 1 „ 

Vogels. 

Een Pauw 4 v 

Een Pauwin 2 

Een Boshaen 4 

Een Boshen 2 

Een Tortelduyf 5 

Een Koetilang i/ 2 „ 

Een Geele Loerie .... 1 / i „ 

Een gemeene Loerie 

Een Kakatoea 

Een Atatcambang( overwalse 

Een Atatwoelan S duijven 

De wijfjes 

UIT DE PAPAKKUM RADJA NISTJAJA 

Pakolie o/f vergoeding voor 
gesfolene Bomen. 



n 

n 

n 

F 



Een Clappus-boom . 



t • ■ 



1 reael. 



nog geen vrugt draegende. l \\ „ 



Een Pinangs-boom . 



l / 2 „ 



nog geen vrugt dragende . 1 \\ „ 



ij urn in ji mn rj in iun i i <?n - n i n \\ 

i) tl» «i int) ^? <m j? in mi i i >n isn w 

. o a„ o /" 

ji HST) w ruj mi crri il m i i 1 » i n \\ 

a a / 

n un ihi vui ~Ji cm n <m urn <vi nn ~/n i<m \\ 

n nsn cm /rij ui cm ij in tji mn nsn \\ 



Cl . a / 

niê/i-n imi/iiri ihi i imriri/tnun i n in ,n tsn\\ 

) o o / 

n : i'n mij i i rj OXit (KI -Ji i n ij in in n i i n in w 

a / 

II i n > u ;:i ii 1 i l in ij in n in i.n i i in I n \ 

o O / 

// i u mi,£i »D i^i >n in i tin ~ji cm /n /in tot trui i n in. 



II 1,11 II. I lil II III II in I I I n •' I -JI 'J-',/Yi 

il n iri /ni thrniii) i s i rn rj i i 1 i > j >np\ 



nv 



i,i / i 1 



/ 



II \,n i,n i ii l l 

II i n i n i n (TUI i, i/j w 



IJl >/i >> JOIN7I i I ' y ui y i i I > i ~n 



o S 



II i ',ii 1 1 i in i I ii^i in ij in i i ii 1 1 n i n i 



II 1 1 i i i. n i^i in in i i ii i in ii n • i 'n i irvi 1 ''/ '-' 

i. ) o 

i n j mn i i i i mi l i j 'ii , m ii iliw 



i><iaarn9(urf r ris/i " ijl » " ' j i i i n -i m ij >n>» ''•''ƒ ' ; 

a a 
n/f i ? ti m tin cm /n tin/ii nnn iiiirvinw 

Ij i.nni ,': i n' i ij i:i ij i) in ij : i ' i n il m ij inini i i i ij ' i 

i iij i iij i.n 

niKTjif liini/i l,Tl~Jj in ij : i > i n il mij ili li iji i ij in i 1 

i : i -Jl inJIJj w 

Ij i ■; ijtn i.il iji.iijnui.i ij : m n ij i'i n I l xncmijini i«JJ 



63 



Doereen-boom 1/2 „ 



nog geen vrugt dragende . 1 / 4 



O Q. 



n 



/ƒ 1 1 ijhin >/>> f ; > 1 I " - I' f '/ ■ ' ' 1 'l '.' m >l 1/1 11-. BI I 

■Hf* 

//""?,"/ 7" /:,"/'■' 'I hivnytaiz tïi , , i ,,,',,/ 1^, ,, 

Ij.llll^liln 1,11 ft 

I 1/ I I, 



Een Madja off Kawista boom x / 4 „ 

nog geen vrugt dragende . 1 j i „ 
Tebce, Lacs (een vrugt als 
Coenjier) Pisang, Oebi off Pa- 

11 1, r«».»i II 'I ' "'■ 'l' LI '-'fl * i-mti.ru ii i.i , i 1 i 1.1, ,. 

tatter, elk i/ 4 „ [36] " ' ' °» / , c/ / / tf 

[\mi \ 



jj 1 11 1 11 1 int VI n t.ii 11,11 n i.iki i i i.i, ., 



Ij 11 1 tj 1 tndJUt w 



UIT DE PAPAKKUM JAJA LANKARA 

7 Arliculen van Rooft. 

1. Ambeegal: Rooff' op algeson- 
derde weegen, off in Bosschagie bij dag. 

2. Ambapang: Rooff in de Stad. 



3. Annajab: dieff'te bij dag uit de 
Campongs off buurten en uit de huijsen. 

4. A n g o t i e 1 : Basaer- off markt- 
diefte. 

5. Barak: Rooff-partijen bij dag 
om Buffels en Paerden uit de velden weg 
te baelen. 

6. Amer Kunung: Die dreige- 
menten en geweer gebruijkt in het kopen. 

7. A n g O e tj oerie: Die door zoete 
woorden iemand verleijd, om een ander 
die goed kopen wil te vertrouwen en te 
crediteeren. 

Deeie 7 feijten worden aan den Lijve 
gestraft na Bevinding van zaeken, dog 
ontkent werdende, en niet genoegsaam 
blijkende, in ordinair Proces afgemaakt. 



jj II I.I, l.ll I I ijl LI l.ll ,1 l'll I hl LI I III II I II I 
I. I 

ut un (L/j 11 ini ; 1 ft lts ili ili 1.11 > 1 

) O . . • 1 

1/ l 1 LH ij^-l til ILI 1 1 11 11, 11 1 1 1.11 i tint .' 1 _n 1 n 1 11 1.1 11 

11 lu Lti ui na arnföTKan&jn i u i 1 1 n i > 1,1 i i l.i Si w 

jj I •! I II g» UI \ II) mi II 1 I Ij 1 U 1 II I I ,!_! _ ) I J 11 l.ll I.I 1,11/ 



1 n 1.1 cm 11 w 






ji Li l 11 1.1 1 Li itijj Lti nrt ij 1 1 ij li > ij 1 in l tj vin / n tl/l 1 1 n 

1. i. Q> 

I I I.I Ij LI ' Lil I I l.ll II I I II Ij LI i \\ 

. . O O O . i. 

n ,ci Lil 1 1 1 11 ili ij .1 11 ntt ij 1 I ij 1 1 / ij in 11 > 1, lui l ij 11 1 ' 1 11 

tui 1 1 n l / >) ; hJtqtui nit/1^.1 \\ 

Q O . . ■ ) ) 

n ei uri iti >i in/j 1 nnnriitJI'it ,1 i 1 i.n i n itnii ui tui iii.ni 

o 1 
uil cm mam, tin ivt tin m mui w 

C1C1 Ct Cl 

II <vt xm it&i 1. 11 w\ lh nntj 1 1 n vitecirtiuil 11 1 mi in i i n 

I I ,1,11 _ I I IlijLI lil !GJ«lt»{\\ 

O OO O 3- / 

II 11 LiiLiiJim\ tL.nnniji.i 1 1 : 1 1.1 1 1 1 111 un j i ij i.i 
o 

IHl UJl IJ) I 1 1 II I 'UI <T71 1 1 inji w 



jj lIi ini ili (Kil 1. 1) mi ij 11 / in* 1. 1 ili - 1 '1 1 y ^ij i. " ' 't t i / i ƒ 
.,,1,,) ■<>i,,i.urj,.tji>>.,<j>/>>i tjiiiii-'.ii 



o 

1,1 i.n \ 1 



e ct . cy o. / 1 

ij uil 111 1,111 1 1 1.1 LI : I : 1 1 1 il i-j in ' 11 ' 11 1111 1 1.1 11 



*TJ/1W 



64 



Non 6 Ar Heulen van Malienq, behelsen- nn^mPir, ,,„.-,,, %,.,,, ~* »■ 

de diverse misdaden. 



U I I I II ;.l 1 I _; i i i ,i) , ,i -,, ^ 



1. Malieng Atma: die iemand // > .i tinnen > üüül^iijüi^inHg, ,i^^ ( ü» 
van 't leeven beroofd. 

2. Malieng Raras: die een // *, nïïm ->i ,^ Q, £ n M ^ & ; ru /j l n m « ». y . ■ u 
vrouw verleid tot hoerereii. a . /on 



kitj n n:i nut i Kintuil&ji tunm yafcijlw 

3. Malieng Kaboenan: Een „^^^...^^.no o. 

O jj £1 IL) >.")) l ra^ ul( ""1'W'£ln-l 'J U) )} >> L?) I 7) I 1/ Ml 

diefï bij nagt die nog niet binnen de pagger q o ^ 

geraekt is, en nog niets bekomen heeft. " ^ 

4. Malieng arp: L)ie iemands h<bi nSccnaftuia ^ti (rn n ikji n. vi i. vn i°i Kituni ii k-i i ,i 
goed ter leen genomen hebbende het- o o o o na 

" >] Cl l til in t. il hl,lii t. il KI rt W hl m i I in t ï^l M hlfl\ 

zelve niet restitueerd maar den leender ^~ 

gebeel tragt te ontvreemden. 

5. Malie ng a ti em po: Een goud- //-«mr,.» S i^,, nlnl^i.iüihM-iu^MiM, 
smit die goud of silver vervalst. . a 

° in om ^ rt t n g m tn 1 1 mij w 

6. Malieng Kanja: Een dieff ff t ,,i)h„vm^ Q^,^,, r :, it ,, } un^i E ,,2w 
bij nagt, een vrouw zijnde. av a 

/) £ 1 na ii ld \ Mi Hrt-LitVtii tn in i ii u nrt Li tn trut un i n 

Op het eerste staet een doodstraf, en u 9 i et l& 6 1 

Ci y a 

behoord tot de vierschaar der Priesters; ffi anrri * 



op het tweede een geesseling; [37] op het ,, ^nS-n n li.m, ,,,y ^ , .■iru.m'ruao^^ 
derde een boete van 8 realen; op het vier- ? . n 

de het geleende terug, en een boete van 



Ij ei ut trnecn wt mi tsn i:u i i n ki uv Ti 1.1 i> vi > ui n 



4 reaelen; op het vijfde, een geesseling, u,u dl 
op het sesde mede een geesseling. 



3. o 

jj tl IL7 l I LI LI ) Lil Lil LI II hlh DIJ) KI LI Lil 11 tl lil til 1 \, 

Qv o a„ 

// !-. I lil II l II £1 ^jjj\ 1 Ij hij £1 I) Ut 1.11 KI Ij L77 II lij II lij 



Nog o Ar tlClllen van Malieng nmiamKnusncm Liminin,iiiii:iiii./i»^in) 



off dieffslallen. u u o L< ( u if| ^^ Nv 



Lil LI) LI 



1. Malieng Karoeroe: Dieven fj £l & Mï ^^^ QR,,, , , ^ ,, ,, -/ «^«r.1 §[ 
bij nagt, die reeds binnen de Campong ge- 
raekt dog nog niets bekomen hebben, 



1 ... Q 

in i i i i hl t il i.i n ii in ki ui il iD) ui iti £) hi il hi 1 1 ii 



m ji/iii/im,,, ,i, i , il_i ) i ij dj f i ly L/ M ƒ i 



3. 



worden gestraft met een geesseling. i il/dïl-dl^^^xn 

2. Malieng P a r i e ing Sawa: ;/ £ ( ,?, , , ^ ^ M l , r ,;,< „i n k, i:„ i„ » cm > 7 cm , ,, 
Een Padij-diefT in 't veld: a o o q 

ij til i in xn ti ki (Hi iLm,tii ixi.r») m ) lii ».ti £) lj i ƒ M M 



65 



l e . Als hij de Padij nog op 't veld staen- 
de steeld, werd gestraft met een ligte 
geesseling. 
2 e . Maar gesneeden en gebonden zijnde 
tot bossen, en op 't veld, onder een 
Tentje gebragt, en daar uit steeld, 
mag dood gestooken, dog bet hoofd 
niet afgesneeden worden, maar daar- 
van moet kennis gegeven worden aan 
de Negorij, en behoorlijk Titier (al- 
larm in de rijst-blokken) geslagen 
worden, op peene van een boete van 
16 reaelen. Den dieft levendig beko- 
men werdende werd gestraft met een 
strenge Geesseling. 
3. Malieng Loeka: Een ge- 
vleugelde gequeste dieff, onaengesien de 
quetsure, als een andere dieff te gees- 
selen. 



H>naM{hn^ i ■■ i ii> i i i . n i ■>/ n - 1 i u maam i 1 1 <■> n > w .,i 

• ') o o i 

i i i.ntu/i lunm lui-Ajti,!) : i i,i ii ,j,i i i i I i i i i i n n naait 

I I I t II III ljl.t.l\ II I I II I II ? I I III 1,1 l I Lil II II / III II I Ij 



a o i a„ i 

it i.it.nihliiii in t n il injii >i i il til il:lt : i it ii i i t il 



Q 



Q 



/ 



rq ,hht ut hl uu ini.ii n ui htrii.i \ mm. u u i n i.i : i n i i i 



it (E/1 uli hii hj iinjj itsn a n <n tu i&l int tui ,i i ji.iiii, mi i i 

Cl a a o a~ 

i.iiili i,ii -iQ-ni n tut jnooia i (iit i i i,i i i i I i ii i i ii I i. j ii i 



W 



UIT DE PAPAKKUM JAJA LANKARA 

Nog 21 Arlimlen van medepligtige in 
H quaad doen. 

1. Teeta. Die een Durjana, dat is 
een quaad-doender last geeft, geesselen, 
brandmerken, en verzending in de ketting. 

2. N i s a k k a : Die verblijf verleend 
aan een Durjana, werd gestraft met een 
Geesseling, en daerna losgelaeten. 

3. Go tra: Die Goed aanneemt van 
den Durjana, mede te straffen met een 
Geesseling, en daerna loslaeten. 

4. T a t r a : die Geweer aan hem 
geeft, te geesselen, brandmerken en in de 
ketting te verzenden. [38] 

5. Bojakka: die met hem eet en 
drinkt, werd gestraft met een geesseling, 
en daerna loslaeten. 

Verh. Bat. Gen. 



O O / 

IJ I j l.l I II I I II I M/( I l_l.ll ) I I II I I III I lij I. 



'TO 8 



1 1 ii 1 1 ui i 

'L I 



U II (UI :Lil UT) IS) 'Jj is HM iru h im \\ 



nnasn uu en m ij i i i.n i i 7 i.u> ii > i' - 'i i ni.it i i i,j 

i _jM ) l llWl i' n i I jj ' >>ii i n -nti >> ij i.i in ii l " 

1,11 (15J1 N\ 

IIHiiii. ii inii)ijiiiiit'ii'iii/iiii h ji'ji:ii iiji'l 

) 
il l in il l 



m< u if~ > ' ' '/ ' "'"-"j!"/ " ' ' " ' ' I 



or> 



nnirmhiai ui m 1/ 1 1 .'"> nimnmnji-Ji'niumirwnmm 



o o. / 



ï 



n t I 11 ni I . WM|KI|»I««| /;,' ' ' '/ '" ' 7, ' / '!,y " ','P 

nasn^sns 1 n fn 7 > > '■'" ' ' 7 ' ' ■,' '" '" •' ' '/'7 ' ; ' ' ' "^J 
<tmw»h«4<x>Jl '.,ii iiji.»' n> >./,,<"'' "... !...-. 7/.; 

111 ... -7 >l il' ' " s\ 

1 



■y^t >.j «■/ƒ,■/'"/'■•" y iv'-"- 



66 

6. Tjoraka: die hem verbergd, lf , /( ,, ,, ,ms QrQ^^^iui^Q^wiM^^Mivn 
word gegeesseld en losgelaeten. a n 

7. Satjaraka: die te samen met jfMooim«n> eAcm^ajii^ajnimi^MajiMitw'niH^nA 



h I lil 
T)\ li II IJ 1 II IJOl 11/ IW-Tlflit hll ^ l 



((■Tl IK IU' 



I?" N I I, II 



it - /r f. lH V. <£> -ai|^ kim >ni in . iÏi i ~n ii hi > 1 1 i,i,i 



een Durjana dezelfde Cours, Spoor off weg /,,.,, , y ^ ;; -, //; , ; ,, 7 , M/ —, 1( , ^ 
gaat (schoon onweetende nogtans op 
presumtie), werd gestraft met een boete 
van 8 realen voor 't Rijk en 4 voor de 
Jaksa's, werdende die zaak volgens ordi- 
nair Proces afgedaen. 

8. Saeeka Nanda: een meede- //'-■"/' "'" ' >">\ > >> m n 1 1 > > u 1 1 w m ili <> ym u> 
genoot in een gepleegde daad van Durjana, 
dog in een minder graad schuldig, werd 
gegeesseld, en voor eenige Jaeren inde l ""' V '7 """'' ' ll ÏÏT 
ketting verzonden. 

y. öaroepa " raija: die nietten jjii^iiinin^ isnamm<iJim£iitën(tn<Mvtuntrui\ unmn 
vollen bekent, maar het op zijn makker „ q. a 

hl) _ / IGllhm Ijlfl I III 1 II > 1 II ihll IQl II bil lf>l \ <t/?)iK»l£) (Hl 

schuijfd, te straften met geesselen en daer- " a "- a soa 

na loslaeten. ' ^^^^«Q^ 

1U. öaroepa Krama: die een ^ K 'Vi ' '(' i7 ' £ ' x < '>> >" 7 > -' *■'» LUKmi-rionomoi^ m 

kwaaddoender eere aandoet, te straffen n a „ o 

(UnKTltEf) hl LI hl/j hll II II L II UI IL) Ijl IL/ ,hl(Lil>IKSj '1LI hll 

met een geesseling, en daerna los te s va ' 

laeten. ÏÏT 



11. baroepa rrana* die een ver- >jii-ij init 1,1 1» uimi ij,'hliiiuik ( k> lhii/mim 

bintenis met een Durjana maekt, en hem x o a o- 

° ' hl hl I-; hl I II hll : I 1.1 I I hll I LI hll 1 11 11 1 11 - 11 UIT) 11 hl 

beloofd in Cas van nood te beschermen, te ' LCl ll J ' "' " 

straffen met een geesseling en voor eenige '""'-< A 
Jaeren in de ketting. 

Ï.Z. öaroepa wastra; die zijn n 1 it> m i 11 u v in m n 1 1 i.'n 1 n <&> 1 na 1,1 , 1) iaa^M 

kleederen aen een Durjana geeft om te ■) o / . /j. 

i.ii.i 11 i 1 1, lui na 11 1 1 1 111 11 <isn \ h'n ia 1 11 ij >i lli(il) m 

dragen off zig daermede te kleeden, ^ ' Cd 



rnni \ .li mi nni 111 iliti iROfïl _ i \\ 



een boete van 8 reaelen voor 't rijk en " ,n1N Llö, r , "iy 
4 reaelen voor de Jaksa's. 

13. Saroepa Tirta: die een voor- ,,,.,^ ,, ,i, 1IM ,Q ,,],,, „„,,, ,,?,.„ tut,-. , .,, ;,., 
bijgaende Durjana te drinken geeft, een 



boete als even. 



n i.i ij 1 1 > 11 1 1 1 1 n 



14. Samargananda: die een //)) ,.<, )1M?1 ^: r u„ nr : | ;4 ) ,^ KM 
quaed-doeiider de weg wijst, te straffen 

.. . X/nmi.tl 11 hl hll I I I I hll II ILI hll ;N»fl\\ 

met een strenge geesseling en daerna a o 'er t 1 -' 
loslaeten. 

15. Sawi Sada: als een bediende //>» 'i'.iw\ u!J|MMiuii'rMiM';,f,KMw-iM/ 



67 

off andere huijsgenoot, de deur opend .- , 7 m kdmom 9 ,™ ,y,i n , l ,) «^ * 
voor een dieff om te steelen, werd gestraft 
als even. 

16. Akeerda: die opvolgd hetgeen 
een Durjana hem beveelt te doen, meede 
straffen als even. 

17. Atierdja: die als een knegt 
een Durjana volgd, mede straffen als even. 

18. Saeeka Tjipta: in 't maleijds //'-'v "•""%■• " ! "'V M l """ "'<'""<; 
Saloe-ali, eensgezind met een Durjana.[39] *aQM<cm<Hrnnjnün<tsn ,/ , „ , , ,! m «« <>>w 

19. Saeeka Watjana: in'tma- // < ' >/ >- » ( , » rniyx <>,>>> >j, , in »« , ; y y,v< mMuntm 
leijds saloe Pakalaan, eveneens spreeken- „g^^,.,,.,^,,,, , }Kn , ;,!,,,,. n 

de met een Durjana. 

20. Sa kra-eijta: in 't maleijds sama ll"^, 1 '"" •»<""/' " '«' ""/' >"<</><^^ 
fin/ca, eender-leij manieren met een Dur- : , ^ij i ; i,].,.y,,,niiï,ai, ^.mj^M^m^w 
jana. 

Deeze drie laeste werden gestraft met 
een ligte boete van 2 reaelen, en zijn 
niet onderworpen aen Jara off Verbeurte 
van goederen. 

n , c i_ t» j. -ï n i i iii>)i i.n ii i.j . i ii ui n i ? i ii ti 1:11 ;>wik in \ 11 ii > 

21. Saeeka Prana: die medege- '' ' >d ( i < t * 

noten off van 't Complot zijn dog niet i i.Snx minimi i.ni * ;, ,,, ,/ * > . < >//■>!■ "/'/' "> ■ 
werkelijk iets gedaen hebben ; deese zijn , o o 

■» ~ ' > I j I.IIM) I I II) l.ll l,l III I I l.ll I . ' I ' t 

aen Jara (verbeurte van goederen) subject 
en werden gegeesseeld. 



a a 



II iitHiH.n hu (i mi._i i.ii i ii i iiii.'iiii itruicam 



4 Articulen urn overlast en moetwil. ^,,-w^,,/.,^..,.*..,,,-,..,,-™ 

1. NistaMangAngsa-angsa:die //"?'/.' £ "'"" 1 '"" "'™7" -'/""'" *"'/ ""/ 



O 3 Q. 

ii i ii 1 1 ii i nixjiiun trui i 'i 



' i 



uit wraak en baldadigheid gewelt off 
overlast aen iemands goed pleegd, 't 
welk Nista off eerste trap genaemt word, 
als hij bij de deur gekomen zijn opset laet 
voeren en weder henen gaet. 

2. Madia Mang an gsa-angsa: 0«gf««**MA**> - » »'• v ' -"/•'"' " ""/ '■ 
als men, ten einde als boven, binnen de 
deur off op de plaets gekomen zijnde, 
zijn opset laet vaeren, en weder heenen 

gaet, werd genaemd Madia off middeltrap. 

3. Oetama Mang angsa-angsa: ,,.^i» ••<""" <-"" '•> >ii> r " r m; ,„,,, 

als men de daad volbrengd, de Pagger 



O 1 3' / 

rnim >H'II I II llll'll II I l II - 



88 



uitrukt, op de Padijschuur klimd, en 
de Padij uitwerpt, enz , werd genaamd 
Oetama off derde off hoogste trap. 

Op 't eerste staat een boete van 2, op 
't tweede van 4, en op 't derde van 8 
reaelen. Behalven dat in 't derde geval 
2 reaelen moeten betaald worden aan 
ieder persoon van 't huisgezin en Cam- 
pong, voor de aangebragte ontsteltenis. 



I _ . o Q ) o 

1/ I II ' I il ij i.ii / ; / i n S An i i / il I _ I mi I n ij il i.i i iiKl^l 



J9. »■ 

1 1 ; I il il i il ii i „•- i i\ 



4. Amoek Kapoengoeng: die 
uit ongedult over eenig aangedaan onge- 
lijk als een dolleman zijn kris uittrekt 
en zijn eigen off een anders goed be- 
schadigt, aen stukken slaat en ruineerd, 
valt in een boete van 8 reaelen en voor de 
aangebragte ontsteltenis 2 reaelen. [40] 

5 Articulen van slaen en schelden lus- 

schen vrouwen, die gestraft worden met 

boelen na de rang der persoonen. 

1. Sabda Tjandala: Scheldwoor- 
den tusschen vrouwen. 

2. Asta Tjandala: vrouwen mal- 
kander slaende. 

3. Sabda Poeroesa: dreigemen- 
ten van een man tegens een vrouw. 

4. Istrie Sangraha: Een man 
met een anders mans vrouw buiten zijn 
kennis 't saemen spreekende. 

5. Asta Sangraha: Een man een 
vrouw slaande. 

UIT DE PAPAKKUM RADJA 
NISTJAJA 

Persoonen bevonden werdende in hoe- 

rereij te leven vallen in een boete van 

16 reaelen. 



1 • ) o / 

Ij i.i i [ i ; 1 1 n i iam i i 'i:i i ixrm in rvixm lh w 

IjKJI.UJi ; I in i i in i i , ] i,i i in ,, Lll ij . i in il i / 

lj> '1 L " •' ' ■' ' ' '" i i i'n i i 'i,i m i in ii i 1 1 lii iit) ui ni I 

f) ij in i,i ~m i n li ! hl'ii uatüh i i i 'ij m ui - ; i i i.ii h i i 

o o 

iktj rjiumirv) ui i i y i.n, ii i rfmnym ma /ruin i , \ \ i 'urn 

ry a 
itut^/nTii^mixjtitJjiti ii ii n i ,hii n ivvi ifa irvi ma ^itunnn i.ii 

in >nj ijliuiii i/j',1 ?) i/i n 2 «Q Ml MTI lên «7 O -Jl $Mt HA 

II i n i i i.i, ij iij, , i, om iji i ijt' ui n) i n^i i.i) ntnjxun 

° \0 / a 

i ii 1/ ijjy lii ,j i,,i , lii ii i 1,1 ijcthinrtticj,,^, nua » i m n i i 

i.nji i) i ii ui ii r\m\ lii i ii i i i i, LimnniHrn,-,?Lii i ii 
i i i n i n in n ij in i n in ,,i i/ i.i i.'n i i mi mpUKUCmm 

7 V,rii l 7 '"" IMtoOJf L " '/ ' ' "•' I'" ƒ tl 17 LI I I 157) in n I 

O / 

II I LII I II \\ 



Ij II UlJllIc'tl II ILI^I 1,11 il l I Jh , I ,l i , i,j II 

o.. O 

lii _ i i.ii i i i i in : i,i „■ , i j ,i i , ,m NN 



69 



UIT DE PAPAKKUM JAJA LANKARA 

7 Arliculen van privalelijk en op eigen 
aulhorileit regt Ie oejfenen. 



O ) . o 






1. Walad Kara: die als eigen //'""V7'~ n '"'"' y "/' "' »i>n >">>!> >/> '"'7 >>< 
Regters iemand strengelijk slaan off -. . o Q o . . o 

dj 1 1 1 iim 1 11 ui 11 n ; 11 1.1 iititi m / u/ij» 

quetsen. 

2. Walad Boekti: gebruik van ^ohiwiw ulmiini/ii.-'iiiM'iiriMi^» 
eenig goed te neemen voor en aleer er 

bij den Regter over gedisponeerd is. 

3. Walad S a k s a : Jara te doen, //' J '»™ ™-j» ■■>">- ^<l><rr> 711 vnpmi.jïj -r,.n 1,, ,n^ 
off iemands goed off inboedel als ver- 
beurd weg te nemen voor en aleer hij 

daartoe veroordeelt is. 

4. Walad Leeka: opschrijvingen noiui(ai.in Q<Qrj»jiiunm imTm^^ non. ..,./ 
verzeegeling van goederen buijten qualifi- 

catie van den Regter. 

5. Walad Pattia: die iemand „..«m,,^,^, til^^Hiiin,™^. 1 ,,,,! 

gevleugeld in zijn magt hebbende, evenwel ,^,< , , „itamuuxm .•../< n &> 7,0 !<ct»oi mw| «7^ 
komt te dooden. /Q 

6. WaladDenda:inB oeten slaan ,/.»» « 1 ^ n ^ <™ 7^" vn '}^ "/ i ^ '•' " '1' / 
op eigen authoriteit. 

7. Walad Talie: iemand te bin- P ii,i, ; iM-.!„!, r ,,uiu r i"./^|^. / 

den en vleugelen zonder qualificatie en MM , u , l a , ï n W i',!Mij r .M l "finiiu, .-,,. 
blijk van misdaad. n , 

„ . j , . , , llllll,ll»IU/'iyi/U-,M.lllMI^'» 

Op ieder dezer misdaden staat een o^ia l! a 

boete van 4 reaelen, excepto Walad Pattia, 
daar een menschen-prijs op staat, namelijk 
33 reaelen voor een man, en 22 voor een 
vrouw. [41] 

UIT DE PAPAKKUM OENDANG //<r""' l{ ö'" " ''"""""/ "" 
OENDANG MATARAM , 

1 Articul, Namentlijk: i( *' /r '' 

Dengeenen die een Persoon die aen n>j'">if^i} 'jrr'" 1 ■"*■'/*/** '^*- i * " ^ * ' '/ "">' 
misdaed ter dood schuldig is, gevleugeld ^ ,;,,,,., „/,],., ,.,, . ,.,,, ,. ,,. . .. ... 7 .. 

in zijn magt heeft en onderweege, voor 

hij hem ter behoorlijke plaetse beert jt r W^«»W**««^- 

overgeleevert, weder laet ontsnappen, valt 

in een boete van één Joeta off 100 reaelen, 



70 



en de geene die hebben helpen oppassen 
5 reaelen. 

UIT DE PAPAKKUM OJAJA LANKARA 



II ij tn i,-n Mina unTia/noJ) n/narn >-i i n - < > » 



LI \J) tCfl 



ZI/)IK Hlfll Ml Tl \\ 



I I I I 1)1 Wh 

1 Arlicul te weelen: 

Als een gevangene UÏjt het Blok los ^irfOMirfMtQnMzKniuniKninaQiQminjiiimi^afhiim 

komt te raeken en Amok speeld, vallen o / . . o 

de cipiers m Prada, maar zonder Amok 

alleen wegloopende, een boete van 16 ^r--' ''-'^7' l '' 1 - e ^l^^'' l,M ' , '7'i'? 

l'eaelen . )r» 101 1x7 <i/n wïj mr) on tnji n rw % nn Mjt 



- ruit mi ha/) 1 1 i.i-vitiKMiJinji 



»ji Jh i n w 



6 Articulen van Sangraha, off' overlast 
fe pleegen, te straffen met de boeten ver- << l> O P 

lïield Op Pag, 31. nri(Uiajiit(niEnaaRaMirviiHn'Tn\\ 

1. Sangraha Tana: die bouwen, //i^^yi^ ^^m^i/hm™*»,^^ 
planten, off dooden begraven wil, zonder „ L „ „ il/M Q o ^ f „ ,,° ^ o t n M /$ 
verlof off toestemming van den eijgenaar 

, , i i : i i ( il ': I I.) il )' ' I / I il (Hl ~Jt , h il : i 

van de grond. er s ö o < vj> 

2. Sangraha Atapa: die een i/w^wumj^ .«wniw^nni/ ^iMiniMTigi 
Cluisenaar off Pelgrim overlast doet, 't 



a~ q. 

ii i ii xm tui isn hjiimji) vi z w 



i i£> ii i i ■ 

zij aen zijn verblij ff plaats, plantagie off 
eenige dwinglandij tegens de regelen 
van zijn devotie. 

3. Sangraha Pattia: die de dood- rQ«iu^p Mmy ^«mhAitj» .mj .-■».« 
graeven beschadigt. 



I DJ) i w 



4. Sangraha Weroda: die in nfa«fnojni&\m*Y*iw^ <■» "'y -"/£»? •• '^'-» • "•" 71 
iemands Campong dat is, een buurt bin- 3 . / o o o o 
nen een pagger komt, en zig niet ontziet ^ ^ 

de Be woonder te schelden, slaan off andere l " K E ' ~ § N 1 M w "^«'rvtö , r r » 'T 1 ' 3 ' ' 
overlast te doen, off ook dat twee Per- wtiict^<^!u<iao<£»<m{\\ 
soonen daer ter plaetse met den anderen 
woorden maken, vegten off andere onbe- 
hoorlijke vrijheid te pleegen. 

5. Sangraha Lokika: als de //' ''.y/"" ,: " | ' in mtm^a 'f " ,||| '"" M /''" 
voornoemde bedrijven ontkend worden en , lhl ,^ ,,, „, E , , ,,j M'if^wiqa"" 11 " 
er egter waarschijnelijker blijken zijn, als Q . 

bij voorbeeld dat de graven beschadigt zijn & "° 

en een off meer menschen getuigen daer 
den persoon die 't ontkent, 's daegs te 
vooren te hebben gezien. 



71 

o. bangrana J 1 d a r s a: als iemand ^ i" ( «mo/n t?» iïi > i \ ,m m 01 1.1 » m n ip 2 < n i] una h >> 



alleen bekent daar geweest te zijn. [42] 



XJI TL) \\ 



UITDEPAPAKKUM RADJA NISTJAJA 



il uitatKn i.i u ),n 1)11 jn > i iuturni:i isn ,-i ktj 

1 Arlicul. o o 



l I UI KT) lUIJIin iliT IM MIK i 



1. Mila: het steelen van de Kris uit nimunêtruis Qm^^Kni^rgvrnèniuiü?,^,/),,, 



de schee, werd gestraft met een boete 
van 4 reaelen. 



Hl I II 1-1/ I U h KM U Ijl h'll t I KT) flS» lH'1/j M KI »l f- I 1.1 inj /l 



II Tl HjlTUl/lW 



tr 



DIVERSE UITBEELDINGEN VAN 



PROCESSEN, NEEVENS VER- fl «|««»tn|«gia^«ii« M ^«. 7 «i, M ji 

SCHEIDENE WETTEN, GE- . n 

i / t/anumfKiiuuimnn^iMijirtJiifi} ut li finte/ia 



TROKKEN UIT DE PA- 

PAKKUM JAJA LAN- 

KARA. 



K i n >li nni , 



1. Daar was een man genaemt Ki ^ m w m »u nm mi S «iiu ti mi wi w| nniy 



Angas, diens vrouw zeer schoon was van . o soa a a 

U & C . , «ivuo ""«" " vw ovuvuu .i»o i«u (U „ ;rl1 M > in I W(,U OT l «IlllM I, I M II iK^ <UI lil hl /ƒ1.1 

gedaente, genaemt Ni Prana. Een teeken- oa Q _ 

,,, „ , , KT KT) I I 1.7 (KT) \ IST) IKJ II MJI UU hl _-J IH7 (KI II I I ft. / .' / ~ I li I 

meester Ki Panoekma verzogt haar te er «o ^ < ' ' 

mogen zien, begeerig zijnde haar gedaente ^'V^'^^/r 7^^^"'/ ''""^'('J "/'/<'l L -' 
te mogen zien; haar gezien hebbende 
teekende hij haar aff, en terwijl hij daar 

j , «ii 1 ,• 1 •• j mi SJi uui n m\ ihiiui io in üiiuri MU/n hiii 1 1 1 11 1 1 111 1 1 

mede bezig was, viel door haestigheijd co 1 1 er o co co o 1 



O Q . O Q. (f) ) 

jfl Lfliisr) ^umruiihil 11 ra, ei ui un hiiui nihi i n i n 1. 1 11 < i 



a G) _£) 



een drup inkt uit zijn pen, op een der ^^p ^irMff^nogj^iMN mimi i„m , '_y//y 



■ ■ 1,1 



a * a a- <-• 

uut M v km lij om (IJl -ui in n isri ik?,! d/n «l -E) i; «JU KW im >. / 



borsten, en juist was een der borsten 
van Ni Prana zwart gevlekt, hetgeen 

t, 1 i_i tt 1 j <kti\ Muujiiuriarriiijiiuii tuuiiffciin inii iuhi\ miiui 1/ in 

Panoekma zeer vermaakte. Voorts wierd ü t l«l; ^-> ' ( 

Ki Angas vermoord gevonden in 't ^.«nnM^iiwi^^^^iig^isii»^ ui^jiwi^uti 

huijs van Ki Panoekma. Dit voorval „» » Mvm &^ !tt „^«^ 

kwam ter kennis van Patti Mandana Staja, a 

die Ki Panoekma verwees in een boete •" -**"*£•"» 
van 8 reaelen en de vergoeding van een 
dubbelde Menschen-prijs, dat is 66 reaelen. 

2. Een man genaemt Ki Lokika ge- ^«n ^u°n y tui naiw» rimHi^-ruw ^ao^m^ 

beurde 't dat Ni Prana bij hem kwam, „^^„^^^^.«^^«jAm 
mede brengende een Pakje, 't welk zij 

zonder iets te zeggen, neder lag op de -r w T-/« m Wy l """''-'T'"'"" 



72 



Baleeh daar Ki Lokika zat; in 't Pakje, 
zijnde een kleedje, waeren goude ringen. 
Zij ging na de river, en terug gekomen 
zijnde, bevond zij dat haar goed weg 
was, ging daarop bij de ouden van de 
dessa, haar de weet doende dat een [43] 
Pakje goed van haar verlooren was ge- 
raakt op de Baleeh van Ki Lokika, waar- 
op de ouden lieten Titier slaan. Ki 
Lokika voegde zig niet bij de geenen die 
na 1 t goed zogten. Ni Prana te ontvree- 
den, begeerde regt, Ki Lokika bragt 
men bij den Regter, die daarover raad- 
pleegden, en Ki Lokika verweezen in 
een boete van 8 reaelen, buijten een vergoe- 
ding in Lokika. 

3. Ki Briantara gaff aen Ki Babber 
een Sierie-pinang, voor zijn Jonger Suster 
Ni Tidem. Toen Ki Briantara derwaards 
ging nam hij alle Mantrie-dessa met 
zig, men zat op de baleeh van Ki Babber. 
Ki Babber zeijde, uw dogter is ziek ; 
dog Ki Briantara hield egter aan. Ki 
Babber gaff zijn toestemming, wanneer 
zij tot gezontheijd hersteld zoude zijn, 
waarop Ki Briantara met zijn gezelschap 
na huijs keerde. Hij was geparenteerd 
aen een mantriër vrouw, genaemt Ni 
Rangda Tamboe, die kwam ten huijse 
van Ki Babber. Ki Babber zeijde, het 
is deste beter dat gij komt, want uwe 
dogter geduurende haar ziekte noemt 
dikwijls uwe naem ; daerna ging Ni 
Tamboe weder na huijs, mede nemende 
het Sierie-pinang geld van Ki Briantara, 
want Ki Babber zegde, ik wil het huwelijk 
van Ki Briantara uwen bloedvriend niet 
toestaen; Ni Tamboe het gezegde van 
Ki Babber voor een verwijt van Toverij 
opvattende, gaff kennis aan de dessa, sloeg 
Titier en ging vervolgens na de stad, 



o a a (Z) o 

amtiaiunnjifnnuintruirinjitiaji tuitun uiininrinattuityarina 

np tèinm na <n naun trui ,m rui aa i tut na un mi mi ort pi i \ tun 

tui na un ten trji ti na tui tn nnn na dij nm na ning un nrn ntruni 

O Q Q O Q 

a~i na nai 11 tui z urn aai \ urn n ttui i aai aai 11 ,r. n 2 1 u hji nji .un 

o . O O o 

nina qnai ui na 11 tun > OM a^n ikii \ a-ji aai in iiiuiunnaimi 



fiananriiuinqiinatKiaatnJiaas nai na ai un i tui ^*n<i aai un 



innnna pinaituina\ wm iiun itui^Attati 
O O Q 



tui tvi njinaninanauri irui zaainais aai nrnri nsnnapi\ imi tui \ 

ittAoJhs naituatk 



ni mn nn rn nut na un tn %n ii nm aai nn nui <un «4 OiJj \ ooi tuxnvn 



a. o a. 

asn _/w ren <tq tui na na na\ tui na ii nm t mi na ~/nen i neem un 



'ST 



a O O 

na na tun nxi >e/i i-ji itn na tain \\ 



// 



a a /■ o o / 

un tai tisn hii tcrji) na na tun lui ten tun na tn na aai ten nm run m 



»oi«g0j 



nansnmi iE/innainrnfinannun teina nrininanatEii.naninaiuinJi 

Q . Q- a S Q 

tia umi tui tai tun rui oti tun tui tn na ii na aai nrn ten cunne: nina nai 

/ o o . Q~ a 

tun tun tun ia tun ^jiaai nani aai tui aai tun aan na nn aai arn n mi 

Q • a, / o a / 

na tun aa iiuai tui aai tiajitun aai ihw tiatuj aan aai asn ten tun tm 

o q„ o o a 

ik trui aai tnnm aariiuiaa ^# tan tv> "~n tuiji aai ter) D^am tui tan 

o a„ o 
mn na aaiji tuitianim k»j i:i teinaaai xrrjn agnriw 



O 



a„ a o . 



ijtnuii aa nai^jitui ia aai nyi taa tun na tfhnatiji nsn &itaina xn 

o X o . a o 

mnii tun un tenten \ nia ia ^itui aanaiji asn sn ten ten aai t&i 

o a a . 

tem aa aan tui aai wm»m aai tui rei uk tn tui tun thaaai ~ji ikt? 

o ^ a a * o 

iia-n tnn aai truina aanréi tui aai rtann\ aananm tun imaayicrri 

/ o . O o o a~ a 

ia cm ai na l tui m tun aana na mi nanana aai na aain vn ten nm 

do*/ Q- 

'ii na nJi tfJi na trui txn tun \ aainiiin/nztuiiinptpinatiiunaitui 

a Cl o. / a o O 

natuui\ ia tun pi ^ naitennmasn ^m tuinatui qvrnisn aaninna 

O Q<* . O 

na n/n tui vmi tui tun ik na ni nji i tui aa tn nui i un non un ii E l / 

Q~ O O 

naasntvinsnaji <v\h !tr pH%Q nr ' ^ 



73 



en versogt om Regt, dog de Regters 
vonnisden dat Mi Tamboe in Prada viel. 

4. Een vrouw genaemt Ni Prana, 
was geparenteert aan Ki Saeeka; zij ging 
zonder genood te worden slapen ten huijse 
van Ni Larie, en keerde 's morgens weder 
na huijs. 's Nagts daeraan [44] wierd Ni 
Larie bestolen van al baar Goed; zij niet 
wel bij zig zelven voldaen dat er iemand 
's nagts te vooren bij baer in huijs ge- 
slapeu had, viel klagtig bij den Regter. 
Den Regter raadpleegde daerover en 
beswaerden Ni Prana ter vergoeding van 
't verloorne goed van Ni Laiie. Belangende 
Ki Saeeka, die werd verweesen in een 
boete van 8 reaelen. 

NB: de gemelde vergoeding enkeld zijn- 
de, werd genaenid vergoeding in Tidarsa. 

5. Een man genaemd Ki Saeeka, bad 
een Bloedvriendiu geuaemt Ni Basa, 
welken bij beval Pinang te koopen ten 
huijse van Mi Wani, 't geeu zij gaende 
en komende volbragt zonder te zitten. 
Ni Wani zeijde, ik beb geen Pinang, ik 
wil zelfs na de Basaer gaeu cm te kopen. 
Haer dogter genaemt Ni Semi was niet 
binnens huijs, maer agter in de thuin, maer 
't huijs komende vond zij al haer goed 
uijt den huijse gestolen en zeijde, nie- 
mand is omtrent mijn buijs geweest dan 
de bloedvriend van Ki Saeeka. Ni 
Semi betrok Ki Saeeka in Proces Pradata: 
Ki Saeeka ontschuldigde zig zeggende, 
dat niet hij, maer Ni Praija, Ni Basa 
uitgesunden had. Ni Praija belachte 
hem en ontkende; Ki Saeeka wierd ver- 
weesen in een boete van 8 reaelen, en 
vergoeding in Tidarsa. 

6. Een man genaemt Ki Sabda, thuis 
komende van den Regter ontmoetede 
op de weg Ni Angas en Ni Sari, die hij 



sa o 

II il n ui n its ^ <un hji rut in asn on _ü ui fa asn _/>m «2( i 



Vm'S 



tuttin ij (KW tun rui ri turi tien \ &i trui isiitj mn w truien ritun ttixjt 



,■) o 



O (?) O Q 

.<tn 

< 1 



tui o tui r) turi ipp rj (LD ihj aai in ttni n n in gn~i cm fntt i i i i i Hl 
trui ti tuil ti/i mi (Cl MintMi rui 1 1 . l I II 1 III II i ij .' I ij i n ■■ i 

n tem tin i 11.11 \ 11 i i i 1 1 u n 111 i l 1 n» 1 I 

o 



a a a. 

nol tin irui ti n en z tuut a-Jl u.ii \ n i.i 11 ) n HintOll i n " i rut 

/ & a o o i o 

ki ; i < 1 1 1 tun tm ri tmi m n tui iituntKii\ fKnnj\.<Kian<tn ••■* 



Q 3. 

tuincmsn \ ti on nrn ti-TT]ii;i i^ji.i mui i 



V^> 



i ui 1 1 1 i ii .f i 



1W1 IKT7 t£lt rut tHin mi: 1.1 in mi 'OJi Mii;i,;i iikiii yin i mii 



T)\ 71 tlOtHJIH II il lljtlllim \ h)l ll.l'.ll I l) .1 I 1.1 I I l> " 'I ' 



7i tin in ti 



a O o 



i i.i.ii in 
o o l 



/■ O L I O Cl O i 

tuil ri i 1 1 tut tt/i »o> tnirntui tn.-l mn >ni!ïii >, i i . / i in i n • ' ' » 
' tot-crtl <-'« " ' Lui 

O il 

ti \ m tmijuu itmi tn ^,1 ïjun mi ti >i .innmi i.iri t i ui ft 



il ii ii ion in tiui^r.n 11 thia^iijtun tini \ i ni.j nu i xm pJ^n 

a o 3' o o 

ti rn tuil ti 1 uu 11 om ttnusi/ k.1 rj iifituii tui tt,i { ïiun thiiui tta 

O O 

urn -i 1 11/ TTtlturiiUï 



on ) rïttci ti~i tui cm ~ii l-c iiti ki • i tnt 



S 



o O o 



cm tuil ui yi tci ttó ttji tin tuil 11) iitmitunin ihi i iti\ mem i n 
mi tun'i thii ii kii 2 (HT/i tin ril <ti) y<t» 17 908-1 (Mi? I l ' " ' ' »/^ 
tuil ie ut tuit \ kti rui tui^maR i^ti », i m oji ijttni t^npjthti *i 

Si thil rui 1SI 'Uil 3) tui <&l tUllt^j KIWTi i >/ ij in I. I 1/ i. n ti, ,, I i 
7i ,L il Mi rrri tf?) tï rj wuj'iiij'fpi Hl n < n ^ ' ' £ƒ Jft^<Ul 
Ktl\ mitMiituvitnituhtüi^i.utïih-iii-iiii >/■' ' ' ' £> l f > > 

Cl o O ' 

tvt/i <ki uut umi irtasmnMiun n<HV nanignaJtintJnini istiaa* n 

.liii^hditHitKiitvitMtKii-ium iji uni ui in y n» ntai i i 

o a ° '• 

rilti.11,11 m.lsii_;'M ij in/ ;;/>'■'-' '/ > ii *•"*'" '~i ' ' <-' 'f 

Q o 

tCI (KI II \\ 



O O Cl. 

il tin tui n 'U 1 1 X.H ti rn ti. ) uil \ tz.1 trui a~i itrn *<ii i tl i f) i I 
cm j in ■;?/ i'nui i ij ' " -»° I'-' t*i /""i i ii. i hu ; i jijlui' 



i i 
>i 



74 



Mj haer kleedjes vattede; de vrouwen 
vlugtede, verlaetende haer goed dat zij 
bij zig badden op de plaats, schreeuwden 
en maekten 't een iegelijk bekent op de 
weg, liepen vervolgens na haeren bloed- 
vriend Wani, die zij de zaak mede te 
kennen gaven. Ki Wani daerover te 
ontvreeden, vervoegde zig bijdenRegter 
en procedeerde Pradata ; Ki Sabda wierd 
verweezen in een boete van 4 reaelen, 
en een vergoeding van 4 reaelen voor 
ieder der voorsz. twee vrouwen. [45] 

7. Een vrouw genaemd Ni Prana, 
had een Broeder genaemt Ki Sabda, die 
kogt een kleed van Ni Doossa, ter waerde 
van 15000 off 15 reaelen, dog betaalde 
niet terstond. Ni Doossa zeijde, Adee 
(broeder), gij geeft nog geen geld; hij 
zeijde morgen zal ik 't uw geven, daer- 
op ging een ieder na huijs. Een vrouw 
genaemt Ni Maleetja zeijde, het kleed 
van Ni Doossa heb ik willen koopen, 
maer men gaf het aan Ki Sabda. Ki 
Sabda zeijde, Ni Maleetja, bet kleed waer- 
op gij spreekt heb ik gekogt; Ni Maleetja 
zeijde teegens Ki Patti, dat Ni Doossa 
een kleed gegeeven had aan Ki Sabda. 
Men raadpleegde daerover en Ki Sabda 
wierd verweezen in een boete van 8 
reaelen, en Ni Doossa meede in dezelve 
Boete. 

8. Een Padij-planter, Ki Tani Waktja, 
leende zijn Buffel uit aen Ki Angas, die 
deselve verkogt aen Ki Ina, 't stuk voor 
4 reaelen ; na verloop van tijd vroeg Ki 
Tani Waktja zijn Buffel terug, dog Ki 
Angas ontkende dezelve geleend off ge- 
kogt te hebben. Ki Tam Waktja daer 
mede niet voldae», ging bij de Karta 
(Regter) en procedeerde Naijakka (be- 
staande uit Patti, Mantrie en Jaksa, off 



o a a Ct o O a 

x/narituia «mrui tmi iti t^n/ixytxxm xqti osnTiasnji 11x1:1 

Q. a. 

^ü crn " c M' rn '- ' v }tQ s <hJ * <nJ > **4 '- 1 *" tv* *P *m <"">/? xmxrixh 

o o 



(Cl t) amjj xm xtiiukki aa n ten xm -~n xa xji tjh\xm retort ^nxjui 
o a» a * a a 

Q o a„ Q.. O Q 

ij lam tuil ajiiHïi \ miMiTi an ixjixxi asn > m xfirixmiaJixa 

a a O y .oOOo 

ttJixmxsn mi xm tart wi m is-i) «sn nj) t> \ Mnxoi MiMnrui-m.Mi 

„o . y a a 

ximii truixui Mijiritvi irüj |ti oj\ rui on <n rui i xm xg iki «rp \ 

a. . o a„ a 

mi xm Mtn nn 'ri i j _■ t m mi r.i tui art \\ 



s 



niL'n arm ri ui ii/n,iui«jnT) «QimitHi\,unxxirivi(Ulxnrïji,\ 

_ o a~ o 

ti «o mi «m \ xm asn F2V "^ ? V «-i! «sn -jn mi m xat xji \ xj) > 



v}M iki na ?. 



o . a_ . a a 

n-irxaiEi) ri«7i tui, mi «ti rt xn titi oji i ixitui-nt 



n nn tui mi (ir) <n«xi Ti' 



o o q . a a 

i?Jt Mn «o «i «a > mi) xtixd «ijl xm «umi mi amxi ia «jti ajinjiri 



«l i I \ «jn x< ij 



a o a 

T) «m (ki tevn tl «7n a^j «ro «on (BI na ti n xji a.rn \ 



O a a. 

" ' «ü ''" ~"" "^ii !E/> V ' 



■kt ' fhö on ^i ten a-imicn ^nivn < <m /nunnnia) nru^ 



o O 

tuig K~n nn — i,r)«jn ui «t)in t(KD«jn aji tm ^«qhoi \ « n ncn«rixn 



a 

nn 

«ijl kh ttji — nn t/n mi <n ia iiKfixsn «i mi ^A«{i nm y 

O Q o o 

in itp «mi «oi itfiim tui «7p \ xm iciikti «« aji x~p tmtzjim rui »0) \ «rn 

.o a a o o o 

n ~jii «m ui t> ti ikji mi «jn iun rix/nt ru ojii ikti r ^Q. !tsn l fa l x "^ 

/ a. a o o 

on tri «rui oji ieji nsnx/n cm «.« un cui «sn^ m «m ttari xa t ski xm aiji 

a„ a a a 

Mll tl) -JlX/n UOI (KI) .TT7J T) Ml (Tixm l (KJI Ml -i-) X7TI XSÏ) )1 Tl Ml IE/I 

o O Q. o a 

«i «VI ikti mii tui xrp Mn xtyxtti xsn ~/n x/iin ti «si % Min xm cm) asn 

a Ct o o 

mi om Mix&xji nritun (kdxji Ti \ xoi ti/) <itt) ti J) mi r) rui t Mn mi/ 



arp tui anriruit Mn aan 



tui «Tri t x/i tui ri xci td^ii ri itnavi vi rui ikti ot-dtimm,)* 



xTp t x/i tia ri xci t aJ) ri iyn ce/i <n 



W 



Q a a a o a o 

jixmMi noibJ) mi xm ti «o «sn tifti:ixpi\ tui «o rui <E1 xm tui 



ritionicitHiiirnxm «ti ikiiji «sn Mn x^ foi ^ izi) x.ni m m Min in M3 

q» o a. a a G) 

viaxinixiMiisnajn art (ijijigji *n Mn xm mis xji xk tn x7i t ri/i ri 

q o 
) asn ir» rui ri rui tui tui xj) tui «sn mi ui «pi x 



a o o 

m ki (O xyi xm tui tui xsn. it> rui/i rui «) tui xj) gjf «sn mj ui «rn xm 



t^Titfhxnrixyiri XQXjnxz: «imam xm ari ruiji riarrnxviMi rui 

Q ° o °~. 

xm «i ct i x/i un xn *r> «i xm t xxn isn mij «rn n xm t «/i &~n miti\ 

o a a 

Mn asn «ff xji mj> rixrntiixxnjiMn xixcimj nxa xyixmtKxxixan 



75 

een groote en volleedige VergaederiDg). ^M^t&aJhn^tA^ia^aftA^r&riiain 3™ 

Ki Angas wierd verweesen in een Boete 

van 8 reaelen, en Ki Tani Waktja 3 

reaelen, omdat hij het gebruijk versuijmd v^«ft«*»»5f «&&e»^«fflgj«»£j«'»»^tngjty 

had van daer getuigen bij te roepen, dog nxmnnnKnuLUMmiSi - 



3- / Q 

rjn.n twnmipjm nu mi tui na <im\ mi ij tuit. ui (ti/wn-n 



zijn Buffel wierd hem dubbeld vergoed 
door Ki Angas. 



«OïTIflCIK (.1 f 0-1 ik n .alVKl n ,VI OEIÏ 1X1 MUI lf.1 ilSJjl KI) (1/7) (171 

Q a q. / 

i i/j i Jiurniru / mi mij aaM n.m rj if. lasn ~rn t&i ~^i (tn jr) _/n itf> 

Q~ 3- a o o a a o 

ie» i »«bi ei iei.hv urn m m m ri in.1 1 nu m ~n ttmcnufnuLi-ri 



■6-* 



tuil om MjI w 



9. Een man genaemt Ki Maragang, ll<^Miq(óitivn^^^nr,ah\MiajiinjirfMatio/i<M»n^n 

voerae weg oe dogter van ivi iiuarsa, mrn&vwasntMtM'uniuit&iirjajitttnn un itki /w-i <&i<i<i\ 
terwijl zij water haalde, genaemt Njoe 



mi tisi)(iji,i-iiur)KritHia::i r nihrn ~jn asii tzi n in -ki i iinmi >i t/u 



K'i (isi) «.Ti im Ji/n ro >m fö)«n /Kr) jnicnofl 

mana. Ki Tidarsa maekte het bekend in ffw 6 ' 

'tpublieq op de Negorij dat zijn dogter fi^nan^tmnfaan^tu^uutunMin^vfui^Atfi 

weggevoerd was 5 ü.1 i. ramana vervolgde niixi (uitun-nm {^<a)mti<n<njiamiisni^aji<uncm^iimajt 
den meESchen-rover, agterhaalde hem en Q Q _ 

isii ri (lli oaitn ik» riniitoi mi ir u^rniui iijhii isiirtcms *ri mij 

nam hem de dogter weder aft. Ki Pra- ^ 

mana en Ki Tidarsa gaven daervan 7"»iM^gi8ï*<«Bi% OTe-nohw^^ryM;*'; 

RenniS atn i\.l tutti in Cte Stad,, Zeggende U,e mum nn m.j uiiiEnnricrhtiiiitüntKnirvitmn <KntiJitL.itmixm 

weggevoerde dogter wederom te hebben 
bekomen; den Kegter raedpleegden, [46] 



O a O . . o / 

(tJitrui <k~ii ton/i^n tvui mam <v>ii miei tmi iei mi >v,)> iui ojimt) r/ 



Ki Maragaug bekende zijn bedrijf, en .^«^«n^«'^OT £ .«^ t .!«)~^ 1 *«. / u,^ 7 
werd verweesen in een boete van 16 reae- m^Qcmam^i^iwm<uuM^m^mQ<rn&nji wn 
len. Ki Tidarsa (omdat hii versuimt had, Q a o a o 

v •* / /_ II tK7l fel 'r)(K7 (E/) bil (KT) f r»J) «,) (Kj -v HST! tmtCIIL II K Ml m tUtl 

de Zaak aenvan keiijk bij den Kegter in 

i i \ • i • i_ i >.inrr>\ mitüiiaji m<u> ï i t. » i insn .tm > mmiimiijip 

kennis te leggen) viel in een boete van 4 oj cj « 

reaelen, en moest zijn dogter van Ki Pra • micn^i^imtdriKimij^n^ i ïnjm&tmrj,^ inh^m 

mana inlossen voor een 's menschen-priis. o .o .,„,„,., M1M ,„«n& 

r mmitf-mitmMthivjauimiMji Kmxm<Ul\~Aa i 1 n 'ƒ ' ' 'y 

Thans is op zulken misdaad vastgesteld j 

«. i. nAJlitiiiri\ mi inn ti ii tui tui m nrtit< mi <hj jibiiiwiij ) i I 

een straffe van een strenge geesselmg en t, 3 ' Ul 

loslaeten, dewijl in deese Uitbeelding ontiwBMmM^wïi'WBimiTO» 
voorondersteld word, dat de dogter nog 
niet uit het Land was gevoert, zijnde 't 
anders een doodstraffe. Indien zulken ver- 
voering als deese door den dader ontkend 
word, is vastgesteld een boete van 16 
reaelen. 



10. Een Thuijnman Ki Mangoen A die, ,,iur,mi >i ^i^ii^i^n^i^^^i'^'^'^'ri 



►.ii 



ging verre van huijs om werk te vinden, 
en zijn kost te winnen ; zijn vrouw Ni 



nmii-Kvnm/j Ml KI nu 1 1 I m* i Ti ' i >■ i / ' m i n i/ ij' " " 



76 



Lampa bleeff thuis, om 't huis te be- 
waeren. Een ondeugend man Wisa Wigena 
stelde zig toe als off hij ware Ki Mangoen 
Adie, hij kwam des nagts, en versogt de 
opening der deur. Ni Lampa liet hem 
binnen, meenende het haer man te zijn, 
zoodat hij haer besliep; vervolgens kwam 
ook Ki Mangoen Adie, en vondKi Wisa 
Wigena zitten bij zijn vrouw, en vroeg 
hem zeggende, wat doet gij daer, Ki 
Wisa Wigena, te zitten bij mijn vrouw. 
Hij antwoorde, ik zit niel bij uwe, maer 
bij mijn eigen vrouw; Ki Mangoen Adie 
zeijde neen, zij is mijn vrouw. Daerop 
gingen zij beide het bekent maeken aan 
Ki Patti; men procedeerde bij de Karta, 
de Karta deeden regt, zeggende dat Ni 
Lampa zouw verkogt werden voor een 
's menssben prijs, en verdeelt, ieder de 
helft. De Karta sprak teegens Ki Wisa 
Wigena; hij antwoorde, het is wel zoo 
a's uwe het goed vind; Ki Mangoen Adie 
zeijde teegens de Karta, als Ni Lampa 
moet verkogt worden, men verkoope mij 
dan meteenen. Daerover verloor Ki Wisa 
Wigena het proces en viel in een boete 
van 8 reaelen. 

11. Een man genaemt Ki Walang, was 
een Plantagie gaen aanleggen [47] tot Ta- 
gal Paijngan, te saemen metKi Warangan. 
leder had een dogter, de eene genaemt 
Ni Andee, en de andere Ni Raba, beijde 
deze kinderen leefden in Pelgrimagie. 
Eenen Ki Aria Balikan en Ki Walagar, die 
een Jager was, gingen ter Jagt; terwijl 
zij in de daelen na hartebeesten zogien, 
ontmoetede zij Ni Andte en Ni Raba, 
die zij mede namen en dreven na derzel- 
ver vaders huijsen, daer zij vervolgens, be- 
halven gemelde kinderen, ook de vrouwen 
en het goed weg naemen en met zig 



OfloOI ei ^1 ii.noo il i i >i o i oni '"l3f)ni Uil el un il' I 



. a a o O 

ti ,K>i oen om ti on tui 7. 7 ui cm iwj x vn ten ten on t) i ino±i*ai 



'&: 



i ti i i n oni 



o O 
«ei oei on on \ o.n oni om on rui oen ui vn iui o~i m on ï-n .^ 



ei on op \ aï.ri oni om op rui oen üi mn iui kj <n oxi > > 'i i 'a < i 



Q O o . CF) o o O 

oenoooei\ ttsn itm ti tn m tvi <m onjosn ti on urui\ oeiroi in 



o o o a q Cl o 

oen oni teoon onop \ vn on on n ui on-ri VIOJI uicmon^ i i n 

_• o o y a a Cl 

ouo cm ruo onnno oni on iko oei ^ ren oJn ri i i n on on\ ij > n i 



/ o a o q a 

ruionruil aeroni onTiajntuion^tnoK 77 ti oni tei on on ra 



o o o o. 



a 



a- . 



tn tmm voitinononn tui ajiaji ^ta.iE/1 777.112 nanttunuui ui 

y a. o o o 

»,77 _; 7 hii tn n t rn oei iui ij7 ten asn un cm ik <i run in vn % i i i i 

vnoen un tin oen oniTi oium tuianien vn amoez'oi >,n i n m 

71.7 ii ^i Di on n ia 7 7 777 ir 9n ri ui taJn isn 11 in mi i i ojth 

Q O O O 3- 

ui aai ri 1,-77 non \ ri tn on ni 1 > ,9 1 ui rn on iv isn n-m 1 11 

o . a„ / a 0^3. 

cm % ojj oji cm 7.7 7.1 on isn ononi i_ n om ten tci on \n ten asn un 

/ a a D 

orn (7577 77 im op on 01 on on rui ten —i q 0:1 01 oa '0Q.0Q rui mjm 

o . O o- / /a 

tui rui .7 >7 9-j) onji rei om ogitartui na on oen osn un 01 mi g oji >;■ 1 1 j7 

00O00 O o 

'-noioni 1 1 i ? / nm on tisn on orn onnnn ik oji on im tui ei ti oji 

q a O o o a. 

on 77 77,7 1 mi in 7 7 (i nm on vn on ten isn ui oui ten ^» ^ ,7>7 n 7 in 

in C77 » 



<3„ ") 3. 

/) vn m Ti »?7 1 1.77 OjJi.nji.oni ^tun 1 11 cm oui -ji on <ci mn 1 71 >7 

a * o a * o o a 

k> ui ruamaui 7.77 una on in»oJitemq n ui un irn 1,11 jnutJi 

o o o a Cl O a a- 

o/n nn mn ojn 77 op \ 7VTT7 ti o ji ie 1 a/n e? 17^7 on <T77 on tui i.u ki 

o o / a 

7s<7 oji on oji on 01 otm oji 00 ojn tuut rm rui om on riiui oni 1 ojn 

o / o . o O 

ti mn t) ono 1 rui on rui cm om ntaiajuitm i^n on rui/i 1.1 1 1 1 



o a a a Q~ o 

cmononnon\ rui i:m t> <n \ omoionnmrioyi 011 in 11 m 

/ . . o o O O o 

(TT) \ «.'77 (L"7 OJI 00 ;t<7 7 7 00 M 77 1: 71 ? IUI 77 .1T7 Otl 7i77 OUUj T77.ll 77 

o . a o o 

oo on oen ui rui oxn on ten ti on onji on rui n oa op no tui tui ana 



77 ( 7V7 7,-77 ui rui oxn on vi m ra onji on rui n oa op 
a 

on rui ten ti ,cm n 



oen ui non *qti itjj om on -ji o~i onji n ^n rni.n ,*J7 ru on rti m 



n.77 m» \ on. rui ten ti , on n, ui \ ieii oni im ui ru rui oo ui ti oen 



77 



voerden. Ki Walang en Ki Warangan ^««j^g. „,,,-, ; f)J)1?f?15 £ ^ 

gaven daervan kennis aen Ki Patti a 

Mandana Sra]a, zeggende dat zij ge- " to ' ' ' er 

... O ri .. s n -» _ — 



/ 'T; O O O 



ruineerd, en van hun vrouwen, kinderen 0IWOT ïïf ».«MiBi,||,,,i,bi|:i.i^u|n'nn«.,w 

en goed beroofd waeren, door Ki Aria vvtttnJh ^ Tl « n ^^ r ^-, ^ -,,, , /( „ 

Balikan en Ki Walagar, 't geen verder Q ^ Q . 

bekend werd gemaekt aen den Koning, ' ; ' 

die beval dat Patti Mandana Sra.ja daer W™^™™^M™^™™<r)<vn<*(j™Qfflam 

over vonnissen zoude: bij vounisde, dat <£» . .Htm.)! ,-„] ?i, >, '.],,, ,,, ■„njiiwrfi/nrt^ « 

Kie Aria gezet wierd buiten zijn waer- o a. o / 

digheid, en verweesen in een boe^e van 

28 reaelen, en Ki Walagar viel met de M * r ' '" r ' '"'■"'•'■"'■' <■< -*><^/ m«^m„ö 

zijne (dat is vrouw, kinderen, en verdere 7™ w 

bloed vrienden die tot zijn Huishouding 

behoorden) in Prada, daer verbeurte van 

goederen bij gehoord. 

12. Een man genaemt Ki Galoega, // oiMi.wi.unH| 1)l n| ,,,,. >,,,,,•, ,,,,, , , , ,,,.,,,j 7 

ontmoetede zijnen bloedvriend Ki Soe- ^^-n^ ,5^,,?, ^g^g , v m m m u»« n « 
warna, nam hem bij de hand, en bragt Q Q Q Q 

t£t)%nLiitioinr>(rui>inix7nrii.iiuiiic)>ii,>ii ni.11111 

hem in zijn huis. Ki Galoega had drie c ^ 

vrouwen Ni Sari, Ni Patjar, Ni Rasmi, &-«g«»<»8M&Gfirij«aMiM M ^ mcjgfMiA 

dewelke toen niet thuijs maer te saemen ^-n^M^ n,njin,,i;, K , , . , .<*,„& .1 > , , w ■ , 

na de Basaer gegaen waeren. Na zij een a . o 00 

Poos tijds met den anderen gesproken " ' 

hadden, zeide Ki Galoega, uit opregte w»«|*»j«i|.uraSï i? Ai«. ? «n««j , r,) ,,,),,,/, tJ 

bloedvriendsehap, alwaar het dat gij op ^ t!W ^ ^è^o^^^^uil 
't midden der Basaer een vrouw aenpakte, o x - o .->. o 

«>i 1 1 1 11 jn 1-; il mi jj til) 11 11 11 11 iiiiiii.i 11 ij i.i 711 

zoude ik uw getrouw beschermen, al mogt b o Ti 

't mijn leven kosten. Ki Soewarna deese l " u& >»rv°n '%<"^>,--i ><<<' >;.;/>" ° 

betuiging hoorende was zeer in zijn schik, iwi^aoMiKM^inMj^^gawnN ?>■>, ^, >,, nm ,1 h 
groette vei volgens zijnen vriend en ging Q x a „ o • a. / 

w " •' <_ »_> jwiutM j )ihn\ >n ri i.ntKni'i lii rii 11? 1 1 1 1 n > 1 1 1 11 1 1 1! ij 

heen; hij begaf zig na de Basaer om te 

kuijeren, de vrouwen op de Basaer traden &1%& ™ "/ "' •«&}$'-'■" 7 A| ' ? ' •""» V ' ' VI, 

bijeen om Ki Soewarna te zien (die schoon ™^.^anm»m(M.«5i w«n ° > 1 y ».tj^ i3?ct®i< yi n 8 

was). [481 Ni Sarie lonkte tekens hem, n o. o /o 

' L J e Miin.in ta^asn n i n 1:1 .- i i.m l n jq >) i i 1.1 i i i i i i < . / 

dog Ki Soewarna wist niet dat het een ° ' 

-rr- /-« 1 ^ „„„ mi iMiiiK mii ii;.;i->ii.n umi m\ ij 1x1 1 1 ij i) 1.1 

vrouw waere van Ki Galoega; daerna o 6 < ö o 'a 

ging Ni Sarie met de 2 andere na huijs ,°, ii^rrrjiru^i.iMT/i'i' m r-. »i y».i> " "/,; '/' / 
en Ki Soewarna volgde haer. Digt aen . o o , 

° om ij) >i n 111 1 11 1 1 hninm.ruirri 11 1 1 ' ti 1 11 1 11 1 ir 1 1 1 1 11 

het Huis van Ni Sarie gekomen weezen- 

J ,, ,.. T JU »_•„„::„ iui/1 7 mi ii.) 1^1 il 1. 1 1.'/ j+i-> 1. 11 ,J 11 1 1 1. 11.11 1 ri > 1 1 1 . ?>■>! 

de, vatte hij haer op en droeg haer in zijn <m ' > 1 ui 1 f 1 1 



78 



Armen; Ni Patjar en Ni Rasmi vlugteden AtutfamfiflUjidiM» mti tênicirxAM^n^mMncrnnj, 
en zeijde 't aen haer man, dat zijn vrouw 
Ni Sarie weggevoerd was. Ki Soesoer (een 



trn\ ri.LViiKirKiiivi :in iui ik MnnjjtKJiniui Mi^firjunji rina 



Buurman) zag het spoedig, liep toe, en stak g?*"™^™*™™^ ^^^^^ .w> 

Q- O O O / O 

miucimii nri tai cm tiucrii Mntrui Miiajitïji ruïne: % aJianxmn 

/ O - a~ Q o a q 

n «ruil m Min axi mikti n<ut mimi ruim (£1(is»i<ktj ^/i,%jiimim>/i 

Soesoer mede stak, welke laeste zig ^m^&^^^^I^^&I™'™™^ 
gequest vindende Ki Galoega insgelijks ^-^(E^iKTjgjM^iK^ w-Zw-nti^MriiumM 
stak zoo dat beide stierven. Ni Sari haer Q . y o . o 

- l.hii asn *i n vntzn asn _w. -~n oji <ri tui i .*. 1 <n ia :u) \ nrtiioi Mijvn 



Ki Soewarna dood; Ki Galoega kwam 
mede buiten, zag Ki Soewarna dood ge- 
stoken door Ki Soesoer, waarom hij Ki 



man dood ziende, liep toe en viel om het 



uimii asn txn xnicn asn -^.m oji ui tui i oji >n axi tui \ itoi iwi an i 



o /a. o o / 
ki) (Hl n 3-ji tm ki) ^iimicrn (Ki imi tui ajn nim tUKHitxa tui tui un 



Lijff, vallende door onbedagtsaemheid in ST'^ " E ^V My Mwgju^fi^, 
de kris van Ki Soesoer, waervan zij m^tMjiqjutm.asn\ i|o?Mi|wmM«iM^«u.wi 
stierf. Ni Patjar kwam 't zelfde over, a / o a o a. o 

' ' <i7» trui ? uiiasn \ (hrri tui Mn (in tm ds» iui ajrt cejiji tui <kt ri trui t 

dus bleeff Ni Rasmi over, zij vervoegde 

zig bij den Regter. Den Regter vonnisde «"«l""""-""! *»^ 
dat het volk der deessa in Boeten ver- tim\ iunM!Hn^tnr)^,t.iirvti^^'i!HriM«.iMjf\<. 
vielen, de hoofden 8, en de mindere 4 
en 2 reaelen, ter oorzaake dat zij nalatig 
waeren geweest in 't bewijsen van tij- 
dige hulp ter voorkoming van zooveel 
moorden; Ni Rasmi viel in Prada, om 
de begaene doodslag door haer man. 

13. Een Man genaemt Ki Awas, ^.oi^^^^i»»"-/^^^'^^^^^*»» 



wierd bestolen van Twee zijner buffels 
genaemt Dammer Woelan en Soeloe Lien- 
tang ; dezelve waeren een Jaer absent ge- 



irncHiajnct^iKi'-niiuiiisnji cun n ui mtcui axi t^ toitrui anjf trut 

q o . . o a» 

tui ^* rui trui ah \ iu) asn tun <mi tüi n oji om trui \ tuw <ui cru %tun 

weest, en vondse toen bij Ki Samar, die mi<m<*»m|*c .^-n^M^aS^Mi ^«" mmiuukv, 
verklaerde dat het buffels waeren die hij ^ « &%&i6m\ ^^^^Mrnium^^^^n 
lange gehad, en ook alJongen, terwijl het a j> .„.a»-»,,®. 



de zijne waeren geweest, geworpen had- 



»Jt asn ttn uvm inn itj) m lh \ tui ttnirvitvin mi/j >- ' fc ' " •>> tor ' <ei 



den. Ki Awas bragt Ki Samar voorden \&&*ï*2Ji ™^™™™™™^™™ulv™ n § L l 
Regter, den Regter ontbood de mantrier M ^&a*i<^M^<^cui^*6asn<un<ut£»$i <nm.iQi*ysni 
van de deessa, en de gebuuren van Ki Sa- 



mar die alle meede zeijden dat 't een Carbo 

Pawetan was van Ki Samar. Den Regter "&™™,™™™"™™°?Jl T r ifl " , °ïl 



l/j iKD aQ.m vn ikti <un ^ n ti tun tuiavt 71 arn ? lm tan^im rj 

ih2 



ondervraegde Ki Samar, wat teeken de «(cdj/f^jmtki^iktji ntviMpf?itntmti3i,Ï!;ritisn3> tSi ntm 
buffels hadden, hij antwoorde dat ze geen . Q o o / o 

' J ° MTI HOI (IJl (L/7? Ml T> (Hl (KQ tVI ITUt (IJUI (KT) (TUI ^ IKTI 9. '1 'Eli Uil (151) (CU 

teekens hadden. Ki Awas [49] mede ge- a 

. .. , .., , , tin (ik £n mi tunw tui ti (Si mi ntrut t mii tig cm trui ~t iki mtin 

vraegd zijnde, zeijde dat zij een teeken van -W co oj ' ■* et 

een quelsure hadden op de Linkerwang, en M^mn^,^ n a/^ua-iiM^ xa^jnaaji ,,, w w>\ 



79 



11 tanden, waerop Ki Samar 't proces ver- 
loor en verweesen wierd in de boete van 8 
reaelen ; de mantries en gebuuren vielen 
in een boete van 5 reaelen ieder. 

14. Een Man genaemt Ki Ina Paksa, 
hoofd van een negorij, beval het volk een 
Put te graven, dewelke eenig goud 
vonden ter quantiteit van Sagegoring 
(een Potje zoo genaemd). Ki Ina Paksa 
belooflfde aen 't volk dit goud aen haer 
te zullen uitdeelen, Een Manteri genaemt 
Ki Amoeng Raga mede tot die negorij 
beboorende, zeijde dat 't best waere, dat 
dit goud gegeeven wierd aen den Koning 
als iets zeldzaams; Ina Paksa was daer 
over zeer gestoort op Ki Amoeng Raga, 
zoodat hij hem in een boete verwees, 
wegjoeg, en zijn Pagger uitrukte. Amoeng 
Raga vervoegde zig bij Ki Patti Man- 
dana Sraja, zeggende, Ina Paksa heelt 
een Gegoring goud gevonden en aen 't 
volk uitgedeelt, ik heb hem ^eraeden 
hetzelve aen den Koning te geeven, 
maer hij condemneerde mij daerover in 
een boete van 4 reaelen etc. Patti Man- 
dana Sraja ontbood al het volk van 
Tagal Temoe: evengemelde Patti en Patti 
Garta Basa raadpleegden daerover, Ina 
Paksa bekende een gegoring goud ge- 
vonden te hobben. De hoofden en 't 
volk vielen in boeten, te weeten, de 
hoofden onder Ina Paksa rang hebbende 
ieder 8 reaelen, de mindere hoofden 4 
en de gemeene 2 reaelen ieder. Ki Ina 
Paksa wierd gedimoveerd, en mede in 

Ieen boete ver weezen van 16 reaelen, Ki 
Amoeng Raga wierd voor het hem aan- 
gedaene ongelijk een vergoeding toegelegt 
van 8 reaelen, en wierd aengesteld tot 
hoofd van de campong Tegal Ti moe, 



h-nasnamtrvi ^yinainaoonjitoamat onnutten ntiuiruji Cn 
oji nsn om out ^n. na n rut i non na -=*-n njimncmtojt uwxi 



O . O Q o 

II V^ 3 ' ? HiliV 'Pi l 'Vnnaoatun na tui aai ^i njn riKiitja n-ncm 

^Kinjnnan^.n^^teJinjntèncrrtn.mtenoJi^i oicm l nirrmn 

• o q . Da 

onni nat tun na ili nai _üt<i/n tcjojt njtn tnn^noj) nat Juten oji^n 

00 O o» « O o o 

nai na oaten n<n oana rix.n i i:i<n mi.> 717:1/ na i.'ii i'a 1 n >i >, 1 

tun rj tin t na cm \ njn tenoJi^Athainjnnanatnjnnrttisnnanainan 



ten na oji ki ncn tun ns'ina\ ton na na njrt aan nanKnrinjinanxitcr. 

'1 1 

1 



o o a~ Ct o a~ a 

<enjk \ nart n/n na njt nat ^jtnjn na o.n ui nam ten na nat njn tn rBl 1 

o . a O / a 

na cm \ nsn naoana non tun ritemna cm nat nat op njt nsn mn 



o 



Cd 



O rv o 

- na nat n/n tl tent 



na iis na nai nsnjt na na nsn njn nat oan oji nm on 

O (F) o . 

nacm\ na na on no oji q.iat mn njinsn tenoanaio .1 1 11 : insnrt 



on nnn na njn na njt nat ^ 1 ten cm un ten ojiji oJioicrmnicmzrina 



o o 
.nan" 

nqj 



o o o y 

nattqifji ^aieji inananaiKn m nm ? nat x/n.nu> n/11 n^: nainsriXi 



'T 



77 cn ^ nat tun n 



najnsrii 



tëntKi 



ntt (Bi ^.1 mtioa tun nru nat dji na 901 nsn ut na \ «sn intnarth 

O CY o 

na nsn njn nai nan njt cm nat njn nut \ njt nsn ^tennaoa ; 1- 1 1 1 1 v 

ni nji i nsn n n na ^01 tn&i ininjtn itnnjt z nsn cm acutn nsn ten 1 ir) 



o 
na 



a o a. o o 

1 (in tui ut ttJi na /? na oaoiunt m m na na ten ( na 1 1 i>n > ten na 



tan na nart .1 



o / 



na injt ilm \ ,rut na ~Jt nsn %nat nsn <cn sji nstt nart nat pit^/j * " 
njn na n/t nm _wi\ ni njn ^rtnju na tin nrtt^un ten oji ^trirrni ni 
nticminjninsnnan^t!an^tLatwna*nnTJt<hnJrtnsi-i \ tsrtnxn 

tiaa^inrin cm f in njntuivnnainjnnanynai^t&lKnïtnateji 

o O 

Kt ^ tot njn na ten njtn teil ina ninao.it, ia n.w\ natnatnnrjr tutj 

njnitbunjtn itui.iJittanajiE<i!oanji t 'u tint tvttrv^n naton rt 

oitiitz mcmoJi oatvnoa^t Mtèi xnnjn oJtoJininsriKit onna 

itaJhnxnnnnjvnQcmn^fainJttSinaiiuinartanna^/nt 1 n ' 1 

tvtncmtenn won oooTMnaioa -tn rféafriimasni 



/ 



ttl^M^v&^H^™} 



80 
daervan een Acte. 

15. Twee goelarg-gOelangS, off kneg- ^aMMtm&anaArni^t^KntM&'uatm^ruaojitm 

ten des Konings vanMeddang Kamoelan, ^A« MI » n ^ f ^™ tU0 && f n IMi 8ï IB ,«c O .» 
genaemt Ki Soma en Ki Raditee, kwaemen cZ) Q Q o/ Q „ o 

__ .. _ ., i /-. mi »snn\ i.n tor) -o ihnttji om tui -ki rui tuii Én cmiru ^.inwunn 

van Madja raijt; op de C ampong Tagal , Ui i .<j » ' 

Paijong, geleegen nabij de zee, hielden zij nyr7^m^(u«^M<&iw^ ^<óïMi»niawiunfl&*$»©>4| 

stille, als 't avond wierd [50], en overleijden ^ ^ ^ ^„MM^fiflgg T «r,^ 
met malkander wat zij doen zouwdeu met Q 

,. , , .. , iji T r- iWÏiktiikttU/Jttt nnmniCti\ m.i.ii > ) i.ii <m uu ui/n) pnn-~) 

t goud dat zij opgedaen hadden. Ki ^ ui < < i c e- n o 



a» o . o o o 



Soma zeijde, broeder, deese bol goudeis »^^«^\^angf»ni®i^«5iinfhiy«nf«3i(wi«ij»niffn«i 

best wij het hier begraeven bij dese boom ^ , o. ü ^ ö o M M a ^|0 wï) ^ ra ? H)) m ^ ? o 

kandaal growoong, morgen zullen wij a OQ ooo 

. .. - _ wm man \ r/inyi.rn) MnttsntHhoJtiiiltFJIM hinn rvi 

t haelen en brengen bij den Koning, maer ' a u v 

wat belangt deze 3 corgier Salimoet, die £,Mji£x™^Mt™^^<£>*i<g«n>qMiM\M^^aM 

zal t best zijn, dat wi) mecleneenien na cmm\ rum/uniBirimonnih^iLmniunnxianM» >i utmogr 

Pangan Wangie. Thuis gekomen zijnde n Q a Q Q 

,Di-n?i/iï<biii «n miutnjn<n<n tnon t/n nm^nxn nrziunito 

deelden zij ue drie Corgier Salimoet in drie * a 

deelen, Ki Raditee gaf 't derde deel aen ¥&$"»*" J^*"""-^ .«'^V'^»^ 

Ki Soma; Ki Soma hadde twee vrouwen „ C n t ^&& l & r uJiïa^ytnwK°nj>w^ ! m\Mm 

Ni Angara en Ni Assian, Swagerinnen a . Q r i ° 

hl) «.,» (KT ?U)I (KT «Tl -i;) 71 irUlithOfl'n ■l.T'iiï «" 17 '-' «'&' 'KT 

van Ki Radite; Ni Angaiahad een voor- ^ ? " 6 ' uu d ' LJ 



«Tl 



kind genaemd Ki Lagana die zij zeer ö y^ l ^"'""'y^ M a Mlf » , ' um,M 1? 

lieff had, en veel gaven gaff, zijn vrouw , a ^ ? wi,u jj^ iwim'aTiu^wMKm'riLiT^wwi 
was genaemd Ni Pramana. Ni Angara o «QO„0„....%.J 

kennis hebbende van het gedoente van 

haer man, wilde hetzelve bekent maken afita^^»»^.,*^™^^-*"-* 

aen haer zoon Lagana, en nam van de ti^ ^wy.üi.ruMui^Migï*» ^mimtiw^wi 
Salimoet mede. Toen zij bij hem kwam , M? ^ Ui a,^^ g^ r i.>» *, ^^c*»^ 

was haer dogter (haer zoons vrouw) niet «co o o o 

.. lliVl l)K)^-ILII I LI iL» (KT l&J «) I) l/ll « II TJ (K I I) L-ll IJ M «Tl? 

thuis, maer aen de Bassaer gegaen; zij ' ' ° L c' 

verhaelde aen Ki Lacana, dat Ki Soma ^o^iï^^Tiz^»»^^»^^»^ .*»««*»* 

goud begraven had aen de zeekant bij ^ < a^Mi«.MM«^gfMi«»^iö^^'rii^Ai 
de boom kandaal Growoong jdaerop ging noo o oo 

^.t4t^(iii,,w,t7n,k4^(KTij«}»j)in(i.ii\ MamMiHii 

Ki Lagana 's nagts, en nam het goud * ^ » <- '^ ° 

weg. Ki Raditee ging 's morgens om het ^T"" "? ouai " ?^« i8EnMé '4 w " i " ? a ^ 

goud te haelen, dog bevond dat het weg mmwis Kno<hÈ,<i»< ! nKi<nvmoj> ^«sniKi^^*' 
was, waerover Ki Raditee zeer ontroert a , 

was, en hij hieuw den boom omverre en '**< ' ,w < ' 'er ^' »' 

droeg hem bij Ki Soma, en zeijde, het goud ^^»^Ia^(ru4^«^^«^i^%^^^^<M■^^'7*j'^'»»'* , 

heb ik niet gevonden maer is weg, maer a - a . OM „ ta M u 3 ^ 

daer is de boom. Daerop gaevense kennis 



81 



van de Zaak aen den Koning, bij wien alle m ««^tM*^ ró>*t>n <m<m . y wmm ,,i „,?.■»>. n i j 
de Mantries present waeren ; de Mantries 



O O . O, O 1. 



a„ o a / o . 

,m \ <n i n m mj il» nm > <n n isn tr» i i 1 otj m <m h/ï >/ ui i. h /^ 

o o 3. O. 

« i m\ mti ui (u,n %<un noJigtu>T>njn > i 7 i» i " '" ' . i " 



zeijden, Ki Radite heeft niet genoeg te 
doen (een schimp op het omhakken en weg- ™ %'•"-// f*»-*»™-™ 7^^^^^g<ö^« ■ ;,; 
draegen van de Boom). Ki Patti Karta Bas- 
sa sprak tegens Patti Mandana Sraja [51] 
zeggende, wij moeten daerover raed- 
plegen, waerop men haer ondervraegde, ' 'S -"«^^«-f"" '"' ' "W'I,*M "'"' '>' 
en zij zeijden goud bekomen te hebben en «nM«uMJh..iwM ; jMiMMiy MV^tö? m ,/i.i.. > 
't zelve aen den Koning te bebben willen o a o a . q o o 

° kïi mmn ik) n ten n i^iviiiHn aji ri 1.1 in i n i i mi iptun 

geven. Patti Karta Basa beschonk Ki So- 

O Q. O O o a» o a. 

ma en Ki Raditee met de Balsem Ganda ' t . ' J '" 

Jajang katon, en zeide, ik zal over uw arn?n^ tu> i smuntciaaü» m<m...Ïi ™ ,mi " ■ ■"' y " 

zaak raedplegen, maargij moet intusschen ^„^.s^ ^jgnSW,™ .., 7 g , ;/ , 
uw pligt niet nalaeten. Daerop gingen . 

zij uaer huis, en Ki Patti ordonneerde, ' . » * ' 



dat alle de goelang-goelangs op den m^ ■«-■>»" '»" '^mimm , -' < T l '''''" 7 K'' '''?'•' V# 



~< , » ~i ... .~ï ,,, ,. ,j | i | i,i; 



Aloen-Aloen vergaederen moesten. • $ ,o ((/( „ # ^ fl , ; ,„,^> .;?,, y* , ! , ., , ) 

a~ O ~> 



Soma en Ki Raditee overleyden met mal 

kander, zeggende den laasten, broeder, ' ' 

wat is de intentie van Ki Patti met deze Hi<^v\t<un<m^omcmi^^iMi^^^z^mr^M<^ 

gifte van Jajang katon, laten wij 't geven j^^a,» 7 «oa&SïS .y, 7 . n ^A*tm - 1 - 3 
aen mijn Swagerin, de oudste, en zeggen M a „ , 

i i y'ii \ i(ii ni.ltn Ju i i.f ) mm ' i Ml vi uu il > i /m i i 

dat t een gifte is van Ki Patti ; en men o 'et «i 

gafTtaen Ni Angara zeggende Ni, neemt yy» 'dV V^K' ""''' l '" "/"/ 7 ""7 " "/ '7'7 

dit aen, dit is een gifte van gusti Patti, 1MÏ1? . /!,,.■, j^™^ .m,,, ..','ï.lyu - <> .17 •» '"/'•'/< « - - 

waarna Ni Angara uitging onder voor- r -, o 

lartiQuiiici [ J t "»» ei 1) iiirrni.i.ti-c ii mimi iy isn?J ƒ i i 

geeven dat zij na de Bassaer zouden & u '" 

gaan, maar zij ging na haar zoon Lacana, "''•" ">•»-"'"> "/'■-"/'^ ' " '•'/'/ '" °' ' ; ' '"l"' 'j' " 

aen wien zij de Balsem Jajang katon ,} ;.-,>', ,„,_ ^ .i.rii.^rli^Mi »; .1 1» »;..i ; ; ).n. ... 

schonk. Ni Pramana was toen niet present, 

Ki Patti ordonneerde verder aen alle de <3 ' c~ ' 

goelang-goelangs, zoo bijaldien iemand de « / »^»&A«i«n««to|« < &«iiMi , .y, „ .-, ,?- - -. . .< ; 

Balsem Jajang katon draegd, dien moet , /&) ?«, £ ^ 7 .,m/i .'»./... ... . ./.y .-.-y 1 ..' . ( !. . . ,, •<■ 

gij opvatten, dog ingeval het een vrouws- n 00 

..j.i <£J Min in mi ritu» tmi ,j . ... » 7 ' " ■' ' << > " y '/ '; V 

persoon is, geleijd die slegts; 's morgens -V & 

liet men de goelang-goelangs op alle ''/;' .'"" '■■»™™ji"'{j.' ''"'/ ' , ' : ' 11 '■' '/','/ '■ '""' 

wegen en ook op den Aloen-Aloen op- „ n; , , ., .„ ,,,j, l( mm^nn?.i m ;... ». ../ /"'' 

passen, en de Bandee (Bekken) sterk 

i.) 1 1 1 n 11 i'n 1 11 1 1 11 > J\\ 

slaan in de stad, waerop een menigte 

volk veischeen en Ki Lagana vervoegde ' 



82 

zig mede na de stad, om te zien wat er 
te doen waeren met den Bekkenslag, en 
bij droeg den balsem Jajang katon: bij 
aen de deur der stad gekomen, wierd door 
de goelang-goelaugs opgevat, en gebragt 
bij Ki Patti, waerop Ki Patti afzond na 
't huis van Ki Lacana om zijn goed weg 
te haelen, als wanneer men 't goud vond. 
Ki Lagana werd in Prada verweesen; en 
Ni Pramana in eigendom gegeeveu aen 
Soma, en alle die van de familie of het 
huisgezin van Ki Lagana waeren, vielen 
in een Boete van 8 reaelen ieder. [52] 

16. Twee Woeloe Tjoemboe (geboggel- 
den), genaemt Si Boga en Si Andra Wina, 

, ., j T, j. /r , . ., Minitonnen <ej tin un ,, «m lii tinis)cm iuimim tiAcrn^n 

wierden uitgesonden om Padjag (Contnbu- a e 6 t <*v f 



H.vnnnft^nn.tty™ 7j ttniJinrirnnimnri n^nt mCap Si nq% 
,£n n — — - — » - - ~ O .9. .<h . . 9-. .of. 



?. S O o o 



tie) in te vorderen, zoo van de Zeekant als *o-mmvm<iu^<ij^<n<um «vnvnasnnjiih.itêntvtiiinjttai^, 

de Rivierkant, en van de campung Pagoe- iïnn&im, »„„ ,»»-»,„ ,,^.P. -. f ° 

' f o o un .i inrt nriiLn tui i^nm ten tHinn^i 11 ti tem on l op rui itq?ttrn 

tan en Argamoentjar, en vergaderden 1 



3. X 



Keti en 5 Laca. Op laestgemelde plaets e - / * ' ' s ' t 

raekten zij in disput over haere reekening, """'^^ - ' ww^m(q<maanM\SttcnMM»/niisn 

wegens een verschil van 2 Laca, en zij vog- Sa^^^ a^m,™,^^, , mó».» 

ten tot Pagoetan, juist op den middag, en 

,,,, ii- ..j • • i m * iiLita „bjuinaoifliL/ias »nn «.o om tuin miait ajicmasnm 

zulks hoe langer hoe heviger, totdat zy mal- * fi ^ *-" ' f < ' 

kanderen staken en beijde dood bleeven. ^««■w^^^^CT^^^^^wï^&srti^/u 

Het volk van Pagoetan, uijt vreese omiat m ^ ^.^^„.^«mx^u^A 

het volk van den Koning was, dorsten G) /n a 

. . , , tuiarnnsn tuin lUinnLX (SJUisn,unnUitui tcnabiaJitHntEnruitHiii 

geen kennis geeven van de zaek, nog e '- a t ^> n e ui 

dezelve rugtbaer maeken, en die vau Arga- vfaMTf^imiC^^iiriiu^^iun^ajiiruiLm ^/iommo^ 



moentjar insgelijks. Een Patiengie off een 
der hooffden van de tweede rang, van de 
Negorij Pagoetan, gaff kennis hiervan 



iism iHT/i iriLmnri xm nn m ^ tl n-t MiaTinn mi» \ <ê/i ttm <rn itj 



o 



tun ,vi asn ^ntuit nsri tui <>n.'>]f* ui " > > ' >) ' ' ? '/ ta o. ; _ v i / ir) 



aen den Koning van Meddang Kammoelan, «"^/T ™ ^^>^ ! >>" ró^èi^MMmjiai 
dat r>oga en And ra Wina gevogten en opn --n»n<n-iniiKi m op m iw nsn %mi wiKn/ui <n<öitiui<rii 
malkanderen gedood hadden, op de Cam- a „ o ao / 



pong Pagoetan, en dat het volk van 



en Kj rtiii i 'i n ~JI tui ") nl gfl? Kr l' L:i l) tmnji ui tmi hui ,idi hui hji jn 



gemelde Negorij daervan geen kennis voor- «^«n^wt^wixnj^ biJ^^m^^^u, 

ncmens waeren te geeven. Daeropzond .HnnjiMmn\ajiiKrinjirL<i(un>L'n^ LniHn,myLXAikii£A^iHri\ 
Ki Pattij na Pagoetan en Argamoentjar, Q Q Q „ a a , 

tKTi aa asn\nsncm(m tappin tin tui xj crn.cn tin n en tui iwi tem 

om alle het volk, vrouwen en kinderen ' noco i 

niet uitgezondert, te ontbieden. Dezelve A«iay*uiOTi^^tcm^p«OT<«ii^AJ«Bi5«nAf« 



83 



verscheenen en Ki Patti Karta Basa, von- 
nisde daerover en veroordeelde hun in 
boeten, te weeten den Koewoe 12 reaeien, 
Beij 8 reaeien, Lambang 6 reaeien, 
Tjap gawce 4 reaeien, en de gemeen ieder 
huis 2 reaeien, den Patiengie wierd be- 
schonken met den eijgendom van de 
Negorij Pagoetan zijn Leeven lang. 

17. Een man genaemt Ki Toeranga, 
woonde op Kavang Wedoerie, in één Buurt 
met Ki Pang Ammer; Ki Pang Ammer 
had een zoon genaamt Ki Rawie Sringa, 
die ging in 't huis van Ki Toeranga bij 
nagt. Ki Toeranga bemerkte dit en bevond, 
dat bij daer biunen gekomen was zonder 
de Pagger gebrooken off eenig goed ab- 
sent was, [53] bij vattede hem op. Ki 
Rawi Sringa bekende dat hij daer gekomen 
was zonder eenig kwaed oogmerk, maer 
Ki Toeranga had gezien dat hij zijne 
schoondogter Ni Lolita ontmoet hadde, 
sloeg daerop Titier, en bragt hem voor 
de Karta die daerover raed pleegde en 
Rawi Sringa verweezen in een boete 
van 16 reaeien, en een Vergoeding aan 
Ki Toeranga van 8 reaeien. 

18. Een Man genaemt Ki Samar wae- 
ren Twee Buffels verlooren, genaemt Dam- 
mer Woelan en Soeloe Lientang; na 
dezelve een Jaer verlooren waeren geweest 
vond hij ze bij Ki Rambat. Ki Rambat zeij- 
de dezelve gekogt te hebben van Ki Tja- 
tjad die weederom zeijde dezelve verkree- 
gen te hebbeu van Ki Woetoe, in voldoe- 
ning van schuld; deze zeijde dezelve gekogt 
te hebben van Ki Awas. Men bragt Ki 
Awas, Ki Woetoe, Ki Tjatjad, Ki Rambat, 
voor den Regter, die dezelve ondervraeg- 
de. Ki Rambat antwoorde dezelve bekoo- 
men te hebben met een spleet in de 
lippen van de eene buffel, en een spleet 



ik i -rt ir» i,(i ,ui «il si\ 



O Qv / O 

Jltl M/l i/ na t. <ini iKil <hi n/i n ■/ ni[ Hl i> 



W7 ? w 



ij tun <m ii li i tun <n mi kii ti cm tui/ 



Kitunttm-nnjiiiijnasn 

a / o . CY o CY 

cm u\a tip ruitta 'ii 'i> 't» ^ ik» tui ten KJitin 11 u uu ia ,i. n iniun 



^aciii KI tui tuil tuil kaki 7 i n i,n > ir 



T' w-ui i ih.i -irion ka «52 ten (mi K,] ka ij i n in i ijirm 



Xhi 



o O . 

IJIIKU I I lil 



ici .7? <wi tm ik ii tisri ti cm >ii tun ïtim nn <H n i- n tui 



1.01% II .111 l Tl IA UltUj Ij KAilAl II II I II 



o . o Q Q 

»n tian <rui -jii i i ■■ i 
co 



. o o 

,isiin<ri<iiiM(i^ aait<~ii MamanAMMiitiniAi i ii n m\ uu 

q a q O o q/ o o. 

ti fn r/ luuerui uu \ tun isnnA cm iipihi 1.1 1 » i n ia i, u i i n 

ikii iai \ iKi.iii 'ia mui urn a-i tui mui \ iKimm i m i~j m i.n i i 



O 
tuii 



Uil -Jlï UI KI I I'IA II ,117 \ lAltlJI arUKU/illl II . II I II i n 

Cfk- Cf CJ co 

o . / ~i~ . C) 

n uut lil iAUiA/j ijuiurui i.i i n \ ,i n ii-ii ia i,i ii n i i.i 



a a. a.. 
ia-ui ii >i i ii ia <m ' " 

ut £- 



il uil ia 11 il/ il 'i ia i I : I il in ui i I i.i i il I I i l >i i ii 



s. 



i ii 1 iai il ii i il \ OJIinriiiA -' i i I ■ I '7 ii I il I i n i i ' i ' - ' " 

T7,i?7 (mjii in ii i i isnammji onna i ij i > w/nriatfniui 
cm luiïiAi ai kii ,uii n Mius; ii->i Kiun ^ i ii f 11 1 mm 

thfUTI IS71 tKTItLAJtKTIlKll OJI tlXI^ CUnOR IJTMIM II III j lll-l 

i ii ii-yiiAitviiAp ,i ii<i > i7 'i i'!i i f i i/\ i/i H ><> i ; •' ' ' ,i " 

uri uil ui) iai 1 'il ■> i tl i jin i'i »ï ui ik» t iiMAiiAiViMjfMm 
1 1 iin ,!,?; i-I n tUIJI iai 'l^ -i," '■' // '■" '/ ^ '■' '■" L,n 
uii i zin 'i HOI ti ka uOj>) (UI KJl^^iüi ei, hia i ' i ij 'i i/ i i' 
riKA ii i M in . : 'iiTiKin i ' mi ia- >i iai i i ju i > ' i<i " 
:,-,! , , rj.in/ij^AKUKin^lll lQ^ 1 ijl ■ ij'" >'" '/"/< 






84 



in een der ooren en het andere afge- 
sneeden van de andere Buffel. Ki Tjatjad 
zeijde, ik heb de sneede gedaen in de 
Lippe en in 't Oor en het andere oor 
afgesneeden; Ki Woetoe zeijde, toen ik de 
Buffel hadde waerense nog zonder die 
teekens in de Lippen enz. Ki Awas 
getuigde als den Laesten, Ki Samar had 
zig dezelve toege-eijgent zoo als si waeren 
met spieeten. Ki Samar wierd in het 
ongelijk gesteld, viel in een Boete van 4 
reaelen en een enkelde betaeling van de 
waerde der door hem valschelijk gepre- 
tendeerde Buffels. 

19. Een Man genaamt Ki Sikap zoon 
van Ki Doernite woonde tot Karang Baija. 
Ki Sikap stak met een stok eenMalieng bij 
nagt in zijn huis genaemt Ki Dinda; [54] 
bij voelende dat zijn wonde doodelijk was 
maekt zijn gordel los en bond dien om 
zijn hals; Ki Doerniti sloeg Titier, en 
veele menschen kwaemen zien. Een man 
genaemt Ki Samaja weetende dat zijn 
zoon uitgegaan was zond zijn Broeder 
Ki Wisaja uit om zijnen Neef te zoeken; 
hem gevonden hebbende zeijde hij Publicq 
dat hij de zoon van Ki Samaja gevonden 
had, dood en gebonden, met bijvoeging 
dat zijn neef 's avonds bevoorens geroepen 
was bij Ki Doernite; vervolgens gingen 
Ki Samaja en Ki Wisaja zulks bekent 
maeken aen den Koning, Ki Doernite wierd 
verweezen in een boete van 8 reaelen. 

20. Een man genaemt Poela Karti, had 
tot zijn vermaek een Langarangan Poeti 
(een dier als een Badjieng, dog grooter) 
verstaande het geene hem een mensch be- 
last. Een vrouw genaemt Bramani, leende 
dit dier om haer huis te bewaeren, zij zeide 
teegens hem, past op mijn Huis en op 
mijn kind, dat daer in de wieg ligt, ik 



a. a O o a 

ranm iea ihtt) mi riuni t; 1 inn i n in i i i n ; > 11 / n > 1 1 1 if 

o/ • . o 

nnjii iifjt iritcntumamoi «oümjmiimik nm i.,, , n 

aji a-Jljtnjii cni fnni triun etui i. n ui nrn ■< mi in i.n i i ; 1 n 1.1 

O a„ a a a^ a a O a„ a 

nnaounruinoi tisnunumn ren \ncnmi inn n ;i luri-r 1.1 t 



Cd~ """ —yw"Cö~ ~' '"!'" 

Cld O O S 

isn un ui asn asn ari iÏr txi ij ai un tan nn na aai ao jjiasntm 

/O . a 

tem \ .isniKHdji nn ui iji rui aji asn <nn mui n ijioji m ntrw ' i '/ 

/ a . 
(in ^ii npmnui nqunojirui un tunnona ntcia inri'i 11 i i.i/i 

at ra n ii nu tisn\ il 1 1 1 i i i i ■' rn w/> w 



a o O 



a / a o 



II Ml Mri Uit UTlnn Ml 1 Ml 0JIJI\ l/H II Tl III 1.11 XC I 1,1 I II 

a„ a o O a.. a.. 

un mi nn mn umi \ urn qji mi i i _ n itn fjiKnmji i. n tui ij ia nn 

o.. . a. a O a Cl 

ti/n ui f in tuil ncn in ui am trui un ni tuin 31 tin \ uii.h.il ?/ ->i 
II ' /H b Cd Cd 

o a a 

i ui ri ,iw pi asn tnicitHithjiniiitiTri iimiriininiiruitinrii i 

G) a a o 

titji i n 11 1 i ? i i in in \ ufn mi ti i/E/i mi i tmana tnixian 

o . o 

un tn tun trui txn cm ui ^ un tui n tin om ri in tin rithiit tin isn tip \ 

a o O 

mitimh i i tii\ !L?J tEio.i ^itiüi n,n,im tMitn trui t n tin i n ui 



o / a a o as a. a 

ii i i miji 1 1 ni tin un tisn ti) tin asn -n umi anno, ttn ooi rui a i ieh 



a a 



y 



aji t ri ii nrui iti mi ?:i tui m\ m isn ojnin i"7 m aoi» \ ri m 

O 
tin ai rui ? n on i j inx % asn asn n im non tn om rino ^aioi nn ntiQ 

a . i.a/aa O o 

a.n aji no tip \ riaxitin mi in m un \ a/nao rn m i i ieti m\ i.i 

x Q.. . a/aaaa C) 

asnuntui (njiicntun asinn i ui naotcnanji mr^i i 1,1 



a / a„ 

<&l (E/l ' ~ 



mij i?:m\ riintjnmi ii ï i i n\ o i i. in rui ? mi mjiri'-nz 

a a„ . 

ntdjMjTi i in ntixi m i 1 n 1 1 w 



/ a 



II mi 1,7? in i ii nn m ^ji ui trui mi un \ un inni ? ion m iriani 



. . . o a O 

trui on -^i cm odti tvn no ~Jj isn 4 unmi izi min \ 1 v n 1 



1 1 .hi 



trui 1.1 iisr/nijuntEi^ non anno tunnii tin\ ajnis: ainn nn 1 1 n 

a . . o.C) a* 

tfji ao\ (iji cm cm nn n si m ~n asn ^nsnem nonn -jn notmiaji aan 

. o a„ a. o o . a.. . 

ajn no ui oaj] no non un ikj tin n 1 aji mi rui un no cm ri in on ui 

a O O O 

cmcmnti ij no-Jj, un^un nna.nm in ten un m ik ajin uiti? 



85 



gaa eens na de rivier. Een vogel Doerat- 
makka Banas Pati (een Roofvogel die 
men Kuijkendieff noemt) wetende dat 
Bramani niet tbuijs was, wilde het kind 
weg haelen. Langarangen Poeti dit be- 
merkende, beet hem in de hals, het geen 
Banas Pati hem weederom deed, dog 
Banas Pati stierff voor de deur. Larga- 
rangan Poeti ging na de Rivier om zig 
te wasschen van 't bloed, waermeede 
besmet was, en om daerdoor Ni Bramani 
kennis te geeven van de zaek; Ni Bramani 
ziende dat Langarangan Poeti met veel 
bloed besmet was presumeerde dat het 
haar kind gegeeten had, en sloeg het 
dood, loopende voorts schreeuwende na 
huijs, maer bevond dat haer kind wel 
was, en dat Banas Pati voor haer deur 
dood lag, ging weeder na de Rivier en 
schreide over de dood van Langaraugan 
Poeti, liep wijders na Poela Karti, gaff hem 
kennis dat Langarangan Poeti [55] dood 
was en zeide, Poela Karti, wat begeert gij 
dat ik doen zal over het dood slaan van 
uw Langaran Poeti, ik heb hem gedood 
omdat ik presumeerde dat hij mijn kind 
gegeeten had, want hij was seer besmet 
met bloed, maar hij had Banas Pati ge- 
dood. Daerop antwoorde Poela Karti, wat 
het Regt is en hij bragt haer voor den 
Regter; alle Naijakka vergaederden en de 
Karta spraken Regt, Ni Bramani verweesen 
in een boete van 8 reael en bovendien 
een dubbelde vergoeding aen Poela Karti 
voor Langarangan Poeti. 

Eenige uitbeeldingen van Processen, na 
de wijze van Konlara Manawa. 

21. Dit is Kontara Manawa: Een Kik- 
vors woonende in een gat, ging uit het 
gat. en zeijde teegens bet gat, gat, past 



) n . 



>l ' • i i J ii ' ij : i 'i i , i ,j i' , , ,j i i , n 1 1 1 >., ?i injp n i 11 n 

a ~ ° a. a a 

rumciiwj! pj ti-ajj rj m pi , ,, p, iluii urn isntn ju huitium 

pj Ki (i .ƒ -n km ,. n r.-„ ,, , , „, ., ?, y , . , ,]\ ,,;,,,, ,,--, , , , , - 
tisn q ten ita jjQT) asn m nuk ij w mciJtom m-nonad jlSi 
ih,i m tun asnjl cm on_ri tin 11,1 (y i i urn i . , , i _,i , ?, ( , ■ ] i . , , , , , 
viaQ'n.aai mn , i ,,, wnxnan - / 1 n ? « i n 1 1 . / i > n r/rvi 

'I ' ' h 2Q V "'"7 'p 1 ' ' ' " 'I v ' ? ' ' "V ', *'' ' '' ' " *9 " ' *° • • x 

a. a- o o a a . 

irn tisn tui n cryi tui im , i n i&i ,i, i \ > n ;i. n t i i i i 1 i i i i i n tui 

'i.'l ' / il, r l m M - ' ""' h ÜJI '/ *° "4 7 ' ' r " "^ ' iltcl < >i ' - / °' ? 

1 " ' Vo ll'Vl ' ' '" '"' ^Kaan^/iasn xjitta ij i n iimiwii i 

a a a» a a a 

fturitVl pl\ 't' i ii 'ï in i üiiKinM.M i-.ii.rn tEH 1.1 : i n i 



O o a a o ei o a.. 

/wiii/n jrm nm/i E/jtrui nin muii.hi n i i </ i.n .■ i i,n , i n 



o o o o O 

Kt mui, pi (Hifi n ia *-» ,vi tumiiiipiarn >i hio.i ^n i n i 1 1< > i 

o a- a . a (?) 

uk tui ipy ri turn nm.i n >i ; i 1.1 : i n > i ij i > i ntirwn i i in i 

. o q . a a 

Itm ,1(1 i 1 i I 1 icril >n 1 1 1 I t I - I i n :> >.i il i : i n i ni i i in 



ai. x o 

IFJIIH1 i&) r n 1 Ij : I II 1 11 I 1 I I lil ?, II Vil \ l I II >l 1/ II 1 1,1 i 



i il : i ii i n i i i i 



cm cm nn i i in ~A in i i i I i n \ 1.11 ui 11 i i i i ( i n : i 1,7 ; 1 1 1 

/ Q 0.0 00 

rtHKn 1 11 1 11 1 1 1 1 11 )i 1:1 un ">i : 1 11 1 ifi-iin 1 1 11 1 n 1 1 1 11 

o o O 1- 

-~n 'ki 111 ten ^1 ï.i ~« 1/ 1 11 lil \ 1 j >i 1 - 1 1,1 1 1 1 1 1. m 1 n 1 1 

o O - / a a- 

Ki}!KlMJl\ (HUitrnridJl {i.ltLt int in 111 1 1 1 1 n 1 11 1 1 1 11 1 . n 

) OO o a o o a. a. . o OO 

azn tun pi \ tn~i tr.11 11 1 1:1 m 1,1 >i «1 1 1 ; 1 - n 11 1 in 1 1 j 1 1 1 1 

o ). / a 1 

1,11 I II /KM 1 1 1:1 1 1.1 >i 11 11 1 11 1 1 1 i,i 1 1 1 in 1 n 11 1 < 



C ) 



. o 



IKT1 flSll (1711 M/j >l IV II 1.1 1 II 1 I 1 I M I n 1 I II II I I 1 I I 1 11 ■' I 



T 



iiswit'n m 1 1 iti 1 n nn ^11 ui 111 



I 1 O i"l . 

11 1 1 :in 1. 11 1 11 1 1 ■■ 1 1 n 1 n 1 1 1 1 1 1 1 1 " "'i f 1 n ■> 1 

a, 
111 l 111 il 1 11 . 1 111 11 1.11 ' 1.1 'I : 1 1.1 1 1 
'U I ' ' ' 

II 1 11 1.1 1 n ii ijl n> 1/1 1' 111 1 11 1 1 1 11 1/ 111 1 1 1 j 1,1 j i'n • f 
thJitUl -' 1 iji-n /ni 1 > ij in - ii i 11/iii 1 11 'i in 1 1 'i i' 1 n 7 



86 



Wel Op; de kikvors antWOOrde zig zeltS, nmM^^^ij^^viini^\e^ajuieiiafnaiaasivn\\ 

zeggende, 't is wel gaet maer heen. Een a „ av . o 

slang zig daar in het gras verscholen ^ 

hebbende, zag dit gedoente van den kik- '^ t^-^7^7'" v«i<*r&«»«&.n«* 

vors, en ging in het gat terwijl de kikvors » / o ?<m *<» n^<£« <t/ w c <» £ in <u> >i («5**01 7 •*• <"» »<■> «*• 

weg was. Toen de kikvors weder terug a„ o . , ,»°» ««,.-,«. ,„„,, 

** mijnt ici itii %iui rut n J) n n.n zi)i i ri-nff < » ' > ' h » « 1 mt ~J> fcHfl 

kwam, vroeg hij, gat zijt gij 't huijs, waer q n , LO 

op de slang antwoorde, ja, ik ben t huns, f' » ■-' 'oj <^ 

Waerop de kikvors Schielijk wegsprong, o^i?jn(Hi<LOT^»x»^M^fio>«^ftJBMoi!M»n»'m »*j 

zeggende, gat gij liegt, 't isnietgewoon ^^Q^^^v/i^^^™^^ 
dat een gat spreekt; daarna ging de slang 
het gat weder uijt. 

'22. Een man genaemt Sang Tani had «MiMniw tiw^wyw mi|jj/> u.h ; n| ww^» 



kennis aen een man genaemt Sang Nitjaer; 
Sang Nitjaer stelde een list in 't werk: 



MHJ 'I >" 1/ ' I » » ' ' >' ' n<Un I -'» CT ' " Ij '-' ' -.' '/ *° [j. 



Sang Nitjaer nam eenig geld op Sang «^«r^^M™^^»""^"^ 

Tani ter somma van 1000, beloovende anmM^T^^M^T^ï^ffw^^^^^cT/ 

te betaelen na verschijning van twee q„ . o . „„„•?,,,,.,,<„,,,,-, 

maenden. Na verloop van twee maen- 

den vorderde Sang Tani de Penningen w r« V '— /-- 1 - r^r^^-V'-7"» 

dog Sang Nitjaer wilde nog niet betaelen, Mt|»|nij'n.Nn»'.iui|»iai. | ö'y n, «' 1 ,rrr> 7 

zeggende ik zal gelijk ik beloofd hebbe ,^,,^^^^7^'^ *j*a«*u«^S 

betaelen, als twee maanden is, en dit Ant- Q Q o. / o 

woord gaff hy telkens Sang Tam t zelfde. '^ 

Sang Tani was over dit AntwooH [56] M«f£§»(g\^«i§^?«|^™^<ro" l "*<*TJ 

bedroeft en ging klagtig vallen bij den tii ,„ u ^^, M1 ^ ini ^ 1 i8 l / ) „ «n^^ü 



Regter, dog de Jaksas en Mantries wisten 
daerop geen regt te doen. Het gerugt 



mntüwn/i va KtijiunonnJi ij i » 2 i « i ' ' ƒ ■ > > > / ' " ' " '-■' 



hiervan ging uit door het gantsche Land, «j«p*pCM»i«i*u ,., iw«i\ i/n^»nj*n^^«jh«% 
en men hoorde ervan spreeken op de ,,„,Siu«o ^ji-nuwniM j™.d? 1/( n?jo.)iu 
openhaere weegen. Een dier dat spreeken 



konde genaemt Kantjil hoorde mede deze 



i ii .')\ iiJi.t.'vlicrjljiHinii.iiKimriiui'n ,«iMi.HMJU i J«Mi 



tijding en zeijde teegens de geene die hij .«^«^««^«^^ö*^™»"^ 

ontmoete, ik neem aen in het geschil van 3x01100 mm uw. oo\^oomo/nuwianiqinj)»(n^MM 

Sang Tani en Sang Nitjaer regt te doen, Q „ o . o *<*:-»* , ?, 

•^""o ■«■«"" v« •-'«•"e, j o e~»S(WïiimL»^v oairuiMasnaoinaoo^iooaJ»^ >» 

mits dat ik met Sang Tani en Sang 

.,. . !■> i l n m iïhi<n(ie; «Titii oj) ksïj? tfitf ie/J'^J mooi ootTLin nnjiuat 

Nitjaer zitten mag op een Baleeh Cam- '1£1 / ? < » ^' 

bang, dat is een speelhuisje boven het :u..,»a\ M ^^MWMnyMï(m^iM«MiY' j 

idi Ja.iKY) m <rufl a > ^ •>' -» w «> n « ^ '- 1 ' fW7 *^' 



waeter in een Rivier staende. Dit zeg- ^^^ o^^^o^ «-„«„„„i-nM^'i» 
gen van Kantjil ging per gerugt voort 
en kwam terooren van de Regters en van 



87 

Ki Pati, die ordonneerde aan de Mantrier, ^ ( S« f «^«jg MM '«.^ M ^Mi5ïo^Jl 
een Baleeh Cambaug gereed te rnaaken, 't 



<r. 



>i 11 .. , , ~ „ iVtiruir/Miijm tvMui.vitiJi.tru tan -jatten tcrnviiru ihi n ma 

welk volbragt zijnde, wierd Sang Tani en ' lht ' '' ' ' * ' Ul 

Sang Nitjaer geroepen, en veele Mantrier ^^a^JwiMKMiufMvimiMwwh t ui ^"' 

Naijakka volgden na de Baleeh Cambang, um^j ^jwim ? :uiuj riprtKtiMtKnvnMtvn^ajt 
en Ki Pati beval aen Kantjil de zaek nu . o o . . o . 

tvn nsïi m tut tru trnrt tui tuut im tui tip ihi tut aan ten r n ik» t n tan atn 

te beslissen; hij antwoorde, 't is wel. Kan- i ' cf' *■ ut 

tjil zeide tot Nitjaer, gij moet nu spoedig ™a^^«^«^*»6«*"»«ft"|«»*"" 

Oetaelen, Want t IS UU twee Uiaenden; tap ^nn^a^ji tut taai tajan tut t^ttaiiri <m >a ttui i<i>/}t*ai ii tjtttm 

Sang Tani en Sang Nitjaer, en alle de ff) 

° .»T ,tntnrm%tvniriiui*f\ 

mantries zaegen nu omhoog en omlaeg, en 
zaegen 2 Maenden. Sang Nitjaer verloor 't 
proces, en moet zijn schuld betaelen, en 
aen Sang Tani geven een gantsch kleed. 
Kantjil wierd na huis gezonden en be- 
schonken met lekkernijen. 

Een schoon man wicrd betigd van ^«yn.-iri«ii'»8(i:niiyn«^r^(BjT'i(K7«yïi/o-Ji,tii/KiKi»oi«i,'»ji 
Bauwd (Hoererij of eigenlijk daden die o o . . » n ~ o 

v •' o .i K7) ^ntinnjj tHtjj tam taan taan tan tart <toi tan tarn tanji tam i n tut cmjl ra 

na hoererij ruijken) zonder Tjina (dat is 

" •' ' .i \ a o a o a~ 

j.. , , j . t -ir • /» ,rt ttot tut nut \ i/n vu tvn taai tin tin tuit uit taaturt tutti ttn tarn er n artt 

in dit geval, zonder dat de Kris, of een ' t I •<->& co "•'/, 

stuk van de kleedeeren, etc. van den man iMM^/?A^^«a«a^o^(^»ruMo^|j^U«^^(ci 
bij de vrouw «evonden werd) ofSaksi q o o o, 

J ' Sr tut an ant trui 11 ten tan tui \\ 

(getuigen), dog hij bekende haer op de 
weg eenvoudig ontmoet te hebben; zulken 
bekentenis is 't Boekti in handen van den 
betigter, en vald den betigte onder Ma- 
nawa, in een boete van 4 reaelen buiten 
de verbeetering van schande daertoe 
staande. 

Een vrouw wierd aangevat door een W wn*i.|HrnM»i»i^^^.iM,|i»nM; 

man, de vrouw liep op de vlugt, en gaf Ém „^ t ; tsnM ,„& g M *o,3i&<u j «yi «n^*»tf.»ïj 
kennis aen den Regier, zonder Saksie n n a a ,, 

..,,.. , aai mntètüt taai ttn, ai tisii nat aen ti vu\ (im>aaii.nin»>iii 

(getuigen) doch de man zeijde bij onder- Ul » *° ^' ' r ' 

vraging, [57] haer simpelijk op de weg «ro^OT^»n»rti«J'»ï *»*.■«•>» 
ontmoet te hebben. Zulks is het Boekti in 
handen van den betigter en is Manawa. 

Een vrouwvegtende met een man zonder ^%jnmrii^t^\M^m^rur\^ttmi^u^Mfi»sntn 

Tjina Saksie, de vrouw vlugtede, en ver- ^ flmMffl ^^ un^^éhAA^n ^toti 
sogt om regt bij de Karta; de man wierd „ Q 

, , j t. i. i_ j Mjüimwwi > iru\ tuiert a^witvti tan i/t KiKfjfitui " 

ondervraegd van den Regter, en bekende ' nm* a o' 

haer simpel ontmoet te hebben; met regt tun<nxm% 



o o 



o o 



88 

mag dien man in 't ongelijk gesteld wor- 
den en is 't Boekti in handen van den 
betigter. 

Een man twistende met een man waer »a non >i uu > n wna i i'i ja» m n'n >■'</ j i & ri> wiirn^ 
van den eenen scheldwoorden had ge- a o o 

° i/uu iHj\iHn,j i i i i i > tl uzi) 'in i n ii hi u> pri 

bruikt, zonder Tjina Saksi, dog den geenen 

die gescholden had, en door den anderen "BI-*' '^«««f" ,: "'" r •»'-""* V 1 *" 1 
aengeklaegd was, bekende den anderen M!r,r,Viw.y,^ i^iijnrwN^^^^M/i^^^^ 
uitgedaegd (dog niet gevogten nog ge- □ . o o- „„, „' 

scholden) te hebben, die behoord in 't on- 
gelijk gesteld te worden, en is deze be- 
kentenis gelijk 't Boekti in handen van den 
betigter, en behoord mede onder Manawa. 

Imand een kind aenneemende, die ,,, „ ,,, nin^n* im-*) ,ynn:n>r,,uf] cwrb><oi m-nm 
de moeder gewillig afstaat ter ouder- Q „ . o . o „.. 

° ö .nnivvif.l^iajl^i n < i iji.n? HT^iUJMOTIEWIW-üïMlWIO 

dom van 4 off ö maenden, en de moe- 

q a a o • 

i i j » .--j i ,,,1,1 ) nirmtAA vi fin (Hl 'CÏnn vi nniLiil (tfïl i&J tui OM Mlt (VW HM 

der begeerde na verloop van tijd haer U ö'/ D 'c/ ' « 

kind weederom te hebben; moet zulks « ""*>/ ,, " t " i-f/-™ ^-n!J/i«H7~|.M^^»-p? , 7 

toegestaan werden, en zij het zelve in- . o w . ^ m _ a . „„.„-, M 

lossen voor de kosten, dog moet het ge- o 

melde kind twee vaeders en twee moeders ö è ê (h^ 1 '-* ' » » 

neemen. Zoo dat kind rijk word off mid- «wiisnv 

delen verkrijgt, koomen beijde moeders 

voor de Erffenis op, en verantwoorden 

ook beijde voor de schulden. 

Imand een kind adopteerende welke ^,,,,-w,,^ 'u, n ;in w> >f ->» hmut, tsn»p«ï.wiirwgi 
ziek is, dog zoo erg niet dat men verwagt, ^^ ? , ^ ,, ui go„ n m ^ 

dat het eenig gebrek zal behouden, en " ctr o Q 

de moeder hetzelve vrijwillig verlaet dog 7«»8 — <<<<-— Tïr 7"^""" '-"J* l " 
daerna, als 't kind zoo groot is dat het ,,-,") ^, i.i.t^ui<mwj tmgjj -/ £>? <<< ;.j . ^«■m«7 
een kleed draegt, het weederom zouw 
willen neemen, mag niet weezen, maer 
zij moet het inlossen voor l \ z van een 
menschen-Prijs. 

Imand een kind aenneemende dat n . ^Q^,„« s <« 

XUJ inil ,niKi'i.iniozL.fn^m " '/ 'iium ->, HHHT/fju-n 

swaer ziek is, als groote Schudt en Pissen, " ' f ö ■* f o « ff 

welk kind door de moeder gewillig af- -.7'"'"/""/---^^'^'" l ""^ 

gestaan werd, en dat kind hersteld werd, imun,/ >,, èimm 17 \m ^^spj^M-^gf */'«■"**"*" 

en de Moeder het weder terug zouw [58] , ft i -, | . |i '. j ^ „..Qa^^,»,,^ 

willen hebben en inlossen, mag niet weezen; " ^ 

, t 1 £1 1 ilfl 1 I Lfn 11 ui'IU s i.ii'iihiiiriiininiiiii/l'i) 

egter mag de geene die het aengenomen "i " i T ' cu a ' to r 



IJ 10 l!Hl/j\\ 



89 

Deeit, OOK Diet Vei'KOpenj ZOO Cl) t egtei' inamosn'tsKHiJhaJKnjitLn ifiKniovt m tuil/rijf <n rnnMtrv)/} 

kwam te doeD, valt in boete van 4 reaelen, o„ o . , a a 

i ' un tm (tm m (hm (un tan x.11 71 <n a^i ,ini .iei (in itni \ ui inriruiz 

en verkriigd de moeder 8 reaelen, en 't ' 

i . j , .. .. •■ . (hm fti tëz tri (mi tui tij m un^KBithmiHiarut -ri i&i on ivi Mn tui 

kind keert vrij na zijn moeder terug; '° O 

dit is mede Manawa. on,Vl 

Zoo het kind zonder voorkennis weg- ii^^mM^Sirtfitui^cmaa^ cunrnnSinmntj^asnK^ 
gaet van haer aengenomen Ouders, moet 

° ' .fMJi&i«/n riM tin mhji vnajnannmniiu.nii inn huaonimii 

men daerna zoeken den tijd van een v - u er er 

Jaer, zoo 't in een Jaer gevonden werd off n j*"l&*' r > 7^ ' «^' ^ '»" ™l L "- W,fl 1 ' L ' 

terug komt mag bet verpand worden nM^rimi^t^ojiiumi^riiöitnjii^iLmasnSinaM^ 

voor een 's menseben priis van 33 reaelen . /■ o o 

r "> 11 (lp l UI tl (im (Hl _-; (IS-n Tl 71 11 f. O !W1 1H1 ,1~) M 'Il I U g (h. 1) <K1 fl 

zoo 't een Jonge, en 22 reaelen zoo het 

een meijd is. q 



(iui(Us on asn [ ah ru «n w 



Imand goed leenende, zonder bet te ^vnon iq£m<unihfiinaiui i^omjjö! vjamtiniun ^«u 

rug te eeeven, en den Leender het ver- a o n . . .o 

b « ö"^ « > « **« ^-«w^"«^ "v^v iv/ (rviin^m(HinLiiimMM(cixniivtn)(nii}x:i(Hyjuiiiii.i 

geet, dog zig naderhand herinnerd, en o / 

j Tl, l iiii,», "> Ml (0) •!,'! .Win :■) ,H/i|5T? \ M 11. Cl (t/lltUl 1.11 t£l bil itl 117 > 1 

den geenen die het geleend had het niet cj er ti < 6 Is t 

terug wilde geeven, valt in een boete ««jn-noni 
van 4 reaelen, en werd genaemd Malieng 
arp ; is bovendien gehouden een dubbelde 
vergoeding te doen. 

Een man zijn vrouw slaende, zoodat ut ld 6 -< >cft< 

zij vlugt in een ander mans buijs, en hij m|fl.»ui|:nïwiiiM/i^i|ut,M.ru^ui^ 

haar vervolgd, en in dien mans hui3 nog m&&imnto t m*i«föia*mu*>* i 'n*xi*u A <u V 

slaet, valt in een boete van 4 reaelen, 

«i (hmziruiri tun 7/11 xq, ri ,ci tuil ie/i ^ii'ini n u/m Wfl <J~? 00 ij 

en voor den eijgenaar van dat huijs 2 ' ' m « 

reaelen. otijlijhoiihi ^ji,v,iicrriihncm(hfi(un r rixnii w 



O . o 
ui ,?,h i. ii i 1 1.; i ' 



Imand twee vegtende Persoonen wil- 0ttynan<iftói*«jnOTO{*ji&*a/n^^«rcn»«i«/»«»Mt 

lende scheiden en 't ongeluk wil dat hij ^ o fla ^ IMIMIM ^« MIM ,^o n » 
omkomt, word geen regt, nog vergoeding 
gedaen, maer is Bongan : verstoken van 

het regt. 

11 1 o (in n ,vi i cm on il tun a:n <fi i. ») cm in 11 tun ,1.11 1 Tri 1. 1 

Imand verpanding van goed gedaen " ' u 

hebbende met belofte van in 10 dagen «yry&g*» y> << tn&&yoji V uy m&^M^ 

hetzelve in telossen met kennis van veel „,„««*«« ^^ «o »#Q«>| > nm • </< « "" ""<■'» 

menschen, en komt die verbintenis te , . ^o 

overtreden, zoo mag het goed verkogt Ca ^' a 

worden. •oi ? .rui.nig^|£Ö*»«g^«|« '/ V"'"'' S ' " 

(H1II.J L^ \\ 



90 



Iinand beschuldigende een ander van 



II run iki n tui i un tip trui q rtitruiiun m<kiikii(ki<h7(L0 nnrii 



Malieng (dieffte bij nagt) en geen Tjina x Q „ Q „ n 

tii 1 1.»/?, i; i i i ii i,i i i n 1.1 1 'ut ,h)a,irui i. n i ei MivninriiU) »ft 

kunnende verthoonen, word zelve daer- a a co er 

mede beswaerd, en valt in een boete van m^^^^^wp^Mo.» 
4 reaelen, en aen den beschuldigde het 
geene hij van hem gepretendeerd had. 

Imand beschuldigende van Neloe off \\™™^<*t*mQ&t&tMm^im*nfèy»g&& 
loverrj op duistere voorgevingen [oSJ on M(^wi)^ji»n/L«n,tj)2i/vflTiTiiLM(jwyiftj)-n.Kii8.TL>M(iyni7 
zonder de vereijschte blijken volgens de , Q „ 

ai i ui m tin ttrui irnnni ,un <taaan %ji tui cm turrivi itru rnritiMri 

Wet, valt in een boete van 8 reaelen, en o er er er o 

voor Pakolie off verbeeteriDg van Eer, 7g««7«»tj^«S^'fai«>»«jM V omgi^A»«i ? ioi 

oo reaelen voor een man, en &£ reaelen M j) s w^im^-iini as» Mti<n%n<nxjituriM train tiuitfhtuitn 
voor een vrouw, zijnde dit de Prijs voor a n o / * a / 

>/hr)2ruiiinthnf£,itrLitui~fn,uii\ 11 haji M asn on raituintwi 

een man en vrouw; voorts als zij kinderen "^ * 

hebben, voor een zoon een vergoeding ™^7«i^«T«™i^7««^«M^«r»«"«f» 
van 16 en voor een dogter van 8 reaelen. 

Die ïemanQS neiniDg Om een lllUin «i/iunnrui iifjituntintititm^nijiituitiriaJitiuinrintjiM 



o y o a / 

ii ui x i ia \ \i asn il/1 vtMmain ntun «n trui un tim un fJ'HV <v\. 



wmi.m w 



1 1 VI (Ktl/t HOI (Ml fM (L11 tUI tlill (1? Tl (UW (TLM (Uil «E4 thOI tÜI CTtl i 

ti xtm \ 



off Frff staende, bederfd off schend, valt 
in een boete van 2 reaelen, en tot ver- 
goeding mede 2 reaelen, en werd deze °^ 
daed genaemt Amoek Kapoengoeng. 

jjie met ïemano. questie neDuenüe, uit ii^7i(H?^7!i8i^ii5ii(ioi(iyi}feiTi(Efloi(L4iiji(ii(i^8Mffori(i.ji 
een buitenspoorige Toorn zijn eigene 

goederen ruineerd, valt in een boete van 
4 reaelen en werd dit meede genaemd 
Amoek Kapoengoeng. 

Die zijn Buurmans huijs off daken be- „„^^^M^S-fum^w^^iid.™^ 
schaedigt en bederft, een boete van 8 

reaelen, en een vergoeding van 4 reaelen, ""&> 

almede Amoek Kapoengoeng genaemd. ■^»fM«A^MMWf»>»^^^a(*jMi«Ti«n» 

Die te samen met iemand in 't water (}ajnao yöntunQ-hQn, ^«i^^-n^o^ ^u^ 
zijnde uit Baldadigheid off Spell, als den on a o 

ii in 2 m mi (Ki(Wi (Kiiiikj-lki/hotti vui trui i n tuut tui ^Atuntia 

anderen duijkt na hem hakt met een ö et oj'et < ^' ' et 

Parrang off ander Geweer, valt in een «««^■fl$gj7»£7«»trfj^'w«««5f ^aujgwp 

O O o / „O 

- wie 

oo . 



Q o 

ii. n tui tin tun tui uit nm vu truiji tuitnaaii trui -n run tiai tin rj vi 



tii tun tm i di thi ?i tintmi trui trui tui _/n nsii \ 71 (lm tui tisn itui tm xji 



boete van 4 reaelen, en vergoeding meede 
van 4 reaelen, te weeten, als het niet 

tm ri tHitHi tpi trui tui Jii lii tm ii Hnttrvi tn un tui tui asn 11 un \\ 

getroffen is ; maer treffende, voor een ligte w d cn h L 

wonde 8 reaelen, voor een middelmatige, 
12 en voor een diepe wonde 16 reaelen 
en een vergoeding na proportie, 



91 

JJie ICID&nQS liaeitl uednegellJK ge- jjtunim riv)ituntiJiti^)tuvi,Kntnmiji rimtHWtunttrn /&)*.! tui 

bruijkt, om daer iets te bekomen, viel in o 

een boete, thans is vastgesteld een gees- * " 

seling. 

Die door t branden van Vuilnis, bij ijiMMnvniLmri^tTia^inixriiriKhiSiijiiuri'rtxnihnj 
de huisen, een groot vuur maakt en daar- o Q . o o 

w om n%n <£\(cn cru amitn. nriaji i aci on ijvn^iujiwi mï) <r> amnsn/i dji 

door veroorzaakt dat de menschen ver- 

schrikken met ontstellen (zonder dat 't r*"**£r"ttïft<gj"" *»*™&iififi«*i 

nog schade komt te doen), valt in boete <n<uizna/q'miMna / ^ 

van 8 reaelen. 

Die uit Quaeddaerdigheid off Roofflust i/ r / ,u,, ^g^^ l8 '-i lu j ,L; ' , ° , ' , - 1, ^7 OT! ^ X1 ™'^ 

een Huis aanvallen, de menschen om- . o . 

brengen off quetsen en 't huijs plunderen, o q 

en verbranden, vastgesteld te straffen 6 5 l ' è) li c-i < <cr 

met de Dood. tujiiniu)^itnji^ri!L\.itHi^i)^ntun otiki damri'-ri ? icnn ij : i > 



O o o 

ioj (&> wi) na) on~rn<M~n i£/( tintuj mxsn w 



Die dooden op de weg, off in Negorijen niunMniütiimSmQ^^^idnnAirum^mamimSi 
vindende, verbergd off verduisterd, en niet 
aan 't Geregt aangeeft, valt in een boete 
van 28 reaelen. [60] ™«^^gg r ^™^ 



ilii oi in i uirn riurmtniHi n xm t -n i n mr) i i -n <jj) asn rj uw ? 

o O o / / 

- ? ji tyn>ri,iiiitu)trui nn i n i 



i iJ".7) \\ 



O / 



Die op de afgelegen weegen roofd, tf Mito^Ai««^»rnM-mtn«nM|^M«^«y«MKj 
thans vastgesteld te straffen met een ^^^^^^MM^^(t4,wn«yni*a*M»QM^«u)i(M 
Geesseling. Q 

MT)JJ)«M)fr)lMW(l.|W|\\ 

Die Op de Stads Weegen rOOfd, than8 niunm^.vntun^tuiêini>tnj^-r^Knitncm'Ti\ ajrpcyentKj 

vastgesteld meede te straffen meteen __ .Q „■,*,„„„,, ,,,™,-,„,„ 

O fNTfl INT) ftJJ iUl <K<n lUtl (IJl (TUI UI) WT^lWl »ƒ l-T ? K M I Tl M) IJl »> 

Geesseling. 



o o 

1 tui HA tHl[l \\ 



Die van een vrouw Penningen invorderd, //^m^^i^^m™^^™^^ r^pn.7, 

anders dan ter behoorlijke plaets, alsop w^éhm ^.óiaftê! ^^o ?/.);;»> ,,,..<;.... 7 

de Weegen, Basaer en een anders huis /a Q 

off niet van haer man als zij er een heeft, ' " \^> a < 

valt in een boete van 4 reaelen. ««?nm^ §«f «>f •""^g}"" o, «n^-n ,,,.„,,* 

Die met een anders vrouw off dogter w «^M^«»ea^flQ»««^'MiNw^^^-^«OT / y*i»»n-m(Ki 

gevonden word van agter off uit eenige ^ Pu? „ ,-, ? ,- (( ^,, ,,,. „,,,.?„., „„-n,,,, ,„ 
hoeken off begroeide plaatsen te komen, 

valt in een boete ieder van 4 reaelen, en ' <-' 
werd dit genaemt Sangraha Lokika. 



92 



Die zijn Buurvrouw door off over de \ivnmvidxzma<ihtun^<oit&^wfrm^(m^pi\m^ 
Pagger tusscben hun beijder huis staende, 
bloemen toerijkt, valt in een boete van 4 



! I 



•uil rui asn asn cm riinazi riaiiiann ajn an 1.7/77 \:n an ntvtin 



O 



• o a o 

ihcn tmi tut <n an hi i an/iiirn lti <vi ,ui rui hm» 



O 



O 



reaelen, en als die vrouw zig daer mede *l»»HR tMtn 'r n « mn V nu 'W"r 

onteert agt off anders de man of vrienden, 

moet daer boven een vergoeding van 

2 reaelen betaelen en werd genaemt 

Sangraha. 



i) am un >n ajn z ten an si oen > om aai an un ha asn <n nrt tuut run 

a o n O a. . 

ojiiimiziu Miruq min a,w run ilk an ai uzi aaiasiarnajn oji 

,071 ajn w 



Die een Dogter uittrouwd, zonder voor- 
kennis van 't hoofd der Campong in de 
stad, en der Dessa buiten de stad, valt 
in een boete in 't eerste geval van 4, en 
in 't tweede geval van 2 reaelen. 



_ o O Q« o 

U ajn an /ni:it xm im ,vi hq mim^tiim aai <&) , m i mn asn tui xm 



,} S< 



O / G) a 

:U1 II 1,7) niUt 11 II 1,1) 7 71 171 l 0S11 TQIUlTJCflJ) HSIirülnl 171 11 

o G) 

tMncunasnaJiaji aai i.najj.iiKi ui si\ ti tuui 77 m i tin cm ti «77 

l) O 

101 on om anosn nnri 11117 1 1 >i 1 11 n pjtriicioJi\ mi ui anojn 

o / o a 

7)i7 ? 77 17 ixicruiji tui on 111x1 ? ooi on xmaa am-inain unaui 

,7777 wh an anrun \\ 

(.Cl 050 CJl 



Imand die een Malieng reizende her- 
bergt, een boete van 16 reaelen tot straffe 
daer op gesteld. 

Die trouwen willende hetSierie-pienang 
Geschenk reeds gegeeven hebbende, wee- 
derom eijscht om het aen een ander te 
geeven is 't zelve kwijt en valt daeren- 
boven in een boete van 2 reaelen. 



\xmtui rjviz MiaqiK]i7i acjizi rxi xniasn vi mi mam tit/i i 



II ,1/77 7/7 77 VI l 1/1) (lO iKl 1 1 tUl iE 7 IL I Uil t. 

O O O / 

tm ann mi a.01 on ajn 70 pi n 1 tui Jna 11 w 



'Cd 



1 ajn tin 77 tui sa:)) om ani ,11 



/ 



1 ann tui tui ^m 'tui ^ rui axi &l ni ann 



1 asn ri aai z ann ojii annn an 77 <io an 1x1 ,7.71 ijlasn ai 7/17 t 



a. a a a a . 

ojii aji ajivjcmzuuii ili lli rnaaxi 1,1 ojii rui asn 11 arm 



ai hl \ ojii a ji tui 71 c 

o. . / . O . o 

an rui pi asn mi aji mi aji isniinn 1 11, rxi jioji m ai axi imi 7/1 ^n 



1 

1. 

is7i on trui asn ritciianiui asnn w 



Zoo een vrouw na het gemelde geschenk ^^ au m °i ^imM mi aj,i cm i a i^ ,un ^inian 



auiMirui 



aengenomen te hebben verandert van 
genegentheid trouwende met een ander, 
moet 't zelve dubbeld wederom geeven, 
en een boete van 4 reaelen. 



o O 



X O 



717 MJI OSn 11 7/77 ? 77 M (IS77 771 ,117 7v7 'fl «SM 15H 7.7) 7,J) M 7 1 7577 

ia(&ian m iui oji asn .uiojii cm 77 



nni ixiauiji ij an 11 ia i Mi " 



17 u) an fri mi tm ruin \\ 



O 

1 tm i 

6- 



Die iemands waterloop tot Padij velden \\ xmm y*»* ajunimi ,,ö,l 
schend off bederft, valt in een boete van ^viauinw 
8 reaelen. [61] 



na^aJiM aian naji latnm-n 



Die iemands graven ontramponeerd, valt 
in een boete van 8 reaelen. 



i il an ii iui i ajn 



O 



il .ui i ajn ni 1. 1 ,i<7) _y) (Sji T/i) tal onn aji m rionii ui * 



dim 



■77 d/w rui n w 



W 



o 



!tn/> nuuicmii ihrn trui nbn i.ij.'h i i " i e» ~m ituita -Jl "" '■» 



a 

1,11,11 liUll -.,, 



93 

Die in presentie van menschen be- fiimimntöitamictiMsaiiA3t^^<^iemiunMrf<óttiunmii 
drijgingen doet dat hij zijn vijand bij ge- / n Q „ o . c, 1C1 , ^„ 11 ,. 1 ,^ 

leegenheid vinden zal, en menschen daar 
kennis van dragen en dien bedreigde «Hr«»«g0 «"«"»{ 
komt daerop gequest off omgebragt te mm <&) 2h <&> anxn 
worden; zoo valt deu bedreiger onder 't 
regt van Manawa: dat is ; geldboetenen 
vergoeding. 

Die beschuldigt word van zijn kris te //■>» m^ói n/Mwiwici^i^w,) in 
hebben getrokken, maer bij Examinatie ^,| 1;l S (l ^, in ,|mjm .-.imIm,? é ««A mm< Jy <.yjv 
slegts bekend denzelven na agter ver- Q Q a . „„„^ mrm , ,,,,!,, 

schoven te hebben, en er geen getuigen o ^ n Q . 

,. , . , . . ,iil)]iiniiriMiM)ul»u?OTli:iJjlu"|in.iiiirii 

zijn, valt op dat soort van bekentenis m < b ' au 

een boete van 8 reaelen, en vergoeding .tiwiiMiaiiiiiBiwïNiMM^uH.ii.Mi» 
van 4 reaelen, en is dit mede Manawa. 

23. Daar was een groote Boom staende i/'r ;l & | llw f' ï " ,jnw -''™'' M ""°" '' v 

op een groote weg, waeronder de rijsende „^„„^ ,,, 7 ó?<r& ,, , n ,;, m . .^ m^N 7 «>^ 
menschen gewoon waeren stil te houden . ao Q 

_ . , ,l MMlflU ll-llMjJI Mini, HJlUU ii.nyi.M-/ '^ M' " 

om te rusten. Daer kwam iemand met een '^ ' ttn ' ut ^> er 

groote Hond aen een keten, die hij wel 7 ^*^™™^™™^^^*Sr r, W ,w 

vast hield, een ander had een Piek en o n , r , ,. M .,,„ N , „ .„-, ,, ,-,,.., m. „,runi>n,i h 

stak dien in de aerde, [ 1 een ander had ~ a 3 r -, o 

een öombreel, die bij mede wel vast hield. " ^ w 

Een Orcaen begon er te waeijen, waer- «n*»"^ P 1 ' " ■"'"'"V " ~' '7 r, 'l '■'/ 

door de Sombreel uit de hand van die n imwBwiwgiJuii^'n Mn|.Hnm|M.|Ny 

hem vast hield, viel tegens de Piek: die i n,.,,,, .,,?,,: 

Piek viel op 't keeten dat in stukken 

brak, waerop de Bok door de hond T ,— -<< ö — »™^«n«^-*- 

dood gebeeten werd. Hierover procedeer- mim^i im^m^^i?'-^'»' ^isnSt 7 ' y 7 ' ' 

de men voor den Regter, zeggende den <& ™^^^^„ ö «„«.„ ö 

Eigenaer van de bok tegeiis de Karta, " 

..... , , , , , , , ,,,,() 'I m'.i.W »n 1 i| 7 M 7 M>->> -illjiniini > 

mrjn bok is gedood ^oor den hond ; den- T ' '^ ' 

eigenaar van de hond ondervraagd zijnde -■»/' y< 7^"'" l 7// ""//.', ',',; ( V,' ( " '' " >}"/v» 

zeide, de keeten van mijn hond brak aff ^ Mtm a ia , l(HPJoa/L . N ,^ (l : v „ ,.,,,^,1,, ,,,i^ « 

doordat er de Piek op viel; den Eigenaar n .0 

van de Piek, zeide, mijn Piek viel door '«o 1 d ca l 

dat de sombreel daar tegens aen viel; den ^ 7 ,, .,71/7^- '•/"' """'"'/ S!l ê r MM 

Eigenaar, van de sombreel zeide, een ^ ,], , ; , 7// ,,,y,,y ,,•„,', ,.,-,, ,.,-.,, ; ( . -in-/ '•'< 

Orcaen waeijde er waardoor mijn som- 

breel uit de banden viel. Den Eigenaar ^ 

van de Sombreel viel in een boete van 



94 

4 reaelen, en wierd verweesen om de 
waerde van de Bok te betaelen: dit is 
mede Manawa. [62] 

Die een Dieff geleegentheid aenwijst ipM^èzM^Mi^iawimMo^cnMJMiiuiju 
om goederen te steelen v?lt in een Boete Q „ o. o 

° xateji 17,1 uil ioi xn mn xni <ei tui) tui n vi i trui <n m ,iai truijj w 

van 8 reaelen. u ' 

Een Persoon die een bekend quaed iixjnM^»znaicai^^i^aji\iunK>^}^iinm^\.wM 1K 
doender is, de deessa's passeerende, en M& ™^^^«^ OT ^.a M . yiMI( a, nrui 
bevonden word omgebragt te zijn en 't lijk Q Q/Q 

' xcnxa/i Eituixtn.xrritfJiTi ritui ?T7 tisntun iuwktiotiot» 

op de weg leggende, daer op gescbied ,(iJ ^ ' 

geen onderzoek. ^aji^nKniEA^unan^êt ^10^(0^^^^ aj<& 



WIWT) iE') (Hl <U) w 



Een VrOUW beVOnden Werdende een ^xmim xitiiixm trui trui (kticcyi xixacmnruijf xanxTioimtm 

. . . | »jj \ is7i xo :vi xi m tuil tun tun iiki iixntwm 



Rover op de weegen te verzeilen terwijl o o a q„ o 

hij roofd, valt in Prada, dat is word 



T ..,v. .. , - T ntimtui mi ti rui ? rui xn xi truid urn ki -jn mi ga cm trui ^mittJixni 

Lyff-erjgerjen aen den Vorst. ' 5 ' ICh ^ 



trui thnvriT) Km w 



Een Tani off Boer, die beVOOrenS altijd ffiLmitnvfiöitamMajni^ieaiip'qKnM^^timititasiimasn 

wel geleett heeft, tot misdaed van Maliensr o * . q o o o q. m o 

~ b v ..w. liv.v,i., ivi uji v ^ sa irnxn ,i.().i >i xi rfc i ttn tisri mi 11^1 xmi 1uxnxntLi1~1xmr1.1t 

komende te vervallen, voor de eerste mael, oo o o 

, . ,« . , , , . (ïioi ?:i'i i o niruitinx ij ii? ïixniiTi mi xn rui ~i ttm rui }»m 

en in zijn dieöstal komt doodgestoken te ' <-* i (£.i 

werden, is 't niet billijk dat hem de haere *»gji/n«7iKj(K7om^(u>^asr»x> 
afgesneden werd, maar wel zoo hij be- 
vonden werd zulks voor de tweede maal 
te doen. Bij aldien iemand egter zulks 
in 't eerste geval komt te doen, valt in 
een Boete van 4 reaelen. 



Een Maliëng Padij van 't veld willende 
steelen en dood gestooken werdende, voor 
hij nog de Padij gestoolen heeft, mag 
den hals niet afgesneeden werden op 
Poene van 4 reaelen. 



Imand doorns of voetaogels rond omme ^tunaanttiztunt^MiKncmm^ntHiaojituniHi^tüt^ 

zijn Padij velden gesteld hebbende, en a Q Q o o .o 

een dieff daer in komt te treden, en daer s ö n ' ê '" üd ê Ui 

op zijn voorneemen verlaet, mitsgaders •f»j»*»8igpf»«f mQ^m^mA^^n^ 



95 

den Eijgenaar bloed aen de voetangels nj,A aö rinj , w ,A wlfl ,^, lll 

bevind, zoo moet gezogd werden naden Q 

geenen, die zodanige Wonden heeft; ge- <-"'** i 'ld l cma & 



o 



CYo 



vonden werdende, valt hij in een Boete m«igjMiM«rn|T 1 MJW|, 

van 8 reaelen en den Eijgenaer der velden 

verkrijgt 2 reaelen ; dog die voetangels 

legt, moet daervan kennis geeven aen de 

Negorij off valt anders in de boete van 

4 reaelen. 

Die een ander dan hij van intentie was U'^ M V"' il ^^V'^^V^' 2 ^' u }'^ r 'V' ta 9Q' ri ^ OJ ''^ 1 ' 
vermoord is een misdaed, die de vierschaar ,^,„ , o Q Qv 

' ten m ^jjtiiHi^nihiiiHDtan cm hm ihi oji tri o iui rut tin (ui 

der Priesters aengaet. 

Die imand in 't water versmoord, is 
straf baer als voorm.; zoo die van de 
deessa geen kennis daervan geeven 
aen de stad, vallen zij [63] in een boete ^^^H^r MN r !w H^" c,MI 
van oo reaelen. oM(Bnn|Mimj»i»uin'rii(iiü,n\ 

Die iemand in 't Bosch en in de ruigte rM ^^ r ^ 7 «a^ rWM!r!S , 
versmoord, is als even voor de vierschaer Q 
der Priesters strafbaer. ' ^^--ai»!"*""-*-^^^^^ 

CYo 

Die iemand ombrengd door hem leven- ljM , M ^tam™ ^ M m^««^ m ^ ^^^,9,9, 
dig te begraven is een zaak behoorende 



jjiun on rj iv» itun <&» ij asnun-rj iji z tbicm rt ia on n vn art tui ^n 



O 



KWfHTji un imtcyniji ari tot a^<rnajuitiïa jtnri turn nut tin <tin 



insgelijks tot de vierschaer der Priesters. 



/& '~ / 7/'' rl <u> ~s>1i'~ r i tu> -ji MM iu ihi iKtt n~n cm ihwoti i i t.t 



. . CYo 

luruLmiarigi oji -n w 



II un m rj vn.vn tfj) >n asn anrtnjiti.it n hiiat 1.1 nax\ \n £ 



o. 

UJ i I 



Die iemand vermoord hebbende brengt 
in de plaets daer bruiloft gehouden werd, 

„. . _ , . , •-" ajtikxnanniuiih amasncm uiwikitim utirui i'.ii i'h i i 

is straft baer voor de Priesters als boven. ^' " & t 1 & 



CYa 
KtoJfriw 



Een man willende trouwen, en ten dien 



ff iun on 77 ; :i 2 run ia* iqisnniHm uijji.iun/ian i m tsrt asnrtrm 

eijnde de Trouwgifte reeds aen de vrouw Q „ 



o 

in -ii ianti i.iit i ' lyW'Hyi ij 1 K^!,in.(iMitii« tm ijl" 



a 

■ i.i t i ii ii 1:111 ti i . 



ter hand gesteld en hij haer reeds op- 

gewagt hebbende, en het gebeurd dat «^ ■»""•"■'/'/'■" 'y/r^™^ 

hij vermoord word, zoo behoort het geld ^.-,,y ,,,,-i>,/,. , i,),/: ,,,.„, ,1, ,\ ,, n,,, , , ,?, ir .,, '„ 

terug gegeeven te worden. Zoo zij dit o 

'-'<-'•-' - i ii i. ii ii i j i n ity n 1 1 ii i.ii ij n i. n / ii i.i ii i ii i.i 1 1 ui i n ii 

weigerd, valt ze in een Boete van 4 reaelen 

en dubbeld de waerde. «nflgj«Ai* r n««*u|«|^Kiii^i««|A|ö«i 1 



,17171 \\ 



Maer als eenvrouw, de zaek als vooren //y u 'Y-C' '■■'' '" '■"' /'■/,'■" '^ '" " ,: '■" " ' L ' >> M ^f 
ssteld zijnde, omgebragt word, ben 
het niet terug gegeeven te worden. 



gesteld zijnde, omgebragt word, behoort ^^^^^^^^g^,,^ 



o 



^ '£* TUI XVI X II il ;, n ( uu \\ 



Die een andermans Boedak (Knegt u^^^^i^^rviaxiaji^iuh rfión^r,njiis<maa^<q 

of Meijd) slaet, en dezelve de vlugt neemt T ü, r - J( ,; 7irM ^ w , «nQgtM,y*»yn«'nne, 
en absent blijven, valt in de Boete van . o 

)L> iLfl Uil Ij T) I W ./LM ,1171(1/)} (LI (1 ,IL1 ill I (IJ) IU» b/l 71 Kt h II £ï 

4 reaelen off meer na maete van de wonde, " ' « ' 

en een vergoeding van 't geene dezelve '" JJT'' r "' '^7 «& 7 d»«« ? .««i.& ! ?»fli««i ^ 

aen hun meester schuldig waeren; zoo den ^ctuuSot^ oo^ot,u^w 1? m MunoM^ru 
geslagene niet wegloopt, verkrijgt de Qv 

° D ° MÏ^AT)M^(lX»OTW)rn«g9\ 7.11 (JSM 77 xnv.n XW (KYI icn,n 1 71 \ 

zelve 2 reaelen off meer na maete van de " a IHh B ' 

wonde. Ingevalle dezelve dood geslaegen "? Ll '^ a ,h ° '"«■S&fl«^«|«§«f«if •ƒ«>** 

werd behoort hetzelve aen de regtbank «SïiL»«rjnji<Eiiru»<%«A-«al8^^ 
der Priesters. 

Als een Nanajab off dieff bij dag, na ii vllM ' ua ^^i2i^^ M ^ l>hlM1M ^^^^ M ^ 

de gepleegde daed de vlugt neemt, en ü^^^^^^^^Q^^^, m(p 

nagezet word en het gestolene goed van . Q 

zig werpt, dat veele menschen (drie het v v vu tica ut 

minste getal zijnde) zien, dog de vervolgers m " w (t ' , *°"' " ^ .iw?a^n|winii(mMj|0Ti vn 

hem nog na zitten, en nabij gekomen mm mSgM,^ lri | r „.^^„^ w 
zijnde dood steeken, moeten zij het weg. a a Q 

j, . •• v , t ••! •• »/-ii'.M_ >ciii,ji ,1 K,,:,,., ,, 7) imn,iui xii ui mimi trui xu 

geworpen goed brengen brj het Lijk, zijn »«^«a ' f ^ 

andersints straffbaer, dat is, een Boete #*"7g>****«"«»5Mnö«!i<m.yM.»» 
onderworpen van 8 reaelen. 

Twee vrouwen wasschende, en beijde 11^™^™'™^™^^™^™^™^™^™™ 

haer kleed op de wal op [64] den andei en ^ t, 7 ^ 7 t, o v ra ^ M ^ ,™ « ^ ^ ^ « ,^ ^ fl 
hebben gelegt, en een van dezelve eerst Q 00 

gedaen hebbende, beijde kleeden weg ^' co < 

neemt, die valt in een Boete van 4 reaelen, LU, 'üf° 7"'?'l> >fxmpi, i^-n xu,tu/j (&«#©» m<nn\ 

het Kleed terug, en 2 reaelen tot ver- **%&%** 8,y i a ên _ m ^ Km + 
goeding van schaemte. 

Imand goed bij een ander in bewaering fji^^^<o>2iuniSniSni^^iintSn^aji^^Qcininiuii 
hebbende gegeeven en die komt te zon- , a. _ . a Q o 

digen en zijn goed te verbeuren, zoo be- ""* 

hoord het gemelde goed tot 't verbeurde, — ^— — — W -----f" 



97 



en heeft den in bewaering gever geen 
regt daerop, uitgezondert in een geval 
als 't goed vermeit mogt staen in den 
Pisaid die den in bewaering gever tegens 
desen Persoon mogt hebben ingedient 

Goed in Bewaering gegeeven, en den 
geenen die het in Bewaering heeft, zij u 
huijs en goet komt door een Banjier of 
swaere overstroming van een Rivier, weg- 
gevoerd te worden off door Brand ver- 
teerd, werd niet vergoed, ten waere het 
bleek dat dit in bewaering gegeeven 
goed niet weggevoerd, of' verbrand was, 
maer overgebleeven. 

Een vrouw (een Hoer) uit eige wil aeu 
het huijs van een man komende, en ge- 
quest of vermoord raekt, is Bougan: ver- 
stoken van 't regt, en werd genaemt 
Mati Sambawa (gestorven als een beest). 

Eenig volk van een Dorp Plundering 
pleegende aen een ander gedeelte van 
't zelve dorp, en eenige overblijven die 
de daders kennen en kennis geeven aen 
den Koewoe, en de Koewoe daerop, op 
eigen authoriteit Jara doet (goed van de 
beschuldigde verbeurt verklaert en weg- 
haelt) zonder Titier Brawara, en Pisaid 
(dat is 't slaen in rijstblokken, Publieque 
bekentmakinge, en in kennis legging bij 
den Regter), zoo werd den Koewoe in 
een Boete verweesen van 16 reaelen, en 
de verbeurtverklaering vernietigd. 

Twee Jongens op een Bloeme-Boom 
klimmende om bloeine te plukken, en 
een daervan valt dat bij sterft, daer is 
geen regt op [65] 



o /■ o o O 

i,i fi i ii i n tui \xi na ii i n ii i z i ii i>i 'i.ii i.ii i n i ii 1 1 1 ii i.ii ij 



Hl LU tui _: * (BI 



o 



-JIWl KI l,t -' 1 J) 1 II II I I I I 



a o 

i i i i i ii ii i ..■ i i.n i ii 



i<-n ii i ii i rij ij \ iv ij i i > ui i n i,i ij» i o mi i.i u i ii w 



O o O 

//'■» ii i n i 'ui i »ti i.n in tui 'i.m-n en nuiiami wnttsn •■ i 

a a a . 

in tma i.ii i.n i n in ii i.i n i ii .o.ii ii ii i mm ii i nis i/i.i 1 1 ii 



) 



o ti a. 



i i n ^.t,n i n mi i.i n i ii n i in ui i.n icn in i ïir.np noil 
X o ) ' • 

III n I.II l 1 II tl Ml -srtdOIrtv?» I I I I I.II IJl .!) II »,l il I 1 II ISA Kil 
O O . O O 

i n i.i .in &i - 1 1 V in in in i ii i n 1 1 lij w 



o o a .o 

i n nti ij ii ? lïl, i.i, un : en i.j >/ 1 i in 1 tul tu in tiJl -tii i 1 n 



ii i n nti ij.' 



usri 



'77' 



Il I III . 



O a > i > I 

ii i n Hl il i.i 1 1 n i i i.i il i _ i ; i i l n i.i )i\ i i il ij i i i ii i i 

Tim i n i i m ii i i.ii Miui/iiiiK ii i ii in ii i i/ i u,ï in 
a„ O oo.. o > o Q 

MTKL/n UlltlJII 1 .VI 'J:'L' >/ in H> Ijl LI il . I J I ll l.l II l ll l i 

iui Kin , iii n i.\ rf-n i ii .i.i ^i i.i i.i i ii ui 'in ii i ii ■, 



n n i 

IjtL'n mm i) ii i.n i.ii n i i i ï i 1 n ■: i n i.i i- ij ■■ i i i 11 i.» 1 1 

i. . ) . . i 

umi ii i.i i.ii ii n 'i ,i ii i i i.ii i n ■' i : i in i i i ii i ii i i ii i i i 

Q O S 

i i/ iiiru/i : i i ii i .n ij i i i i >i in i ii ij i n i ii _y i in i ii ii 



Twee mans beesten te saemen gras 
eetende, en den een den ander met hoorns 
stotende, zo dat bij off swaer geqnest off 

Verh. Bat. Gen. 



98 

dood raekt, daerover is geen regt ; doch 
zoo er een Jongen off de hoeder op zit, 
moet dezelve vergoed worden door de 
geene die er op zit, en een boete van 4 
reaelen; zoo den geenen die op de stotende 
Buffel zit, daer af en dood valt, daeris 
ook geen regt op. 

Een stotige of wilde Buffel uit iemands in u > "" wM'|*|M«.^a?Mun > ^ m»anm,k ^ 
hok raekende en beschaedigt des Buur- ^ o^^^£,^o^ ? *^«*™^«™.^ 
mans Padijschuur, Huis off Pagger, off Q /a o on / 



(F. ) ti i, i) Mfim nj ifjyi oji t i t.n ii.i ifji ^,1 uil <u> iji <t.i i. n i 'i c> 



menschen en beesten quest off dood, moet ' C(1 

den Eijgenaer van den stotende Buffel, zoo ; ' 7 «^ ■'•" ^-m^^Stun^yaSumian .* , 
hij geweeten heeft dat zijn Buffel stotig 
was, vergoeden (de menschen mede op 
Prijs gesteld zijnde). 

Die een Buffel dood steekt dis wat 
stotig is, maer terwijl hij hem dood steekt 
niets doed maer stil graesd, moet de helft 
der Prijs vergoeden. 

Een man met een vrouw eenen weg 
gaande, zoo nabij de vrouw dat een 
hair uit zijn hoofd door de wind op de 
borst van de vrouw vald, en zij dat kwalijk 
neemt, valt hij in een boete van 4 reaelen. 

Een Buffel stotende een Paerd, ver- 
krijgd den Eigenaer van 't paerd de Buffel, 
en zoo het Paerd niet doodelijk gequest 
is, moet den Eijgenaer van de Buffel 
de kosten van de medici juen betaelen. 
Bijaldien het Paerd weder volkomen 
hersteld werd, moet den Buffel gerestitu- 
eerd werden, mits den Eijgenaer dezelve 
inlosse voor de helft van de waardije 
van den Buffel, en ingeval den Eigenaer 
zulks weigert moet hij een Boete van 4 
reaelen betaelen. 

Een Buffel daer een Jongen op zit, 
stotende een Paerd den Vorst toekomende, 
werd den eijgenaer verweeseo in een [66J 
Boete van 4 reaelen, en den Jongen valt 
in Prada. 



99 



Zoo een Jonge een grasende Buffel 
tergd, en den Buffel den Jongen daer op 
aenvalt, quest off dood, word daerover 
geen regt gedaen. 

Een Jongen op een Buffel zittende, en 
een ander den Buffel ver&chrikr, en die 
er op zit gequest off dood raekt ; werd 
dien anderen verweesen in de boeten op 

quetsing en dood staende. 

Een Jongen een Buffel voortdrijvende 
en slaende, zoodat den Buffel quaedaerdig 
word, iemand aendoet en quest off dood, 
werd den drijver verweesen in de Boeten 
en vergoeding op dood, quetsing etc. 
staende. 

Een Buffel in een anders veld de jong 
uitgeschoten Padij-plactjes eeteude, moet 
den Eijgenaer een ring van gemelde Plan- 
tjes om de bals van de Buffel maeken, 
off met modder btspatten en dezelve 
voorts navolgen tot 't buis van den eigenaer 
die 2 hoenders, en een boejoeng met 
Javaanse Soopjes aen den eigenaer der 
velden uitkeeren moet. 

Een Buffel die bijna in de airen ge* 
scbooten Padij affeetende, mag den Ei- 
genaer der velden den Buffel aanhouden 
wanneer dies Meester dezelve moet in- 
lossen voor 2 reaelen. 

Een Troep Buffels de Padij eetende van 
de velden, off dezelve bedervende en 
vertredende tot een Lierie in quantiteit, 
mag den Eijgeaaerder velden de grootste 
off beste Buffel na zig neemen. Dog zoo 
dit geschied op een veld dat na aan de 
weg legt zonder dat er een Pagger om 
is, zoo beeft hij geen regt. 

Karba Jara off Buffels die nagt en dag 
in 't veld in de Bosschen loopen, van 
iemands Padij-velden off Gaga 's willende 



100 

eeten en zig koomen te quetsen in de 
voetangels, is de Eijgenaer der gemelde 
velden off Gaga's tot geen verbeetering 
verpligt, uiaer den Eijgenaer der Buffels 
[67] mag zijn Buffels na zig neemen. Zoo 
de Buffels egter bij nagt de Padij komen 
af te eeten off te beschaedigen, worde 
den Eijgenaer der Buffels in een boete 
van 4 reaelen verweesen. 

Buffels off' Koebeesten de Tjabee- 
thuijnen beschadigende, moet den Eijge- 
naar dier Tbuijnen een Band off Ring, van 
de wortels dier Boompjes gevlogten, om 
den hals van het beest binden en aen- 
houden, wanneer den Eigenaar van 't beest 
hetzelve voor 2 reaelen mag inlossen. 

Imands Buffels gehuurd hebbende om 
velden te beploegen en de huur en tijd 
bepaeld, mitsgaders de Huurpenningen 
voldaen zijnde, en de Buffels voordat 
de velden beploegd zijn komen verlooren 
te raeken, is den huurder in de ver- 
goeding schuldig, dog krijgt de huur- 
penningen terug; ingeval den huurder, 
nadat de velden beploegt zijn, de Buffels 
ter bestemder tijd wil terug brengen, en 
dezelve op weg komen geroofd off gestolen 
te werden, is hij mede in de vergoeding 
verschuldigt, zonder dat den verhuurder 
de huurpenningen behoeft te restitueeren; 
en zoo hij de Buffels aanhoudt na de 
expiratie van de huurtijd, en dezelve als- 
dan komen verlooren te raeken, valt hij 
daerenboven in een boete van 4 reaelen. 

Bij aldien iemand een andeis kinderen 
tegens den anderen aanzet om te vegten, 
en een of beide raeken gebuijlt, valt hij 
in de Boete van 4 reaelen, en de kosten 
der medicijnen. 



101 

Bij aldien eenige Persoonen hun Canoa /yi /i.i, 17 /■///» i./t, , in / y.x vfm^MM io^*n?#a 

van de wal in 't water brengen, ter plaetse o . >., . n 
daer de vrouwen gewoon zijn water te 

haelen, en de Boejoeng (off aerde Pot) "<"'"4^ "•■'" r"'^' ""{VU" '""i"' 1 ! 

van d'een off ander in stukken raekt, ^mt,^?^ yi » m .-./, ut» t» f» i.n^i.» r-2 .■ > ».vn 

moet den geenen die de Cauoa heeft ;, / 

° i.i i > i ; nsti' n n i. ij. n ui m i in i i» i/ n a i ii i ) i ui i.i (i.i' 

afgezet dezelve vergoeden. 



ii/ nni i i/i \\ 



Zoo de vrouwen zelfs daerdoor be- 
schaedigt, 't zij gebuilt off [68] gequest 
raeken, de vergoeding van 't geene daér- 
toe staat en een Boete van 4 reaelen. 

Zoo die Persoonen in 't waeter een //y-" ^:V^ r ''T'' M '" V ' '''^T'7' ' Ml ''" 

vrouw aenraeken, 't zij met voordagt off nMiuinnmim^ ntbiMcrrjiituKru i.'iu^/j.uni.i t /t/u im 
zonder dat, die mogen werden geslaegen ; a o o 

zoo zij zig daer tegens opstellen en haer ( "" " ^ 

kris trekken, moet er Titier geslaegen ™^™uL ut » n \* M * , \" a « :m,% 'l """ a V '"" < 

worden, en als zij zig nog niet willen êimritun vimtiarijjirnii ?'n >i.n nu -Ji yn 1 1 1 ■•> »y 1» 

laeten dwingen maer verweeren met de Q 1 .7- „ . .,,,, . 

° i.n ii 1.1 1:1 i.i 111 i.i/] in 't 11 1 11 >•' i/ii f 1 1 i.i m Kil 1.1 »-/ ri 

ris, mogen ze door de meenigte dood- 
gestoken worden; dog als de Persoonen ^^^'"%'»^-'«"^""- 
die de Canoa afzetten de vrouwen waer- 
schouwen, en zij niet wijken, hebben zij 
geen regt. 

Bij aldien Jongens na vogelen of iets ll'" h,n ' 7 7 ' L " "TV '/'■" '" ' ] 7" ; " ' "'' V 

anders werpen, en menschen komen te ^.1 ., ,1,.!/m|ii.i '•/•■'"- ""•'' i'j •<>,' '><'i> < ' * <» 
treffen, off zoo het in dier voegen treft, , . > > 

' ° ' 1 .71 M <£l . I iM I 7/ <H / LH I I Ij I. I 'Ij II > I. ' - I ' ' ' ' ? ' " ' " ' ' 

dat iemand een oog, oor, off de neus ver- ' 

liesr, een verbeeteriug van 8 reaelen voor '■'/, " " '' ; '7 '7 ' / « : r v 'l ? "'~' " §* ' '"'" '" ' ! co 

schade, eeneen boete meede van 8 reaelen. ., „„-,;, ? ,-,, nm iwirw// 1 / //m/mm 71 » //< "'"'/7 " ,M 

.rutjitn 1 1 «SM ■' 1 1 /i 1 11 'i 1111 w 
T ,, ,. ,.., ,, ■• ,/ / l.ru 111 11 ihiu iimn iitintin jn i i 1/ m m 7' .»">n 1.11 

In alle diergelyke gevallen zonder voor- " *' u ' ' ' 

dagt, zoo iemand daerdoor zodaenig /w /i/»,/^i.ki^ i/iyi ''»'""•:'•'"""' 7'"" " 

getroffen word, dat hij sterft, de ver- ,', 7 „,, ,„,,,, ,,.„,',,,»„ v ,n -y r '- 
bcetering van een Menschen prijs. 

Die Samanka off waterliemoenen eet i/«*«^'"'«'"«' '^ ,u '"7"/r" ; rr ,; 

op de weg, en de schel voor iemands deur ,'„ ,, ibmiut ?»»m • ■ ei 7»*» n* v : "> !''/'•"'/ v ' 

werpt, en iemand uit dat huis voor komt, , ,. . , , >£>_.. 

K ' ' tim *■! s 1 n 11 1.1 i.n .11 1 £» M/tl fOtiH^irvi un (I n i n i nu i / 

daerop trapt en valt, en een buijl off " 

quetsuur krijgt, moet den geenen die t II d ' '"- 



O 3. 

hii _r< ij i n~n r:m li 1.1 > n i nt&iaaxa in ui w 



1 ij i ii n i ui i i 1. 1 in i n i i 



102 

gedaen neett, werden opgezogt, en de ,• i< i , t <#&)» » , ,, n-n » na m > tn-nri>jtii(n<vi, 
verbeeteriDg tot zulke quetsiüge staende 
opgelegt werden. 

Een Jon^e zig verhuurd hebbende, //'" wn </""'"' ' r y i -'~' >/n?^/ <-" >i> o nru i > j 
om iemands Buffels te hoedeD, en hii o / & * / n o 

' J ii i n i i ii ij i 1 1 . i i i ii i. n i ii ia ij mi i, ii ii en ?_ iixni t in ta 

er mede in 't Bosch gaef, en de Buffel ge- , ' 

. 1 j J T 1 T i r] I 1211 i 1 1 I LI Hl I II III IJl IJ II l.ir. l,n l II f i ^i III 1,1 hll VI 

stolen werdeü, zonder dat de Jouge daer- ' ' <•■ ö ti Ul » 

van kennis geelt aen zijn Vader off aen iy«*»nj*(^iflrn»óM»^4y«*»^«jnï«»aM~fl|«snoM 
den Eigenae,, zoo is bij scl uldig aen de M tj/ ^ ^ ,„ L , JflS))U ,^ M ^ ( ^^^ Il ,,„ i :) ) «^ 
vergoediDg; zoo hij de dieren in 't Bosch 

laet loopen, en een or meerder daervan c7 ti 6 u- < <-" 

door een Tijger of Slang gequest off gedood 
werd, off deselve in een Rivier laet gaen, 
en door een Kaijeman gequest oif gedood 
werd, zoo is bij mede schuldig aen ver- 
goeding. Bijaldien hij dezelve laet te 
saemen vegten en dezelve daerdoor 
beschaedigten zoo [69] kragtelocs worden, 
dat zij niet meer bruikbaar zijn, moet hij 
dezelve mede vergoedeD, en valt in een 
boete van 4 ïeaelen. 
Imand een ander bepratende met hem jni^^iaiMmu^a^in.niru^^un., 

ergens heen te gaaD, en zij beide gaen, mi n <,/ m , ,-m n mtoQ £»~ii num êt 1/11.1 mm m 
mitsgaders een daervan verlooren blijft, 3 Q . n a 

Lil IK l.l 11 Ui ZMTHUI 1.1 1 II I I Lil 11^1 lUJUl .111 LS (Hl _^l(£// 

moet den wedergekomene 't zij hij bij zijn c " 

terugkomst kennis geeft olf niet, een '»-"^^»"^/7^;,;'^'"/ !J ^ ! -"V°' > "' 
Menschen-pnjs vergoeden en 4 reaelen ^(m,;!-?:^,^., 7 ,.)wimm'i >i.ra ^'/aiMJu 
tot een boete betaelen, al was 't ook dat 
hij 't kleed oft iets anders van den ver- 
loorene aen de bloedvrienden tot een 
teken dat hij door struikrovers was om- 
gebragt vertoonde, zoo hij geen Titier 
geslaeger, off op de plaets daer 't ge- 
schied is, geen publieque bekendmaking 
gedaen heelt. 

Imand eenBoedjang off vrijgezel in huis // 7 n<. >,•,_' , ,, . wn nm>n<u>'n.a > >:>i ,-, Kntunu.-nvna 
hebbende en met dezelve uitgaande, de 
Boedjang door Struikrovers omgebragt 
word, die is daervoor niet aenspraekelijk, 
mits daervan kenDis geevende aen des 
Boedjangs familje. 



3. 

uii. ii i ijitji-ti i.ii. vi i n i.iLnamw 



o . o 



tioi nu/ lii ii ia iiMii-niHiiLiiiisnih'iiLmcmw 



103 

Een Krismaker iemands kris«sbeede pw^.u.B-hmJfl^m^o,,^,, 
makende, en daervoor 't Loon ontfangen 
hebbende, en komt het hout der kris te M ' -' ' Cf > « -' ' 

breeken, is gehouden in de vergoeding, *|W(Micn|«umw»'nmiaMH'i|M«"i,|«j ) , 

dog 't Loon nog niet ontfangen hebbende, » ( », /?; >^^ u ^^ MJ? n H1Ml ^, 
dan niet. 

Wanneer een vrouw na een hevige ., , ., .,„•„„, ,„,, a. . o o. 
woordenstrijd en slaen van baer man, 

zig in iemands huijs heef t begeeven, en ' ' r t ' 'i' ' h j 4 

terwijl zij daer is komt te steelen, is den ^»»«j^m^wi|* 
man van den huijse daervoor niet aan- 
sprekelijk, dewijlzij niet aangemerkt wordt 
als een Boed|ang waervoor den Huisheer 
verand woordelijk, en aan Jara onderwor- 
pen is. 

Wanneer ieuaan i versuimd kennis te //w)m^n?w)i.ju^mMiii|n)mu ,,„ ,,-,, , ,, ,,]; 
geeven aen de man van een vrouw, die om- o a, . a a „ o 

' lift i%jii i in > ,n ,»~) »i i --ki L n -i * ^v» i > ,*» *~» .% ,-~. ^x 



° ' ■«>» *<" cm Ml «7 IX» Tl J^ L,7 rr»^ lyTl L) )■) , /l fel 11 ,ii , i 

dat ze met haer man gevogten heeft, bij 

hem is ingekomen, en den man haer zoekt ™%"*™«* - 7 - *>r '? v ™,^-»- m 3 



en viudt, haer laet roepen, en zij onwillig • ^.i)j^m^w)«raM?y^ iSi-^t&^Qo^ ym 
is, andermael haer roept, en zij refuseert, . / o o o . o a Q a 

' * ' J ' 'WTMO 77 177) 771 mi 1/ 1)1? Lil IJK L/7) IV f •"> ) tOT) /UI fl mi, II; 

en hij dan in Persoon komt en zegt dat _ ^ ^ ^ 

J ° O CO O O o 

, .. , t, ij-- j JJ)7 TQijsr®! io ii.) i,»i ,K7 -^i) ? i .■ i i ;i i/im> 77 > i> > nni> i.n 

hij haar Persoon en bedrijven voor den er I, ' i I 

aenstaende aen den man van den huijze ^^^nKtxa^ian^hWTf^ 
overlaet, zoo is den [70] man van den huijse, 
bijaldien hij dit aenneemt, gehouden haer 
buiten den deur te zetten. 



Imand van een ander schuld eijsschende, 



jjuntm <n i'i i iun <un b'n rui mn ik rinr> i-n 7777 1 1 un mjt fa 1 n 

met intrest, zoo de obligatie de dag en Q.£>n_ o o o . o o 



II) I III UI (IJtnn »7Q7 75)7 7L) 7.7 (70,1 7,77 T7 lil) 1,11 tïl UI Ml tHltlJl 



tun i in tui (iji T7 urn isniLi i.i imji hiri' 

datum niet behoorlijk aanwijst, behoefd "' " ^ " 

er niet betaeld te worden, en valt den ^»<n»«^«^7««in!!^**«p»gp&«»«Bi&A 

oCnUlüeiSSCner in (ie XJOete Van tgeeiSCtlte. t*ji<n/)n tcnasntisniuiitisniunnix7n\ muui najjiitnami 



"74... 

co 



iisn ihn ^ji 77 tui i itsn \ tibiiuntwi ositMi un un i m w 



Imand schuld invorderende zonder Ge- niuit^jMzvnMM^^asnttn^irutvii'isnan^jiikaan 
schrift, Getuigen, en Boekti ('t verpand ^ M ^ JIKqa g t ,,„ M ,fi. LU(UM ^, .,„ „**,„, % » ,,,,.; 
goed) gaet niet aen. Dog Getuigen en 
Boekti vertoonende, en den Schulde- 






104 

naer nog ontkennende, werd verweesen w.h,^^.,,,:,,^,,,,,,,,,,,,,,,^^,,^ 
in een dubbelde vergoeding en een Boete n 

_ . i.nn.3taart i i ? na n > i i u ituij i/n r i i i i i i n isn i n n i m 

van 8 realen. u ' " ' ' : 

Een Persoon op een Dessa van een ander //y m ij >)ïoi mnSmM^nitsncm r/tyM ,„ ■,.-., ,,«„,,. 
Schuld eijsscbende zonder bewijzen te o o 

^ *» «o _.i ». i ui^i tsn ,/,i _ i urn, or>i tui un isr> run i, / 7 ?j ;i «j» _hi i n ,< 

vertoonen, en de schuld al vier Jaren oud 

is, zonder in die tijd gemaend te hebben, 7^A^™?™^^^r*^ M ™ M 

bestaet niet, en moet bet g'eijschte uit- Lirnxmw '^W'^MMw^S) * /n ' r)iCmM ' i " , n° 
keeren aen deneeenen van wien hij het o a / n . 

r •' ' " -1/ '< I I KI "l/l CW1 I il l,n I l 1,1 (UI (11 «ti luruin N\ 

g'eijscht had, en valt in Boete van 4 
reaelen. 

Bij aldien een vrouw uit haer zelven /,™n,, rj<uu iii^muH^^MM^?. » i/u.?./,,,.. ;■, 
buiten kennis van haer vrienden bij een n a, o o . Q 

-* m itxji na ii in m tnMn/titjitMifflnaasnarnnJi uitaith 

man komt vrijen om met hem te trouwen, ' 

en den man haer tot driemael toe %™<**»n tm,s, * f l v»»«»™|»*«7«»«£Tji£«£ 

behoorlijk afgeweezen heeft, zo vermag ^^^^'o^^? J MMMow^^»a(M(t)i^«i2M*i 

hij, als zij ten vierdemael komt haer q 

aenneemen en trouwen, zonder dat de 

famillie regt heeft om zulks te beletten : 

dit moet opgevat worden in die zin, dat 

de famillie de man bevoeren* hebben 

af'geweesen. 



v 1 1 ji 'i i t/n v 



Als een vrouw ten eijnde als even bij i,,.,.™^,,^™,,^ 7 .«ig|^,,:,,, ; ,. v ,u, i .M /7 L .„ 
een man komt, en bij baer ten eersten n 

1,1 ~JI IHl «E/1 ^yl (JOTA (1711 ,(_?/ lO «bl Ly I 'O T» 1 .171 ,li« T,7I «01 »o ( I 

aenneemt, zoo maekt hij zig schuldaig en * ' " °~' 

een Boete van 4 reaelen en werd dat ^r™"™^ 
genaemd Bauwd Moengoeng. 



o 

171) 7 I 



Uie een rUt (lcmpi, die gegraeven IS niunaariióiiiLmmriniviiénx7nriAarnai/nitnaTJtaJi~jn 

in een Bosch off op de weg voor de a . Q „ ^ . , 

il/h il/1 m (ui (t:i ^ l?i / . i ttrh i)i~n i i i,ii/>iii >.i ->j in ini ifoj an 

reijsigers, off aen de zijde der Padij-velden, " 9 * <A 



valt in een Boete van 4 reaelen. M«anyr,«««*|» 

JJie Ult een Vyvertje dat aen de jjiun/m /ij.CitL'n.Ktvi.i im, wwn £12 en mimi^/m-J i>,v 

Boorden der rivieren gemaekt is, om Vis /o o 

i i il dm (i 4 ui (ktj (hTfl nni /ui (M (iy»7 hji isïi nnmi/i truin n i.i 1 t, i 

daerin te bewaeren en voort te teelen, ' (a ' '■ ^ ' ■**• 

het water [71] laat uitloopen en d' Vis uit te «^"^ " M«yanuMfu^i&MimBnM|in|B^ 



neemen, valt in een Boete van 4 reaelen; 
die het bij avond doet, werd gelijk gesteld 
met een Mali eng, en aen den Lijve gestraft. 



hiji iui ui (isn m inri w 



Zoo 't gedaeD word aen een Vijver van //(? ,,, „,^^1^ 
een Grooten (als Tommogong), een Boete 
van 8 reaelen, en bij nagt als boven. 



105 

// n > vi ui : J ( , ", ash nüi ia mr, mi ruin ren oji un mji tisn ns» ap 



zsn Ti rnisn \ 



n^^-^viuMa^ricinMin^iinrLnMnviiiniruiM/Si 
*M»fnii3i^!uni^v)iiirhiéi<isn\ n .ui m Si Sn ,8 Si ruia.31 irui 



MnJi\ 1 riiKnxji n Mo-J) rt Jinsn >/, un w 

Ij un m nrvi tun riji ^un nM) zm vn kim tciMdnnn un n 



inruiMM\ (uniBiirvi rui ,rüi 110 isji cm inn un «,) _j un moji ,vn 



lmand een Sedeekka-mael gevende, en 
een Boode uitzend om zeekere zijne Vrien- 
den te nodigen, en deesen Boode in plaets 
van die, andere persoonen noodigt en de- ^™^™^»v™™^™^^™v>™™ng(wvm^ 
zelve komen en eeten, is dien Boode 
gehouden in de vergoeding van 't geene 
door dezelve gegeeten is. 



hi (ijl rui -J) cisri ii.1 ,un rsji -ji iiun mtji ,1 11 <m ikl&ci ?~i w 



Een Knegt van een Heer, bij de diens- |p M ^ l M|irujne)<T)iMiu)M^<£!4|ej l ^)M> l 
meid van dezelve off een ander Heer 
leggende, is hij gehouden haer te trouwen 
off anders te betaelen de Boete van een 
Menschenprijs. 

Imand een Knegt weg jaegende om ff^M^*M>»^M«!M^^^«isjA«|*».*i«it^ 



o o a. O a a 

I u 1 11 (E.J _/l IL/1 DJI ril II <!,■! »JI (E/l -jllKliTJI Ml 1 II Ml) l/W M O «M 



zijn schuld te zoeken en hij 't geld bekomt 
en aen den Heer betaeld, dog den Heer 
naderhand ontkent bet zelve te ontfangen 
hebben, en geraeken daerover in een 
tweegevegt met Piek off Kris, zo iemand 



in miji i ii t£ji i^ >m ui n_ti ia n ri i:u / 1 1 1 1 n ei (tfn Mi) <un tan g-j 

o» o o o 

un i i .1,-1 uii il ijl jii ii nii(ui.i:i,i li mui iF.uunn.i iinmn 



i(i run _ü n-jl :uu ui i.i/i OJI (TUI (UI un in ïil-julKf mn un in ri 

gequest of gedood raekt, werd den quetser j Q . a o 

01 ' i/KiitMMi.ijtiMiïiiiiiiiiiHiiiiii.i ii ld wan uimji 

off moorder aen den Lijve gestraft. Dog 

beide gequest raekende, ieder een boete ^g^^^^^&g^j^^g 

van 16 reaelen. Bijaldien het alleen een ,o hil i a ?i ,9 k ^«2 x « »j iw// » !i i m M m.| ru \ i/n «? 

woordenstrijd is, gepaerd met een toornig o 

° ' ° r ü 1,-0 run m -z# «n mi% n/n ti xnn \ i/mii i i rn trui ,ei ~J) un K] 

slaen op de Bank off Baleij daer men op 

zit, een Boete voor degeen die 't doet »™™&&v»™»wv»>Stfa™™"^V" 

van 4 reaelen ; zoo den Schuldeijsscher ge- &> cg/i™^ -r» ■« üxun • . un -- ,,, h ia >.n \n«ns& 



ii i n UI i'n nu in nij li (Ui il i/niii. 



/ *- 



tuigen brengt dat den schuldenaer toen hij 
bij hem gekomen is geen geld betaelt heeft 

... ■ „„ D,U,. bil SI i i. i) ' I ' l '■' ' '/ ' ■'" ' ' ' ■" '■'/l'J •" i "I ' " ' '» fn - i * y 

en zijn getuigen zijn Ambauw Kaksa / ' - / ' ' <- ' 

(familiaire vrienden) off Ang reeka Pan- ,,i l* , n » -il* <i,>i n.i.yM.., , , » ,/>,,-,. 

daija (die geleerd zijn wat zij zeggen ^^ ^^ ,, --% 



moeten) off Saeekasaksie (bloedvrienden) 



QiMtini i losn 1 1 ti, uli iruiiiunm utiti uu \\ h 



ik o i • m é. / i.,l ^^ «•«« w iMiun u ,nn iiti uli <n.w un fjixjnT, ,.u < i unmn 

oiï Saksi Tanwat gata (getuigen van Co < U( "> > 






106 



i ) i n i >j i i > i i i i m i ii f_n t ,i i tij i n n u in i i tl ii i i ;/ 



ongenoegsaeme wetenschap in de zaek) off 
Ang lienga Tjaja (getuigen van wien 

.. , , i i .. i i i>> i i/i n ' tli ii i iifji~n i<ii/i i i ii i n in i i i,i iikji ij 

voorgeeven zijnde dat ze welgehuyjst en "^ ' & 

ordentlijke luijden waeren, bevonden wer- VVV" '."•"/<";■",;;<» "<""< '"/ ''"■/> »m y<" 

den quaed-doenders te zijn); in alle deze r ,MM/^ 7 ,,n^ n,,;,,,,;,,-,»^ 

gevallen werd 4 reaelen aan Boete 
verbeurt. [72] 



yi 1 1 i n ii i i in £ i ii i.i i n i ri uw ii 1 1 1 ii i'i ? i i ii ï ii i i n 

VI 



i. s 

ii 1 1 1 i,i > i i ii i i • i ui i u i en iki '1 >j fQ i i in i i in > i niui 



i ... 

i, ii i, ii na ui in i.i ^rn i i in ii i 1 1 \ 

'O 



Bij aldien een Vlugteling, het zij Straff // m , ,,-, wn Ra i^d»? i/>yasn<8i<nj> (i !, n n ? i >, ,,u S y 
off Verpandeling off ook quaeddoender, 
die niet uit last van den Vorst vervolgd 

« i i j il ii < i >i in Tti/i ii 1 1 1 i.i i.i >) n i i n t in i n n in i.i ï.i ito üi 

nog op verscher daed nagespoort word, ' ' Jl ' I I l ' '"" 

te saemen komt te gaen met een ander >" -""/ i'.m?) miij^ni > 'iu himm n, ,.»i >if>fj 

man, mag den laetsten hem niet doodeu ? ?(m „3« r ^A«.«hM 1 « r ^aM 7 « 
maer maekt zig schuldig zulks doende 
aen Doodslag. " ü 

Wanneer eenige Persoonen iemand op- 7 i .» i,,i/i->>< n &iQ njijiirni,, h,|mi^., ,., f 1 ,,-,' 
vatten, hij zo gaauw en sterk is, dat hij . . > , 

' " a •' i i il 1 1 1 j : i 1 1 ij : i ' i n i i i ij i il n i.n,j i ii i n i i rn n ii 

zig haer handen ontwringt en komt te 

ontslippen en in zijn eigen, of een anders '7^'i'/V """••' •/ m-W, 7 i <>-- ,„,„,,, „ 

huis loopt, en een Piek off Kris neemt en ,pm?> nm m r ( - 1 u ni,„,:„ , nmiQnij 7 ,,i, ,,!,.< 

daermede Amok speelt, zoo zijn de geene 

die hem willen apprehendeeren niet aen- 

sprekelijk, maer hij strafbaer als een 



kioji i j ui tui\ i,i i ) 'fj ii i i ii i i n w i i i i ii ■' j in j ij i j 

ï. . . 



I II K 11 Lil II j 



ÏÏT 



Amok-speelder en krijgen de gemelde Ap- 
prehendeerders, zijn Kris en dies scheede 
off zijn Piek, en voorts al wat hij aen zijn 
Lijff heeft, maer niet zijn goederen, binnen 
off buijten 's Huis te vinden, alsoo die 
behooren onder Jara: verbeurte zijner 
goederen. 

Imand een Dieff off Malieng afgemaakt // y " > \) 7.W > < n m^ >.» : n) -. .■ < na 7 1 .1 1 ) > - > 1/ ,.< 7 -n 
hebbende mag hem het hoofd niet afge- .0,0 o 

° 1 >> j 1 im ij 1.1 1, 11 ,, n 1.1 1 n 1.11 , ,, ln 1 jij in H j ,1 1 1 1,1 1 

sneeden werden, tenzij er vooraft de 

publieque Bekendmaking en Titier-slag "" l! "^,' i, ö JJ " , ' , "' m ^7"" 1 

gedaen zij op poene van een 's menschen 

prijs. 

Die een opgeregt teeken, dienende /; , „ ,,, ,,,,, , „g lfl ,,,,,. ,i-',t, n..'i> ..«..,„,..« ti 
ten bewijse dat men daer niet gaen mag 
omdat er den Vorst off een Ratoe zig bevind, 



107 

off ook op de weegen om aen te wijsen ^ , , ,?, , , ,,„,„, ,, ni g „ , , , v , t/ n niril} ^ 
dat het daer een diepe weg is, uitrukt of 



m i i isn i n ui m w 



wegneemt, valt in Boete van 4 reaelen. 

Wanneer een Man en Vrouw malkaer //mi.i y''' 1 ' "' -' " "" '''/'"" ' y " ' ' / ° "-'' 
ontmoeten op een smalle weg, behoord 



I I w 



den Mans- Persoon ter zijde te wijken. 

Die een dronken mensch ontmoet, moet //» ni.i, /,',,< „.:, . ,,rr, iQn <="»,.> >i &> ■ < »< > ■ 
mede wijken, ook voor een Paerd en 
Oliphant. 



il i n i i 11 11 / i n : i i i rnafn iui,i.ai> n f \ ,: i _ i i i 
O o 

fj l II Kin i l / i n itl l l m l.il Jil l , '•) j : l : i I I I \\ 



Mans-Persoonen Picolansen dragende, //</i».m/<' ,>?n.,, yu^, n ,u ,„ ».»;» nu n.'iy - n., ,, 



en hem kleedje (zoo als men dikwils o > o o. o 

•> \ II I I 'I l.l I l.ll II I ll l,J II i I I hl UI I II l I l I I I l I lil l I l l I 



). . o o 



ziet) tusschen de beenen opgehouden off 

een stukkend kleed aenhebbende, in ' ' ' ' 

zulken voegen dat] de Sehaemte bijna 

ontdekt is, mogen werden opgevat als zij 

zoodaanig] over de Bassaer en|73|inde 

Stad gaen en moeten ingelost werden, voor 

de helft van de waerdije van 't geen 

hij pi col d. 

linaud over de Basaer gaende met , n™ »,, y v», ,»,,,,,,> ^m,,»/ ,,^» »»'»,», »,» "'•• i i 1 ' 1 
een outbloote Piek, mag de Piek werden > -, , 

I I (KUL II 11 i i i i, i : I II I II I I I. I 1 II II I I I I 1 I 1/ 1 1 ' I I II in 

afgenomen en moet voor de helft van " /< ' 1 

i. 

dies waarde ingelost werden. 'T 7<M''"/^ 



Imaud op de Bassaer bij een Kraempje 



I II l.l II lil I II I III 1,1 l.ll ■ I 1 I 1 1 II I II I lil II II I 1 I I I) 



zie neder zettende en zijn Kris ontbloot )C) , . , 

D ^ i ii ii i i rin ii n i i i i i .i i ii ij i i i i i i i/ 'i ' i i ij in i i 

en bij zig neder legt, mag hem mede aff- 
genomen, en voor de helft der waerde »»<""/ 
weder iugelost werden. 

Imand een ander besoekeude en stil ,.,., ,,i ),,,;-,, ,_ v , , b i ; ,,,,n » /'m.» » »? <«<->i •<•• 

II f I I I ( c- —" ' ■ 

weder weg gaende, zonder afscheid te 
neemen off te groeten, weid bij klagte 
verweeeen in een Boete van 4 reaelen. 



i i in ii ii . .; ii ',ƒ w 



Twee mannen malkaer op de weg ont- ,.,,,,,,.],, m > i nu » » ." > » » »i» » »/ » » mm »i 7 

'1 ' ' » ' o 

moetende, en den een voor den ander ,,,,,,,„,,,, 

,,,,,, 11» » 11 1.1 ■■ » - 1 1 j 1 11 11 1 n 1 11 'i 1 . 1 1 1 1 1 1 n 1 1 1 1 

niet willende wijken, en daerover in Piek- 

wisseling raekende, en een daervan "" »" ° ' "'" '/'/' /'"/' V '"'" '!■ 

gequest word, off omkomt, is den dader ,,,.■,,,„/, ^n»,» mum m»/ ,/. »;»».'» »»/»»» » »< m/mm» 

straffbaaraen den Lijve, enzoohetgeen „,„ / ,,,,.,,- ', 

doodwonden zijn, valt den gequesten in 



108 



een Boete van 4 reaelen, maar beide gequest m %m mi «h rj-n w oy^Mw^K^Mnuiww^ 
raekeode, ieder een Boete van 16 reaelen. 






xjti (ton it.it ri <m na tn i i xn i i-n vizri rui n &M 

00 Q Q C) o Q 

vn tui <tg ito (Mijt n vn t isn rm ^.i i«r kt» mi ik? n/n im *. n ru 4 <tn 

(in £ft <ru> ikii ,m ttsn ^\ 



1/ i/n (Ki ri vi ? <r\A i i i5ji nh i/n om t» *r> irm ti 1D- Xj n i 



tisn vi i ri 



o 



'huntunivi riaa innji (in >i i na itrui m rui ui jtg mi njiom /ri 



i piiiaijiTiiui art mini nullijn asn vuurt viiiiinij im 



Een Man met zijn vrouw off dogter u Milt o Vl a ll *&, -. ^^^r^^ r,*^*^ 
over weg gaende en een ander man, in 
plaets van ter zijde te wijken, die vrouw 

Pakataen Siendier (een oneerlijk woord) 7«*»-*>&«-*ö «»««-*» »■*«•«•**"«& 7^*1 

toevoegd, en den mau off vader van dat iijn,&^iK7^<KyrK7,|n^<i/m^iK,o<^ 
vrouwspersoon zoo eenen doodsteekt, is 
ontstraf baar, bij aldien er veel (ten minsten 

J_I \ _ UI LUL Ji (VI -rt ISll (UJI HIKnVI'r\? . ifjl t n .»,-!) Ml M IK M «1 W) .t"i > I 

dne) meuseben kennis van hebben, dat v &• *t*t 

is Bauwd Angrarangien. ^<un<cn(unfanri<r,miw^'^<cm\i 

Een vrouw van een Boose mond, die i/MiM^è.o^wjnoiuew^öwMwu) 

een vreemd man scheld met de woorden ik™ m rttvn> ri(Kriiri r rii(isri\ïi (inwin mtuiaAiE/iiHrii&iM 

Lobok Tjorot (afgang sonderuitscheijden), n x o o 

(Kin (Ki) *,» ik») Miarnaai pa iun aai ,vi iki asn v i /j ikti .» rui w n rui 



in nsn w 



Matie kabadak (dat gij schielijk van een 
Tijger moogt dood gevreeteu worden), 
wieid verweesen in een Boete van 4 
reaelen, en de man verkrijgd 2 reaelen. 

Een jong Vrouwspersoon schimpende |/mim^óim «fMtM^m^iKnaMi^iónimiisniuiinjim 



op een bedaegde en op deszelfs voor- 
ouders, werd in een Boete van 4 reaelen 

_ i] iiiii iwi errt vi ii 'T) r/vi UUIIUI tm <EH (KV xsiimiilJt Ml 

verweezen en een verbeetenng van 2 ' ^ ' 1 ïs Mlj w 

reaelen T741 ,l3 ^' 7 ' r ' "^ "^y? *■■/ "^ |K " ,iyn \9Jia\n{orr\a.m:vi'r\ 



>.») isn (Viritvi ? ui lijiviii i ti i:i > tnn >i ii m tiezirm kti arnvu 

a o . ^ O 

(WiirJicrn vi ii^n riw uniti^i uit itl i,n isii iKiiiJi iKi,(tii ti 



/ a a / 

urn vi (in asn vu ri ikti i trui <nm rui %(un nsn * 



Imand een ander in 't gezigt spuwende, ^w ^èi wia «iiuüM-ri-rijSw »|è?Mu : oiio.w 
valt in een Boete van 4 reaelen, en een 
verbeetering van 2 reaelen. 

Een Man tegens een vrouw in 't geheim i/wm •ivitrunHnun-ri-n^iiiK^^^ivi rjnmo^ ruim 

's avonds nadat het stil en 't gewoel M J n vyai^iD,^^ v ,:, l ...««Qgj*,»™ *».£,.»» «17 
van menschen voorbij is, zeggende dat 
dees off geene een kwaed of slegt Persoon 
is, off eenig hoonend woord, en deze vrouw 
zulks gaet bekend maeken, word voorsz 
man verweezen in een Boete van 4 reae- 
len en een verbeetering van 2 reaelen. 



11 111 1 rui (rm rui run asn tui icrriuri toiin ih~i iun *n irm w 



109 



Een Man reise makende met een ander- yvnm rfï,,,u>iriir, nnw-nni i^mj« rjwiMm 

n 

ja/ui ttn i n n .f ii ii ii in ui i ii 



mans vrouw valt in Boete van 4 reaelen, o a o / 

'*"•*"*") Kjajiiin i n 1 7.1 -ii >i 'i Mini _ 7 f) i ii > in in ii ii il i n i ' 



en een verbetering van 2 reaelen. 



o 
;// 1/7? (UI fi -f) t i,i i n il lui 



O O "I. 3 

il i il i.i n i i / il ) i.i i ii il • i i i ni . n f i ■: i n KI il t i > i i il 



O 1. i. i O O O. 1 i 

rixCWKl Hl lij] 1 11 i 1 in in ui i n i ii i i i n i I i ii i i' 'i 



Een Man spreekende oneerbaer teegens 
een vrouw aen de Kivierkant. off in 't 
gras off' digt bij een Bosch, werd verweesen 

in Boete van 4 reaelen, en een verbetering ' ' 'I " ; ' hl '<™ " ,] ''"'/ 7* ', / 

Van 2 reaelen. in i i iiHiitnjl 111 n i.nrriiii i n il ui i ii ii n 1 ' irn hu I ii 

■in i in 

Een Vrouw aengevat door een man, zon- /, » n m »jV« k> i ti u> j m >t timti -; » • *ij y i . * ri"*# . ■ < i - j 
der te kunnen toonen Tjina Saksie, werd □ o o o 

"' IIUd.KH 1*11 IMI I 1,1 I i hll II I II > I I III II 1 I II II Hl I I 

geen regt gedaen, dog zoo de vrouw aen- 

1 _ ï ii ii ii t .hi,i ui ii ; i r, hi i i rinmtHl/l i n ii i i 1 1 i i i.i ii ' i 'i 

neemt ter bevestiging van haer klagt ' '< < 7 ' ' ''■' 

te duijken, en den man zulks weigerd • ■» m/ ft - - 7 > <■ m» / > « •/>'" «' "'» S >>> >■/>•• >■> ■ 

omdat bij het voor den Regter gewonnen a. > ; ,,,,,,„,,, 

•' O » i 1 1 ii i ,,,, II II il I I 1,1 I f I I I I I I II II I II I I II > '■] I II II I 

bad, verliest hij het Pioces omdat hij 

] . , I. j J • 1 i 'I '•/! l"L») I l l m ' l " ' ' ' I I > • l < " " ' '" 

tegeus de vrouw niet beeft durven dunken. 7 z 1 

24. Sang KidaDg (Steenbok i maekte // > » »■' • ■» > '" '"'" " • ' >('•" > >■<< "/ "' > ■> '" " r " 

vriendschap met Sang Adjakg (Boshond); ,„ ,^ y M .i, , > , , g° rf m , ,,;,,,, ,.\ , 

haer vriendschap was zeer groot. Sang 

_.. ,,,,,,,, i ,i i.i, i.i 'i i i> n >i >i> * hl i/ ii"/'>l' f' I < > 

KidaDg gedroeg zig onderdanig en onder- ' " ' ' * ' ' 

worpen, erkende Adjakg als zijn meerder. " / '/ •''' >■"• ";'"'"'"'" ■'•'"'' ""■' •""»"' 

en zeijde, ik stelle mijne ziele in uwmagt; ej ,, ,', , , , , , , /;i ,,/,,,, ^ ,, „,,^,„ 

zoo gij mij opeeteu wilt, het staet in uw 



welbehaegen. Adjakg was verblijd in zijn 



,, ii i ii 1 1 n i.i /■ / 1 ii 1 1 1 1 1 1 1 1 1 ii ii 1 1 1 1 1 ii ii i • 1 1 •' " 



herte over bet vertrouwen dat Kidang in \f >■> v PI' " ' v '" £? V " "? <■<"<■/"/ 

hem stelde, en wilde hem wel terstond . .,&,.-,,}$,„ ,„ (/ , ,,,,,, , ,,,,,, >*> .»..-,/ .,m ( m.'i. >« n 
opeeten, dog schaemde zig om de deugd 
en onderwerping van Kidang, en wilde 



i Lil il in i '' i/ i n ! i il i ' i/ ii' ' i'i i 'i • ii i " i ' I' <> > ' ' ■ 



niet schijnen ontrouw te zijn in zijn ™ ^ r - ■ '/i/- - v - r7 '/""/ 

vriendschap. Eveneens behoord een r . ,, ,,,.',, „ ,,', ,',,/ m,.i in • »»,.'" »- "'/' 



, ■„ ,,,,,, , ,,, , , • 1 1 ii in in 1 1 ii i i 'i 'i ■« >ƒ < n ' ' •" ui 



Koning te handelen met zijn Mantries en 
gemeene volk ; bij zal hun geen Boete 

i j i- . i„i i „ , t, ,. i.i ', i ii i, i i > i i i ii ii i 'i ■" i! ii ' i i 1 '> I ''"' 'I 

opleggen zonder zij gezondigt hebben, ' ii.i/i 

en zoo de Koning het [75] doet is zulks ,.;,,.,,, 1) ,. in, >i< » >.'» " v-" «<»'"■'/ </"" •• v" 

Aniaja, dat is zoo veel als onderdrukken en ..ft^M», ; 7 „,, v v - ;,.-,.. 3., 7 

uitmergelen. En al waere het dat een _ 

, , ,-11/ 1-1 ,1/7 II LH Hl t<l II' I-I < " ' / ' " " '''''/''"'*''' 

onderdaen gezondigt had (namelgk in VPJ 'I ■ «»«■ / ( 

een zaek die het algemeen belang niet 



110 

betreft, maer den Koning in 't bijsonder i » •-, nmn ,,, ,,, n nj maS™ ma n uiiiuiih.uu i 

aeugaet) en die onderdaen steld zijn ziele, > > ? • 

° ' J > / ;/ i./i , ,,l II lil 1,1 u. I I ,/ Dl 't I II "./,! Ijl.lUIIUil.lUj 

en de ziele der zijnen, in de hand des ''' u ' 

Kouings, door een vrijwillege bekentenis </'^"'"""" V" ",'/'"/ ' L " n '" ' , êi"l"l 

en overgaaf! van zijn Persoon, zoo is 't t mm n « . /!j ;> °» ï.i i h. ;»/''"'* '.""/"" ,J " "/ 

niet Edelmoedig dat de Koning hem Q n a . o . a . . ,„„, 

° ° l II Dl I I I III II I I I I II I > 'f >ll I > >>l * * II '* I *' ''/'"" ' 

zoude straffen. Als ook de Jaksa's Boe- 
ten opleggen teegens den Reegelder ':<</' »§&* ' 7 -"/T '"'"' '>ü 7 c ' V ' W " 
Papakkum, dat is Kwaed Boven alle èïa > yQ»<n« »••'" './,•/, '^" "^/ v-' '' 7 " ''<"'/' " 



1 min 1 1 i.\i 1 1 1 1 iii 1 1 1 4 1 " ' u '/ *a ' " > ' '■ ' 'l'A]' ' ] 'M 



Kwaed. Het volgende is een bedrijf van 
Sang Nitjaer (een arglistige kwaeddoen- 

1 \ . O i." i U / i i.lli) > 1 l'il 1 II 1' I tl 1 I uil 11 i I 11 1 I il l-lt 1 1.11 I I l.l - I 1 I I 1 

der) tegeus batja toehoe (een opregte -' >, j ' ' ' 'd ' 



D ->. O .O 



diens hert en woorden overeenstemmen). 1 ;im; //;< 1/ ^ •" v, 1 """'"•' '/ó' "" "'7-7' "" 

Adjakg had groote vriendschap met . ti „,},„, i/( , , (/ ,.,, M/ , llnlll/} & .&**»« „ 

Kidang gemaekt, dog ziende dat Kidang > o o o o 

... . . . .. . , 11 111 ui i 1 1 1 1 1 1 1 1 i'ii 1 1 1 1 - 11 [tl 1 ' 1 1 in 1 11 1 1 '•" " ' ' " 

dik en vet wae, wierd brj zeer belust om ' et s ^ s < ^ 

hem te eeten, maer was be^chaemd, M.inwim.>i) ^nwiim*n ^^114.11^ ^ji 

omdat hij zig verbonden had aen Kidang. » ,,;, . t , ;, Cl , ,,?„,„,,,, (jl ,. /,«,£, ,\,.m'>i,,.h 

Hij zogt dan listen opdat Kidang n Q Q . 

1 11 l~n ,1,1 in« 1 1.1/ 1.1 11 ) u'y 1 m'i miÏ.i i'.i iii.ii/ id, 1,1 ri h I / 

sterven inogt. Hij zeide dan teegens ' ' « ^ f ' 

Kidang, zoo gij sterk en wel gevoed '""■»«'.. 1.» '•/"" "■■'"■» 7' » tu<><>> >'< >i<>>>i^ ,., :< 

wilt worden, daer is een Plantagie van ,,,,,?, ,,, i,,,,^,^., ,,„,. » ft-m ■ » m 7" <y<'"' 

Sang Tani (Akkerman), die zeer schoon , , , 

1 I I II D I I I 1 I II I I II I II II . II II Dl ? II Dl? 11 hl? D I jl II II 1/ 

en vol bladeren staet, gaat daar eten. ' 

Sang Kidang opregt zijnde, zeijde, het is >iy ' : ' ' "" '( '\' "'' ""/r > 7" ;,x ' "■'" "tl 



Ij I I I II I I II i I > I I II I. II 1 1 III UI II 1,1 11 1 11 j 1 11 11 1 ij,] '■" 

) . . > o 

1 1 1 1 1 1 1 1 11 uu uu 1 1 ,: 1 1 1 1 1 1 11 1.11 . 1 11 11 111 1 n i/'m 1 11 
CO 1 ' 

) . 



goed, geleid mij derwaards; dit geschiedde, 

en gekomen zijnde aen de Plaets van Sang 

Tani, daer strikken laegen, zeide Adjakg 

teegens Kidang, gaet gij vooruit. Kidang '-' ' ' -/ "■' '' ' ' ( " 7 7" < " " '" '"' : ' '7 ';'!" ' "'/ V 

ging vooruit, en geraekte in de strik; , ■,,,;, ,-., ,.„ ? ;, M) ., _,, n .« «k 1/ >< mh° i « >j /.,- <" 

bemerkte toen dat Adjakg hem bedroogen o . o a. 

, I I Ij M I 11 I Ij I .' II II I I 1,11 I I UU 11 I I I III 1 I UI IJ I I - Ij 

had, en was zeer benauwd. Adjagk ver- ' ' 

schuilde zig agter eenige ruijgte, daer na- '" L :' i ; ' ' 7 '" ' •" " '' ' '°" " " ' '' " I '°' ''' '°' ' ' ' " '' 

bij geleegen, en was belust om Sang Kidang ,, N ,,,,,,., :V/i nun/inun tnnuj t/i 1 1 / m'i - / u,j m 
op te eeten, dog schaemden zig dewijl n i o o o 

r ' ^-^ *-' ^ ,,i, t ..-,»i;ii,iii.(tï..llllt#JIMIJ 



11 ,; 1 11 11 1 



1 1 I 11 I . 1 li : I uil II III LI 1 I l.ll I I II I I tl n Ij ,:- 1 Ij 

hij nog leefde, maar zeijda in zijn herte, '"' 

als Sang Tani [76] komt en hem slagt,zal "<<<"<",<< »>r>" n.^nft)wi^ r .iij.»iw 

ik zgn bloed eeten . Daer was een vogel ,, , , , t , , ,. , , , ; , ;. ,] ,', ( , (/l , ; , uu,um ». V, u " 7 y <' " » 

Tjietjie, die zag het benauwde spartelen ->.. ,. n 0.0^ o. 

' J ' ° r 1.1 1 ij^i u/ 11 1 1 ui] uu >i 1 i/ ui ij iiin -.1 >> 1 1 11 11 ut 1 1 

van Sang Kidang, en had medelijden 

met hem, en zeijde, wilt gijleeven. ■■« * «™«j '"" fn ' ;il ":" ; '' ) '?' J -"'"'' 



111 

Kidang antwoorde, zeer gaerne wil ik van ? ^ ,,,,,, ,, r/ , , _, , , „ ■ , , „ o ^ ( „;;._,_, 
dit zeekere gevaer des doods verlost Q Q Q , 

_.. .. ... _ . >l' " >/'»>>/i n, , ,i, ,,,,,, „,„,,),,, „ nnniii ,i.ri 

weesen; Tjitjie zegde, als Sang lanie ; 

komt doetdan uwe oogen toe, ik zal in '"/; M " -77' 1 "/'""/"" '/V/V'"/;/"/"""" "' 

uwe oogen mijn drek laeten vallen, houd ,., ;>,/ ,,,,,/ ,,,>, /:„„,) > n,,,,,] .■),,),, ,,, , ,,,,,. 
dan uwe aessem in, laetuwbuijkopswellen Q , , 

7 '■' 7 '•' '/ ' " ' '/ ' 11 ' 1 »> I 'I in i I : I r.i lil i u i i n ,' , 

en uw tong uithangen. Niet lang daerna ; ' 

kwam Sang Tani met een korte Piek en '"/""""/<"<« >»>'>>,,!. r »„,,,j ,',■„,, , ,, 

bevond dat er een Kidang in zijn strik > n;)i a .-nj .■ , ., , ; „ ,',, „,,, , /; , , ,],.,„,,,,„,) 
was ; hij zag toe, en meende dat de KidaDg 
dood was. Hij kwaed zijnde sneed zijn 
strikken in stukken, waerop Sang Kidang 
opsprong en weg liep: Sang Tani opge- 
togen zeijde bij zig zei ven, deze Piek is 
een slegte en ongelukkige Piek, en toor- 
nig zijnde wierp hij hem weg in de dik- 
ke ruijgte en trof in de buijk van Adjakg 
die daar agter lag, 

De vogel Tjitjie maekte zijn nest ,,.' M)ll( ,,,;,,v; ) ,,,,,, M , ] ) i 11 , , < 

in de Gaga van Sang Tani; de Q Q Q ' 

T ._-.. .. . '" »" 1/ i-j 1' 1 1 n ii\ 1 11 111 1 11 IV 1.1 k\i 1 1 i.i.r'i i'n 1)1 : 1 

Jongen van Tjitjie waeren haere ; " ' 

vleugelen al uit maer konden nog niet '' ni ' 'l' '■•''/ """ 7'/''"' ""/{ ,,j» "» >j 7 ;< '77 
vliegen. Sang Tanij zijn Padij rijp zijnde ./mm ,'nn,»,.,:,,', 1 ! . -,,,, 111.^1 !, s, ,:,,•;,, .,,:„ 

nam voor dezelve te snijden ; daer over > >, 1 , a 

* ' • 1 1 1 1 11 1 1 1 1 - 1 1 1 11 (;i 1.1 1 11 1.1 1,11 * 1 1 n 1 11 1 11 1 1 1 1 1 1 

was Tjitjie zeer bedroefft en schreidde, 

j. _ 1 - • j • ■• j <> I 1 ri 111 111 11 1.1 1 1 1 11 1.1 111 1. 11 1 11 11 hu n ; 1 1 1 > 1 11 >n 111 

maer ontmoete Kidang aan wien zij de I '7 / 

zaak verhaelde. Kidang zeide, het doet ""/öW'' f,ll,Ml vw 1 ' 1 i^immiKipiMKn 

mij Leet, gij zijt met regt bedroeft, ik ,:„ l ^,); J) „ m ,i 1 „ m ^ ) , r , 1/ „ J „-,^ 

zoude ook zoo zijn over mijne kinderen, • }n , a > _ 

1 1 1.1 1.11 . 11 11 1 11 11 ii 1 1 1 1 11 1 n 1.1 ; 1 1 11 1 11 1 1 1 1 11 1 1 i 1 

maer weest gerust, ik weet een middel. ' '' ' ' ( 

Toen Sang Tanij kwam om de Padij te '/'■"" "7**^*" ;>>.„,.,,, ,,-,,:;,,•,■ . » ,y ■* / .'. ,, 

snijden, ging Kidang derwaerds, en maek- ,,, (/l „,-,^,,'?,,,i,.^^ i,,.,,,.^,,!,,! ■,,» &« „,,/,./ 
te dat hij onder 't oog kwam van Sang , ,-,.,,. Q > 



Tani en ging toen kreupel; Sang Tani 



1 

1.1 1 11 1,1 1 1 1.11 1 1 >.i 11 1 : 1 1 11 : 1 11 I 1 1 1 1 11 n 1 11 11 1 i 11 i , 11 



•■I 11 1 ! I 1 11 : 1 11 I 111 11) 11 1 11 11 11 i/iiii 



dit bemerkende joeg hem agter na, den- '/""""■'/ "<«''</</<"<' ' R^^iij-fc 



kende de kreupele Kidang wel te zullen 
agterhalen, en hiermeede wierd hij door 
Kidang opgehouden den tijd van vijf 



O ) 



I I I 1 1 II I II II II I II. II 'II II I II I I I I I II II I I - II l.l 1 1 1 I I I I 

ia. / 

I I I II II II' 1 1 1 1 1 11 > 1 1 1 I II I 1 1 1 t 1 111 1 1 1 1 1 II 1 1 1 II 



daegen agter den andereu, in welken 7" -' "'"'"' '' ' "'/' '""< ! "/" " "»' 

tijd de [77] Jongen van Tjitjie haer vlerken , , (/l ,'!,,., ,;,,,, ,1 , , .• , ,., j., ,',,!,,,, ,^ , ., , t , ., /, , , 
groot werden, en dus wegvlogen en Sang 



112 



Tani 7,ijn Padij Sneed, en haer nest ont- 
dekte. 

25. Een Mier stierff door dat den 
Olipbant op hem trad: de Koning der 
mieren viel klagtig bij den Koning der 
Menschen. Den Koning der menseben 
ondervraegde den Koning der mieren 
zeggende, hoeveel quetsuren heeft de mier 
bekomen, op wat plaetsen is hij gewond 
en hoe groot zijn zijne wonden ; de Koning 
der mieren zeide, hij heeft een quetsure 
op de borst, een span groot. De Koning 
der Menschen zeide, zeer groot is uwe 
Leugen, gij zijt over 't geheel geen 
span groot; den Koning der mieren zeijde, 
ik spreek niet van een span als de uwe 
der menschen, maer van een span als 
der mieren. Gij moet, Heer Koning, geen 
vermenging maken, maer groot met groot 
vergelijken, en klein met klein. Dit is 
mede Manawa. 



a o a. £) o o 'Y a. 

> > ■' i > n 1 1 i i i ,) iKD mj] ui tm _sl ifji tfm un *sn nm n.i -sfr'M ri 

a o a. 

1/ i n i f i;i in nn n ; i i i i i 

il i ii i i i ii i i i i f-Ji rn i n ,/ i n i i ij i.n ia vntiR? <&i ga kji isji 

3 -Q o o 

iqi ~n 1 1 i n j iiiiiitiiiii nttnaJianntuzturiKaapbfnaJi'rï 

O O q 

hniuinr, im i/ in ij un tsn nsn n vaten un ti ti rui sintfji rttta 

o / .. O 

< n isn *sn 1 1 i wi -jt <n i n ui ti *q in un ii in ten nsh m rui <nn 



a. a a 



/ 



C) O a. 
mij] un m? uiici ncnnsn -n itn nm ununun niisn nitnunun 

o a o 

i ii o rui rv öimoM 1 1 n ti i i.ij] » ii i,i tip uu iuii<ui(cn 

o Cl o 

• ii ip ii iiiunmiKiTTn m qa-ji winri n un t -non tui 



GJItHfl 



a Ci a o 

i n il 1 MIJ] tMl I il i I n i I hl] in un n df, rl XT1 IX» M II 

^ - Q o 

i i ij l I i i ■■ i i ii j ij i i ij m i i :uri ii i hi i i.i i. ,i i.7) i~f-n ■• 

mVi i ii ij ii i i n i ij , i i.ii i.i/t ij i ,i i i ,ii un rvi iHihji <E] un 

/ a a i (?> o q. 

ifnihn ei ,1.1 i i :t i jt.j ,r, iii/ii/ ii i ii hij] un maJigatm 

(?) o a a„ o q a. 

tn m uil rui un jawn rui unj] u] fatum iiun t&i tur/Bi tui 



26. Sang Gadja (Oliphant) ging door 
een Rivier en trad een Garnael op de 
Buik dat de drek hem in 't hoofd schoot 
zoo dat bij meende testerven. De vader 
Garnael dit ziende, was daerover te 
onvreeden, en onbevreesd voor de dood 
ging hij heennen en gat den Oliphant 
een slag tegens het teellid dat de ballen 
hem agter de ooren schooten. De Olipbant 
was daerover zeer toornig ; hij zogt na 
den vader Garnael, maar vond hem niet. 
Daerop ging den Olipbant klagtig vallen 
bij den Koning, dat de vader Garnael 
hem onschuldig geslagen hadde. Den Ko- 
ning ondervraegde den vader Garnael, 
die zeide, ja, ik heb den Oliphant geslagen, 
omdat hij mijn kind getreeden heeft, 
en hij toonde zijn kind aan deu Koning. 



a a Cl 

■ ■ i • " ' i ' n i i in i k .' ■ un ui itunun rui :un m tui tuii i • / 

. a O Cl O o qoQvO 

ii i ii i ii uiKfi i ii ij i i niumruiun ritiaun'uiiiJiiEtiin'un 

G) o o. . 

lp Ij MIMI IISTI 071% IE9 lil lil ij l II > rfMItOü 71 I.) r/HlUJIIC] 

- . . o a .o- o 

ti M El 1 1 rui fi] i ii ii i i, ,] ui , i ii ,j rn i u ,ti -n ,ui nsn <n 

ijihi ij iciuiri ik ijiUiiHi^i rrrrijfin > i/imr/irui,i i ,,, 

ik % isji !m,(i~/i Kij nm <&i tï tn rui t y .irn ,trn nh" in in trui urn niji kn ri 



- 1 nsn oji a 



ij ijl i i ii ik. 'iiiup ri rui uil i£i ei 'T» un m fiiri iBi itii 7<n oji ,yn 
i-ii rn tiJi -n un n/n <ki *oi <gl. ui ui (Uin n i.i n 'hinli in or %\ 

• I I I i I 1 I Ij lil II I 1 Ij il l ii 1:1 I Ij I I > I I I I l.j Hl rn I i 
UJ "il \ ÏIKlni (BI ij-w / 1 i ,i i ,i tö il lil >S) 1. 1 ii hl ijih n l n 

'77 " '''/"' "'"'"'/" ' i i i i i i i i in u i i r.n Uil 

o Cl a. . . a a 

ti i.ii i tui ,j ui iHrnxi Mij] nuiihQyxm iKfi&ihrn.Mi ii un 

Ci a Cl O a. 

ioj] -n uz 70) muil ui .i.i n i n m tn uiiun yj unj] ir un uuif; 



113 



Den Oliphant en Garnael wierden even- ^ & «<n ^ g « M „ , * 7 „ , . ^ , g , ; ( (/ m > 
gelijk in Boete verweesen. 



«&* 



27. Een Koning gaf bevel aen alle |/Mn^w^t|tfli w .|Mi-jMMi;! ;) ,y, „i 1 ,-, , » 

zijne onderdaenen en alle spreekende n.,,.-,»™...-,, ,„ ,„,,„. . o a 

J f niMTjismM^i iMjiim i nuii .WMnmibivn i i ,/ i ; , i , 

dieren, dat niemand in den tijd van 20 



o o o 



dagen bij zijn wijff[78] mogt leggen. De T*«^"^^"^»^*-«»*«|&m. 

Kat alleen zag dat de Hond binnen gemelde ■ El ^ '°' "■' l '^, »ïïj «wm mSti.u) wwtun m''. i 

tijd bij zijn wijf geleegen hadde, en „,, iryin ,^ q- o 3 . . 

bevreest zoo bij 't mogt verswijgen, maekte o 

net aen de Koning bekent. De Koning " ' ca ui ^ / 

onderzogt de zaek, maer de bond ontkende; <ü> r nasy£i >n°,mi^i,,i> rjuntnisnah «nm i^ im y , , 

de Kat wierd dierhalven ongelijk gegeeven, ,^ ,y.jn,,, / ,ïi«m^.iQ l ,, a nwiïnnn^ ,£<Q t/ ,,,', 

en viel in Lebon (gat of breuke) Annier ,n . Q . □ 

mniyiin-ri niiii^urn ui nniri.ru in . / i.i : j i' i i.ii , ii.iiiii 

Joekti (duistere beschuldiging), en wierd " < ^ Jl " 

verweesen in de Boete anders op den >'f^>»S>y ^™™ ^ii^ry^ „;.,?, >rll \, , t 

betigte — zoo't beweesen waere geweest „, tn o -qm °, ^ Ml q ,.,,„, $pr<un ,,, 7 ,., ,",.,,'..;,, .■•, 
— staende, nevens dePakolieoff verbete- •> . • 



urn ra i i nruiziniiji un n m ri/Kl :- i 1.1 i n i.i 1.1 'ti 1.11 1.1 i_ n 

ring van schande aen den betigte. De Kat o o a 

zeer bedroelt in zijn berte zijnde kon niet ® &ü V " V' 1 "**» " ] ' ' f -" i ' "'S ' "■" "'■'"" 

slapen en schreidde, biddendeToean Dewa, -n wi»a « >, M Si *j>s(tui?aj> i.u Ziuvcr^m mi . ■ >< n i h 

dat hij de waarheid van zijn gedaene . . c> . o o Q ■ 

J J ° iliirir. 'ijbLinn ^i i') : i n i il i l tn ( l i n in i.i i ii in 

beschuldiging wilde openbaer maken. De 

H, 1 1 • •• 1 »< ' » ' 1 '" 'tm in _-j.ioi em \ i_ u i i > i 11 11 1.1 1 i i.ii i n i u i i 

ond was verheugd in zyn herte over t c- 'er 

verkreegene geld en 's nagts na elk in 7'"? >-i^w/ii.ii ni.ii'Z) ,"m V;i >iMini/,>i 7 i;i wj 7 

slaep was, lag hij weder bij zijn wijff , h l7i °j 7) ^,„ ,,,.,,.,,,„ 

en bleet aen haer vast tot den dag; de ^ 

°' Cl * Q 

ir ,, , . TT , , .... , 111:1 mi 1 1 i.ji ïji 11 ui vu nn ri'ri\ i n hl i i n .1,1 1 1 1 1 1 

Koning ontbood den Hond die bij den i £j ' ' 

Koning geleid wierd door al de sprecken- ' > •'' '/ i ■> > > 7 '•; ■ " 7 '' - ' •'" ' 'y ' f 7 ' •'" 7 " .7 

de dieren, en was zoo beschaemd, viel in ^, 3 /, 7 ,u^,v™ t > 7 ™ 7 ™^ n^. ,.,, ,, y , 

Lebon Biawara(publiequebekentmaking), „ 00 

„ . . , 11 l'l M.H1 11 KT I.I I II l' I I 1 ; / II \ I 1/ II I I " i.ii • 1' 1 in ■■ 1 'I 

Uetara (zoo rugtbaer als een sterke wind), ' ' °'° 

Bawana (wolken van getuigen), Njata(eij- 7^^^°" ^w^i.v,/ < m ^ .^ ■».»^» • > kï»i '•' "^ 
gen bekentenis), Satmata (ooggetuigen). 
De Hond schieidde zeer en wilde niet 
eeten, en bad Toean Dewa dat de kat 
als hij bij zijn wijff lag mogte mouwen. 
De Kat lag bij zijn wijff en maauwde zeer 
duijdelijk, viel onder Manawa. 

Madoe(boouig)enMadon(boniugsaem) ll uu l ! ' 7' "W ■'V'Vj"'^ '/«-«»-»» ..mu.^-u 
Verh. Bat. Gen. 9 






114 

zijn zoet, maer zoeter is een Vrouw ; geen „, r .o ? ^^£, ?1 , , , (/ , ,,^,„ tM ^.„^m, % 
moeijte en sraerte is gelijk, die de man y a , a o 

"f^it^-mn^nmLijtcmpjti^ttmtuitciipïui Tim?) mun 

van zijn vrouw kan werden aengedaen. v er i e er 

Daar is geen Angadoni (in 't maleids, ï , «^"»«^"«-|MM»3|««flw^ ( gjiofij^iy»««|Mi 

meiigadoe-adoe) meerder als die der uKêmKnmvium'nam ^Knzasnanjf^mmSiMasndhcm 
vrouweü, dat is, daer is geen ophitsing, Q 

^nnt(pi)(ij)(i^^ J intipriMthm'nKn2 i n t>oj] tui tuur» ,nni tui 

aenporring oif opstokiug zoo kragtig om G w ** ' ^ 

tot wraek aen te zetten, als die der ™™^™ ">™v™V M ?j'» V™>VVIV'>""™' • 

vrouwen: zij zijn Poerhaning Soeka ('t n^v^iM^timtt^w 

eerste in [79J de begeerlijkheid), Poerba 

Ning Wirang ('t eerste in de schaemte), 

Poerhaning Wiroda ('t eerste in gevegten), 

duijsend bei gen zijn niet zoo zwaer, als 

eene vrouw. Dat is de Tiuka (manier) 

van Mauawa. 

[mand steelende Goederen van den Ko- ïimimKHKim^asnih^n irfomiqtnmrfirvitKnamxa^ 
ning, werd na het Welbehaegen des Ko- ^ ^^^^««m^^^ ^^ 
nings, aen den Lijve, off anders met geld- q q 

. «., , . , tpitininiLi Mn <un nsn ui 1.11 iji tin tuitiaito aithm aa tru) n uu 

boeten gestrafft, en wel in cas van t m 6 <-* l co 1 1 

laetste op volgende maniere. Bijaldien M^jmwM ^MiMjuiuntLt) ^-m nqx^nt rjtruitturitui 

het dieffstal gepleegd word in de Dalm r , tt ^ o ^^^^^^^ o^^ ^ 
oft Hoff van de Sulthans ter plaetse daer 



, 1 t-« , 1 /~i 1 fcr)t£jin\ tij) tuil tni thiojl tin ^?i rtnaJiam mm) Maniuil tuin tui 

de tweede rasseebaen staet en de (Japel, & u ' er t t- o) o <->' 

moet voor één, tien vergoed worden, met ^j»™^ ^oiïm^ wi üiM^n^-riiun^ iAmi i^»i; 

een boete Kaprabon, dat is 24 reaeleu; zoo ^^,^^0^^^^^^».^^»^ 
het goed gestolen werd van de plaets Q a o a r> 

daer de eerste Passeeban staar, moet voor L er n ^' <*>u oo l J w üi 

één, seeven ve goed werden, meede met i7«»!»^|«>n»n»«>n-^«i»i»flyon-ï^r£inoio^cig^«| 

gemelde Boete; en wanneer ergoederen ^^ M ^ W) J3^ M ^ M A«3h£i3*m|[ ]% 

des Konings gestolen werden, die ouder het 

opzigt en bewaering der Mantries off op 

de Negorijen zijn, moet voor één, vijff 

vergoed werden insgelijks met de voorz. 

Boete. 

F I NI S. 



115 

BUI KI .Kl.1 (Ulll (II til (UI 15U1 x iUl'lOl (UI) '10 11(10 2 !U -aUKÏ) (Kl [) (Uil O Ol Uil UI !KI iKïl \ (M ik!) (O 
7 I J ^ ^ I 4 J ) ~) 

A C?v Q (X OC^ Q C^$ 

Ki :ui ki (ki<i ui (iiii oui in (Eji «sui o tuin ww rui wi urn oykui mn Kin (ui io -ji hui (tjuKin 

d LC 3 4 3 4 a J J co 4 

A Q Q 7> C>:tv q Q O. c O . 

III (]K)I l|K|!KUl\ KI (tl (U ilS.(fcJI :KlfkfnJ|lK'KKniinJl(K)| (ï)(ül (ïl Tfl (KU1 ,1 (10 (UI OJl'1 (Klllfkll O ? CKl'1 
M) ) \CQ ) ^OSUKl, | | J| J )\ 

UI (TldCI 3 II ^4'ïin UI-JUUl? (Ulll Tl'1? (l£ (Kl ikl Kl[)\ K 1)1 (l£ 1T) (KJ1 \ (kJlCUl (KI _4(U1 -4.(10 (KI 11 kl 
| J KL, ^ \ 4 >T, J.TSL, ƒ J|J 

Cl CX c <A <. OC*> , Cjv Q 

U| lil Kil 1.1 II KI 3 (tl il fl.0 ï] L12 Kl^j.lKIM illKI 2 (tJl (1 (Uil (KW OS (KKiniUjl 'Krid^OiljfkllN Ij 

•nu ki : i )i (i ki] . kii (Ks niiikJiiKiniKTi'ifii? ui (Ki (i-on (Ki u-o a-o itn «rui n tui(ui(ui(ki[);ui i n (i 
<>>u, ) 4 jasu W Jku^: 400^4 / 

G Ü . cj^ a. / (A Q A t 

X 'I iKV) I II 11 >\ OAil (Kl CT| HUI 171 111 \ (UU (k'1 Tl (KW 1,1 1 \ (UW O (KW UI (KI (KW \ (UU CK1T1 (10 11 KI 2 
KI, II. J (KOJj ; | 

/ A ü O^ Q / C> C* 

ui (Ki -Ji «1M13 (uuiKiaTi iri un m(iT)\ t£ ki u.i<kjo(ki[] asinoaon «jiji oockji m tui uw &o 

A O -l o 

l] U2(kJl.JUl 1 (Ui Kil tl -JI KI 1UI1 \ 

k 1 1 ii ui (u 1 1 oi oi on tui ik i (ïui (mnc,oc x\ 

Q. O Q Q 

(UU KI UI] (KI 11 1 (Kl (Kl (UI (KI 1 ] G> 1 . 



LI] (Kld'Ul (Kl fKI 'UI (KI ] 

7 (J ^ / 4 






AANTEEKENINGEN. 



INLEIDING. 



Ontstaan van de Pepakem. 

Toen de Compagnie zich met »de zaaken van Cheribon" begon in te laten, 
vond zij daar een zeer verwarden, onordelijken toestand. De verschillende onder- 
ling onafhankelijke prinsen -- eerst twee, later (sedert 1681) drie, en sedert 1697 
zelfs vier — oefenden elk in zijn gebied een vrijwel despotisch gezag uit ; naijverig 
op elkaar, twistten zij bij iedere voorkomende gelegenheid om den voorrang en 
trachtten tot in allerlei kleinigheden zich de een boven den ander te verheffen, 
waardoor gemeenschappelijk overleg of samenwerking in zaken, het algemeen be- 
lang betreffende, geheel en al was uitgesloten. Niet 't minst in de rechtsbedeeling 
deden zich de nadeelen van zulk een bestuur gevoelen: van een eigenlijk gezegde 
jurisdictie was geen sprake; elk der prinsen placht »uijt eigen hoofden zijn volk 
te richten en ter doodt te verwijsen", geheel naar eigen willekeur dus recht te 
spreken, zonder zich veel te bekommeren om de bestaande (Javaansche) wetboeken of 
de uitspraken der volgens oud gebruik met de rechtspraak belaste mantri's. Daar 
zulk een ongeregelde toestand de voor een profijtelij ken handel onmisbare rechts- 
zekerheid onmogelijk maakte, is het alleszins verklaarbaar dat de Compagnie, zoodra 
zij kare aandacht aan Cheribon ging wijden, reeds dadelijk en bij voortduring er 
naar streefde daar meer geregelde verhoudingen in 't leven te roepen en de willekeur 
der prinsen te beperken, door hen, zoowel wat 't bestuur in 't algemeen als de 
rechtsbedeeling in 't bijzonder betrof, aan zekere voor hen allen gelijkelijk geldende 
vaste regels te binden. 

Dat streven vond uitdrukking in een reeks van contracten, door of onder 
invloed van den vertegenwoordiger der Compagnie met of tusschen de Cheri- 
bonsche vorsten en prinsen gesloten. De residenten (petor's), onder wier invloed 
of leiding die contracten tot stand kwamen, gingen daarbij uit van bei onge- 
twijfeld juiste standpunt, dat de oude (d. i. dus de oud-Javaansche), doch destijds 
door de despotische willekeur der onderling onafhankelijke prinsen verwaarloosde, 
rechtsgebruiken den grondslag voor hunne regeling moesten vormen : zij beoogd. mi 
geenszins ingrijpende hervormingen of Hollandsche rechtsgewoonten in fce voeren. 
doch beperkten zich er toe orde, éénheid en vastheid in het Cheribonsche rechts- 
wezen te brengen, de verschillende prinsen te noodzaken om in rechtszaken zekere 
regelen als voor hen allen bindend te erkennen. Herhaaldelijk wordt dan nok in 



120 

die contracten bepaald, dat volgens de Javaansche wetboeken door de van oudsher 
daartoe aangewezen ambtenaren (mantri's of djaksa's) zal worden rechtgesproken (1). 

Reeds in het contract Tak van 4 Dec. 1685 (2) werd bepaald, dat er tweemaal 
's weeks, Woensdag en Zondag, zal worden rechtgesproken door de zeven mantri's 
(drie van sultan Sepoeh, twee van Ratoe anom en twee van pangeran Tohpati), en 
dat wel op de plaats die van oudsher daarvoor bestemd was, nl. vlak vóór de groote 
moskee; dat hunne uitspraak beslissend zal zijn, doch dat zij, bij gewichtige kwesties, 
eerst elk aan zijn eigen heer (d. i. dus elk zijn sultan ot pangeran) daarvan 
zullen moeten rapport doen; zulke zaken zullen dan door de hoofden (sultan 
Sëpoeh, Ratoe anom en pangeran Tohpati) zelf na gemeenschappelijk overleg beslist 
worden. 

In het contract De Hertog van 8 Sept. 1688 wordt nagenoeg hetzelfde gezegd, 
en bovendien nog uitdrukkelijk bepaald, »dat voortaen niemand (der princen gebroe- 
ders) uijt eigen hoofden zijn volk zal mogen richten, veel min terdoodt verwijzen, 
maer zal zulks in den raedt en volle vergadering-h van de voorgestelde zeeven 
mantrijs der drie Princen gebroeders moete geschieden en dat op de daertoe gestelde 

regtsdagen," terwijl verder artikel 12 luidt: »In welke vergaderinghe 

oock voorts na de Javaensche wetten affgehandelt. vergeleeken en beslegt zullen 
moeten werden alle differenten twisten schulden en wes meer tusschen coopluijden 
en den gemeenen man van dit Vorstendom onder malkander komt voorte vallen, 
idem ook alle brandstigtingen, diefstallen, beroovingen der weegen, en andere misda- 
den meer, welke zaeken bij deesen raad naeukeurigh onderzoght de kwaeddoenders 
zonder wagten, na de Javaense wetten gestrafft, de goede beschut, en hare schade 
vergoed zal moeten worden." 

In het contract van 4 Aug. 1699, verklaren de prinsen te vernieuwen de 
contracten van 1681 en 1(588, en »daarna in alle deelen en articulen. soo wegens 
het gemeen als bijsonder bestier van alle saken en regtsoeffeningen als anders 
daarinne vervat (haar) te zullen gedragen." 

Behelsden de boven besproken contracten niet veel meer dan eeuige alge- 
meene verordeningen tot vaststelling van de voor de rechtspraak bestemde dagen, 
aanwijzing van de rechters en dergelijke, een ander, onvolledig gedagteekend stuk 
of besluit (waarschijnlijk van 1714 of 1715. misschien ook van 1698 of 1699) 
bevat een reeks bepalingen omtrent wat de Hollanders van dien tijd »de manier 
van procedeeren" noemden. Daarin wordt o. a. vastgesteld: de straf voor een klager, 
die op zes achtereenvolgende rechtsdagen niet verschenen is; tot wien der zeven 
djaksa's (de boven manlri genoemde rechters heeten hier djahsa) de onderdanen der 
respectievelijke prinsen zich in geval van aanklacht hebben te wenden: binnen hoe- 
veel tijd na een ontdekte misdaad een klacht moet zijn ingediend (waarbij de termijn 
afhankelijk wordt gesteld van den afstand van de plaats waar 't feit werd gepleegd 

(1) Het volgende is hoofdzakelijk ontleend aan „Benige officieele .stukken met betrekking tot 
Tjërbon", door Dr. Bbandes gepubliceerd in Tijdschr. Bat. (Jen. XXXVII p. 449. 

(2) In 't contract Van Dijk, van J Jan. 1681. wordt over de rechtsbedeeling nog niet gesproken. 



121 

tot de hoofdplaats), terwijl eventueele overtreding van die bepalingen met nauw- 
keurig aangegeven boeten zal worden gestraft. 

Maar nog veel uitgebreider en uitvoeriger is een ander verdrag of besluit. 
dat tot stand kwam tijdens en onder invloed van den bekenden Willem Tkusmittkn. 
die van 1720 tot 1721) in Tjeribon pelor (— resident) was. Het stuk begint met 
de uitdrukkelijke verklaring, dat de thans vastgestelde verordeningen voor goed en 
voor altijd onverauderd in 't rijk van Tjeribon zullen van kracht blijven, en dat 
wel, zooals uitdrukkelijk vermeld wordt, in 't belang van de kleine luiden (dados 
kasalamelan dateng litijang al.il sedaja). Daarop volgt de mededeeling. dat de 
»zeven djaksa's" voor <len toewan petor de belofte aflegden zich bij hun rechtspraak, 
zonder aanzien des persoons, uitsluitend aan hun wetboek(en). (pepakemé), te zullen 
houden. En dan volgen een groot aantal verordeningen en bepalingen van soort- 
gelijken aard als in het zooeven genoemde stuk, maar minutieuzer en uitvoeriger. 
veel meer tot in bijzonderheden allerlei mogelijke gevallen regelend. In hoeverre 
hier, betreffende de rechten en ver] dichtingen van rechters en procedeerenden. be- 
staande gebruiken vastgelegd dan wel nieuwe bepalingen ingevoerd werden, is voor- 
alsnog niet te beslissen; voor het eerste pleit het feit. dat vele der gebezigde tech- 
nische termen, als kë(n)det, toetoer, koekoedoeng, parada{h), sangkoel, djarah, ook in 
andere Javaansche en oud-Javaansche juridische werken worden gevonden. 

't Blijkt uit dit stuk. dat Tersmittex meer dan oppervlakkig, en zeker meer 
dan zijn voorgangers, van het Tjeribonsche rechtswezen moet hebben kennis ge- 
nomen. En zoo kan men zich voorstellen'hoe de overlevering ontstond, die hem noemt 
als den man onder wiens leiding ..het Tjeribonsche wetboek", d. i. de hier afge- 
drukte PëpakSm, werd samengesteld, van welke overlevering de kolophoon achter het 
Javaansche handschrift van dat boek (zie pag. 1 lö) als een reflex is te beschouwen : dat 
deze traditie inderdaad met de feiten in strijd is. heeft Dr. Beandes afdoende aangetoond. 

Hoewel ongetwijfeld Tersmittex's vrij minutieuse regeling van de ..manier van 
procedeeren", d. i. van het procesrecht, de willekeur der groote heeren beperkte 
en den kleinen luiden eenige meerdere rechtszekerheid waarborgde, het moest op 
den duur den vertegenwoordigers van de Compagnie duidelijk worden, dat aan een 
ander onderdeel van het rechtswezen nog te weinig aandacht was geschonken: 
immers de onmisbare basis van een goede rechtspraak, een algemeen aangenomen 
en voor allen geldig wetboek, ontbrak hier nog ten eenenmale. Wel was 'm L688 
overeengekomen, dat door de prinsen volgens de Javaansche wetten zon worden 
rechtgesproken, maar men had zich destijds nog geen rekenschap ervan gegeven, 
wat onder het begrip „Javaansche wetten" eigenlijk te verstaan was. En nu bleek 
het, dat ieder der ('heribonsche prinsen zijn eigen papakëm's, wetboeken of compi- 
laties uit verschillende wetboeken, gebruikte. Welke die wetboeken waren, wordt niei 
vermeld, doch men kan gereedelijk met den Heer Roüffaeb (Bijdr. Kon. Inst. (i. 
X, p. 137) veronderstellen, dat dit de oudere Javaansche wetten als Dj aja Lëngkara, 
Radja Nistjaja, Koentara-Manawa en dergelijke waren. Daar uu die rechtsboeken, 



122 

hoewel dezelfde onderwerpen op eenzelfde Avijze behandelend, in de bepaling der 
straffen of boeten niet weinig uiteenliepen, was ook bij de voorgeschreven recht- 
spraak ,, volgens de Javaansche wetten" de mogelijkheid tot willekeur en twist nog 
geens-zins uitgesloten: ieder der partijen beriep zich op zijn (of zijns vorsten) 
wetboek, evenals dat. volgens Van Bloemen Waanders, niet lang geleden nog op 
Bali zoo dikwijls voorkwam. 

Het was Mr. Pieter Cornelis Hasselaar, resident te ïjeribon van 1757 tot 
1765, die deze leemte in de regeling van het rechtswezen inzag en trachtte aan te 
vullen. Hij deed een voorstel (1) ,,om al hunne pepakkums of wetboeken tot één 
boek te brengen," en zoodra hij er in geslaagd was de betrokken Tjeribonsche 
prinsen voor dit plan gunstig te stemmen, werd nog onder zijn bewind met de 
uitvoering een aanvang gemaakt. Doch aangezien de daartoe vereischte voorberei- 
dende werkzaamheden ,,om de kortheid des tijcis en de omslag van het werk nog 
tot geen volkomenheid (hadden) kunnen gebracht worden', recommandeerde hij het 
in zijne memorie van overgave in de aandacht van zijn opvolger, Robbert Hendrik 
Armenallt, onder wiens bestuur dan ook inderdaad de P ë p a k ë m T j ë r b o n 
officieel als het nieuwe Cheribon sche wetboek werd erkend en in gebruik gesteld. 
Dit geschiedde bij resolutie van den 18 d0 " April 1768, die hieronder wordt afgedrukt 
zooals zij gevonden wordt vóór in het thans gepubliceerde handschrift van de Holland- 
sche Papakkum. 

EXT RACT RESOLUTIE, 
genomen door de Sulthans en den Resident tot Cheribon, 

op Macudiig den 18 h " April 4768. 

Door den Resident in Vergaedering gebracht zijnde het Nieuwe Cheribonse 
Wetboek (Papakkum), dat na voorstel van den Weledelen Clestr. Heer Mr. Pieter 
Cornelis Hasselaar, bevoorens Resident alhier, vernield bij Resolutiën deser Taeffel 
de dato 17 December 1764 en 4 Februari 1765, en door de Hooge Regeering 
goedgekeurd, bij hoogst derzelver g'eerd schrijven de dato 18 April daeraen, g'ex- 
traheerd en te saemengesteld is, door de vier Tommongongs Karta di Ridja, Anga 
di Ridja, Raksa di Ningrat en Satja di Poera, item de seven Jaksas der gezament- 
lijke Sulthans. nit diverse oude Papakkums. met naeme Radja Nistjaja, Oendang- 
Oendang Mattaram, Djaja Lankara, Kontara Manawa en Adilloela; 

Ten einde door Haer Hoogheedens de Sulthans Pespoe, Anom, Cheribon en 
Panembahan goedgekeurd, en ten bewijze van dien, met derzelver gewoone cachetten 
gezeegeld te werden ; 

Hebbende Haer Hoogheedens dezelve ten dien eynde ter Lectuure aen haere 
huijsen gehad, en aen de eerst ondergeteekende terug gezonden ; 

En door den Resident Haer Hoogheedens gevraegd zijnde off Hoog deselve 
na dictame van opgem' 1 voorstel deze Papakkum off Wetboek nu voortaen alleen 

(1) De Jonge. De opkomst van liet Nederlandsen gezag in Oost-Indië. deel XI p. 41. geciteerd 
door Dr. Brandes in Not. Bat. Gen., deel XXXII. 1S94. p. 40. 



1 23 

zullen gebruijken en door haere Jaksas laeteu gebruijken om in 't vervolg na dies 
inhoude. een ieder haerer onderdaenen regt te doen. niet weg- off verwerping der 
voorige en oude aparte Papakkums voor ieder Sulthun in 't bijzonder, ten minsten 
dat op deese Laetsgem 1 ' 1 ' geen reflectie meerder zal geslagen werden; 

Zoo declareerden de gezamentlijke Heeren Prineen ieder afzonderlijk, zig niet 
dies inhoud te conformeeren en dus volkomen te approbeeren, willende en begee- 
rende dat van nu aff aan. voorsz. Nieuwe Cheribonse Pappakkum zal gehouden 
werden tot een vaste regel en rigtsnoer om in 't vervolg daerna regt te doen: 

Reserveerende nogtans Haer Hoogheedens het regt dat bij aldien er na 
deezeu mogte bevonden en g'oordeeld werden, iets bij die Papakkums bekent 
gesteld te zijn, omtrent wetten off straffen die nadeelig voor hun Kijk, off te streng voor 
de misdaedigers, g'agt werden, hetzelve zal mogen werden g'altereerd off verbeeterd : 

Wijders door den Resident meede ter goedkeuring gepresenteerd zijnde, de 
Manier van Procedeeren te Cheribon, tot narigt van de 7 Jaksas der gesaement- 
lijke Sulthans, almeede door Bovengenoemde Tommongongs en Jaksas ingesteld, en 
die Haar Hooghedens ook ter resumptie hebben gehad : 

Zoo hebben Haar Hooghedens deselve insgelijks g'approbeert en staende 
vergaedering hare Jaksas g' ordonneert om haar daerna te reguleeren en stiptelijk 
op te volgen ; 

Vervolgens is voornoemde Papakkum off wetboek, en de Manier van Proce- 
deeren, door de gezaenientlijke vorsten verzeegeld met haere gewoonelijke zeeguls: 

Van welke beide origineele Papieren, die onder den Resident tot narigt zullen 
blijven berusten, aen ieder Prins een afschrift in 't Javaens, staende vergaedering is ter 
hand gesteld, die allen ook met de Cachetten van Haer Hooghedens zijn bekragtigd ; 

Zullende daerbij gevoegd werden Copia dezer resolutie in 't Hollands en 
Javaans geschreeven, ten blijke dat dit nuttig werk een gewenscht eijnde gekreegen 
beeft, waervan door den Resident zal kennis gegeeven werden aan Haer Houn- 
Edelheedens te Batavia 1). 

't Is dit wetboek dat thans, voorafgegaan door de mede in de resolutie 
genoemde »manier van procedeeren tot Cheribon". voor 't eerst m zijn geheel, 
zoowel in Javaanscheii tekst als in Hollandsche vertaling, in druk is uitgegeven. 



Bronnen. 



De Pépakëm Tjerbon is. volgens de geciteerde resolutie. »door de vier 
toemenggoengs en de zeven djaksa's, g'extraheerd en te saemengesteld uit diverse 



'Ob" v "B' 



(I) Volledigheidshalve zij liier nog aangehaald dat Akmknai i/i [n 1771. in zijne memorie van 

overdragt zeide: „De uijttreksels der vorige oude papakkums zijn verzameld en tol één wel >k gebrachl 

mitsgaders door Haar Hoogheedens met derzelver cachetten bekragtigd." Zie De Jongb XI p. 188 



124 

oude Papakkums, met naeme Radja Nistjaja. Oendang-oendang Mattaram, Djaja 
Lankara, Koentara Manawa en Adilloela". Daar in het boek zelf van elke reeks 
artikelen getrouw de bron wordt aangegeven, is het gemakkelijk, zich een over- 
zicht te vormen van de verhouding, waarin die verschillende wetboeken, en ook 
nog eenige andere, respectievelijk tot de Pëpakëm hebben bijgedragen. Men vindt 
dan, dat ontleend zijn : 

aan de Radja Nis tja ja: p. 20—22. 26—28, 29—30. 32—33, 37—38, 

38—39, 41, 42, 47—40, 51—53. 54—57, 62—63. 
68 en 71; 
aan de Djaja Lëngkara: p. 28—29. 31-32, 33—34, 34—36 (gedeeltelijk), 

36—37, 38, 39—40, 42, 43—44, 53—54, 59—62. 
63—68, 69. 70 en 71—85: 
aan de Kontara Mana w a : p. 47 en 85 — 1 1 4 ; 
aan de Oendang-Oe n (lang Matara m : p. 22—24. 30—31, 37, 49—51, 

57—59 en 69: 
aan de Adilloelah: p. 24 en 34 — 36 (gedeeltelijk) : 
aan de Salokantara: p. 26 : 
aan de J o e g o e 1 Moetla: p. 44 — 45 ; 
aan de A n g a a k a r t a b a s a : p. 45 — 47 : 
aan de R a d j a n i t i : p. 47. 

Verreweg 't grootste aandeel in de compilatie had dus de Djajaléngkara. 
nl. ongeveer 38 "/„ ; daarop volgen de Kontara Manawa met 30 °/o, de Radja Nis- 
tjaja met 15 % en de Oendang-oendang Mataram met 8 %• terwijl de overige dei- 
genoemde werken slechts onbeduidende bijdragen leverden. (1) 

Van de genoemde wetboeken weet men tot nu toe weinig meer dan juist de 
Pépakëni Tjërbon ons te zien geeft. Wel worden er in de handschriftenverzame- 
lingen te Leiden en te Batavia wetboeken aangetroffen, die dezelfde namen dragen 
als sommige der hier genoemde, maar 't bleek reeds dat daarmede niet altijd 
volkomen overeenkomst van inhoud en vorm gepaard gaat: er schijnen onderling 
sterk verschillende redacties of eigenlijk teksten te bestaan of bestaan te hebben, 
die toch onder één en denzelfden naam bekend zijn: in 't bijzonder dient opgemerkt, 
dat sommige titels nu eens een zedekundig. dan weer een rechtskundig geschrift 
aanduiden. Dit laatste is ongetwijfeld hieruit te verklaren, dat op Java de zede- 
kundige, de didactische literatuur eenerzijds en de rechtsliteratuur anderzijds in 
hunne ontwikkeling op elkaar ingewerkt en wederkeerig aan elkaar ontleend 
hebben (zie beneden p. 126). 

De oudere nieuw-Javaansche wetboeken zijn ons nog slechts gedeeltelijk 
bekend : uitgegeven, en dat wel alleen in Hollandsche vertaling, werden twee zeer 



ili Anders wordt evenwel die verhouding, wanneer men alleen rekening houdt met de eigenlijke 
compilatie (p. 19 tot p. 71): daartoe heeft de Djaja-Lëngkara voor 45 %, de Radja Xistjaja voor 20 % en de 
Oeudang-oepdang Mataram voor 16 % bijgedragen. 



125 

verschillende vedactie's van de Soerja alam, n.1. een door Raffles (History of Java, 

Appendix C), een andere door den Heer Van der Hout (in Bijdr. Kon. lust, 2, VI): 
hierover zie men de belangrijke opmerkingen van Dr. Brandes in Not. Bat. Gen. 
1804 p. 51. Overigens is. daargelaten enkele losse aanteekeningen. voornamelijk 
van Dr. Brandes. hier en daar verspreid, onze eenige bron van informatie de 
Catalogus der Javaansche en Madoereesche handschriften enz. van Prof. Veeede, p. 
832 sqq. Den belangstellenden lezer voor bijzonderheden daarheen verwijzende, wil 
ik hier slechts op eenige eigenaardigheden de aandacht vestigen, die ook met 't 
oog o]) onze Pépakëm van belang zijn. 

In 't algemeen gesproken, vertoonen de bedoelde rechtsboeken. ze mogen dan 
Soerja alam, Djaja Lengkara, Radjaniti of nog anders betiteld zijn, wat hun inhoud 
betreft, groote overeenkomst; ze blijken alle compilaties, of compilaties van com- 
pilaties, van dezelfde of nauw-verwante oudere rechtsboeken. 't Verschil ligt meer 
in de kwantiteit, of ook in den vorm. Dit valt vooral dan op. wanneer men een 
of meer dier wei-ken vergelijkt bv. met het door Dr. JoNKEB uitgegeven oud- 
Javaansche wetboek; tal van artikelen, daar aangetroffen, vindt men hier terug, soms 
nagenoeg volkomen gelijkluidend, soms blijkbaar naar de eischen der praktijk gewijzigd. 

't Grootste deel van den inhoud dezer wetboeken wordt ingenomen door de 
verklaring van zekere oude rechtsternien. onder bepaalde hoofden vereenigd. Die 
oude technische termen zijn gedeeltelijk oorspronkelijk aan de Sanskrt-wetboeken 
ontleend, gedeeltelijk ook op Java zelf gefabriceerd (evenals zoovele eigennamen en 
staande uitdrukkingen in de nieuw-Javaan sche lakons en serat-kanda's voorkomend ), 
waaruit volgt dat pogingen om ze direct etymologisch te verklaren, meestal schip- 
breuk zullen lijden. 

Naast die technische rechtsternien vindt men ook andere, doch van deze 
soms moeilijk te onderscheiden, vaste, staande uitdrukkingen, die sloka genoemd, 
en dikwijls gebezigd worden ter kenschetsing van zekere misdrijven of vergrijpen, 
of ook van den toestand waarin iemand door eigen of anderer misdaad komt te 
verkeeren. Deze uitdrukkingen-- de naam geeft het reeds aan- zijn in oorsprong 
niet anders dan sterk verbasterde en bedorven fragmenten van doka's (verzen) uit 
de Indische wetboeken, die immers in het doka-metrum waren opgesteld. Hor 
die Sanskrt-cloka's op Java konden blijven voortleven, is zeer begrijpelijk indien 
men bedenkt, dat de alleroudste Javaansche wetboeken niet anders waren dan zulke 
Sanskrt-vloka's met oud-Javaansche paraphrase. Intusscheu, in later tijd schijnen 
ook zuiver-Javaansche verzen — niet alleen aan wetboeken doch ook aan zedekundige 
en didactische geschriften ontleend --op eenzelfde wijze en met dezelfde bedoeling 
als de eigenlijke [Sanski't] cloka's gebezigd, en daarom ook cloka's genoemd te zijn (1). 

Vele dier wetboeken bevatten een aantal casusposities, verhaaltjes of fabels 



(l) De nieuw-Javaansehe beteekenis van doka behoeft na bet bovengezegde geen toelichting, De 
meeste sloka's in Winter's Samenspraken II voorkomend, zijn naar zijn eigen opgave ontleen.! aan dfl 
Soerja ngalara, de Salokantava en de Djoegoel-Moeda <;zie aldaar p. 143J 



ter illustratie of verduidelijking van bepaalde rechtsregels of -termen. Sommige dier 
verhaaltjes zijn ongetwijfeld »pour Ie besoin de la cause" expresselijk gemaakt (wat 
dikwijls blijkt uit de eigennamen), andere zijn ontleend aan bekende fabelboeken, waar- 
onder vooral de Tantri-literatuur een voorname plaats schijnt te bekleeden, of ook 
aan andere zedekundige geschriften (1). 

Eindelijk zij nog opgemerkt, dat sommige wetboeken den vorm van een 
historisch verhaal vertoonen : een vorst uit Java's oude geschiedenis wordt voor- 
gesteld met zijn voornaamste ambtenaren te beraadslagen over verschillende mis- 
drijven of kwesties, door zijne onderdanen voorgebracht. Elk dier raadslieden 
geeft zijn advies in den vorm van een sloha en ten slotte wordt of door den 
vorst zelf of door zijn patih een beslissing genomen. Dikwijls zijn de te beslech- 
ten kwesties dezelfde of soortgelijke casuspositie's als boven genoemd werden. 
't Merkwaardigste van de in dezen vorm opgestelde rechtsboeken is, dat die raads- 
lieden van den vorst in den regel namen dragen, welke ook bekend zijn als titels 
van boeken, en wel van wetboeken of zedekuntige geschriften (2). 

Wat nu de verhouding van de nieuw-Javaansche wetboeken tot de oud- 
Javaansche rechtsliteratuur betreft, die moet, mutatis mutandis, ongeveer een soort- 



(1) Bij de Hindoes werden dierfabels gebezigd om prinsen levens- en staatmanswijsheid te leeren ; 
men denke slechts aan de bekende fabelboeken Palcatantra en Bitopadeca. Dit laatste werk. eigenlijk „de 
nuttige onderwijzing" gelieeten. wordt ook wel Rajaniti, d. i. „vorstenbeleid" genoemd. Een groot aantal 
der fabelen van beide genoemde Indische fabelboeken vindt men terug in de Balineesche Tantri. waar- 
van Dr. Juynroli. kort geleden een overzicht gaf in de Encyclopaedie van Ned.-Indië s. v. Van die 
Tantri nu bestaan verschillende redacties : eene daarvan heet Tantri-Kamandaka. De laatste titel 
houdt ongetwijfeld verband met 't Sauskrt Kamandaki. den naam van den bekenden Indischen politicus, 
leerling van Canakya. aan vvien o. a. het Nitisara genoemde werk over politiek wordt toegeschreven, 
waarvan het oud-Jav. Nïticastra, op Bali ook Kamandaki-niti gelieeten (zie Fkiederich's verslag p. 2.'b 
een min of meer vrije bewerking of althans een reflex is. Bovendien is op Bali ook nog een toetoer 
Kamandaka bekend, die ook Radjaniti heet, èn ook een Kamandaka genaamd geschrift, bevattende eenige 
fabelen, waarin dieren als rechters en litiganten optreden, en dat meestal achter exemplaren van de 
Dharmawitjara. d. i. het wetboek Dewadauda. gevonden wordt (zie .van dek Tutje, Kawi-Bal. "Wdbk. sv. 
tantri. Jcdmandaka, ,iiti en ijihialjn, en Brandes. Catalogus der 1ISS. van dek Tuuk. Dip. 44). Reeds uit deze 
losse opmerkingen blijkt afdoende, dat in den ouden tijd op Java — gedeeltelijk in navolging van Indische 
voorbeelden — de .spreukenliteratuur (handelende over levens- en staatsmanswijsheid of wil men. moraal), 
de fabelliteratuur en de rechtsliteratuur wederkeerig op elkaar ingewerkt en aan elkaar ontleend hebben. 
In verband hiermede verdient het ook de aandacht, dat. volgens de Djayalëngkara, onder de personen 
aan : t hof van Djayalëngkara ook Titiswara (= Nitiswara == Nitisara) en Nitisastra voorkomen (Brandes, 
T. B. G. XXXII p. 426). En eindelijk kan men in het kort geleden verschenen eerste deel van de „Rap- 
porten van de Commissie in Ned.-Indië voor oudheidkundig onderzoek op Java en Madoera" p. 14 lezen, 
hoe ook de tableaux op de oude tempels getuigen van het hooge aanzien, dat do fabels bij de Hindoe- 
Javanen genoten, daar ze in dienst gesteld waren Aan moraal en recht. 

(2) Zie Dr. Brandes in Tijdschr. Bat. Gen. XXXII p. 426-430 en de daar geciteerde literatuur. 
Ook de namen der bedoelde vorsten zijn merkwaardig. Zoo is het bv. zeker geen toeval dat in het boek 
Djoegoel-Moeda. de vorst Sri Ma(ha)pocnggoeng en zijn patih Djoegoel-Moeda heet. Immers tot op- 
zekere hoogte is p o e n g g o e n g = d j o e g o e 1 = ro o e d a. Men vergelijke wat de Adji Saka (proza) op p. 
29 33 van Djoegoel-Moeda vertelt en herinnere zich de Djaka Bodo-verhalen. Ook Kaudiawan, inde Dj. 
M. opvolger van Mahapoenggoeng, is een zeer bijzondere figuur in de Javaansche literatuur (zie Brandes 
in Tijdschr. Bat Gen. XXXII p. 375 noot 2 en p. 429-430). M'dang of Midangkaniolan. de rijkszetel van 
Djajaléngkara, is feitelijk = Poerwatjarita, de residentie van Sri Mahapoenggoeng. Men ziet. ook hier 
blijft nog veel op te helderen. Intnsschen voortzetting- van de bestudeering der Jav. literatuur in 't alge- 
meen, volgens de door Dr. Brandes met zoo verrassende resultaten toegepaste methode, zal zeker op 
den duur het inzicht verruimen. 



127 

gelijke zijn als die van de sërat-kanda's en de lakon-verzamelingen tot de oud- 
•lavaansche gedichten, waaraan deze in laatste instantie hun stof ontleenden. Dezelfde 
invloeden, die daar reeds voor een deel werden nagespeurd, en aangewezen als 
oorzaken van de latere verwording en verwarring, moeten ook hier. in de rechtsliteratuur, 
werkzaam geweest zijn. Maar een ruim opgezette, minutieuse en — vooral omdat 
liet materiaal nog slechts in handschriften voorhanden is — zeer laneduriffe studie 
zou noodig zijn om het hierin algemeene termen terloops opgemerkte, in bijzonder- 
heden te bewijzen en niet voorbeelden toe te lichten. 

Kortom, de Javaansche rechtsliteratuur is een nog bijna o-eheel braakliggend 
studieveld, waarvan de ontginning nog nauwelijks is aangevangen, 't Is dan ook niet 
mogelijk, thans reeds iets naders te zeggen over de onderlinge verhouding van de 
wetboeken, die als bronnen van de IVpakem genoemd worden: zelfs de enkele 
losse opmerkingen van Dr. Brandes daaromtrent (in Tijdschr. Bat. Gen. XXXII 
p. 139 noot 2) zullen waarschijnlijk hier en daar aanvulling of verbetering behoeven. 
Overigens verwijs ik naar de op p. 130 afgedrukte literatuuropgave, waar ik getracht 
heb bijeen re brengen, wat er tot op heden belangrijks met betrekking tot de 
oudere Javaansche rechtsliteratuur verschenen is. 



Waardeering. 

Voor een juiste waardeering van de Pëpakein Tjërbon dient men vooral 
te letten op den tijd waarin en de omstandigheden waaronder dit bijzondere wetboek- 
tot stand kwam. 

Naar men weet zijn de meeste nieuw-Javaansche literatuurproducten niet 
ouder dan de tweede helft der 18 de eeuw, het tijdstip van de bekende herleving 
der Javaansche letteren (1): uit het daaraan voorafgaande tijdperk is ons bijna 
niets bewaard gebleven. Daar nu de Pëpakém in 1768 is gereed gekomen, mag 
men veilig aannemen dat de wetboeken, waaruit zij werd gecompileerd, minstens 
uit de eerste helft der 18 lle eeuw, waarschijnlijk zelfs van nog vroeger, dateeren, 
zoodat men hier fragmenten aantreft uit een literatuur, ouder dan die welke op 
Midden-Java wordt gevonden. 

De Pépakëm Tjërbon heeft voor ons eenige brokstukken literatuur gen-d 
uit de overigens algeheele verwoesting van dien woeligen tijd (van na Madjapait 
tot Soerakarta), waarin zooveel kostbaars, ook op 't gebied der letteren, verloren 
ging. Die fragmenten vergunnen ons een zeldzaam kijkje op den vorm. die de 
traditie had aangenomen in een stadium harer ontwikkeling, waarvan overigens 
nagenoeg niets bekend is (2). 't Kan dan ook niet verwonderen dat. zooals 
Dr. Bhandes (in Not. Bat, Gen. XXXII, 1894. p. 4!») opmerkte, de Pépakëm 
»in 't oogloopend ouderwetscb is en zich kenmerkt door een zeker.' gaafheid in 

(1) Zie Dr. Brandes, Pararaten ]>. IT'.i sqq. en in Tijdschr. Hat. Gen. XXXI] p. 37!». 
■2i 't Kan zijn, dat de te Londen bewaarde juridische werken eveneens tot zulk een vroegere 
periode behoorea. Zie Bijdr. Kon. Inst. II (1854) p, 331 sqq. no. 12277, 12303.12321,12323, 12332,12336 enz. 



128 

de oiiderdeelen", welke zeker vooral is toe te schrijven aan de omstandigheid, »dat 
de bronnen destijds nog in goeden staat verkeerden, de oude traditie vrij zuiver 
weergaven." 

Is dus de periode, waarin de Pépakëm tot stand kwam. voor hare waar- 
deering van groot gewicht, dat wordt nog verhoogd door de omstandigheden, die 
haar in 't leven riepen. De bedoeling waarmede dit wetboek — eigenlijk, naai- 
de beteekenis van pppakëm. | rechtskundig | handboek — werd opgesteld, was een 
zuiver practische. De vertegenwoordigers der Compagnie lieten zich bij hunne 
daden allerminst leiden door wetenschappelijke belangstelling of overwegingen van 
speculatieven aard, hun streven was alleen een einde te maken aan de twisten 
tusschen de verschillende Tjeribonsche potentaten, waartoe ook de rechtspraak 
dikwijls aanleiding gaf. Met dat doel liet resident Hasselaar een handboek voor 
de rechtspraak samenstellen, waaraan nu voortaan die vorst j es en prinsen gelijkelijk 
gebonden zouden zijn. 

Deze omstandigheid is voor ons een waarborg, dat de toemënggoengs en 
djaksa's, die uit de vele voorhanden wetboeken fragmenten moesten compileeren. 
bij voorkeur zulke gedeelten zullen gekozen hebben, die. althans naar hunne meening. 
voor de rechtspraak van hun tijd nog van actueel belang waren. En aangezien, 
vooral ook op historische gronden, een zeer nauwe samenhang en overeenkomst 
mag worden verondersteld tusschen het rechtswezen van Tjerbon in die dagen en 
de rechtsgebruiken welke in de rijken van Midden-Java (Mataram en Kartasoera) in 
zwang geweest zijn. kan de Tjeribonsche Pëpakem ook goede diensten bewijzen bij de be- 
studeering van Midden-.Tavaansche, zelfs van de latere Solosche en Jogjasche, wetboeken. 

Hier dient evenwel tegen overschatting en te haastige conclusies gewaar- 
schuwd. Men bedenke, dat de Javaansche wetboeken, waaruit ook de Tjeribonsche 
Pépakém is samengesteld, op hunne beurt uittreksels en compilaties zijn van Sanskrt- 
wetboeken, hier ingevoerd door vreemde overheerschers. En hoezeer nu ook in een 
bepaald tijdperk de Javaansche maatschappij gehindoeïseerd moge geweest zijn, naast 
het van oorsprong Hindoesche geschreven recht moet een ongeschreven Javaansch 
gewoonterecht geleefd hebben. Ongetwijfeld heeft die ongeschreven adat de latere 
Javaansche wetboeken beïnvloed en gedeeltelijk daarin uitdrukking gevonden, maar 
desniettegenstaande blijft het de vraag, in hoeverre de geschreven Hindoe-J avaansche 
wetten de rechtspraak op Java beheerschten. en in hoeverre daarnaast de onge- 
schreven adat van kracht bleef (1). Die vraag zou voor elke periode en voor elk 
rijk afzonderlijk, alleen met behulp van historische documenten zijn op te lossen, 
doch een onderzoek naar zulke bronnen voor Tjeribon is mij niet mogelijk. Ik kan 
slechts herinneren, dat op Bali nog in 't laatst der vorige eeuw de rechtspraak in 
hoofdzaken overeenstemde met de in de Pepakëin gegeven regels, doch meen ook 
daaruit geen beslissende gevolgtrekkingen te mogen maken. 



(1) Men loze wat Dr, Smouck Hurgronje opmerkt over ongeschreven en geschreven wetten 
in De Atjèhers I p. sqq. 



129 

Zal men dus. zoolang de gewensèhte historische gegevens aog niet gevonden 
of gepubliceerd zijn, eenige reserve moeten in acht nemen bij de waardeering van 
de l'ëpakëm Tjerbon als kenbron van de actueele Tjeribonsche rechtspraak in dr 
18 dp eeuw. in vele andere opzichten blijft dit boek voor ons beslist van zeer bijzon- 
dere waarde. (Jeheel en al afgescheiden van de zooeven aangeroerde vraag, zien \\ e 
in de l'ëpakëm Tjerbon een uniek monument uit een overigens aan gedenkstukken 
zeldzaam arm verleden, een schatkamer van gegevens, belangwekkend zoowel voor 
historicus en literator, als voor jurist en ethnograaf. En 't mag voorzeker tot de 
eigenaardige spelingen van het grillige lot gerekend worden, dat juist een dienaar 
van de voor wetenschappelijk onderzoek weinig ontvankelijke Compagnie het was. 
die door zijn initiatief deze compilatie in het leven riep en daardoor onbewust een 
zóó bijzonder hoek voor ons redde. 



Inhoud. 

Om 't overzicht te vergemakkelijken, kan men de Pëpakëmals volg! 

indeelen. 

Vooraf gaat de «Manier van Procedeeren tot C h e- 
r i b o n, t o t n a r i g t van de zeven -I a k s a ' s der ge z a- 
in e n 1 1 ij k e S u 1 1 h a n s." waarin een geregeld overzicht wordt gegeven 
van den gang van een proces, als handleiding voor de djaksa's . . . p. 1 — L8. 

De eigenlijke Pëpakëm Tjerbon bestaat uit twee naar vorm 
en samenstelling ongelijksoortige gedeelten. 

Het eerste gedeelte, loopend van p. 19 tot p. 71. is een 
compilatie van uit een aantal andere wetboeken ontleende fragmen- 
ten — paragrafen of artikelen zouden wij ze kunnen noemen — , gerang- 
schikt in een bepaalde volgorde, en wel zóó dat, ook zonder dat dit 
opzettelijk wordt aangegeven, gemakkelijk eenige hoofdstukken kunnen 
worden onderscheiden, gevormd door groepen van | aan verschillende 
wetboeken ontleende | over hetzeltde onderwerp handelende artikelen. 
't Blijkt dan dat dit eerste gedeelte vijl hoofdstukken bevat, waarvan : 
Hoofdstuk 1 handelt over Formaliteiten bij de procedure 

in acht te nemen p. 19 31; 

Hoofdstuk 11 over het B e w ij s p. 31— 38; 

Hoofdstuk III over de Getuigen p. 38— 42; 

Hoofdstuk IV over de Rechtspleging, de Rechtbanken en de 

Rechters V- t;i 54 i 

en Hoofdstuk V over Misdaden en Straffen p. 54- -1. 

Het tweede gedeelte, loopend van p. 71 tot p. 114. is op 
een geheel andere wijze samengesteld. Het laat zich verdeden in 
twee hoofdstukken. 

Verh. Bat. Gen. 



130 

Hoofdstuk I (p. 71 — 85) is eeu excerpt uit (een redactie vau) het 
wetboek Dj aj a-Lën gk ar a, eu bevat twintig uit- 
beeldingen van processen (Icoedja ning titiyang 
apaben, zegt de Javaansche tekst), verhaaltjes of fabels ter 
illustratie van bepaalde rechtsregels of rechtstermen (doka's 
als boven p. 124 bedoeld) p. 71 — -85: 

Hoofdstuk II (p. 85 — 114) is een excerpt uit (een redactie van) het 
wetboek K o n t a r a-M a n a w a. Men vindt hier een bonte 
reeks van strafbepalingen tegen de meest verschillende 
misdrijven en vergrijpen, nu en dan afgewisseld door een 
verhaaltje of een fabel ter illustratie, op een zelfde wijze 
als in de ons bekende oudere Javaansche wetboeken geregeld 
wordt aangetroffen. Hoewel hier en daar een streven merk- 
baar is om gelijksoortige zaken bijeen te plaatsen, is toch 
van een consequent doorgevoerd systeem, van een syste- 
matisch rangschikken van de heterogene stof. geen sprake, p. 85—114; 



Literatuur. 



Volgt een lijst van de boeken en artikelen, die bij de bestudeering van de 
oudere Javaansche rechtsliteratuur zijn te raadplegen. 

Th. S. Raffles. The History of Java, London 1817. deel I p. 277 sqq. 
en 391 sqq. ; deel II Appendix C (Translation of a modern version of the Suria Alem). 

Dr. J. J. de Hollander. Handleiding bij de beoefening der Javaansche 
Taal- en Letterkunde, Breda, 1848. p. 243—248. 

Cheribonsch Wetboek (Papakkum). medegedeeld uit de archieven 
der algenieene secretarie, in Het Regt in Nederlandsch Indië. 2 de jaargang, deel III 
(1850), p. 71—99, 143—174 en 217—234. 

P. L. van Bloemen Waauders. Aanteekeningen omtrent de zeden en 
gebruiken der Balineezen, inzonderheid die van Boeleleng, hoofdstuk XXIX. Regts- 
pleging. Tijdschr. Bat. Gen. VIII 1859, p. 201—220. 

Mr. van der Hout. Soerjo Alam (Hollandsche vertaling van de - -). 
Bijdr. Kon. Inst., Nieuwe volgr. VI. 18(33 p. 1. 

K. F. H o 1 1 e. Bijdragen tot de Geschiedenis der Preanger-Regentschappen. 
Tijdschr. Bat. Gen. XVII. 1869. p. 349. 

A. H. G. Blokzeijl. Hollandsche Vertaling van het Ixawi-wetboek 
Dewadanda. Tijdschr. Bat. Gen. XVIII. 1868—1872, p. 295—309. 

T. R oor da. Kitab Toehpah. tweede verbeterde uitgaaf door — . Leiden. 
Brill 1874. het voorbericht, 

D r. H. N. v a n de r T u u k. Brieven betreffende het Lampongsch. Tijdschr. 
Bat. Gen. XIX, 1870. p. 373. sqq. 



L31 

.J. C. Gr. Jonker. Over Javaansch Strafrecht. Amsterdam 1882. 

Gr. A. Wil keu. Het Strafrecht hij de volken van het Maleische Ras, in 
den Feestbundel der Bijdr. Kou. Inst. 1883, p. 85. 

•I. C. Gr. Jonker. Een oud-.Tavaansch Wetboek vergeleken met Indische 
Rechtsbronnen, Leiden 1885. 

Dr. -I. Brandes. Een Jayapattra of acte van eene rechterlijke uitspraak 
van Qaka849. Tijdschr. Bat. Gen. XXXII. 1889. Vooral p. 102— 104 en p. 139— 142. 

Dr. J. Brandes. Opmerkingen in Tijdschr. Bat. Gen. XXXII p. 426— 430. 

Dr. A. C. Vree de. Catalogus van de Javaansche en Madoereesche Hand- 
schriften der Leidsche Universiteits-Bibliotheek, Leiden 1892, p. 332 — 300. 

Dr. .1. Brandes. Nota over de Pëpakëm Tjërbon, in Not. Bat. Gen. 
XXXII, 1894 p. 47—56 en 66—07. 

D r. J. B r a n d e s. Eenige officieele stukken met betrekking tot Tjërbon. 
Tijdschr. Bat. Gen. XXXVII, 1894, p. 449. 

G. P. Rouffaer. Noten 56, 57 en 58 bij de „Beknopte Beschrijving van 
het Hof Soerakarta in 1824 door .1. W. Winter"'. Bijdr. Kon. Inst. 6 X, 1902 
p. 109— 101. 

Dr. J. Brandes. Beschrijving der Javaansche, Balineesche en Sasaksche 
Handschriften, aangetroffen in de nalatenschap van Dr. H. N. van der Tuuk, Batavia, 
Landsdrukkerij, Ie stuk 1901, 2e stuk 1903. Zie onder Adigama. Kutaramanawa 
en Kamandaka. 

Voor de technische termen en de ' slóka's raadplege men, naast het Javaansche 
Woordenboek, vooral ook het Kawi — Balineesche Woordenboek van Dr. Van dbb Tui k 
en Winter's Samenspraken, deel II, p. 143 sqq. 

Van de Hindoewetboeken noem ik hier slechts als 't meest belangrijk: 

Mauav a D li a r m a - S 'a s t r a, the Code of Manu. origïnal Sanskrittext, cri- 
tically edited by J. Jolly. London, Trübner 1887. 

G. Bühler, Tlie Laws of Manu, translated with extracts from seven com- 
mentaries, by —. Oxford 1886 (The saered books ot the East, vol. XXV). 



De Manier van Procedeeren tot Cheribon, tot 
narigt van de seven Jaksa's der ge- 
zamenlijke Sulthans. 



Deze handleidiug voor de djaksa's is, vooral in de Hollandsehe redactie, 
zeer duidelijk gesteld en legt een allergunstigst getuigenis at van de bekwaamheid 
en het inzicht van haar ontwerper. Ons geeft zij niet alleen een heldere voorstelling 
van den loop van een Tjeribonsch proces in den tijd waarin de Pepak'm tot stand 
kwam, maar tevens ongetwijfeld een, althans in de hoofdlijnen, getrouw beeld van 
de wijze van procedure, die in den ouden tijd op Java algemeen gebruikelijk was. 
Immers — het werd boven reeds gezegd — de bemoeienis van 's ( 'ompagnie's ver- 
tegenwoordigers met het Tjeribonsche rechtswezen beperkte zich van den beginne 
af aan tot het regelen van bestaande toestanden, tot vastleggen en algemeen bindend 
verklaren van bestaande gebruiken, en de manier van procedeeren zelf bevat ver- 
scheidene aanwijzingen, dat ook daarin geen of weinig nieuws werd opgenomen, 
doch eenvoudig het oude werd geschift en geordend. De meeste bepalingen van 
deze handleiding zijn gebaseerd op artikelen van de oudere Javaansche wetboeken 
die in de Pëpakëm zijn verwerkt, wat blijkt uit de verwijzingen. Verder lette men 
er op, dat een aantal, en zelfs de belangrijkste der hier opgenomen bepalingen, 
reeds gevonden worden in cle boven (p. 120 sqq.) besproken oudere tractaten, tusschen 
1685 en 1722 onder invloed der Compagnie tot stand gekomen (men leze vooral 
Tijdschr. Bat. Gen. XXXVII p. 409. 464—40(5 en 450—457) (1). 

Maar het meest afdoende bewijs voor de meening. dat de ons hier beschreven 
wijze van procedeeren in het algemeen de (oude) Javaansche is, wordt geleverd door 
het feit van de merkwaardige overeenkomst, geconstateerd tusschen onze Cheribonsche 
»manier van procedeeren" en den gang van een Balisch proces, zooals de heer Van 
Bloemen Waaxoeks dien schilderde in zijn »Aanteekeningen omtrent de zeden en 
gebruiken der Balmeezen" in Tijdschr. Bat. Gen. VIII (1859) p. 201—208. Het 
was Dr. Brandes (2) die daarop cle aandacht vestigde, en ik meen den lezer een 
dienst te bewijzen door diens — door Rotjepaeb terecht suggestief genoemde — op- 
merkingen hier nagenoeg woordelijk over te nemen. 



ai Vergelijk ook do fragmenten uit do Radja-Nïstjaja op p. 51— 52 en do Jaja-Lankara op p. 53-54. 

(2) Zje Tijdschr. Bat. (Jon. XXXIL p. 140-142. 



133 

»Uit deze beicle stukken (nl. de Pèpakëm Tjërbon en het artikel van 
Van Bloemen Waanders) blijkt dat. terwijl men menige zaak door tusschenkomst 
van hoofden in der minne schikken kon, de behandeling van een proces, als het 
werkelijk aanhangig was gemaakt, een vasten loop had. In den loop van het proces 
moesten er verschillende acten worden gemaakt, en wel : 

Bali : ( 'heribon : 

i ^ x i x i.*i. i soerat pisaid warawara 

I. boerat sengker tëtagihan J l 

soerat pisaid pagoegatan 

., ., , „ . soerat sërëgan 

1. boerat sengker pamicara > ° 

| soerat kendel 

3. Soerat kanda soerat toetoer 

, . , „ „ soerat salaran 

4. boerat pepegatan ' 

soerat kukudung. 

»No. 1 is de aanklacht, no. 2 de uiteenzetting van de zaak, no. 3 het plei- 
dooi, en ao. 4 het vonnis. Ten opzichte van no, 2 en no. 3 moet worden opgemerkt, 
dat zij hetzelfde bevatten, en van elkander in geen enkel opzicht mogen verschillen, 
zal men zijn zaak kunnen handhaven, en dat zij door de beide partijen dienen te 
worden ingeleverd. Na het pleidooi wordt er naar de wetboeken rechtgesproken, 
en aan den winner (of aan beide partijen) een afschrift van het vonnis uitgereikt. 
dat in 't Sanskr. japapallra d. i. » overwinningsblad" heet. 

»Bij het procesvoeren komt het menigwerf niet aan op de deugdelijkheid van 
de zaak. Het is de vraag of acte No. 3 in alle deelen overeenkomt met acte No. 2. 
Ts dat het geval, dan wordt onderzocht in welk der beide stukken de meeste of de 
gewichtigste stelfouten, zou men haast zeggen, worden aangetroffen; het aantal 
getuigen wordt van weerszijden vergeleken, daarna het aantal borgen of goedsprekers. 
en weegt ten slotte dit alles even zwaar, dan blijft wel beschouwd de zaak onbeslist, 
want alsdan wordt het, daar de eed van weerskanten moet worden afgelegd, aan de 
goden overgelaten hem te straffen die zich aan meineed zou hebben schuldig gemaakt. 

»Men kan echter een proces, hoe deugdelijk zijn zaak ook zij, door nog andere 

omstandigheden verliezen zoo o. a. doordat men de formaliteiten niet alle 

in acht neemt. Deze formaliteiten vindt men besebreven in de beide genoemde 
stukken, waarnaar ik ook voor nadere bijzonderheden verwijs. Daaronder behoor! 
dat men zorge zijn pleidooi, zijn soerat kanda, op den zittingsdag bij zich te hebben, 
en vooral op te komen 

»Ik voeg hier slechts nog bij, dat men steeds een proces voert met behulp 
van een procureur-advocaat en zelf een lijdelijke rol moet spelen, en dal de procu- 
reurs, op Bali km ca, officieele personen zijn Op Bali heeft men ker la' 8 

(rechters) en kaiïcas (procureurs). In Tjeribon had men feitelijk hetzelfde, hoewel 
daar het rechtersambt en het procureurschap door dezelfde persoon kon worden 
vervuld, doch nooit tegelijkertijd. Van de zeven jaksa's. die èn als rechter èn als 



134 

procureur kunnen optreden, waren in dezelfde zaak steeds anderen rechters dan zij 
die als procureurs optraden, en omgekeerd". 

Tot zoover Dr. Brandes. 't Is duidelijk dat deze in 't oog springende 
analogie slechts is te verklaren door aan te nemen, dat zoowel op Bali in de 19 d( ' 
als in Tjërbon in de 18 de eeuw nog volgens de van oudsher, tijdens Madjapaït. 
op Java gebruikelijke manier werd geprocedeerd. In hoeverre die oude wijze van 
rechtsbedeeling aan de Hindoe's ontleend, in hoever ze oorspronkelijk Javaansch 
was, dat is een kwestie die een afzonderlijke studie vereischt. Ieder die het aan 
het procesrecht gewijde hoofdstuk in de Indische Smrti's (bv. Narada-smrti) leest, 
zal getroffen worden door de vele punten van overeenkomst met de hier beschreven 
Javaansche procedure : doch ook te dezen opzichte zal men zich moeten wachten 
voor conclusie's, uitsluitend gebaseerd op oppervlakkig waargenomen overeenkomsten. 

Over het strafrecht bij de volken van onzen archipel verschaft prof. Wilken's 
mooie studie : »Het Strafrecht bij de volken van het Maleische ras", de beste inlichting : 
vooral zijne algemeene opmerkingen over bewijsmiddelen, waarde van het getuigenis, 
eed en godsoordeelen zijn in verband met onze Pëpakëm zeer leerzaam. 

De Tjeribonsche procedure is uitvoeriger, ingewikkelder dan de Balische : 
er moeten daar tijdens den loop van het proces bijna tweemaal zooveel stukken 
ingediend worden. Ook de namen dier acten verschillen. Wat de Tjeribonsche 
namen betreft, merke men op dat ze, met een enkele uitzondering, alle Javaansch 
en wel grootendeels oud- Javaansch zijn. 

Alleen pisaid, afgeleid van het Arabische woord voor »getuige" (^1,2, ) 
is blijkbaar nieuwerwetsch, en een van de weinige in de Pëpakëm voorko- 
mende aan 't Arabisch ontleende woorden. Een andere afleiding van said is 
naid, hier gebruikt in den zin van: [een zaakj aangeven, »in kennis leggen 
bij den Regter". 

Pal i war a is 't Sanskrt paritvdra, omgeving, gevolg. Amalakarta is 
afgeleid van S. prakrta, voleindigd, afgedaan. 

Warawara is wara(h)warah, mededeeling. 

K ë n cl e 1 luidt op Midclen-Java pendel (ik trof het o. a. aan in de Djoegoel- 
Moeda), en beteekent eigenlijk : het elkaar pikken van vechtende hanen. 

Toet oer is in beteekenis volkomen gelijk knnda.' Terwijl de verliezer van 
het proces een s o er at salaran (zie Jav. Wdbk. en Kawi-Bal. Wdbk.) ontvangt, 
wordt aan den winner een soerat koekoedoeng uitgereikt, cl. i. een schriftelijke 
waarborg tegen gerechtelijke vervolging (van koedoeng = sluier) ; in ouden tijd werd 
dit stuk ook met den Sanskrt-naam jayapattra aangeduid. 

Omtrent de overige hier gebezigde technische termen geven het Javaansche 
en het Kawi-Balin. Woordenboek voldoende inlichting. Over Salla (salah) daging, 
koelit enz. zie p. 45 — 46. 

Niet duidelijk is mij tidarsa (p. 6), dat hier tegenover lokika gesteld 



135 

wordt. Het wordt noch door Van der Tuuk, noch door 't Jav. Wdbk. voldoende 
verklaard. Lokika, waarschijnlijk het Sanskrt alaukika = » niet in het gewone leven 
voorkomend, ongewoon", verklaart Van dei? Tuuk met: «verdenking tegen 
iemand, omdat hij den schijn tegen zich heeft, gissing naar iemands gedrag ot 
karakter bij het beslissen van een zaak, bv. waar geen getuige of schriftelijk bewijs 
aanwezig is". Practisch schijnen beide termen verschillende graden van verdenking of 
bewijs volgens de inlandsche opvatting aan te duiden, evenals volgens de Me- 
nangkabauwsche wetten drie soorten van kenteekenen en aanwijzingen worden aan- 
genomen 1). Tidarsa heet het bewijs, geput uit een vermoeden, een eenvoudige 
verdenking tegen iemand, op grond bv. dat hij kort te voren op de plaats waar 
de misdaad gepleegd werd, is geweest. Lokilca daarentegen noemt men het, wanneer een 
zware verdenking tegen iemand wordt gekoesterd, steunende op voor hem zeer bezwa- 
rende omstandigheden, ook in verband met zijn levensAvijze en karakter, 't Blijkt dat in 
geval van tidarsa (dat hier. evenals de Menangkabouwsche tandö tjèmö, wel degelijk 
kracht van bewijs heeft), slechts een enkele, ingeval van lokika een dubbele schade- 
vergoeding wordt geëischt. Men vergelijke verder p. 16, 19, 47 (vooral de Javaansche 
redactie is leerzaam), p. 70 onder en 71 boven (sanggraha lokika en sanggraha 
tidarsa). en de » uitbeeldingen" No. 2 (p. 72) en No. 4 en 5 (p. 73), en ook nog 
]). 91 en 93. 

Een andere mij duistere term is jomana (p. 14). Over de kwestie der 
verjaring vergelijke men het artikel op p. 29 — 30 en Jonker, art. 268 niet de aantt. 
Jomana komt ook voor. in een andere beteekenis (V), op p. 31 (tjina jomana pati 
ing maling), 35, 55 en 75. Kan het woord uit 't Sanskrt yauvana ontstaan zijn? 

Ipat-ipat schijnt hier den ouden, heidenschen of Hindoe-Javaanscben eed 
(eigenlijk zelfvervloeking) aan te duiden, in de Hollandsche vertaling »ligte eed" 
genoemd, tegenover den »groote(n) eed met den Alcoran boven 't hoofd," die hier 
sapala (S. capatha) geheeten wordt (cf. p. 55) 2). 

De drie gelegenheden tot hooger beroep, op p. 18 aangegeven, zijn waar- 
schijnlijk, geheel of gedeeltelijk, onder Hollandschen invloed ingesteld. Men vergelijke 
wat Rouffaek zegt over den Soesoehoenan's Raad. in Bijdr. Kon. Inst. 6 X p. 111. 
Over duiken, zie p. 43. 



1) Zie de boven geciteerde studie van Prof. Wii.kkx p. 129. 

2) Dit onderscheid tusschen -«'-/«" en sapata blijkt evenwel niet constant te zijn. zie bv. ,,. 84. 
tegen ovor p. 29. 



De Papakkum of Wetboek van Cheribon. 



EERSTE GEDEELTE. 

HOOFDSTUK I (p. 19—31). Formaliteiten bij de procedure in 

acht te nemen. 

De Hollandsche tekst noemt dit hoofdstuk : »Articulen op het Procedeeren, 
Avaeraen een der Procedeerende Partijen zig schuldig maekende, het Proces komt 
te verliezen;"' in 't Javaansch heet het: »Poenika poepoetoesaning tiyang ngapabën". 

Vooraf gaan eenige bepalingen over vergoeding d.i. schadevergoeding 
(schadeloosstelling) en boete. Over het tweeledige beginsel van schadeloosstelling 
èn boete zal later, bij p. 57, gesproken worden. 

De verdeeling van een procedure in begin, midden en einde wordt reeds 
op p. 9 aangetroffen ; men zie daarvoor p. 27. Wie — door een formeele fout 
te begaan — zijn zaak verliest tijdens het midden of op 't einde van het proces, 
is per se tot een dubbele schadeloosstelling (Jav. moetoeng of poetoengan) veroor- 
deeld; geschiedt het in 't begin van het proces, dan komt voor de bepaling der 
vergoeding in aanmerking of de aanklacht was lidarsa dan wel lokika, dat is dus 
ook hier (cf. p. 135) of de aanklacht op een lichte verdenking dan wel op voor 
den beschuldigde zeer bezwarende omstandigheden berustte. » Enkel vergoeden" 
heet metokake saka wil. 

De termen, bij de taxatie gebezigd, zijn duidelijk. ï r i b a g a is het Sanskrt 
tribhdga, het derde deel; samahita is het S. samahita, bijeengelegd, alles bij 
elkaar gelegd. 

Bij p. 20 begint de opsomming van de zaken, die »een Proces decideeren", 
d.w.z. van formaliteiten, die partijen tijdens het proces hebben in acht te nemen, 
op straffe van hun zaak te verliezen, hoe eerlijk die ook overigens zijn mocht. 
Terwijl de »manier van procedeeren" de voornaamste daarvan reeds terloops noemde, 
zijn hier een veel grooter aantal, aan verschillende wetboeken ontleend, bijeen- 
gebracht. Een kleine fout in den vorm, het niet verschijnen of het vergeten van 
een der acten op een zittingsdag (1), het doorhalen van een letter in een dier 



(1) Op Bali verloor nog niet lang- geleden iemand zijne overigens rechtvaardige zaak. omdat 
hij op den zittingdag, even vóór het begin van de zitting-, zijn surat kanda in handen van zijn tegen- 
partij had gegeven. Dit staaltje werd reeds door Dr. Bkandes aangehaald 'Tijdsein - . Bat. Oen. deel 
XXXII. p. 142 noot 1). 



137 

stukken, het zich niet behoorlijk gedragen tegenover de Jaksa's, een lichte vergissing 
in woorden ot' op schrift, al zulke formeele fouten of vergrijpen hebben per se hel 
verlies van het proces tengevolge. Vooral aan de Radja-Nistjaja en de Oendang- 
oendang Mataram, hoewel voor een minder deel ook aan andere wetboeken, zijn 
deze bepalingen ontleend. Trouwens, men vindt ze ook in de Djoegoel-Moeda en 
in de Soerja-Alam, zij 't ook dat ze nergens volkomen eensluidend zijn en dikwijls 
dezelfde artikelen in een ander verband, een andere combinatie zijn opgenomen. 
Men vergelijke bv. de ( .t artt. op p. 20 met Van dek Hout's vertaling van de 
Soerja-Alam p. 30; daaruit zal blijken, zooals trouwens in *t algemeen geldt (ook 
o.a. bij vergelijking van de 21 artt. op p. 65 — 66 met Van der Hout p. 18. 29 
en 45, de •"> artt. op p. (58 met v. n. H. p. 29, de 6 artt. op p. 64 met v. d. H. p. 21 
en 29), dat de Pëpak^m nog *t meest gaal is, de oude traditie het best heeft bewaard. 

Ook bij de Hindoe's hadden partijen zich bij het proces streng te houden 
aan dergelijke formaliteiten. In 't Manavadharmaeastra VIII 53 — 60 vindt men er 
eenige opgesomd. 

De meestal korte technische termen, waarmede de verschillende vergrijpen 
worden aangeduid, zijn gedeeltelijk bedorven Sanskrt, gedeeltelijk oud-Javaansch. 
Sommige, vrij zuiver overgeleverd, zijn gemakkelijk te verstaan en behoeven dus 
geen verklaring, van andere is de eigenlijke beteekenis. zonder gebruikmaking van 
uit de oudere en oudste wetboeken te putten vergelijkingsmateriaal, of niet of slechts 
naar gissing -- met vrij groote kans op rei gissing — aan te geven (vergl. het boven 
p. 125 opgemerkte). Moeilijkheid baart niet alleen de dikwijls hopeloos verbasterde 
vorm waarin wij ze hier leeren kennen, maar vooral ook de omstandigheid' 
dat vele van die termen min of meer verbloemde of spreekwoordelijke uitdrukkingen, 
korte uit hun verband gerukte vergelijkingen zijn. aan wier ontstaan vooral 
ook de bekende neiging tot Spielerei met woorden en klanken, den Javanen m t 
bijzonder eigen (men denke aan de wangsalan's) zeer zeker een niet gering aandeel 
heeft. Kortom, zulke termen moeten zoowel historisch als etymologisch ver- 
klaard worden, en aangezien mij dit voorloopig onmogelijk is. zal ik mij van 
pogingen daartoe onthouden, enkele bijzondere gevallen uitgezonderd. Hei Kawi- 
Balineesche woordenboek van Van dek Tri k zal. wanneer het weldra geheel zal zijn 
afgedrukt, bij onderzoekingen als hier bedoeld een rijke bron van inlichting blijken. 

Op p. 20 en ook verder wordt meermalen gesproken van sésanijau, walatuj 
en kawal, evenals ook reeds op p. 3 en 11. De vertaling voegt daarbij: drie 
soorten van getuigen, waarop men zich beroept, bij lerscheiding zoo genaeml . 



& ^u..w v 



Deze soorten van getuigen worden onderscheiden van sakri (zie p. 20 art. 8). Im-wijl 
de namen op zich zelf begrijpelijk zijn {sêsatutan = sesiren = steunsel, watany - 
piekstok en Imival = schutsmuur), is het onderscheid tusschen «leze drie soorten van 
getuigen en saLsi mij niet duidelijk (zie nog p. 27). Dr Balische pelnbah <V\n 
BlÓEMEN WaaNDEBS p. 207) hebben een andere functie. 



138 

Onder Akarjantaka (te lezen: aksarantaka ?) wordt bedoeld het op 
Javaansche wijze ^doorhalen" van een letter, wat zooals bekend is geschiedt door 
die aksara zoowel van een oeloe als van een soekoe te voorzien. De Hollandsche 
vertaler heeft getracht dit gebruik aanschouwelijk voor te stellen door boven een 
letter g de bovenkrul van een | oud-Hollandsche] il te schrijven. 

Op ]). 27 wordt voldoende duidelijk uiteengezet wat men onder 't begin, 
het m i d d e n en het einde te verstaan heeft. Men leze ook den Javaanschen tekst. 

Op p. 29 een zeker voor juristen belangrijk artikel over verjaring. Vgl. 
boven p. 14 en ook p. 35. p. 104 alin. 1. en vooral Jonker art. 268 met aautt. 

De 3 Artikelen uit de Oendang-oendang Mataram vindt men als bijdrage F 
onder Holle's » Bijdragen tot de Geschiedenis der Preanger-Regentsehappen" (Tijdschr. 
Bat. Gen. XVII p. 349). De Heer Holle had dit stukje ten geschenke ontvangen 
van den pangeran Radja Kaprabon te ïjeribon (1). Indien nog bewijs noodig ware. 
zou dit feit ten bewijze kunnen strekken dat dit wetboek werkelijk in Tjeribon in 
gebruik is geweest. Cf. Dr. Brandes in Tijdschr. Bat. Gen. XXXII p. 140, noot 
en RouKFAEi; in Bij dr. Kon. lust. 6, X p. 130 noot. De Heer Roueeaer is van oordeel 
dat de Oendang-oendang Mataram niet vóór 1680 kan ontstaan zijn, maar zijne 
argumenten daarvoor schijnen mij niet overtuigend. 



HOOFDSTUK 11 (p. 81 — 38) Het Bewijs. 

Hier zijn. alweer uit verschillende bronnen, eenige gegevens bijeengebracht 
over wat als bewijs geldt, bewijsmiddelen dus. Men vindt hier een mooie illustratie 
van de algemeene opmerkingen van Wikken over dit onderwerp in zijn reeds genoemde 
verhandeling over het strafrecht in den archipel. Zie ook Jonker, over Javaansch 
strafrecht, p. 27 — 29. 

't Hoofdstuk begint met 7 (5 + 2) »articulen van overtuigend en decideerend 
bewijs ". waarin eenige zaken en omstandigheden genoemd worden die ingeval van 
bepaalde, zeer ernstige misdaden, niet alleen als afdoend bewijs gelden, maar ook 
veroorloven den aldus als den dader aangewezene of op heeterdaad betrapte onmid- 
dellijk, zonder vorm van proces, te dooden (meestal evenwel met de beperkende 
bepaling : indien hij zich verzet). De gebezigde technische uitdrukkingen zijn alle op 
een zelfde wijze samengesteld: walang pati ning angiwat, boekli pati ning ambegal, enz. 
d. i. watang (ooggetuigen) zijn de dood voor dengene die [een meisje, vee of goederen ] 
ontvoert, 't geroofde goed is de dood voor den roover enz., wat in dit verband 
volkomen duidelijk is. Zulk een persoon is namelijk bonggan, in 't Hollandsch weer- 
gegeven met : verstoken van recht. Cf. p. 89, 95 en 97. Over de beteekenis, zie Jav. 
Wdbk. s. v. (en misschien ook Kawi-Bal. Wdbk. s. v. wogan ? cf. Jav. tekst p. 96 r. 1). 



(1) In 't laatste gedeelte van Holle's uitgave is de zinsafdeeling verkeerd. Ook leest hij verkeer- 
delijk Vendel in plaats van këndel. 



139 

J o ma na heeft hier, naar 't schijnt, een andere beteekenis dan boVen (p. 14 
en p. 29), doch is mij ook hier niet duidelijk. 

AnggelS (Holl. agln) zal wel a(ng)geléh moeten zijn. Het komt voor in 
dezelfde bet. als aneloeh (Jav. tekst p. 32. regel 1). cf. Jonker, art. 173 met aant.. 
waar agïéh anluh besproken wordt, Vgl. verder de Pëp. p. 54 en 90. Voor ethnolo- 
)fen is dit artikel over tooveren niet zonder belang". 

Over pangpang-poengpoeng leze men Winter's .Jav. Samenspraken 
II j). 210. No. 389 en vergelijke Jonker art. 13(5—138. 

Papaoegen beteekent: geschenk om liefde te winnen, zie Jonker aant. bij 
art. 250 en Kawi-Bal. Wdbk. s. v. pahocgi. 

De ..7 Articulen van onteering van vronwen". handelende over verboden 
omgang tnsschen mannen en vrouwen, die in de Indische wetboeken onder 't hoofd 
strisamgrahana worden besproken (zie beneden bij p. (58 en 108 enJoNKEB art, 134- 142 
en 246 — 253) (1). schijnen alleen daarom hier een plaats gevonden te hebben, 
omdat ook deze vergrijpen zonder verder onderzoek gestraft mogen worden, daar- 
voor dus het wrankrecht nog o-eldt. 

(Tl O 

Baoed is mij niet anders bekend dan in de beteekenis »slim. bedreven", 
wat ook hier wel de bedoeling aangeeft. 

Andaniskara begrijp ik niet. Dit artikel 2 vergelijke men met JONKER 
art. 249 en de aant. Wat bloedschande is. wordt hier verklaard blijkbaar onder 
Moslimschen invloed: er heeft wijziging in moslimschen zin plaats gehad. Vandaar 
ook dat hier wordt gesproken van de Regtbank der Priesters (parapangoeloe sekawan, 
waarover men zie p. 43 en 54). 

Angas beteekent bluffen, renommieren. zeggen dat men iets kan doen ut 
gedaan heeft, terwijl het inderdaad niet waar is. In 't Jav. Wdbk. is want angas 
niet voldoende duidelijk verklaard. 

Nu volgen .,13 Articulen van bewijzen genaemd Andiandian" (]>. "> 1 1. 
Deze Andiandian. eigenlijk ë n dihë n dihan, komen in vele wetboeken voor. 
Ken citaat uit een mij toebehoorend Solo'sch fragment van de Soerja-alam zal 
dadelijk zoowel den oorsprong als de bedoeling van dezen (erin ophelderen. 
In het bedoelde Hs. leest men: Kaeneng malih hang ivinoou)oes } cndihetidihan tërka., 
ikoe In ingkang kalindih, dene palrap patra kandih ing boektin/fl, boekli kandih 
ing satmata, mtmnla ingkang angendih, panikoe in dening tjilina. tjihna p ra- 
man a kiing ngendili, pramana ikoc kandih dening bang-0 e b aj a nipoen oebaja kandih 
marang(?), den/m/ antara kang ngëndih, anlarekoe apan kandih ing sang na fa. 
Hieruit blijkt dat de term endiliendihan is op te vatten als » de elkaar van hun plaats 
verdringende [bewijzen]", waarvan telkens een volgend van nog meer kracht is dan 
het voorafgaande. En 't is alweer Jonker die, in zijne aanteekening bij art. 74 van 
zijn reeds meermalen aangehaald oud-Javaansch wetboek, ons ren nadere verklaring 

(li Tot deze rubriek beaooren, wat hun inhoud betreft, ook de artikelen j (pangpa ng-i ng »ng 

en 1 (t.jina pati ing papaoegen) op p. 32. 



140 

suggereert in verband met de Hindoewetboeken. Hij vermeldt, dat in het Indische 
recht, waar het civiele zaken betreft, drie zaken als bewijs gelden, nl. een ge- 
schrift (written proof, documents), getuigen en genot (of bezit, bhoekti)', doch dat 
in verschillende wetboeken de onderlinge verhouding dier bewijsmiddelen verschil- 
lend wordt opgegeven, zoodat men b.v. in 't eene wetboek leest: »Witnesses are 
overruled bij documents," en in een ander: »doeuments are overruled by witnesses". 
Zoo leest men dan ook bij Jonker in art. 74: »saksi alah deniug pasoesoeratan, 
pasoesoeratan alah dening bhoekti," d. i. getuigen gelden minder dan (doen onder 
voor) het schriftelijk bewijs, en dit weer minder dan het rentegenot". Deze drie 
bewijzen noemt men pramdnalraya, het drietal bewijsmiddelen (zie Kawi-Bal. Wdbk. 
sv. pramana). 

Naar 't schijnt hebben de latere Javanen deze 3 bewijsmiddelen aanzienlijk 
uitgebreid. Hier zijn ze tot 13 geworden en ook in de Soerja-alam van v. d. Hout 
(p. 36) wordt een vrij groot aantal opgesomd. Zeer helder wordt hier uiteengezet 
het verschil tusschen boekti (bhoekti) en Ijina (tjihna). De meeste termen zijn 
duidelijk. Pungara schijnt een schrijffout voor Sangara, zie Jav. en Kawi. Bal. 
Wdbk. en vergelijke de geciteerde plaats p. 87 al. 1 en 2. Oetara zal wel in 
verband staan met katara; zie p. 8b' (Jav. tekst r. 18) en p. 113. Bawana ( = 
boewana?) is mij niet duidelijk: de Jav. tekst had banawa, wat wel verkeerd 
moet zijn. Op p. 113 heeft de Jav. tekst pawana (de Holl. echter bawmia), wat 
in 't Sanskrt »wind" beteekent. Poeroesa is het Sanskrt paroesya = ruwheid, 
zie p. 22 en p. 68, cf. Jonkeb p. 10 en art. 223. 

Daarna volgt de vermelding van eenige omstandigheden, die al of niet het 
recht geven iemand als dief op te vatten. Uit art. 2 op p. 36 blijkt het aanzien 
dat lëbé en modin genieten, welke termen hier waarschijnlijk in de plaats zijn 
gesteld voor andere of een anderen, die een niet-moslimschen geestelijke aanduidde(n). 
Art. 3 op p. 37 geeft een staaltje van solidaire aansprakelijkstelling, waarover 
men zie Wilken strafrecht enz. p. 961. Den term malieng-ikanja versta ik 
niet: 't kan toch niet maling(i)kanja zijn? (zie p. 64). 

Op p. 37 één artikel, een geval noemend waarin des bestolenen buurman 
voor den diefstal verantwoordelijk gesteld wordt - eigenaardig, typisch Javaansch 
is de daarvoor gekozen titel anak-anahan maling — , terwijl dit hoofdstuk besloten 
wordt met een geval, waarin het s p o o r (lari) [van gestolen buffels] als bewijs geldt. 



HOOFDSTUK III (p. 38—42) O e tui gen. 

»In twijfelachtige gevallen"- zoo leest men in de Indische wetboeken — 
»moet men trachten achter de waarheid te komen door middel van getuigen, wier 
kennis is gegrond op wat zij gezien, gehoord of begrepen hebben." En dan wor- 
den in een reeks artikelen de personen genoemd die tvèl, en die niet als getuigen 



141 

mogen optreden. Zoo in 't Manavadharmacastra VIII 61—77, en veel uitvoeri- 
ger o. a. in de Naradasmrti I 147—234. Op het aan tul getuigen komt het 
aan. evenals zulks bij de meeste volken van den archipel gebruikeMji 
is. zie Wilkkx, Het strafrecht enz. p. 127 sqq. In de Tjeribonsehe rechtspraak 

was het niet anders, en zoo geeft dan ook onze Pëpakëm een lange lijst van 
wettige en onwettige getuigen (p. 38—41 en p. 42). Ken groot aantal 
™n de hier opgenomen artikelen zijn ongetwijfeld aan de Hindoewetboeken 
ontleend, wat onmiddellijk blijkt als men ze vergelijkt met over dit onderwerp 
handelende hoofdstukken van de dharmacastra's. Vele der gebezigde technische 
termen zijn min of meer verbasterd Sanskrt, waarvan evenwel de beteekenis 
zich menigmaal heeft gewijzigd ; een sterk voorbeeld daarvan levert de 
eerstgenoemde term akoeta saksi, waarin men zonder moeite het Sanskrt 
liütasaksi(n), d. i. valsche getuige, herkent, doch dat hier in een gansch 
anderen zin is opgevat (ter verklaring leze men Naradasmrti I 177). 
Vrouwen kunnen ook volgens sommige Hindoewetboeken niet als getuigen 
optreden, volgens andere daarentegen wel. zij het ook met zekere restrictie's. 
Het skeptische oordeel van Radja Go n da la over de geloofwaardigheid der 
vrouwen vindt men, ongeveer in dezelfde bewoordigen. in sommige Javaansche 
zedeknndige geschriften. Radja Gondala is in de Djoegoel-Moeda een der raadslieden 
aan 't hof van Sri Mahapoenggoeng te Poerwatjarita, die beurt voor beurt in den 
vorm van een sloka hiin advies geven over aanhangige reehtskwestie's (zie p. 12li) 
Cf. ook Wintee, Samenspr. Il p. 159 No. tiO. 

De op p. 40 en 41 opgesomde ambachten, die blijkbaar tot de min geëerde 
of verachte behooren. vindt men nagenoeg alle vermeld in de oud-Javaansche 
oorkonde van (,'aka 782. waarover Prof'. Kern zulke belangrijke bijzonderheden 
heeft meegedeeld (Versl. en Meded. der Kon. Akd. v. Wetensch. afd. Letterk., 2e 
Reeks, deel X 1880 p. 77 sqq.). 

't Is opmerkelijk, dat zoowel hier in de Pëpakëui als in de genoemde oorkonde. 
zekere ambachten als weinig geëerd of veracht worden voorgesteld, die in een zniver- 
Javaansche maatschappij zeer zeker niet zoo laag aangeslagen worden, noch ook in 
vroeger tijd kunnen geweest zijn. Daar nu in Indische wetboeken ongeveer dezelfde 
categorieën van ambachtslieden als » valsche getuigen" worden uitgesloten, zal men 
aan deze en dergelijke Javaansche lijsten wel niet meer dan theoretische waarde 
kunnen hechten: ze zijn eenvoudig uit Indische wetboeken overgenomen. Zoo zal 
men bv. uit de vermelding van dalang en doehoen in deze lijsten nog niet mogen 
afleiden, dat de door deze personen uitgeoefende ambachten geminacht zouden 
geweest zijn. uitgezonderd dan onder invloed van de Hindoe-heerschappij, in de 
periode toen de Hindoe-invloed zich het sterkst deed gelden ( 1 ). 

De termen zijn voor een deel erg ouderwetsch : enkele worden in de woorden- 



(l) De hier als onwettige getuigen vermelde ambachtslieden eten tijdens de Hindoe-over 

heersching behoord hebben tot de verachte kaste der tjandala. Zie Kawi-Hal. Wdbk, p.213 eerste kolom. 



142 

boeken niet of onvoldoende verklaard. Zoo bv. akraka{h) [= djagalVj, atjako (of 
atjake?) en agenljet. Bibriman herinnert aan het hedendaagsche pèpriman. De 
overige zijn bekend. Sisian op p. 41 is nit Sanskrt $isya (leerling) ontstaan. 

In de lijst der geloofwaardige getuigen op p. 42 komen weer eenigeaan yloka's 
ontleende uitdrukkingen voor. Ook hier weer lébe modin in de plaats gesteld voor een 
meer ouderwetschen term (brahmaua, padanda of iets dergelijks). Taksoe zijn nog 
thans op Bali bekend. In mahatjiri en mahatedja, is maha r= ma = hel)bende. 
voorzien van. Vgl. nog het groote citaat in Kawi-Bal. Wdbk. s.v. saksi. 



HOOFDSTUK' IV (p. 43—54) Rechtspleging. Rechtbanken en 

R ech t er s. 

Een zeer belangwekkend hoofdstuk, rijk aan interessante gegevens, doch 
helaas voorloopig nog wel niet voldoende op te helderen. 

Allereerst de^ »Driederleij Regtsoeffeningen" (p. 43 — 44) respectievelijk aan- 
geduid met de termen Drigama, Agama en Toyagama. 

"t Woord »Regtsoeffening", hier gebezigd, kan tot verwarring aanleiding 
geven: de Javaansche tekst zegt: Pangangge tigang prakawis, drigama kanti denim/ 
agama kanli dening tojagama. En daarna: drigama pangangge ning djaksa pipitoe, agama 
pangangge ning parapangoeloe sekawan, tojagama poen i ka silem. Pangangg e, 
eigenlijk »gebruik, wat uien gebruikt of aanwendt", moet hier wel vertaald worden 
door: [rechts] middel, waarvan [door de respectievelijke rechters bij hun rechtspraak | 
wordt gebruik gemaakt. 

Agama ('t Sauskrt agama) heeft de beteekenis van overgeleverde leer, in 't 
bijzonder de rechtsleer: vandaar kan het ook beteekeneu : verzameling van wetten, 
steunend op de Indische rechtsleer, Indisch wetboek (Jonker p. 5). Terwijl dus in 
't algemeen elk wetboek, dat zich baseert op de Indische rechtsleer, een agama 
kan genoemd worden, is er bovendien een bepaald wetboek (of een bepaalde groep 
van wetboeken), die Af/ania heet (Frieüeetch. voorloopig Verslag van het eiland Bali, 
Verh. Bat. Gen. XXII p. 23). 

Minder gemakkelijk is de verklaring van Drigama (ook dirgama). De 
nieuw- Javaansche beteekenis van dit woord kan eerst in den nieuweren tijd ont- 
staan zijn, komt dus hier niet in aanmerking. Van der Tuuk meent dat dirgama 
nit adhigama moet ontstaan zijn (Kawi. Bal. Wdbk. s. v. adhigama, cf. Brandes 
Catalogus der Hss. uit 't legaat Van der Tuuk p. 1) ; adhigama ('t Sanskrt adhigama — 
verkrijging, ervaring, het leeren, studie) nu is op Bali de naam van een oud- 
Javaansch wetboek (zie Friederich 1. e.), dat in 't Boelelengsche kracht van wet 
heeft. Indien deze verklaring juist is — en zij schijnt zeer aannemelijk — dan 
ontleenen de beide bedoelde » regtsoeffeningen" hun naam aan het wetboek, dat 
daarbij gebruikt werd : de Agama was het wetboek, het rechtsmiddel van de zeven 



143 

djaksa's, en eveuzoo de Drigania (— Adhiganui) «lat van de vier pangoeloe's ; 
en dan is ook het gebruik van het woord pangangge volkomen duidelijk (1). 
Hoewel de overgang van adhigama in drigama etymologisch niet verklaard 
is. indien men let op de wonderlijke verbasteringen van vorm zoowel als 
van beteekenis, die Sanskrt en oud-Jav. woorden in later tijden, ten gevolge van de 
onkunde en betweterij der «uitleggers" van de oude teksten (poedjangga's), hebben 
ondergaan, dan mag ;i priori een verandering van {a)dhigama in drigama (door invloed 
van het bekende dnergama ?) mogelijk geacht worden. Tot staving van V vn deb Ti ük's 
verklaring kan nog worden opgemerkt, dat de boven reeds genoemde raadslieden aan 
het hot' van Sri Mahapoenggoeng (waarvan sommigen den titel van mantri of djêksa 
hebben), hunne adviezen geven in den vorm van een saloka drigama, terwijl verder 
nog herinnerd kan worden aan een passage, voorkomend in de Lampoengschc 
K o ent ara (een wetboek, Koentara Manawa), waarvan Dr. Van dek Tri k in zijn 
Brieven betreffende het Lampoengsch (Tijdschr. Bat Gen. XIX p. 373) een staaltje 
bekend maakte. Daar wordt (men zie het uittreksel in den genoemden Catalogus II 
p. 102) gezegd: hukum papatih tiga perkara ilm. hang karihin igama, kapindu 
dërigama, kaping liga kar in ah. Anapun hukum igama iku kang iijala fcang 
din-hukumakën, lan hukum drigama iku poerba wisisa tgsing «raki/jamt (.') tri hult. 
anapun karinah iku papa tut tan ing pangganini lan ja iku ktmu mg rarasani (2). En 
eindelijk is het opmerkelijk, dat vele van de volgens onze Pëpakëm p. 63— 71 
door de djaksa's ie berechten misdaden, juist in het Balineescbe wetboek Adhigama 
gevonden worden, zooals blijkt uit Van deb Ttjuk's Wdbk. 

Wanneer noch de Drigama, noch de Agama de gewenschte belissiug hebben 
aan de hand gedaan, dan gaat men over tot het derde en laatste middel: toj agama. 

Toy agama is blijkbaar naar analogie van agama en drigama gemaakt: 
men wilde drie qama's hebben. De beoogde beteekenis is duidelijk: in het water 
gaan, d.i. duiken {silêm zegt de Jav. tekst), zich aan de duikproef onderwerpen. 
In de Balineesche wetboeken heet dit dewdgamn. In de Indische wetboeken is de 
duikproef een der vormen van het godsoordeel (daiva anumdna), dat, naast den eed 
(capatha), in bepaalde gevallen ter ontdekking van den schuldige mag worden aan- 
gewend, indien geen vertrouwbare getuigen zijn te vinden. Zoo o.a. Manavadharma- 
castra VIII 109—115 (duiken heet hier apsu nimajjati); men vergelijke .Ionkkk's 
opmerkingen over eed en godsoordeel (waartusschen dikwijls niet duidelijk wordt 
onderscheid gemaakt) in de aantt. bij art. 204 en 210 van zijn oud-Javaanscb 
Wetboek, voorts Pëpakëm p. 109, derde alin.. en de »manier van procedeeren" p. 18. 
De uitvoerige beschrijving, hier op p. 43—44 van de duikproef gegeven, is voor 
ethnologen niet onbelangrijk: men vergelijke Wtlken, Strafrecht op 111 Bqq. 



,1, Op Bali mogen thans aog zekere wetboeken alleen .lom- ,1, brahmanen geraadpleegd 

worden (Van Blokmkn Waanukiw. p. 205). 

» Wat daar verder volgt over printah kuntara, radjaniti en djoegoelmoeda la eveneens de 



is 
aandaclit waard. 



I II 

De Baüneezen schijnen alleen eedwater (wijwater) te drinken, wat trouwens in bei 
Indische recht als een godsoordeel beschouwd wordt (zie Van Bloemen Waanders, 
p. 211). 

Toyagania is blijkbaar het laatste, min of meer buitengewone, middel om 
een zaak te beslechten. Wie daarvan volgens onze Pépakem gebruik maakt, wordt 
medegedeeld inde »manier van procedeeren", p. 18. De twee gewone Rechtbanken — 
om dezen Hollandschen term nu maar eens te bezigen — zijn : de D r iga m a en de 
Agama: de Drigama genaamde »rechtsoeffeni ng" gaat vooraf aan de Agama. 
m. a. w. het rechtscollege van de Agama is hooger. spreekt in hooger 
instantie recht dan dat van de Drigama, zooals ten overvloede blijkt uit p. -V>. 
laatste alinea. Dat hier twee rechtscolleges, waarvan het laatste in hooger 
instantie rechtspreekt dan het eerste, worden onderscheiden, is op zichzelf niets 
vreemds. Op Bali onderscheidt men evenzoo de kant j a's, dat zijn de djaksa's. 
en de kërta's, dat zijn de met de raadpleging der wetboeken belaste padanda's 
(priesters), de » priesterlijke rechters" dus. zooals Van oei: Tiutk het uitdrukt. »Alleen 
zaken van schuldvordering — zoo leest men bij Van Bloemen Waanders p. 208 — 
kunnen door de kantja's behandeld en uitgemaakt worden; al de overige, zoowel 
burgerlijke als crimineele, komen in hoogste beroep voor den raad van padanda's. Deze 
vangen dus aan met eene soerat pamitjara" ( = Jav. knëdel; de soerat sëngkër 
tetagihan = Jav. pisaid is dan niet meer noodig). Deze diibbele rechtspraak, een 
lagere door wereldlijke rechters (djaksa, kantja of mantri geheeten), en een in 
hoogere instantie door priesters, is blijkbaar de oude [Hindoe-] Javaansche. En wat 
onze Pépakëm hier meedeelt zou dan ook in 't geheel geen moeilijkheid opleveren, 
indien niet van para-pangoeloe sëkawan gesproken werd. Hoewel pangoelov 
in 't algemeen »hoofd, eerste" beteekent. ook in 't oud-Javaansch. kan er toch. naar 
ik meen, niet aan getwijfeld worden, of hier wordt dit woord gebezigd in de speciale 
beteekenis die het na de komst van den Islam op Java gekregen heeft en thans 
nagenoeg uitsluitend heeft (op p. 50 is trouwens de »Regtbank der Priesters" ver- 
taling van koehoem), en welke men --zij het dan ook ten onrechte -- door »Mos- 
limsch priester" of Moslimsen, geestelijke pleegt weer te geven. Met andere woorden, 
dit fragment uit het minstens uit de 17de eeuw dateerende wetboek getuigt van 
een in dien tijd zich geldig makenden moslimsehen invloed op de oude Javaansche 
rechtspraak. Wanneer die invloed begonnen is. hoe hij in bijzonderheden heeft 
gewerkt, of hij zich inderdaad in de praktijk deed gelden dan wel meer 
theoretisch was. wij weten het nog niet. Maar waar het vaststaat dat de rechtbank, 
die volgens de Agama rechtsprak, in oorsprong de rechtbank der Hindoe-priesters, 
de Balineesche kërta was. daar ligt de veronderstelling voor de hand, dat later, 
na de komst van den Islam op Java. deze rechtbank onder invloed zal zijn gekomen 
van die »pëngoeloe" genaamde personen, welke, eigenlijk imams, d. i. voorgangers 
in de moslimsche godsdienstoefeningen, hier op Java, door den loop en den drang 
der omstandigheden, als onwillekeurig genoopt werden zich ook met de rechtspraak 



145 

in te laten 1). En "t spreekt vanzelf dat die bemoeienis, eenmaal begonnen, 
langzamerhand, tegelijk met het dieper doordringen van den Islam in bet dage- 
lijksch leven van vorst en volk, zich meer en meer uitbreidde. Waartoe dil 
ten slotte leidde, dat leert de geschiedenis van de Hoekoem of Soerambi genaamde 
rechtbank in de Vorstenlanden, waarover Rouffaeb ons niet lan<>- geleden veel 
belangrijks meedeelde 2). Hoeveel daarmee ook nog onverklaard blijft, hieraan 
valt toch wel niet te twijfelen, dat de »Regtbank der vier Hoofd-Priesters", zooals 
die hier (men zie vooral ook p. 54) beschreven wordt, ons een stadium te. zien geef! 
van het hervormingsproces, dat de onde rechtbank der (Hindoe)priesters onder 
den langzaam dóórdringenden invloed van den Islam in alle vorstenzetels van 
.lava heeft moeten doormaken, hetzelfde proces dus waarvan de Solo'sche Soe- 
rambi (meer officieel genaamd Hoekoem) van + 1820 ons een later stadium 
vertoont. De pëngoeloe'(s) kwam(en) — althans volgens de wetboeken -■ de plaats 
van de oude heidensche priesters (de Balineesche padanda's) innemen, [ntusschen, 
ook hier blijft het de vraag, in hoeverre de praktijk aan de in de wetboeken 
neergelegde theorie beantwoordde, doch daarop kan thans niet worden ingegaan. 
Slechts wil ik nog eraan herinneren, dat ook de door Dr. Brandes besproken 
nieuw-.Iavaansche redacties van de Soerja-Alam ons verschillende stadiën van 
Moslimsehen invloed te zien geven: eerst wordt aan den ouden, heidensehen tekst 
eenvoudig een groep uit de tiqliboeken getrokken rechtsregels toegevoegd, zóó 
dat dit moslimsche gedeelte een afzonderlijk, een soort tweede deel van het bock 
vormt: later worden de oudere Javaansche en de moslimsche rechtsregels dooreen- 
gemengd (Not. April 1804. p. 51 — 54). 

De vraag doet zich voor, waarom juist vier pëngoeloe's de rechtbank vormen ? 
Kan dit in verband staan met de omstandigheid dat er 4 Cheribonschr vorsten zijn 'f 
Moet verondersteld worden, dat elk der 4 prinsen zijn eigen rechtsprekenden 
bofimam (= pëngoeloe) gehad heeft (cf. Rouffaer Bijdr. Kon. Inst. 6 X, p. 161)V 
Of is ook dit getal slechts theoretisch, en de keuze daarvan slechts te verklaren 
uit zijn mystieke beteekenis ? •">) 

Thans volgen (p. 44 — 49) eenige bepalingen ju e t bet r e k k i n g 
tot de pro c e d u r e, benevens wenken v o o r d e dj a k s a " s. waarvan 
de aard en de strekking in verband gebracht wordt met het karakter (en den 
naam?) van bepaalde wetboeken, en wel met de Dj o ego el-Mo e d a, A agas- 
kartabasa, Radjaniti en Koentara-manawa. /onder voldoende 
bekendheid met den inhoud van die geschriften en de bijzondere beteekenis. aan 
elk afzonderlijk toegekend, valt daarover niets te /.eggen. 

't Blijkt dat de vele formeele fouten of vergrijpen, welke bij een proces 
kunnen voorkomen (zie boven p. 20 sqq. en p. 13) en een beslissenden invloed 



1) Men leze vooral wat Dr. Snouck Hdrgronje daarover zegt in tactische Gids I884 p. II''.— UT. 

2) Ik bedoel zijne aanteekeaingen bij het stuk van Winteb in Brjdr. Kon. lust. ü, X p 109 sqq 

3) Van Bloemen Waahdeks (o. c. p. 204ï spreekt van drie pedaada's. 

Yerh. Bat. Gen. 1,j 



14»; 

hebben op den uitslag, in drie categorieën worden verdeeld, al naar gelang van het 
gewicht van het vergrijp. Zoo onderscheidt men sa lab koelit, sa lab. daging 
en salah toelang, waarvan de laatste de meest ernstige zijn (de .lavaansche tekst 
noemt ze : pa tja Ij ad an angoelit, - andaging en - - ambaloeng). De termen zijn duidelijk. 

Over de termen t i d a r s a en 1 o k i k a werd reeds gesproken, cf. p. 1 34 — 135. 

Ouder K o n t a r a-M a n a w a wordt de reden opgegeven waarom de s ë r a t 
toe toer door procedeerende partijen zelf moet worden opgemaakt, in tegenstelling 
tot s. p i s a i d eu s. k ë u d e 1. 

De vier Sarasamoer t j a j a genoemde artikelen (men weet dat Sarasamuc- 
caya de naam van een oud-Javaansch wetboek is, door Dr. Bkandes met de Radja Nistjaja 
geïdentificeerd) bepalen, dat wie van beide partijen tijdens het proces zijn patih. 
zijn vorst of' zijn djaksa door den dood komt te verliezen, daarmede ook van zelf 
zijn zaak verliest: immers zoo iemand is »zijn steun kwijt" {hina poegerati, waarin 
hina het Sanskrt hina in de bet. »misseud, ontberend, verloren hebbend. -zonder" is). 
En wie tijdens het proces sterft, wordt gerekend het verloren te hebben. De termen 
kanatalena, kalingganala en kalina pocra zijn alle met 't praefix ka (tegenwoordig 
Jav. ke) gevormd. Lena of Una heeft hier de bet. van het Sanskrt pralina = ver- 
dwenen, gestorven. 

De genoemde, vrij draconische bepalingen, worden aanmerkelijk verzacht dooi- 
de (eerst thans, bij de samenstelling van de Pëpakem opgenomen ?) faciliteiten, ver- 
meld p. 48 laatste alin. tot p. 49. 

Pag. 49 — 51. Hierna volgt het artikel uit de Oendang-oendang Mataram 
over het »On der s eheij d" [jiisaJi = scheiding, afzondering, volgens den Jav. 
tekst) tusschen Pradata enPadoe, waarover de Heer Roueeaer in Bijclr. 
Kon. Inst. 6 X p. 113 en 138 sqq. uitvoerig gesproken heeft. De termen schijnen dui- 
delijk : p a d o e is : het tegenover elkaar staan, vandaar twist, geschil ; in p r a d a ta (het 
Sanskrt pradalla F) ligt wel het begrip van: overgeven, meedeelen, bekend maken; in 't 
oud-Javaansch wordt het volgens Van der Tuuk gebezigd in de beteekenis van „ver- 
tellen". Als rechtsterm kon het dus aanduiden : [bij den Vorst of den Rechter) een zaak 
voorbrengen of aangeven (cf. in v. r>. Tuuk's Wdbk. angaturaken papradatan, bij een 
vorst om Z. M.'s beslissing te hooren: de vorst vraagt: padu paran dènta wwat). 

In verband nu met den door Van Bloemen Waanders beschreven toestand 
op Bali (o. c. p. 201 — 202), zal men wel mogen aannemen dat de hier bedoelde 
padoe-zaken die kwesties zijn, welke hetzij door minnelijke schikking, hetzij dooi- 
de mindere hoofden (desahoofden) mogen beslecht worden, terwijl dan met pradata- 
zaken dezulke worden bedoeld, die bij een hoogere rechtbank in de hoofdplaats 
(welke dan ook) moeten worden aangegeven (1). 

(l) Men vergelijke Rouffaeb o. c. p. 152 en de manier van procedeeren p. 1. In sommige nieuwere 
Javaansche wetboeken, bv. in een mij toebehoorende Soerja-Alam, worden dertig- padoe- en dertig pra- 
data-zaken genoemd (p a m ë g a t ingpradata tigangdasaprakara,en kang t r i d a s a p a d o e 
pamëgate). In de „uitbeeldingen van processen'" vindt men op p. 72 de uitdrukking: „giniring ing padoe.'' 



UT 

Welke zijn nu die padoe- zaken? Volgens de Oendang-oendang Mataram 
(voor zoover ik althans uit de nogal verwarde gegevens, in dit fragment verstrekt, 
meen te mogen opmaken) twee rubrieken, en wel: 

1". alle particuliere geschillen of kwesties tusschen 's Vorsten onderdanen 
onderling, waarbij het Staatsbelang (de Vorst) in geen enkel opzicht betrokken is ; en 

2". die gevallen van diefstal, roof of verwonding, waarvan de dader reeds 
door boekti (zie boven p. 35 en 140) is aangewezen. Is de dader niet zoo duidelijk 
aangewezen, bestaat er alleen maar » verdenking" tegen den een of ander (zonder 
boekti dus), dim moet men de zaak aangeven, voorbrengen (apradaia) bij een 
hoogere rechtbank in de hoofdplaats. 

Tot de p r a d a t a-zaken, d. i. de zaken die men moet aangeven bij [een] 
de|r| rechtbank[enj in de hoofdplaats, worden gerekend: 

1°. alle zaken, waarbij de Vorst (het Staatsbelang) wordt geacht betrokken 
te zijn: daarvan worden hier genoemd: kwesties over land. dat eigendom is van 
of in pand genomen is door den Vorst, en alle gevallen van moord en doodslag: 

2". de reeds genoemde gevallen van diefstal, roof en verwonding, waarvan 

O cl O" 

de dader niet door boekti wordt aangewezen: zie o. a. p. 63 laatste alinea (1). 

De hier beschreven toestand verschilt in hoofdzaak noch van dien op Bali, 
noch in 't algemeen van wat men ook elders pleegt aan te treffen (zie Wilken, 
Strafrecht enz. p. 113); en er behoeft dan ook niet noodwendig verband gezocht 
te worden tusschen deze bepaling van de Oendang-oendang Mataram en het ontstaan 
van de Pradata genaamde rechtbank. Meer waarschijnlijk komt het mij voor, dat 
Pradata eenvoudig een nieuwe naam is voor een reeds lang bestaan hebbende 
rechtbank, een naam. die wel moet ontleend zijn aan het apradata, dat men er deed. 
Immers de Vorstenlandsche Pradata is toch niet anders dan de oude Rechtbank 
der djaksa's. die rechtbank dus. welke volgens de Drigama (zie boven p. 1 t4) recht- 
sprak. (In de «uitbeeldingen** wordt pradata reeds genoemd, o. a. p. 73 en 7 1). 

De drie »Articulen", op 50, onderaan, genoemd, zijn ontleend aan de 18 zaken 
die volgens de Hindoewetboeken tot processen aanleiding geven (astadaca marga, 
men zie bv. Manavadharmacastra VIII, 5). Twee der genoemde termen zijn zelfs 
verbasterd Sanskrt: k r ij a-w i k r ij a is 't S. hraya-vikraya = koop en verkoop; 
wetanjatan we t a n j a herinnert aan vetanasya (iwaca) adanam = niet betaling 
van loon. Over toewawa-tantoewawa zie men Jonker, aant. bij art. L02 en 
Kawi-Bal. Wdbk. sv. De twee laatstgenoemde termen zijn op zich zelf opmerke- 
lijk: ze schijnen wel gevormd naar analogie van kraya-wikraya. 

't Fragment uit de Oendang-oendang Mataram eindigt met een opmerking 
over de vergoeding voor het bewaren van het goed waarover geprocedeerd werd, 
door de winnende partij te betalen aan de djaksa's. die in haar zaak als rechten 
fungeerden (cf. p. 13). Sadjampel is volgens Wdbk. een halve Spaansche mat. 

(ji ik beu mij wel bewust dat deze poging om 't verschil tusschen padoe- en pradata-zaken 
aan te geven bij nadere beschouwing nog- veel onverklaard laaf.de teksl is hier ui,, duidelük. Misschien 
zal vers-elijkinji- van de oudere wetboeken ook in dezen licht geven. 



H 



14S 

Pag. 51 — 54. Dit hoofdstuk wordt besloten met eenige v o o r s c li ri t' t e n 
aangaande de wijze van procedeeren, aangifte enz. en eenige 
»reguls" voor de dj aks a's, (iets dergelijks dus als p. 14 — 49 bevatten). 

De fragmenten op p. 51 — 52 en 53 — 54 kunnen vergeleken worden met de 
»manier van procedeeren tot Cheribon" en met den inhoud van de meergenoemde 
contracten van de Compagnie met de Tjeribonsche vorsten (Tijdschr. Bat. Gen. 
XXXVII p. 445, 456 en 464): in al die stukken wordt omtrent de hier behandelde 
onderwei'pen nagenoeg hetzelfde gezegd. Het fragment uit de Radja Nistjaja op 
p. 51 — 52 vertegenwoordigt blijkbaar een Tjeribonsche redactie van dat wetboek. 
daar men er de Tjeribonsche plaatsnamen Gëbang en Dramadjeng (z= Indramajoe, 
Dérmajoe) in aantreft. 

De gedragsregelen voor de djaksa's op p. 52 en 53 verdienen vooral de 
aandacht om de daarin voorkomende ploka's en poëtische vergelijkingen. Dergelijke 
bloemrijke uitdrukkingen worden o. a. ook in de Djoegoel Moeda in verbaud 
met de djaksa's gebezigd. 

Dj ar ah is, evenals thans nog te Solo djarah-rajah, de technische term 
voor: » verbeurte van goederen'", zie p. 67. 69, 70, 99 en 108; 

K o e k o e t, dat thans vooral gebezigd wordt van koopvrouwen op de pasar in 
den zin van »haar waren bijeenpakken, opbreken" (cf. ons |den winkel] sluiten), 
vormt hier met djarah één uitdrukking, naar 't schijnt nagenoeg in dezelfde be- 
teekenis als djarah alleen. Men vindt djarakoekoed ook in 't contract van Tersmitten 
(Tijdschr. Bat. Gen. XXXVII p. 46<> r. 2::). 



HOOFDSTUK V (p. 54—71) Misdaden en Straffen. 

Dit hoofdstuk behandelt wat wij met »strafrecht" zouden kunnen aanduiden. 
Als algemeene inleiding hierop leze men Wilken's beschouwingen over het straf- 
recht bij de volken van het Maleische ras. en Joxker's opmerkingen in de inleiding- 
op zijn »Een oud-Javaansch Wetboek", p. 22 — 26. 

Pag. 54 — 55. In de eerste plaats worden besproken de »Doo d m i s d a d e q, 
behoor en de tot de Vierschaar der Priesters", of — volgens den 
Javaanschen tekst — prakawis dosa kisas, poeniha leléseraninij parapangoeloe karig 
angléseri. 

De Vierschaar der Priesters is — het werd bij p. 43 besproken — die Recht- 
bank, welke oudtijds volgens het wetboek Agama rechtsprak, doch later onder 
Moslimschen invloed zich langzaam moet hervormd hebben. Op zulk een invloed 
schijnt het hier gebezigde woord kisas ('t Arab. kisas) te wijzen, in verband met 
't feit dat de rechters parapangoeloe genoemd worden. Hoe gering evenwel die 
invloed — voorzoover het strafrecht aanging — inderdaad was, zal nader blijken. 

Zien we thans welke misdrijven het zijn. die aldus, als »doodmisdaden" 



149 

(dosa kisas) in hoogste instantie door deze opperste Rechtbank der Priesters worden 
berecht. Ze vervallen in twee categorieën, waarvan de eene de eerste zes, de 
andere de laatste drie bevat. 

De namen waarmede die eerste zes worden aangeduid, zijn alle verbasterd 
Sanskrt; en de aanteekeningen. door Jonker gemaakt bij art. 245 van zijn ond- 
Javaansch wetboek, doen zien dat hier die groep van zware vergrijpen is genoemd, 
waarvan de bedrijvers, in de Hindoe-wetboeken onder den term atatayi, d. i. 
»die het op iemands leven of goed gemunt heeft, een belager van iemands leven". 
samengevat, zonder vorm van proces door den aangevallene mogen gedood worden. 
A w i s a d a beantwoordt aan 't Sanskrt wisada, dat evenwel in 't Sanskrt- 
Wdbk. niet is opgenomen; wèl wisaddyaka ~ giftmenger. Anggënida beant- 
woordt aan 't S. agnida, brandstichter. Eehkawarna kan ik evenmin als de 
Heer Jonkeb verklaren. De vorm doet denken aan S. anekawarna. InKawi-Bal. 
W'dbk. s.v. saddlalaji leest men daarvoor atraivana (atarwana), dat herinnert aan 
A tharwa| weda |. Dat bet hier toovenaar of tooverkunst aanduidt, blijkt uit het 
citaat bij Jonkeb (men weet dat de Atharvaveda grootendeels tooverspreuken en 
bezweringsformulieren bevat). 

Paladara ing dja(h) is het maaksel van een onkundige. Par ad ara 
= eens anders vrouw, maar wordt in 't oud-Jav. ook gebezigd in den zin van 
echtbreuk, overspel, vrouwenroof, zie Jonker art. 134 met aant. Toen men het 
woord niet meer begreep, werd er duidelijkheidshalve ing dj ah, d.i. » van een vrouw". 
achtergevoegd. Radja wisoena beantwoordt aan 't S. picuna rdjasu. Awo da- 
kara, in 't S. meestal door caslrapdni aangeduid, is mij niet duidelijk : misschien is 
het een hybridische samenstelling uit het Jav. auued en Sanskrt (<i)kaia, dat men 
vindt in den oud-Jav. term »as(rodjatakara — ngamuk" bij Van dbb Tri k. 

De atatavi's worden in de verschillende Indische Wetboeken verschillend 
opgegeven, zie Jonker p. 222. doch dat doet hier minder ter zake. Dat zij ook 
op Java algemeen bekend waren, blijkt wel uit het door Joxkkk uit de Djoegoel 
Moeda geciteerde verhaaltje, waarover later (p. 1(30). 

Terwijl de Indische wetten leeren. dat al deze misdadigers door den aaiifjc- 
vallene mogen worden gedood, eischt het oud-Jav. wetboek (art. 245) dat de Vorsi 
hen doodt. In onze Pepakëm is het de Vierschaar der Priesters die hen ter dood 
veroordeelt en dat wel met gebruikmaking van het recht van kisas. Vgl. echter de 
artikelen op p. 31 — 34. Op p. 95 en 96 worden eenige misdaden genoemd als ressor- 
teerende ouder de Vierschaar der Priesters, die kunnen gerekend worden onder 
»awodakara" te vallen. 

De drie laatste artikelen schijnen van zuiver-Javaanselien oorsprongte 
zijn. Alle drie handelen over politieke misdrijven, vergrijpen direct tegen den Vorsi 
of den Staat gericht. Zie daarover Wiekex. Strafrecht p. 113- 11 (i: cl'. Vak BloïMKN 

\Y \ WDKliS p. 211. 

in angamboengi tel ik (Jav. tekst) moet ngamboenyi hetzelfde betee- 



150 

kenen als thans ngampoengi, evenals abibriman (p. 142, r. 2) =r apëpriman was. Ngam- 
poengi doerdjana wordt thans nog te Solo gebruikt in de beteekenis van »het slechte 
gedrag van iemand (b.v. van een bloedverwant) verborgen houden". Ook dit fragment 
uit de Radja Nistjaja wijst op een Tjeribonsche redactie, er wordt zelfs gesproken 
van paraguesli hang liliga. waaruit men zou opmaken dat deze redactie tusschen 
1697 en 1768 moet zijn vervaardigd, d. i. in of kort na den tijd van de in de 
Inleiding besproken contracten met de Compagnie. 

Pag. 55 — 56. Was de «Vierschaar der Priesters" volgens onze Pépakem in de 
eerste plaats een soort van Hooggerechtshof voor de zware crimineele en politieke 
misdaden, in de tweede plaats is ze rechtbank in hooger aanleg voor pradata-zaken. 
d. w. z. voor die kwesties welke oudtijds naar het wetboek Drigama (Adhigama) 
werden beslist door de burgelijke of wereldlijke rechters (hier kaï la genoemd, karta 
in de bet. van djaksa). indien de dader noch door «bewijzen" noch door getuigen 
overtuigend werd aangewezen, zoodat een beslissende eed noodig bleek (evenals 
de Soerambi of Hoekoem te Solo. zie Routtaeb o. c. p. 112 sqq). 

Onze Pëpakëm behandelt een bijzonder geval van dien aard onder 't opschrift : 
Lijfstraffelijke zaeken naast de dood. behoorende mede tot 

de Vierschaer der Priesters (oekoeman kang salhtgalt mati para- 

pa/igoeloe kang angtëseri). Indien ik wel begrijp is de bedoeling van dit artikel deze : 
Wanneer aangaande een misdaad van doodslag of zware verwonding slechte een 
jomana-getuigenis (cf. p. 35, het artikel over jomana, tweede alinea) kon verkregen 
worden, dan kon door de rechtbank der gewone burgelijke rechters — de rechtbank 
van de Drigama (Adhigama) — de aldus gebrekkig aangewezen vermoedelijke dader 
niet anders dan met een geldboete gestraft worden. Maar in zulk een geval kon 
de beleedigde partij in hooger beroep gaan bij het Hooggerechtshof van de »para- 
pangoeloe sëkawan" (1), die dan, door den getuigen een »grooten" eed (sapala) 
af te nemen — op de p. 16 beschreven wijze — aan het jomana-getuigenis kracht 
van bewijs verschaffen en aldus een zwaardere straf eischen konden, nl. het af kappen 
van de rechterhand. In den Hollandschen tekst wordt hier van kisas ('t Arab kisas) 
gesproken, doch de Javaansche tekst noemt dat woord niet (2). Intusschen leest 
men nog in hetzelfde artikel dat deze verminkende straf zelden of nooit werd 
toegepast. Trouwens, van verminkende straffen toonden ook in den ouderen tijd de 
Javaansche wetboeken een afkeer (Joxkki; p. 25). 



(H ..Van Drigama tot Agama treden noemt de Huil. tekst liet. Het Jav. agama kandi dening 
jomana, zal wel „jomana kandi dening agama" gelezen moeten worden. 

(2) Uitsluitend ter zake van moedwilligen, opzettelijken doodslag en in sommige gevallen van 
Lichamelijke verminking wordt in de Moslimsche Wet liet recht van den beleedigde of diens naasten 
erfgenaam, om bloedige weerwraak ikisa^j op den schuldige te nemen, nog erkend. Zie Dr. Th. W. 
Juijxboll. Handleiding tot de kennis van de RIohammedaansche wet. p. -297: cf. Dr. Snoück Hurgkonjb. 
Ind Gids 1881 II p. 54. v. d. overdruk. In hoeverre de vermelding van kisas en van 't afkappen van de 
rechterhand in dit verband als aanwijzing is te beschouwen van directen moslimschen invloed op liet 
oude Javaansche strafrecht, durf ik niet te beslissen. 



151 

Een bewijs, dat dit artikel een, zij het ook gedeeltelijk omgewerkte, oud- 
Javaansche bepaling is, levert o. a. ook de in den Holl. tekst gebezigde term Ja j a 
Prayaya, waarin men gemakkelijk 't Sanskrt jayapordjaya, d.i. «overwinning ot 
nederlaag, winnen of verliezen", herkent. Deze uitdrukking werd gebezigd om aan 
te dmden «lat partijen zich aan een godsoordeel onderwierpen (Kawi-Bal. 
Wdbk. s.v. en Catalogus Hss. Van der Tuük I p. 3, eerste kolom r. 5 v.o). De 
»groote eed met den alcoran boven 't hoofd" (zie p. 16) is dus ook hier in de 
plaats van het Indische godsoordeel (of den Indischen eed, cf. boven p. 43 en 
Jonkeb p. 20b"— 207) getreden; de naam sapata (9apatha) is echter gebleven. 

Pag. 56 — 57. Een opmerkelijk stuk is de »Articul die thans in de 
Papakkum werd ingelijfd, om voortaan tot een wet te dienen," 
een in geen der andere wetboeken voorkomend artikel dus, eerst thans opgenomen. 
Men vindt bier aan zekere groepen van personen, nl. 1°. zoogenaamde moslimsche 
geestelijken; 2". afstammelingen -van den profeet, den moslimschen adel, en 3°. 
personen dit' zich door een van moslimsch standpunt bijzonder vromen levenswandel 
onderscheiden, uitdrukkelijk het privilegie toegekend om, behoudens enkele restricties, 
uitsluitend door de Koekoem, d.i. den pcngoeloe-imam als qadhï optredend (1), dus 
volgens de moslimsche wet, gericht te worden, 't Verdient de aandacht dat hier 
niet wordt gesproken van »pëngoeloe sëkawan," doch van koekoem ; er wordt blijkbaar 
onderscheid tusscheu beide gemaakt. Terwijl de pëngoeloe sëkawan een rechts- 
college vormden, dat beantwoordde aan de oude priesterrechtbank van den Hin- 
doetijd, is de koekoem de pëngoeloe, die voor zoover hij de functies van den qadhl 
uitoefent, volgens de moslimsche wet rechtspreekt. Deze bepaling kan — dat behoeft 
geen betoog-- niet anders beoogd hebben dan bestaande doch nog niet officieel 
gesanctioneerde toestanden onder controle van de wet te brengen. Ongetwijfeld genoten 
ook in Tjeribon reeds sinds langen tijd de lieden van de »kaoeman" zekere voorree li ten. 
evenals dat over geheel Java zelfs thans nog kan geconstateerd worden: de kaoem 
stond overal min of' meer boven de adat. 

Van belang is de vermelding in den Javaanschen tekst van pabën-taluk en 
fiüben-waris, kwesties over echtscheiding en erfrecht, omdat er uit blijkt, dat in dien 
tijd het huwelijks- en erfrecht in Tjeribon reeds onder de controle van den pëngoeloe. 
de hoekoem, geraakt was. 

De Javaansche tekst, die hier en daar niet parallel loopt met de Hollandsche 
vertaling, is mij op enkele plaatsen niet volkomen duidelijk. 

De vijf genoemde categorieën van zoogenaamde geestelijken vatten de Javanen 
wel samen onder de karakteristieke benaming poenggaiva masdjid. 

De Hollandsche tekst verzuimt »kaoem" te vermelden, doch ooemi 'va plaats 
daarvan »Madana": in 't Jav. staat echter, »kang ojata madanane". Wat mei 



dl Zie het boven reeds geciteei'de artikel van Dr, Snouck Huhoronje In rle Ind, <'-i'\-. 1884 I 
p. 415- UT. 



152 

dit madana bedoeld kan zijn, begrijp ik niet. Volgens 't Jav. TVdbk. zon er 
»een klasse van lieden in Tjërbon" mee aangeduid worden. 

De » Rechtbank der Jaksa's" wordt hier weer fcarta genoemd: karta schijnt 
in den lateren tijd op Java met djaltsa verward te zijn: op Bali duiden deze termen 
nog verschillende functié'n aan (cf. p. 144 en 150). 

De Hollandsche verklaring van Said (sajjid) en Sari p (sjarief) is in overeen- 
stemming met wat Dr. Snouck Hurgronje in de Atjèhers I p. 158. noot. daarover 
opmerkte. Wong ngibadah en wong saleh zijn bekend genoeg, al verrast ons ook 
het Hollandsche Padrie Jang Salieh met de bijgevoegde verklaring. 

In W ong war a n g i ('t Hollandsche Padrie Jang Waraing) is warangi aan 't 
Arab. wara° (c,.) ontleend, dat beteekent: vroom zijn. zich onthouden van alles 

wat verboden of ongeoorloofd is. De term is dus practisch = ons »de tijneu ". 

Pag. 57 — 71. Het laatste, verreweg 't grootste gedeelte van dit hoofdstuk is 
gewijd aan de »M i n d e r e lijfstraffelijke en geldbreukige z a e k e n". 
dat zijn die zaken, welke niet — als de boven besprokene — voor de »Yierschaer der 
Priesters'' doch of voor de burgelij ke rechtbank der djaksa's berecht, of onmiddel- 
lijk door de mindere hoofden kunnen afgedaan worden. De Javaausche tekst van 
het opschrift zegt zeer duidelijk : „Poenika prakawis sakalahing dosa kang dode hoekoem 
pedjah, kant/ kaoekoem badanipoen kewala, poenapa malih kang dateng denda pidana 
kentasa" (1), onderscheidt dus nadrukkelijk deze minder ernstige misdrijven en 
vergrijpen, die slechts met lijfstraf, boete of verbanning gestraft worden, van de 
op p. 54 — 56 genoemde zware doodmisdaden. welke door de parapangoeloe sekawan 
behooren te worden berecht. 

De- straffen, die volgens de hier besproken artikelen kunnen worden op- 
gelegd zijn : 

1°. Boete [denda), waarvan de hoegrootheid wordt uitgedrukt in realen 
{re/a! of aria). Soms wordt onderscheiden een boete voor 't rijk en een boete 
voor de djaksa's (p. 60). Hiertoe zou ook gerekend kunnen worden de verbeurte 
van goederen (djarah, zie aantt. bij p. 53). 

2°. Geeseling (kasapué). die zwaar of licht kan zijn (p. 04 — 05). 

3°. Brandmerken (kaeljap). 

4°. Verzending in de ketting (kabirat ing paranlejan), levenslang ol 
voor een bepaalden tijd (ngangge wawangen), p. 05 en 00. 

Van de boete dient onderscheiden te worden de pakolilt. de schadevergoe- 
ding of schadeloosstelling voor den benadeelde, die. naast de boete, wordt 
opgelegd in gevallen waarin benadeeling. schade heeft plaats gehad. De Heer Jonk eh 



i ü ë i.i 'J a ij i d a ii a k e n t a * a schijnt \\ el ecu staande uitdrukking te zijn. Pidana (S. pidana) 
kan zoowel .straf in 't algemeen als lichamelijke straf, pijniging aanduiden. Kent a sa moet bier wel den 
zin hebben van ..verbanning", maar etymologisch is het woord mij niet duidelijk, tenzij mag worden 
aangenomen dat het eenvoudig 't woord ken tas is. niet een onder invloed van denda pidana 
toegevoegde a. Zie echter ook Kawi-Bal. Wdbk. s. v. 



oo 



heeft iu de inleiding van zijn »Een oud-Javaanseh wetboek" f waarin ook schadever- 
goeding naast boete geëischt wordt) aangetoond, dat in zulke gevallen de hoete aan 
den Vorst of den Staat de straf is volgens het Indische recht, daar dit aan een 
misdrijf een publiekrechterlijk karakter toekent, terwijl de schadeloosstelling de eigen- 
lijke oud-Javaansche straf is volgens het minder-ontwikkelde inlandsche recht, dat 
de misdaad uitsluitend of in de eerste plaats beschouwt als een beleediging of 
benadeeling. den getroffene (of zijn verwanten, familie of stam) aangedaan, zoodat 
door dezen een compositie geëischt wordt (Jonkeb p. 22 — 24. cf. Wilken, 
Strafrecht p. 85 sqq). Ook in de Pepakëm vindt men dit beginsel geregeld toe- 
gepast. Soms wordt een dubbele pakolih geëischt. bv. p. 58 eerste alin. : pakolihc 
amoeloeng, en cf. p. 19. De beteekenis van pakolih blijkt uit 'toud-Jav. mulih 
en olih in artt. 238 sqq. bij Jonker. 

Waar vermogensstraffeu de voornaamste rol vervullen in het ons hier be- 
schreven strafrecht, is het verklaarbaar dat de Javaansche wetboeken het onderwerp 
» boeten en schadeloosstellingen" zeer minutieus behandelen; en zoo hebben dan 
ook de compilatoren van de Pepakëm aan de eigenlijke strafrechterlijke bepalingen 
eenige artikelen over rlentfa en pakolih doen voorafgaan, ontleend aan de Oendang- 
oendang Mataram. de Djaja Léngkara en de Kadja-Nistjaja (p. 57—63). 

Pasr. 57. Allereerst wordt een staat gegeven van de o u d e r 1 i n g e v e r h o u- 
d i u o- d er boete n. d o o r p e r s o n e n v a n v e rschille n d e n r a n g te 
betalen, 't Javaansche opschrift: »poenika-oenggoeh ing denda tjatoer-djalma" , verraadt 
dat deze bepalingen aan Indische wetboeken zijn ontleend of daarnaar zijn gevolgd, want 
tjdtoer djalmn — tjatoerdjanma = de 4 kasten: cf. Jonkeb art. •220-224 met de aantt. 

Talaga wordt ook genoemd in Tijdschr. Bat. Gen. XXXVI] p. t65. In 
plaats van kandaga lante zegt men tegenwoordig te Solo =. epok lampit. 

De uitdrukking wong winongakën is te vergelijken niet het meer 

bekende baloer-binatoerake. 

Pag. 57 laatste al. De verklaring van pringga laat aan duidelijkheid niets 
te wenschen over. Wat den aard van het misdrijf betreft, vgl. p. 55, 4e al. en 

p. 114 laatste al. 

Pag. 58, Ie helft. De hoeten voor verschillende graden van kwet- 
suren vindt men ook bij Jonker, art. 59—61. en 225 sqq. Zie vooral diens aant. 
bij art. 59. D j i n a w al a n wordt elders, bv. p. 60 r. 0. beter djinamalan geschreven 
(uit een als oud-Passief opgevat S. djanamala: op p. 61 leest men andjamalani). 

Pag. 58. 2e helft. Boeten op het violeeren van vrouwen, die ver- 
schillen al naar gelang bedrijver en slachtoffer gehuwd, ongehuwd of weduwe 
(weduwnaar) zijn. De Holl. vertaling stemt niet volkomen overeen met het Jav. 
Violeeren wordt hier uitgedrukt door masa-masa, zie v. d. Tuk s. v. wava. 

Pag. 59, Ie al. Boeten op verschillende verwondingen in gevecht. Dn 
artikel is° nagenoeg = art. 230 bij Jonker, dat naar hij aanwijst, is vertaald ui. 



154 

Manavadliarmacastra VIII, 280 en 287. Ook de uitdrukking patiba(n) djampi 
vindt men daar. Biksa (8. bhiksa ?) van regel 1 begrijp ik niet. 

Pag. 59, 2e al. Boete opgelegd aan de kampoenggenooten van een 
toovenaar (volgens den Holl. tekst: omdat zij daarvan hadden moeten kennis 
geven). De Jav. tekst noemt behalve toovenaar (titijang sagéd aiteloeJi) ook nog 
tjora (= spion? zie Kawi-Bal. VVdbk.). dat in de hier niet geheel juiste vertaling 
niet opgenomen is. De kampoenggenooten worden solidair aansprakelijk gesteld, 
hier dus nog een voorbeeld van wat Wllken adat tanggoengan noemt (ef. p. 37 art. 3). 
De boete voor kampoenggenooten tevens familieleden is hooger dan voor niet- 
fainilieleden. 

Pag. 59. 3e al. Boete op het uitrukken van grensteekens. Zie 
Jonker art. 144. In de Indische wetboeken wordt een geheele paragraaf gewijd 
aan kwesties |tusschen twee dorpen | over grensteekens (s'uiia). Zie Manavadharma- 
castra VIII, 245 — 265. Zie ook beueden bij p. 106. 't Woord manik in deze betee- 
kenis ken ik niet. 

Pag. 59, al. 4 en 5 eu p. 60 al. 1 . Boeten op onrechtmatige handelingen 
tegenover een pandeling (sang/w!). Tegenover pandelingen is »verligting 
van hun schuld" (oelange kasoedakaken), wat tegenover vrije lieden pakohh is. Over 
't woord sang koel zie men Kawi-Bal. VVdbk. en de woordenlijst van De Nooy s.v. 
Opmerkelijk is hier 't gebruik van pamadjikan. 

Ten slotte een indeeling der boeten in drie klassen, naar gelang 
der grootte: in verband daarmee zijn ook de verwondingen in 3 klassen ingedeeld. 
Zie Jonker art. 59. 61 en 230. Ook in de Adhigama wordt zulk een indeeling dei- 
boeten in 3 klassen gevonden, zooals blijkt uit het citaat in den catalogus der 
Hss. v. i). TüüK, lp. 1. 

I 'ag. 60. Na de boeten worden de p a k o 1 i h, de schadeloosstel- 
lingen of schadevergoedingen besproken. 

p. 60 — 61 . Eerst : Vergoeding voor d ' o neer van slaen en 
schelden, in 't Jav. pakolihipoen titijang katig djinamalan. Over djinamalan zie 
boven bij p. 58. De Ind. Wetboeken behandelen beleedigingen als hier bedoeld 
onder 't hoofd vakparus va. d. i. beleedigingen met woorden. Zie Manav. VIII 
266—277 en Jonker art. 219—224 (in beide --de artt. 219—^14 bij Jonker 
behooren tot het direct uit 't Sanskrt vertaalde gedeelde - wordt boete geëischt, 
terwijl hier uitsluitend van pakolih sprake is). Ook de pakolih is verschillend al 
naar gelang van den rang des beleedigden. De lijst daarvan geeft dus tegelijk een 
overzicht van de titels der ambtenaren en hoofden. Krelini, dat ook op p. 109 
genoemd wordt, en oendasara zijn mij van elders niet bekend. 

Typisch Javaansch is de hooge boete voor beleediging vande mis maakt e n. 
daar dezen het speciale eigendom van den Vorst ziju. Men zie wat Dr. Brandes 
daarover zegt in Tijdschr. Bat. Gen. XXXII p. 592- — 594 en daar geciteerde 



I;. 



.10 



literatuur (1). Eigenaardig is hier het gebruik vau r a dj a p e n i. waar anders meestal 
palawidja het woord is dat deze hofnarren (amengamongan ing ratoe) aanduidt: trouwens. 
in eigenlijken zin behooren tot wat men radjapeni noemt, ook palawidja. Zie Wintki;. 
samenspraken I p. 88 r. 5 sqq. en cf. Jav. Wdbk. 

Palikang wordt in de door Dr. Brandes besproken oorkonde palékang ge- 
speld. Het wordt door Javanen wel verklaard als »dwerg met uitstaande beenen". 

Napas heeft betrekking op de huidkleur. 

Tinggil zon, naar mondelinge mededeeling, »inet een stijven, scheeven nek" 
aanduiden (ongeveer — tengeng en nengklek). Wat met betval in Bewat kaprabon 
bedoeld wordt, is niet zeker: waarschijnlijk zal het 't bekende Jav. bawat zijn. 

Pag. 61 — 63. Daarna volgt een lijst van taxatie van Beesten en Vogels 
des konings, en Boom en |des Konings?], aangevende hoeveel realen ingeval 
van diefstal als schadevergoeding (pa/tolih) moeten betaald worden, een lijst die dus 
ongeveer als een inventaris is te beschouwen van wat er in de 18 de eeuw aan vee. vogels 
en vruchtboomen in de dalem van een Javaanschen Groote alzoo werd aangetroffen. 

Over den term püikiw&n, zie Jonker o. c. aantt. bij art. 87 en 230, Prof. 
Viikkdk. Catalog. Jav. Hss. p. 33*9, noot en Kawi-Bal. Wdbk. s. v. iwi. 

Gimbal heet tegenwoordig gembcl. 

Tanggüing, thans trenggiling, evenzoo (inggaloeng, thans trènggaloetig, d. i. 
de rasé. 

Palaküri wordt ook thans nog gebezigd in den zin Tan vruchtboonien, cf. pal«- 
kirria; zie nog Jonker artt. 45 sqq. en 2'37 sqq. 



Pag. 63 — 7 ! . Kerst nu volgen de » m i n d ere 1 ij f s t r a f f e 1 ij k e e n 
geldbreukige zaeken", reeds op p. 57 aangekondigd, in 't kort alle misdaden. 
waarop niet de doodstraf staat. Hier worden dan, evenals trouwens in alle ons bekende 
oudere Javaansche wetboeken- men vergelijke de beide redacties van de Soerja Alam. 
van Rafeles en van Van deb Hout, en de inhoudsopgaven in Prof. Vreeue's Catalogus 
eenige groepen of categorieën van om de een of andere reden onder ëén hoofd gebrachte 
misdaden opgegeven. De misdaden worden aangeduid met termen, welke slechts 
gedeeltelijk te verklaren zijn. Ook van deze - ik verwijs overigens naar het op p. 13"! 
opgemerkte — zijn sommige oud-Javaansch, andere bijna onherkenbaar geworden 
Sanskrt-woorden. Enkele daarvan werden zelfs in de oud-Javaansche wetboeken al 
niet goed meer begrepen, en zijn daardoor later op zeer verschillende gevallen toe- 
gepast: een voorbeeld daarvan is het op p. 63 vermelde amrakëneng, dat volgens 
V \n Bloemen Waanwees thans op Bali beteekent : »een vrouw schaken in den vroegen 
morgen". We zullen thans elk dier groepen afzonderlijk bespreken. 

Pag. 63. Zeven articulen van Rooff. [n de Djoegoel-Moeda (mijn 
handschrift) is uit de hier genoemde termen een verhaaltje gemaakt, op de wijze als 
dat van de asladoesla, zie Jonker, aant. bij art. 1; volgens dat verhaal zou mrakenmg 



fl) (ï. Rouffabk ï ii de Encyclopaedie v. Nederl. Ind, s.v. „Tochten" i>. 37: 



ongeveer — njëndal zijn. Voor angoeljoeri zie men Kawi-Bal. Wdbk. s. v. oeljoer. 
De aandacht verdient de strafbepaling. Is de zaak trang, d. \v. z. de dader 
duidelijk aangewezen, dan wordt [door mindere hoofden?] de gebruikelijke lijfstraf 

direct toegediend. Is de zaak niet trang, d. i. indien de dader niet door een wettig 
bewijs van schuld overtuigd is, dan wordt ze pradata, en door de Karta (de Recht- 
bank van djaksa's. de latere Solosche Pradata) berecht. Hier dus een mooi voorbeeld 
van het onderscheid tusschen padoe en pradata (zie bij p. 4*.»). Vgl. overigens p. 31 — 32. 

I 'ag. (34. Nog zes a r t i c u 1 e n vanMalieng, behelzende d i v e r s e 
misdaden. Deze schijnen zeer algemeen bekend te zijn. men vindt ze o. a. ook 
in de Soerja Alam van Van dbb Hout, p. 21 en 2!'. 

De Maling alma (zielroover — moordenaar) behoort feitelijk met den dood 
gestraft te worden, en wordt dan ook door de parapangoeloe sekawangevonnisd. cf. ]>. 04. 

Maling arep wordt ook op p. 89 genoemd. 

Op welk een zonderlinge wijze deze termen dikwijls ontstaan zijn — gevolg 
van de zoo bij uitstek Javaansche zucht tot spelen met woorden — daarvan geeft 
de uitdrukking maling alimpoeli een voorbeeld. Letterlijk beteekent dit »dief die 
met de beenen over elkaar geslagen zit". Hiermee nu wordt de oneerlijke goud- 
smid aangeduid, omdat hij het hem toevertrouwde goud en zilver vervalscht. terwijl 
hij in de tinipoeh-houding gezeten zijn werk verricht ! 

De geeselstraf blijkt hier te worden voltrokken op de aloen-aloen. is dus 
tevens een schimpstraf (?) 

I 'ag. (34 — 65. X o g drie articule n v a n M a 1 i e u e o f f d i e f f s t a 1 1 e n. 
Op te merken is. dat 't stelen van pari toempoekan zwaarder gestraft wordt dan 't 
wederrechtelijk snijden (anganeni) van pari adcgan. In 't eerste geval mag de dief. 
op heeterdaad betrapt, indien hij zich verzet (cf. p 31—32) gedood worden: levend 
gevangen wordt hij gegeeseld. Maar zonder kennisgeving aan de bevoegde auto- 
riteit mag hem niet 't hoofd afgesneden worden. Deze restrictie zal wel samen- 
hangen met het bijgeloovig ontzag, dat men van oudsher op -lava voor het hoofd 
koesterde. Men zie o. a. Rouffaer's noot 20 bij Winter's Beschrijving van Soe- 
rakarta. Bij dr. Kou. Inst. 6 X p. 105. Zelfs tegenwoordig wordt te Solo zelden 
het Xgoko-woord endas gebezigd ter aanduiding van het hoofd van een aangesprokene, 
ook al is deze minder in rang dan de spreker: wie niet met opzet ruw wil 
zijn, bezigt in zulk een geval 't Krama-woord sirah : 't zelfde geldt van mata en 
mripat met betrekking tot de oogen. 

Bjaivara. thans bajawara uitgesproken, is wel het Sanskrt uyavahara. 

Pag. bó — ■ (37. Een en twintig Articulen van medepligtige in 
't q u a a cl d o e n. Ook deze zijn zeer algemeen bekend : zie o. a. Raitles en bij V. n. 
Hout p. 29, 45. 18. Ze zijn een uitbreiding Aan de in de oud-Javaansche wet- 



I 



O I 



boeken bekende astadoesla (de 8 booswichten of misdadigers); uit de termen blijki 
dat die inderdaad de kern van deze paragraat' vormen, maar tevens, dat in deze 
lijst de hoofdschuldige, de doerdjana of doesta zelf. niet genoemd wordt, vandaar 
dat de Holl. tekst hier slechts van » medeplichtige in 't quaad doen" spreekt. 

Jonker spreekt uitvoerig over deze astadoesta in zijn aant. bij art. 1 : »uit 
de minder gewone vorming van eenige dezer termen -- zoo zegt hij op p. 164- zou 
men kunnen besluiten dat ze niet rechtstreeks aan een Indische bron ontleend 
zijn". Vgl. verder de corrupte (doka uit de Adhigama, door v. n. TuUK in zijn 
Kawi-Bal. Wdbk. geciteerd s. v. astafdusta] : »hingcakah Ijoddekali bhoktnh bhodjekah 
sakdljarakah (sahakdrüa), prüikah sldnadah Iralah" met de hier genoemde termen. 
Op 't uit deze termen gemaakte verhaaltje in de Djoegoel Moeda vestigde Jonker 
eveneens de aandacht. Zie verder nog Jonkeb art. 2 en 21 — 32, Bbandes, Oatal. 
Ilss. V i). Tri k II p. 98—99, en Prof. Vbeede, Catal. p. 335. 

In de uitdrukking »kabiral ing paranlcjan Soeraltarta", is Soerakarta = 
Djajakarta — Djakarta -= ons Jakatra, zooals Dr. Brandes bereids aantoonde in 
Tijdsein-. Bat. Gen. XXXV11 (1894) p. 425 en 451. De bedoelde misdadigers 
werden dus kettingjougeus bij de Compagnie. 

Paar. 67 -68. Vier articulen van Overlast en Moet wil. 

In de [ndische wetboeken is «geweldpleging". Sanskrt sdhnsa, een van de 
IS rubrieken van zaken, die tot processen aanleiding geven (zie Mauavadh. VIII <i). en 
is dus een gebeide paragraaf daaraan gewijd (ibid. VIII 344 — 351). Dat niet alle 
wetboeken onder sabasa hetzelfde verstaan, zette Jonker uiteen in zijn aant. 
bij art. 33. Tevens citeert hij uit de Naradasmrti een verdeeling van sahasa- 
daden in •'! klassen, nl. die van den eersten, middelsten en hoogsten graad. Dat- 
zelfde leert de Adhigama volgens een citaat in Kawi-Bal. Wdbk. s. v. sabasa. 
waar genoemd worden pralhamasaliasa, madlijaniasakasa en tUlantasaltasa. voor elk van 
welke graden verschillende boeten zijn vastgesteld, zie ook Jonker artt. 33- 42, 
en de aant. bij 't laatste. 

Op grond van het bovenstaande mag worden aangenomen, dat het ma(ng)- 
angsa-angsa van de eerste drie der vier hier besproken articulen door verknoejing uit 
sahasa ontstaan is (misschien uit ma 4 sahasa, masa(h)asa, masa-asa, mangsa-angsa ?); 
in nista ma(>icj)an<j.sa-an<jM beantwoordt nista aan 't zooeven geciteerde pmlhanw. 
wat geen bezwaar geeft. 

Pasoemanger is zeer juist vertaald: zie sénger en soemêngeren in 't Jav. Wdbk. 

Wat de Javaansche wetboeken door a m o e k (k) ap o e n ggo e n g. d. i. »in 
't wilde, als een dolleman verwoed aanvallen" aanduiden, is ongeveer betzelfde als. ot 
een bijzonder soort van. 't Indische sahasa. Zie nuk beneden p. 90 en boven 
p. 24. Of. Jonker artt. 38 en 39. 

Pag. 08. Y ij f ar t i C u Len van s 1 a e n e n s c h e 1 d en t u s s c h e n v r o u- 



L58 

wen. die gestraft worden met boeten na de rang der personen. 
De .Tav. tekst ontbreekt. 

In de eerste twee termen zal tjandala misschien tjapala moeten gelezen worden, 
hoewel de verwarring tusschen beide woorden dan toch van oude tijden dateert. Zie 
Jonker o. c. p. 20 noot en Ivawi-Bal. Wdbk. s. v. tjandala. Asia is wel S. hasta, hand. 

Sabdapoeroesa = vdkpdrusya, zie Jonker p. 20, art. 2206, en p. 172. 

Istri sanggraha is 't S. strisamgrdhana, in de Indische wetboeken titel van de 
paragraaf over overspel, zie Manavadharmacastra VIII 6 en 352 — 385. Voor aula 
sanggraha zou men strisanggraha willen lezen. 

Er heeft hier verwarring plaats gehad tusschen samgraha en \stri\mmgrahana. 
Trouwens, de eigenlijke beteekenis van het laatste wordt ook in de oud-Javaansche 
wetboeken — voorzoover althans de niet direct uit het Sanskrt overgenomen artikelen 
betreft — niet begrepen. Zie Jonker p. 15. vgl. in zijn wetboek art. 142 met art. 247. 

Na dit vijftal volgt nog één artikel betrekking hebbend op overspel, 
dus strisamgrdhana of — bij Jonker art. 134 — paradara (cf. aant. bij p. 54). Over 
hetzelfde onderwerp zie bij p. 91 en 92, en boven p. 43 — 44. 

Pag. 69. Zeven ar tic uien van private lijk en op eigen autho- 
riteit regt te oefenen. Alle zeven termen hebben als eerste lid walat. Dit 
walat is ontstaan uit 8. baldlkdra, dat » gewelddadig optreden, gebruikmaking van 
geweld" beteekent. Op Java werd balat tot walal en als een zelfstandig woord beschouwd 
met ongeveer dezelfde beteekenis als sdhasa, waarmede het dikwijls afwisselt. Daar 
baldtlcdra, tot walatkara geworden, werd opgevat als een — Javaansche — samenstelling 
van dit walat met kara (waarin men dus walat als hoofdwoord beschouwde), maakte 
men nu ook andere samenstellingen met walat als eerste lid : van daar de 7 termen 
hier. De beteekenis schijnt zich eenigszins gewijzigd te hebben : autoritair optreden, 
o-ezasrsaanmatiffiuff beteekent liet hier. Zie Jonker aant. bij art. 34 en de artt. 
34 — 36, 244 en vooral 157. In de Djoegoel-Moeda is ook uit deze termen een 
verhaaltje gefabriceerd, waarin o. a. Kara, Paksa. Walad en Leka als handelende 
personen optreden. 

Walat saksa (Jav. walal aksa) zal wel walal paksa moeten zijn. zooals 
de Djoegoel-Moeda dan ook leest. 

Leka is het S. lek ha r= brief. 

Men ziet hier de waarde, waarop een mensch getaxeerd is (dênda sarengganing 
wong): 33 r. voor een man, doch slechts 22 voor een vrouw. Cf. de dubbele 
menschenprijs op p. 61. Wie zich aan walatpatja schuldig maakt, wordt blijkbaar niet 
als een moordenaar beschouwd, anders zou de doodstraf op hem moeten toegepast worden. 

Pag. 69 — 70. Twee artikelen over het laten ontsnappen van 
een gevangene. Eén Joeta. d.i. één millioen. wijst op het vroeger gebruik 



159 

van een andere munteenheid dan de overigens hier constant genoemde reaal : misschien 
kepeng? Zie Jonkek p. 164. De vertaling van het tweede artikel is niet juisi : 
volgens den Jav. tekst wordt in 't tweede geval (ontsnappen zonder amok) niet de 
cipier, maar worden de medegevangenen beboet, elk met Ui r. 

I >e beteekenis van karad zal hier wel »ontslagen M zijn: zie Jav. Wdbk. s.v. arad. 

Pag. 70 — 71. Zes Articnlen van Sangraha, off overlast te 
pleegen, te straffen met de boeten vermeld op Pag. 31. 

De beteekenis hier aan sanggraha toegekend, is mij niet duidelijk, doch schijnt 
practisch nagenoeg = sahasa, walqt of parusya te zijn. 

Art. 1. rf. Jonker artt. 48 en 66, en art. 217. 

Art. -\ zie ]>. ('2. laatste alin. 

Art, 4. cf. Jonkeb artt, 38, 39 en 68, en de Pëpakëm p. 108 en 109. 

De laatste twee artikelen zijn niet gelijksoortig met de vier voorafgaande : 
immers lokika en lidarsa bepalen niet den aard van het in 't algemeen met sang- 
graha aangeduide misdrijf, doch hebben betrekking op de meerdere of mindere vol- 
ledigheid van het bewijs, zie boven p. 135 en cf. beneden bij p. 91 en 109. 

Paff. 71. Dit hoofdstuk wordt besloten met één articul over het stelen 
van de kris uit de scheede, een voor Javanen ernstig vergrijp. M i I a is milah, 
zie Jav. Wdbk. s. v. wilah. 



TWEEDE GEDEELTE. 

HOOFDSTUK I (p. 71—85). Diverse Uitbeeldingen van 
Processen, n e e v e n s verscheidene wetten getrokken u i t d e 
I 1 a p a k k u m J a j a L anka r a. 

De Hollandsche titel belooft te veel, want men vindt bier niet anders dan 
»uitbeeldingen". Juister is de Javaansche titel: l;oedjaning titijang ngnpaben hang 
dados pangnnggc. verbalen van processen, die | als voorbeelden of antecedenten] gebruikt 
worden |bij de rechtspraak |. 

Over verschillende redacties van de Djaja Lëngkara maakte Dr. Brandes 
eenige opmerkingen in zijn meergemelde Nota (Not. Bat. Gen. 1894 p. 54); den 
inhoud van een aldus genoemd wetboek bespreekt Prof. Vreede in zijn Catalogus 
p. .338: in het Leidsche H.S. schijnen de » Uitbeeldingen" evenwel niet voor te komen. 

Over het voorkomen, den oorsprong en de bedoeling van verhalen als deze 
» Uitbeeldingen" werd in de Inleiding (p. 125 — 126) reeds het een en ander opgemerkt. 

De oudste oucl-Javaansche wetboeken bestonden uit aan de Indische dharma- 
castra's ontleende eloka's (epische strophen, verzen in het cloka-metrum) met Javaansche 
paraphrase. In die eloka's werden dikwijls categorieën van misdadigers met korte 
termen aangeduid, welke dan in de Javaansche paraphrase verklaard werden. Zulke 
Sanskrt termen, eigenlijk soortnamen, konden voor de Javanen van later tijden, die 
ze als ivoorden niet goed meer begrepen, het karakter van eigennamen aannemen. 
En nu schijnt men in dien lateren tijd verhaaltjes van gepleegde misdaden en van 
de daaruit gevolgde procedure te hebben verzonnen, waarin aan elk der optredende 
personen een naam werd gegeven, die de misdaad aanduidde waarvan hij of zij in 
dat verhaaltje als de bedrijver, of als het slachtoffer, werd voorgesteld. 

Zulke verhaaltjes, waarin ook duidelijk de afloop van het proces, d. i. de 
opgelegde straf werd aangegeven, konden dus dienst doen eensdeels als heugverhaal 
(cf. ons: heugvers), om de oude wetenschappelijke, juridische [Sanskrt] termen 
te onthouden, anderdeels als voorbeelden voor de rechters, waaruit zij konden opmaken 
hoe bepaalde moeilijke gevallen moesten gevonnisd worden, als antecedenten dus (1). 

Op deze wijze zijn ongetwijfeld de eerste juridische verhaleu ontstaan. In de 
I )joegoel-Moeda worden er nog eenige gevonden, die zich onmiddellijk als ouderwetsch, 
als echt doen kennen, omdat de namen der optredende personen, aaneengevoegd. de 
oorspronkelijke Sanskrt-cloka die tot 't verhaal aanleiding gaf vormen, zij 't ook 
met vele fouten. Dr. Jonkeh heeft op twee der merkwaardigste reeds de aandacht 
gevestigd, nl. op dat van de astadoesta (zie boven p. 157) en dat van de atatavï 

(.1) Men clenke aan den <>ofc i>ij ons y.no bloeienden antecedentcn-cultus ! 



161 

(boven p. 148 — 149). Het laatstbedoelde verhaal begint aldus : » Er was eens een ver- 
metele landlooper, Tataji geheeten. Deze stak het huis van A gn i d ah in brand, en 
vergiftigde vervolgens Wisadah. Daarop betooverde hij Pa tra, en stak diens 
vrouw Pani dood enz." A<ini<l(t nu beteekent brandstichter, wisada is veroifo-ever. 
gifmenger, terwijl patlrapani = castrapani »die het wapen in de hand houdt", d.i. aniok- 
maker beteekent (cf. aant. bij p. 54, waar in plaats van pattrapani, awodakara gelezeu 
wordt). Ter kenschetsing van de wijze waarop men te werk ging is dit staaltje 
voldoende : overigens leze men Jonker p. 163 — 164 en 222, en vgl. mijn aant. bij p. (iü. 

Toen langzamerhand ook andere dan de direct uit de dharmacastra's ontleende 
cloka's (of cloka's genoemde verzen) in de Javaansche wetboeken een plaats gevonden 
badden, werden ook daarop soortgelijke verhaaltjes als de bovengenoemde gebaseerd. 
En eindelijk werden, bij den wederzij dschen invloed, dien de zedekundige en didactische 
(vooral de fabel-) literatuur èn de rechtsliteratuur op elkaar uitoefenden, ook nu 
en dan didactische verhalen en fabels in de Javaansche wetboeken opgenomen, ter 
illustratie van zekere rechtskwesties of juridische beslissingen (vgl. boven p. 126 noot). 

Dit is wel. in ruwe omtrekken, de verklaring van het voorkomen van verhalen 
als onze » Uitbeeldingen" in de nieuwere Javaansche wetboeken; meer in bijzonder- 
heden kan thans niet getreden worden. 

De twintig » uitbeeldingen" nu behooren nagenoeg alle (uitgezonderd No. 1 en 
No. 20, zie beneden) tot die groep van juridische verhalen, die expresselijk voor 
het doel gemaald, verzonnen zijn, en steunen niet zooals enkele in de Djoegoel 
Moeda — op de gemakkelijk te herkennen Sanskrt cloka's. maar op veel erger 
bedorven, op .Java gemaakte, meer nieuwerwetsche (dikwijls oneigenlijke) cloka's, 
waarvan herkomst en daarmede ook beteekenis veel moeilijker is op te sporen. 
En uit die omstandigheid volgt onmiddellijk, dat het een nutteloos pogen zou mogen 
heeten. om thans reeds de in de » Uitbeeldingen" aangevoerde cloka's te willen 
verklaren, althans voor wie nog niet de gansche Javaansche rechtsliteratuur in haar 
u-eheelen omvanw en ontwikkeling volledig meester is. Winiki: levert in het tweede 
deel van zijne Javaansche Samenspraken (p. 143 sqq.) eene niet te verwaarloozen 
bijdrage, die echter — dat dient in aanmerking genomen te worden- niet meer 
leert dan wat de Solo'sche poedjangga's van zijn tijd (d. i. de eerste helft der 19 de 
eeuw!) noo- begrepen van sloka's, welke in de wetboeken Soerja-Alam, Salokantara 
(S. elokantara!) en Djoegoel-Moeda worden aangetroffen: en zij waren de laatst.' 
vertegenwoordigers van eeu snel verdwijnende traditie! Dat de meeste der uitbeel- 
dingen verzonnen, dus casusposities zijn. blijkt niet alleen uit de namen, die in 
vele gevallen geheel of gedeeltelijk zijn terug te vinden in de sloka van den Javaan- 
achen tekst, maar ook uit den aard, de dikwijls in 't oog vallende onbeholpenheid 
van het verhaal zelf: artistieke of literaire waarde missen ze absoluut. Sommige 
eigennamen komen opvallend dikwijls voor. ook al geeit de sloka daarin,, geen 
aanleiding; zulke namen schijnen meestal ontleend aan zeer frequente rechtsternien, 
als bv. Lokika en Prana (voor pramana?). 

Verh. Bat. Gen. U 



162 

Terwijl voor den jurist deze casusposities vooral hierom der kennisneming 
waardig zijn, omdat ze de practische toepassing bevatten vau de in het voorafgaande 
gedeelte geleeraarde theorie, vindt de ethnoloog er illustraties in van zeden en 
gewoonten uit een weinig bekend verleden. Want deze verhaaltjes — ik kan er 
hier slechts terloops de aandacht op vestigen - — onderstellen een maatschappij 
verre anterieur aan die van Tjeribon in de 18 d(i eeuw: 't milieu, waarin de optre- 
dende personen zich bewegen, hun verhoudingen onderling, voor een gedeelte ook 
de bezigheden die zij verrichten en de kwesties waarin zij belang stellen, 't wijst 
alles op ouderwetsche toestanden, die meer aan den tijd van Madjapait dan aan 
dien van Mataram doen denken; eu nergens vindt men een spoor van den Islam (1). 

In dit verband dient er ook op gelet, voor welke Rechtbanken of Rechters 
de in deze verhalen besproken kwesties gebracht worden. De in de verhaaltjes 1, 
11 en 14 genoemde Go est i apatih Ma(n)dan asraj a is ongetwijfeld dezelfde 
persoon als de Danasraja, die, in het door Dr. Brandes besproken zedekundig 
geschrift Djajalengkara (Tijdschr. Bat. Gen. XXXII p. 426). patih is aan het 
hof van vorst Djajalengkara te Me(n)dang [Kamoelan]. Daar is dus het tooneel 
van de hier beschreven rechtsgedingen. Zoo is het begrijpelijk, dat in no. 4 van 
najaka sedaja ing Mêdang kamoelan (of ook alleen van najaka sï-daja, in no. 3, 8, 
13, 17) gesproken wordt. Volgens no. 14 wordt, terwijl patih Mandanasraja 
de zaak ' behandelt, patih Kartabasa om advies gevraagd. Ook dezen noemt 
Dr. Brandes als aanzienlijk ambtenaar aan het hof van Djajalengkara. In no. 15 is 't 
juist andersom : Kartabasa vraagt raad aan Mandanasraja. Dikwijls worden de 
Karta als Rechters genoemd (no. 2. 9, 10. 12. 13. 17, 18 en 20); in no. 5 en 6 
de P r a d a t a. De onderlinge verhouding van die verschillende rechtbanken blijkt 
niet ; 't zij voldoende op dit punt de aandacht gevestigd te hebben. 

Zijn de meeste uitbeeldingen, voor zoover ik kon nagaan, niet meer dan 
casusposities, expresselijk voor het doel gemaakt, van twee, nl. no. 1 en no. 20. 
geldt dat niet. 

Het verhaal no. 1 stemt nagenoeg overeen met het uit andere bronnen, ook op 
Bali, bekende verhaal van Prabhangkara, zie Kawi-Bal. Wdbk. s. v. prabhdnglcara, 
sangging en soengging. Men vindt het ook in Meded. Nederl. Zend. Gen. deel 35, p. 213, 
en 't is waarschijnlijk verwant aan het verhaal van » 's Vorsten bij wijf en de schilder" 
van het Papegaaiboek (zie Brakdes in Tijdschr. Bat. Gen. XLI verhaal no. 9) (2). 

In het verhaal no. 20 herkent men gemakkelijk het uit de Indische fabel- 
literatuur beroemde verhaal van den brahmaan en de ichneumon (gagarangan wordt 
dan ook door Van der Tituk gelijkgesteld aan S. nakoela = ichneumon, zie Kawi- 



ii> Sommige verhalen in de Poestaka-Radja-Poerwa van Rangga-Warsita. die waarschijnlijk ook 
aan juridische werken ontleend zijn, .schilderen dergelijke toestanden. 

(2) Bovendien trof ik het aan in een .\ d i <| o m a s t ra getitelde verzameling van fabels, welke 
ik eenige jaren geleden ten geschenke ontving van Pangeran Natadiradja. 1'akoealanian. Jogjakarta. 
Die verzameling- bevat, voor een deel althans, verljalen uit de Tantri. 



163 

Bal. Wdbk. s. v. nakoela en wabhru. Of. Pancatantra V. 2, Hitopade^a IV. L3 
en Benfey, Pantschatantra I p. 479). Deze oeroude fabel hebben de Javanen dus 
in later tijd gebezigd ter illustratie van 't geval, dat degeen die iets geleend heeft, 
het geleende wegmaakt of kwijtraakt (hina samboelan). 

Daar de aangevoerde sloka's alleen in den Javaanschen tekst, niet in de 
Hollandsche vertaling voorkomen, zullen thans van elk der 20 Uitbeeldingen de 
namen der optredende personen en de sloka opgegeven worden, waarbij dan tevens, 
zoo noodig, gelegenheid zal zijn tot een enkele opmerking. Over fouten of on- 
duidelijkheden in de beide teksten, die hier en daar stellig corrupt zijn. spreek ik 
echter niet. omdat het noodige materiaal ter vergelijking ontbreekt. 

No. 1. Ki A.ng(g)as, ni Prana, ki Panoekma. 

A n g g a s p r a n a en a n g g a s k a r a. 

Kabfjalan dénda aslairara, werd bezwaard met een boete astawara. Elders, 
p. 74, wordt een dénda tjaloerwara genoemd. Moeten deze woorden beteekenen 
achtvoudig en viervoudig ? 

Angileni is ook in nieuw Jav. schadevergoeding betalen. Cf. boven p. ; J >, ü en 7 
en Jonker art. 7: ngoli enpangéli. Elders, in No. 5, wordt ngolihake in die beteekeuis 
gebezigd: in 't eerste gedeelte van de Pépakem : makolihahc enpakolik (cf. p. 152). 

No. 2. Ki Lokika, ni Prana. 

Bahanja andana tidem pramanëm. 

Men lette op de uitdrukking: giniring ing padoc. haraosan ing har la. In 
plaats van bandasadarana zal wel pantjasadharana bedoeld zijn, d.i. volgens Kawi- 
Balin. Wdbk. »de 5 rampen, die een depositum doen verloren gaan. zoodat de 
eigenaar er geen verhaal op heeft". Cf. Jonker p. 19, art. 8 en de aant. bij 
art. 211 (zoowel in sadharana als in sèdrasa schijnt 't Sanskrt sas (zes) te zijn opgelost ; 
Jonkeu's verklaring: sadrca, schijnt mij niet aannemelijk). 

No. H. Ki Bjantara. ki Babar, ni Tidem. rangda Tamboe. 

Ambabar ing t a m b o e (//) t i <l e in b j a n t a r a. Arik-arik, cf'. p. 2'.». 

No. 4. Ki Prana, ki Saeka, ni Lari. 

Saekaprana laraning a w a d d i. 

Radjadénda, zie boven p. 60; de term is tiniban radjadënda. 

Saekaprana, zie boven p. 07, no. 21. Atcaddi, zie Jonkki: p. L69. 

No. ó. Ki Saeka, ni Basa, ni Wani, ni Se mi, ai Praja. 

S a e k a b a s a wadining a s ë p i. 

Saekabasa — saekawatjana, zie p. b7, no. 19. 

No. 6. Ki Sabda, ni Anggas, ni Sari, ki Wani. 

Sabdaning angangas s a r i n i n g a w a n i ( a w adi ? ) 

No. 7. Ni Prana. ki Sabda, ni Dosa, ni Maletja. 

Sabdaprana dosane maletja ni ra ra san. 



164 

Üe naam Maletja wordt ook genoemd in den catalogus van Prof'. Veeede 
p. 310 en 412. 

No. 8. Ki Tani Waktja. ki Angas, ki Hina. 
N i s t a amet oempingan a r d a mangambingambing. Hina 
b o e k t i 1 a r i tan w r o e h ing b a j a. 

Tani was in den Hindoetijd de Javaanscbe term voor *t 8. waieya. zie 
Jonker p. 213, laatste al. 

Tan wroeh komt. ook in bet volgende hoofdstuk, herhaaldelijk voor als 
vertaling van S. ajna = onkundig van. Zoo bv. lan ir roeit ing darma r= S. 
adharmajna. 

Boekti, zie p. 35 en lari p. 37. 

No. 9. Ki Maragang, ni Joemana, ki Tidarsa. ki Pramana. 
B a o e d p r a m a na d e n i n g j o e m a n a. Tidarsa p r a m a n a 
njoemana. maragang sarining i s t r i t e k a n e. 

Pramana, zie p. 35 ; joemana. p. 35 en 55. 

Wat de laatste alinea van den Holl. tekst betreft, zij verwezen naar p. 54. 

No. 10. Ki Mangoenadi. ni Lampah, ki Wisawigena. 
Wisawigëna angrëboet wadi lampah sarining a t m a. 

Een soort Salomo's oordeel, waarop Prof. Vreede reeds wees in zijn 
Catalogus p. 343. 

No. 11. Ki Walaug, ki Warangan. nji Ande, ni Rara, ki Arja Balikan. 
ki Walagar. 

Een eigenlijke sloka wordt hier niet gevonden. 

Men lette op de ouderwetsche termen mali gent en naslapa. De denda l.-ali(li) 
panljawara schijnt 28 realen te bedragen ('?). 

No. 12. Ki Galoega, ki Soewarna, ni Sari. ni Patjar, ni Rasmi, ki Soesoer. 
Sanak(g)aloega sinoesoer ing sari pinatjarpapa arasnii, 
andaka raras moelih mar ing kandëngan. 

Een dergelijk verhaal wordt aangetroffen / in het Hs. van de Leidsche Bi- 
bliotheek, dat onder den titel Bajau Boediman bekend, doch eigenlijk als een uit- 
looper van de Tan tri te beschouwen is. Zie Vreede Catal. p. 311, waar ook de 
overeenkomstige vertelling van Sastratama, opgenomen achter Roorda's Javaansche 
Grammatica, genoemd wordt, en Braxdes in Tijdschr. Bat. Gen. XLI p. 444 — 445. 
Hier doet zich, naar 't schijut, het opmerkelijke geval voor. dat in een tot de 
Tantri-literatuur behoorend verhaal aan de daarin optredende personen namen zijn 
gegeven, die eerst onder invloed van de rechtsliteratuur (doordat 't verhaal ter illustratie 
van een rechtkwestie werd aangewend) kunnen ontstaan zijn. Immers de sloka, het 
spreekwoord, dat die namen Galoega, Soesoer en Sari heeft geleverd, is thans nog 
bekend en in zichzelf duidelijk : gloega sinoesoer sari, gloega-rood gewreven of vermengd 
met [naga] sari-geel. Cf. Winter, Samenspraken II p. 234 no. 482. Men heeft 
dus hier een voorbeeld ervan, hoe gedurende een langen tijd rechts- en fabelliteratuur 



165 

wederkeerig op elkaar hebben ingewerkt, een dergelijke wisselwerking dus, als 
Dr. Brandbs met betrekking tot de wajangliteratuur aamvees van de mondelinge traditie 
in den vorm van lakons, waarvan de dalangs de dragers waren, en de geschreven 
traditie in den vorm van wajangverhalen in dichtmaat (1). 

Andnka~nandaka, d.i. (hier) stier. In een der oudere Tjeribonsche contracten 
leest men kébu moelih ing kandange (T. B. G. 37 p. 459). 

No. 13, Ki Awas, Daraarwoelan, Soeloe lintang, ki Sarnar. 

Tang g a 1 pisan adadamar awas, yen kasamaran 

s a r o e p a 1 i n g g a pra j a. 

Opmerkelijk is hier de naam Damarwoelan. Cf. beneden no. 18. 

Mo. 14. Ki Hinapaksa, ki Aniongraga. 

Amongraga tidëm bjantara margane antoek 1 o e n g- 
g o e h. 

Dit verhaal komt ook voor in de Djoegoel Moeda. Cf. Catal. Vreede p. 343. 

No. 15. Ki Soma, ki Radite, ni Anggara, ni Asihan, ki Laksana, ni Pra(ma)na. 

A n g g a r a k a 1 ij a n 1 a k s a n a n i p r a m a n a inawatgateng 
t i n g a 1. 

Hier wordt Madjapait genoemd. Ook dit verhaal wordt in de Djoegoel 
Moeda gevonden. 

No. 16. Boga, Andrawinah. 

S i r a h i n g kasaroedita n i n g a 1 a r a s, lokikaningboga u- 
d r a w i n a h. 

Dit verhaaltje komt eveneens in de Djoegoel-Moeda voor. 

Woeloeljoemboe, zie Kawi-Bal. Wdbk. s. v. tjoemboe en woeloe. Het wordt 
gebruikt in den zin van panakavcan, doch schijnt tevens aan te duiden : iemand met 
eenig lichaamsgebrek behept, waardoor trouwens de eigenlijke panakawan's zich dikwijls 
onderscheiden. Hier schijnt woeloetjoemboe = palawidja te zijn. Cf. de aant. bij 
p. 61 op radjapeui. In de Djoegoel-Moeda wordt eenvoudig van een wong tjeko 
en een wong woengkoek gesproken; daar heeten zij Tidëm en Pramanëm. 

lioqa en andrawina zijn nagenoeg synoniemen in den zin van genieten, 
smullen, pretmaken. 

No. 17. Ki Toerangga, ki Pangamër, ki Rawisrëngga. 

Anglandëpi s i n g a t in g a n d a k a. 

Panljasadarana werd boven, p. 163, besproken. 

No. 18. Ki Samar, Damarwoelan, Öoeloelintang. ki Rambat, ld Tjatjad, ki 

Woetoeh. ki Awas. 

S a t ni a t a amatang t o e n a . . . . A n d a m ar Li n fc a o g a s o e- 
1 o e t a o e n, awas woetoeh tjatjad sa ni bat i n g n j a t a j e n k a s a- 

raaran. 



(1) Brandes, Pararaton p. 181. 



166 

No. 19. Ki Sikëp, ki Doerniti, ki Dënda, ki Samaja, ki Wisaja. 

R o n <l o n o e r i p d e n i n g p a n g e. 

No. 20. Sang Poelakarti, sang Ganggarangan poetih, ui Brainani. Doe- 
ratraaka Banaspati. 

Hina s a in b o e t a n. 

Over de herkomst vau 't verhaal werd reeds gesproken. 

De naam Poelakarti zou uit palakarta = S. prakrta = » afgedaan" verbasterd 
kunnen zijn (cf. boven p. 1: djaksa hang amalakarta) ; of misschien uit poelakreli '! 

Ganggarangan rr S. nakoela — ichneumon. Zie ook Jonker art. 241. 

Bramani is S. brdhmani r= de brahmanen-vrouw, bekend uit de Indische fabel. 

Een vogel [doeraimaka] banaspati is mij niet bekend. Wel duidt banaspati, 
eigenlijk woudreus, heer des wouds. een soort van booze geesten aan. 

Hoezeer ook deze, » uitbeeldingen" tal van vragen uitlokken, in de overtuiging 
dat de voor een degelijke beantwoording noodzakelijke kennis ons ontbreekt, zien 
wij ons genoodzaakt van een nadere bespreking af te zien. 



HOOFDSTUK II (p. 85—114). E enige uitbeeldingen van 
Processen, na de w ij z e van K o n t a r a-M a n a w a. 

Noch de Javaansche. noch de Hollandsche titel is juist. Dit hoofdstuk toch 
bevat eenvoudig een uittreksel uit [eene redactie van] het wetboek Kontara-Manawa. 
waarin eenige verhalen (uitbeeldingen, » gelijkenissen"), iu den trant van No. 20 
der boven besproken reeks, zijn opgenomen. 

Over de oud-Javaansche Koetara-Manawa, de beteekenis van den naam enz. 
vergelijke men de inleiding van Jonkee op het door hem uitgegeven oud-Javaansche 
wetboek, waar tevens wordt aangetoond dat reeds die oud-Javaansche Koetara- 
Manawa — evenals trouwens alle nog bestaande Javaansche en Balineesche wetboeken — 
een compilatie is. De voor dit uittreksel gebruikte redactie is dat nog in veel 
sterker mate. 

Het door Prof. Vkeede (Catal. p. 384) beschreven Leidsche Handschrift 
behoort blijkbaar tot een andere redactie dan die waaraan het Tjeribonsche uittreksel 
werd ontleend. Belangwekkend zou waarschijnlijk eene vergelijking met de te 
Londen aanwezige Kontara-Manawa-handschrifteu zijn. doch van die collectie 
bestaat nog steeds geen catalogus, slechts een inventaris (Bijdr. Kon. Inst. II, 1854, 
p. 330; zie de nummers 12277, 12321 en 12336). 

Sommige artikelen worden besloten met de zinsnede : poenika (of mang- 
kanaj lir ing (of krama ning) manatva, waardoor deze dus als direct aan een Indische 
of oud-Javaansche Koetara-Manawa ontleend worden gewaarmerkt. Ook in 



o 



107 

Jonkbr's w.-tboek vindt men dergelijke aanwijzingen (bv. artt. 2, 9, L0, 12. 25,61, 

65, 71, 70. 108. 120, 121, enz.) 

Ken methodische rangschikking der artikelen heeft in den regel niet plaats 
gehad. Wel zijn nu en dan gelijksoortige zaken bijeen geplaatst, maar een con- 
sequent doorgevoerd systeem is daarin niet te ontdekken, evenmin als in het laatste 
gedeelte van Jonkee's wetboek. 

Over 't algemeen maken vorm en inhoud van de hier gegeven bepalingen 
den indruk van meer ouderwetsch, minder aan nieuwere toestanden aangepast te 
zijn dan de fragmenten uit oudere wetboeken die in het eerste gedeelte van de 
Pëpakëm werden verwerkt; toch schijnen ook in dit uittreksel hier en daar som- 
mige artikelen in meer modernen zin gewijzigd en ook zelfs nieuwe ingevoegd te 
zijn (zie bv. p. 91). 

't Is niet met zekerheid te zeggen, om welke reden en met welke bedoeling dit 
excerpt uit een Koentara-Manawa in de Pëpakëm werd ingelijfd, en evenmin, door welke 
overwegingen men zich liet leiden bij de keuze der artikelen die voor opname in aan- 
merking kwamen. Men zon kunnen vermoeden dat het ouderwetsche wetboek Koentara- 
Manawa destijds te Tjeribon nog met een zekere traditioneele reverentie voor zijn van 
oudsher beroemden naam geraadpleegd werd. en men het daarom ook in de Pëpa- 
këm een plaats wenschte te verzekeren naast de andere, naar den vorm — eu gedeel- 
telijk ook naar den inhoud -- meer moderne wetboeken, welke juist om die reden 
meer geschikt waren voor de compilatie van het eerste gedeelte. 

In den Javaanschen titel van dit. hoofdstuk heet het : Poenika oepami tilijang 
apaben, waaruit schijnt te blijken dat de Koentara-Manawa-artikelen meer als voor- 
beelden of toelichtingen, als casusposities werden beschouwd, tegenover die van hei 
eerste gedeelte der Pëpakëm, die meer algemeene bepalingen bevatten. Inderdaad 
is dat verschil op te merken, wat trouwens voor een deel reeds direct volgt uit de 
meer ouderwetsche inrichting van de Koentara. 

Behalve een aantal bijzondere casusposities, die zonder moeite zijn te brengen 
onder een der paragrafen of hoofdstukken van het eerste gedeelte, vindt men in 
dit excerpt toch ook vele gevallen genoemd, waarin de eigenlijke Pëpakëm niet 
voorziet. Zulke zijn vooral bepalingen in verband met adoptie, schuld, verpanding, 
pandelingen, schade door buffels aangericht enz. 

Thans zal een zeer beknopt overzicht worden gegeven van den inhoud van 
dit Kontara-Manawa-fragment. Waar het wenschelijk voorkomt, zullen de correspon- 
deerende artikelen in Jonker's wetboek worden aangewezen, en dat wel kortheids- 
halve met een enkele J. Bovendien zal achter elk artikel de eventueel in 
den Javaanschen tekst genoemde sloka of rechtsterm worden opgenomen. 

Pa..- 85—86. Verhaal 21. Fabel van de kikvorsen en de slang. Ken 
dergelijke fabel wordt aangetroffen in de door Dr. BüANDES vertaalde Bngelsch- 



1G8 

Indische kantjilverhalen (Tijdschr. Bat. Gen. XLIII p. 4), en ook onder de 
Minahassische Vertelseltjes (Med. Ned. Zend. Gen. XX, 1870. no. 7, de aap en 
de krokodil). De bedoeling van het: »Dit is Kontara Manawa" wordt hier niet 
duidelijk gemaakt. In het boven (p. 164) genoemde Leidsche Bajan-Boediman 
betitelde HS. komt iets dergelijks voor (zie Vree de, Catal. p. 312); daar heet de 
slang si Mmawa en de kikvorsch si Koentara. Men zal hier weer aan een echt- 
Javaansch woordspel moeten denken : de beide woorden die, samengesteld, den 
naam van het beroemde wetboek vormen, kunnen, als men zoo wil. tegenover 
elkaar gesteld worden in de beteekeuissen » misschien, onzeker" (inenawa ~ jen) en 
»stellig, duidelijk" (koentara — hetara). Vgl. de aant. bij p. 93. al. 3. Ook in de 
Djoegoel-Moeda komt dit verhaaltje voor. 

Sloka : a n d o e r a sangkara. 

Pag. 86 — 87. Verhaal no. 22. Fabel van sang Tani, sang Nirtja en de 
Kantjil. And o era sambada, kang ad oh sinënggeh parek, kang 
parëk sinënggeh ad oh. Dit verhaal is mij niet van elders bekend. 

Pag. 87 — 88. Vier gevallen waarin een gedeeltelijke bekentenis kracht van 
bewijs heeft, of, volgens den tekst, »het boekti is in handen van den betigter", illustraties 
dus van wat op p. 35 » boekti potjapan kang anjaoeloni sangara" genoemd wordt. 
De eerste drie der genoemde gevallen hebben betrekking op slrisavggrahana, zie p. 
33—34, 68, 91, 92, 108 en 109 met de aantt. Over baud zie p. 35: de Holl. 
vertaling verwart het woord met haul H i n a bjawara en hina bjawara 
boekti uing angraraeni. 

Pag. 88 al. 2 tot 89 al. 1. Adoptie van kinderen in verband met 't ver- 
mogensrecht. L i r d j a n a h i n a p a r ik s a en 1 i r d j a n a t a n w r o e h 
1 ara. Cf. J. art. 200. 

Pag. 89 al. 2. Geleend goed niet teruggeven. Maling a r ë p. cf. p. 04. 

al. 3. Een vrouw door haar man geslagen, vlucht in eens anders huis. 
1 J a t i »• a n a g a n a. 

al. 4. Gedood bij een poging om twee vechtenden te scheiden. [B o ngganj 
a n a 1 i m a h a. Zie p. 32 met de aant., 33 en 34 en 95 al. 0. Cf. J. art. 68; 2 e al. 
In Tijdschr. Bat. Gen. XXXVII p. 466 leest men »bogan salimaha". Vgl. nog Winter. 
Jav. Öamenspr. II p. 238 no. 518. Het laatste bestanddeel van salimaha (of 
salamaha) is waarschijnlijk 't S. moha, verbijstering, verblinding. 

al. 5. Niet-inlossing van verpand goed. Wiroeii kapëgatan djoerit. 
tan eling wiwitaning o e dj ar. Cf. J. art. 120 met de aant. Wiroen is een 
figuur uit de wajang gëdog (zie Kawi-Bal. Wdbk.). Ook Pandjiverhalen hebben 
dus sloka's geleverd voor de wetboeken. 

Pag. 90 al. 1 en 2. Valsche beschuldiging van diefstal bij nacht en van 
tooverij. Over tooveren zie p. 31 en 54. Cf. J. artt. 178, 179 en 180. 

al. 3, 4 en 5. Drie gevallen van A m o e k (k) a p o e n g g o e n g. 
doldriftig optreden, zonder reden vernielen. Zie pag. 24 en 68 met de aant. 



169 

Pag. 90 al. 6. Onder water iemand een wond toebrengen. Cf. J. art. 59 en 
60. Over de drie categorieën van wonden zie boven pag. 60. 
Pag. 91 al. 1. Misbruik maken van iemands naam. 
al. 2. Vuilnis branden bij de huizen. 

al. 3. Roovers (ketjoe's). thans tot de doodstraf verwezen, 
al. 4. Niet-kennisgeving van een gevonden lijk. ('f. .1. tiü en 07. Dit is 
njidëm pramanëm (S. siddham pramanam). Zie boven p. 3, et'. J. aant. bij art. i>«>. 
al. 5. Straatroof buiten de hoofdplaats (ambegal). Zie pag. 63 en p. 32. 
al. 6. Straatroof binnen de hoofdplaats (ambapang). Zie pag. 63. 
N. H. Deze zes artikelen op pag. 91 zijn of nieuw ingevoegd, of de strai 
is verscherpt, bv. van boete tot geeseling en van geeseling tot doodstraf. 

al. 7. Een vrouw manen om betaling van schuld, anders dan ter behoor- 
lijke plaats. Kan gerekend worden tot strisatijgrahana. 

al. S en pag. 92 al. 1. Twee gevallen van strïsarngrahana, overspel. 
Sanggraha lokika en sanggraha. Ook hier weer verwarring van strïsarn- 
grahana met satugraha. Of. ,J. art, 247 en 250. "t Eerste geval wordt gevonden 
in Mauavadharmacastra VIII 356. Zie pag. 33, 68, 70 en 108—109. De straf op 
't laatstgenoemde vergrijp is veel zachter dan bij Jonker. Cf. Vreede, Catal. pag. 338. 
Pag. 92 al. 2. Een dochter uithuwelijken zonder voorkennis van 't kampoeng- 
lioofd. Baoed tjampoer anili baken tingal. ('f. -J. art. 191. Zie 
boven pag. 33. 

al. 3. Een dief herbergen. Behoort tot de »astatjorah". ('f. .). art. 
23 en zie boven pag. 05 sub »nisak(k)a". Daar is de straf veel zwaarder. 

al. 4 en •">. Over afbreken van de verloving na aanbieding of ontvangst 
van het verlovingsgeschenk (lalamaraii). ( 'f. J. art. 18 en 111. A t i n g g al tata W o n 
a s a t en a m o e d a n i w a n g a t o e w a a g a w e n a in ( m) a k a n d ë 1. 
al. 6. Vernielen van waterleidingen. 
al. 7. Vernielen van graven. Zie pag. 7(>. 

Pag. 93 al. 1. Een tevoren geuite bedreiging als aanwijzing (bewijs) in geval 
van doodslag of verwonding. Dit is dus een lokika-bewijs, zie pag. 13."). 

al. 2. Iemand, beschuldigd zijn kris te hebben getrokken, bekent slechts 
zijn wapen naar achteren geschoven te hebben: getuigen ontbreken. Deze halve 
bekentenis wordt een tidarsa-lokika-bewijs genoemd, ('f. pag. 87 — 88 met de aant. 
al. 3. Verhaal 23. Verhaal van den boom. den man, de piek. den bok. 
het zonnescherm en de orkaan. Do era samba da. Een zeer bekend thema 
is hier verwerkt: het telkens aan een ander de schuld geven. Een dergelijk 
verhaal in Amougsastra's Sërat Kantjil VII. 1 — lil."). Een andere lezing vindt men 
in de Poestaka Radja Poerwa van Rangga Warsita II pag. 237. Zie voorts de literatuur 
vermeld door Dr. Adriani, T. Bat, Oen. XL p. :;.">•"> en WA' p. 429. Doe ra 
sambada komt ook voor in de sloka van verhaal 22. Ook met deze woorden is door 
de Javanen gegoocheld. Men herinnere zich slechts (in verband met hun beteekenis). 



170 

dat de panakawans van Adji Saka Dora en Sëmbada heeten (Adji Saka, ed. O aal. 
p. 37 sqq.). terwijl een paar anderen zijner bedienden Üoega en Prajoga genaamd 
zijn ; ook dat vorst Daniswara's panakawans als Manawa eu Manawi worden ten 
tooneele gevoerd ; dit alles in hetzelfde werk waarin de namen van wetboeken als 
namen van hooge ambtenaren aan het hof van dienzelfden Daniswara voorkomen 
(pag. 05, cf. Braxdes in T. Bat. Gen. XXXII p. 428). 

Pag. 94 al. 1. Een dief gelegenheid geven om te stelen. Behoort tot de 
astatjorah. Cf. J. art. 21, 23 en 27. Zie boven pag. 60, no. 14. 

al. 2. Een berucht misdadiger (doerdjand) dood gevonden M o e s t i k a bra- 
mara tjora titirpiuadjarakëu roesak (of soerak ?) iugampoehan 
sami dening al oen-al o en. Cf. Soerja-Alam, vertaling Van dek Hout. pag. 
14. Dezelfde sloka in de Djoegoel-Moeda. 

al. 3. Een vrouw, een straatroover vergezellend. Ook dit behoort tot de 
astatjorah. A m b e g a 1 i s t r i k a 1 a n a. 

al. 4. Een boer (waieya) voor de eerste maal stelend, mogen de haren niet 
afgesneden worden. Zie de aant. bij pag. 05 : met betrekking tot 't hoofd. 

al. 5. Een dief die padi wil stelen doch doodgestoken wordt nog vóór 
hij den diefstal volbracht heeft. Zie 't vorige artikel. Over 't dooden van op heeter- 
daad betrapten, zie pag. 31 en pag. 04 — 65. 

al. 0. Voetangels leggen, üe wond. door voetangels teweeggebracht, geldt 
als bewijs (nl. tjina). Zie pag. 2 en pag. 35. 

Pag. 95 al. 1 — 5. Verschillende gevallen van moord, door de parapangoeloe 
berecht. Zie de aant. bij p. 54. 

al. 0. Een bruidegom vermoord. Bonggan wan o ha ra. en is tri 
wogan hina topaksa. Cf. J. art. 215. Wogan zie Kawi-Bal. Wdbk, en 
zie boven de aant. bij p. 32 en p. 89 al. 4. 

Pag. 90 al. 1. Een bruid vermoord. Of. J. art. 112. 

al. 2. Een slaaf of slavin slaan. 

al. 3. Een slaaf of slavin dooden. Door de parapangoeloe berecht. Zie p. 54. 

al. 4. Een wong auajab (dief bij dag) wordt door zijn achtervolgers gedood. 
In dat geval moet het door hem gestolen goed bij het lijk gebracht worden. 
Anganggas. Cf. p. 31 no. 2 en 4 en p. 03. 

al. 5. Een badende vrouw haar kleed wegnemen. A ni baken (V) 

al. en p. 97 al. 1. Over in bewaring gegeven goed. Zie J. art. 8. 208 en 
2 1 1 met aant. 

Pag. 97. al. 2. Een vrouw (hoer) uit eigen beweging in 't huis van een man 
komend. M a t i s a m b a w a. 

al. 3. Plundering bij dorpsgenooten. 

al. 4. Twee jongens klimmen in een boom om bloemen te plukken; een 
valt er uit en sterft. Angrëboet sjarga. 

Pag. ^>7 laatste al. tot p. 1<>0. tweede al. Kwesties ontstaan door buffels 



171 

(op p. 98 vindt men echter daar tusschenin een geval van strisanggrahana, zie 
boven p. 08). Cf. J. art. 1 45— 1 48 e nt 86— 1 89. De Javaausche tekst hiervan ontbreekt 
bijna geheel. Met »J a v a a n s c h e S o o p j e s" zal bedoeld zijn de badeg, bPrëm of 
toewak genoemde gegiste drank, en met lier ie vermoedelijk lirih, lëmpoejang-bkd. 

Karba Jara is këbo djarah. Cf p. 53. 

Pag. 100 laatste al. Eens anders kinderen tot vechten aanzetten. 

Pag. 1 1 al. 1 — 6. O n o p z e 1 1 e 1 ij k, b ij ongeluk, schade aanrichten, 
kwetsen en dooden. T a n wroeh m a u a w a. t a n w r o e h b a j a. P a p a 1 o e 
a g o e n g. ï a n w r o e h i n g oei a. \ p a t a m a h a. T a n w r o e h ba k s a n a. 
't Geval met de semangkaschil wordt ook in de Djoegoel-Moeda vermeld. 

Pag. 102 al. 1 tot 103 al. 1. Toevertrouwd goed (buffels, iemand met wien 
men op reis gaat. een boedjang. een kris) kwijtraken, ('t'. J. art. 122. 

Schadevergoeding hier uitgedrukt door tempoeh. Pradjaka, zie Kawi-Pal. 
Wdbk. s. v. 

Pag. 1.03, al. 2. Ken man is niet aansprakelijk voor de daden van een 
vrouw die. van haar man weggeloopen. uit eigen beweging tot hem is ge- 
komen. Jara =r djarah, zie p. 53. De Javaausche tektst is mij niet duidelijk. 

al. 3. Yerplichtigen van den man. bij Avien eens andermans vrouw vrijwillig 
is komen inwonen. 

al. 4 en 5 en p. 104 al. 1. Over 't invorderen van schuld en verjaring 
van schuld. Itgata pa tra, angangasi hoetang en kadasawarsa. ('f. .1. 
art. 74. 75. 86. Zie boven de aant. bij-p. 34 — 30. Over verjaring .). 2(15 met dr 
aant. en zie boven p. 29 en 14. 

Pag. 1<»4 al. 2 en 3. Een vrouw biedt zichzelf aan een man ten huwelijk 
(ngoenggahi). Baoed amoengpoeng. Zie p. 33. Of. .). art. 251. 

al. 4. Een put dempen. Of. .1. art. 217. 

al 5. Pit een vischvijver 't water laten wegloopeu en de visch stelen, ('t. 
J. art. 237 en 48 met aant. De doodstraf van .!. is hier veranderd in een lijfstraf 
als het 's nachts, in een boete als het overdag geschiedt. 

Pag. 105 al. 1. Hetzelfde met betrekking tot het eigendom van een aanzienlijke. 

al. 2. Een uitgezonden bode noodigt niet-gewenschte (de verkeerde) inen- 
schen tot een »sidêkah". A m alang- m alang. anga w agga w ag. 

al. 3. Een paudeling (sangkoel) pleegt ontucht met een pandelinge. (Over 
sangkoel zie ook p. 59.) 

al. 4. Kwesties met een pandeling over de afbetaling van zijn schuld. Am- 
baoeraksa. Angrekapandaja (zie p. 22). saeka (sak si?) tanwatgata. 
anglingga tja ja. 

Pag. 106 al. 1. Het dooden van een niet op last van den Vorst vervolgden 

vluchteling. 

al. 2. Een misdadiger maakt amok tegen degenen die hem willen opvatten. 
al. 3. Een gevatten dief het hoofd afslaan, ('f. aant. bij p. 65 en p. 94. al I. 



172 

Pag. 106 al. 4. Een teeken op den weg uittrekken. Cf. J. art. 144 en 
zie pag. 59. A d j a g a p a t i. 

Pag. 107 al. ] tot al. 7. Een man moet uitwijken voor een vrouw. 

Men moet uitwijken voor een dronken mensch, voor een paard en voor een olifant. 

Zich onbehoorlijk of onvoldoende gekleed in 't openbaar vertoonen. 

De piek ontblooten. 

De kris ontblooten. 

Weggaan zonder groeten (madal paai Ion ). 

Twee mannen willen niet voor elkaar uitwijken op den weg. gaan vechten. 
Wie van beiden den ander wondt of doodt, wordt gestraft in 't eerste geval met 
een boete, in 't tweede geval door de parapangoeloe, zie pag. 54. 

N.B. De artt. op pag. 107 schijnen nieuw. 

Pag. 108 al. 1. 't Dooden van den aanrander van iemands vrouw of dochter 
is niet straf baar. B a o e d angrarangin. Zie pag. 34. 

al. 2. Een vrouw scheldt een man uit met de woorden : / J-buk Ijorol ka- 
dadak, den-dêmak ing matjan. Nglebok wordt thans nog door 't mindere volk 
gebezigd in den zin van ngising. Achter Itadadak moet mati gedacht worden. 

Pag. 108 al. 3 tot pag. 109, al. 3. Zes artikelen, die alle vallen onder 
sanggraha (zie pag. 70), waarbij dient herinnerd te worden, dat sanggraha 
in de jongere Javaansche wetboeken zoowel aan het Sanskrt s trisari} gr ahana (=: 
overspel, verleiding, in 't Jav. ook paradara, cf. pag. 54) als aan S. sahasa of danda- 
pdrusya kan beantwoorden. Het derde, vijfde en zesde der hier genoemde artt. behooren 
tot strïsamgrahana; het eerste (schelden), het tweede (iemand in 't gezicht spuwen) 
en het vierde moeten tot sahasa gerekend worden. Istrisanggraha w i r o d a. 
sanggraha watjana. sanggraha w i r o d a, sanggraha 1 o k i k a. 
b a o e d s i n g g i h, h i n a w a t j a n a. Zie pag. 33 — 34. 54 (paladara ing djah). 
68, 70, 87, 91 en 92, en cf. Jonkbb over strïsanggrahana : de Javaansche artikelen 
134 — 142 en de direct uit de Indische bron overgenomen artt. 240 — 250. De 
straffen zijn bij Jonkek veel zwaarder dan in de Pépakëm. Winxla is wel 't S. 
wirodhfi, strijd, twist, tegenspraak. (Cf. J. art. 68). De aandacht verdient, dat 
in art. 3 van pag. 109 de duikproef vermeld wordt, terwijl die in 't Javaansch 
met het Balineesche woord e/jor wordt aangeduid. Cf. J. artt. 204 en 210 met 
aant. Zie boven pag. 43. 

Pag. 109 al. 4. Verhaal 24. Verhaal van de kidang, de adjag (= asoe 
alas) en de tjitji-vogels. Een zeer bekende fabel, die ook in de Djoegoel-Moeda 
is opgenomen. Men vindt ze o. a. ook in de Anglingdarma, en met eenige variatie 
in Amongsastra's Sërat Kantjil XXI, 22 — XXII, 71 (cf. Braxdes in Tijdschr. 
Bat. Gen. XXXVII pag. 49, verhaal Ug en I2n. b, c en d) (1). Zie ook Catal. 
Prof. Vreede pag. 311 en 343. 



(1) Over de Anglingdarma-roman, in verband met 't Papegaai-boek en de Tantri-literatmir. leze 
men Dr. Bbandf.s' opmerkingen in Tijdschr. Hat. den. XLI (1899) pag. 445. 



173 

Uit 't begin blijkt hoe men de fabel toepaste op de verhouding van vorst. 
minister en volk. 

Karlini werd op pag. 60 reeds aangetroffen. 

Sang Nirlja wordt hier evenzeer als in verhaal 22 (pag. 86) in een zeer 
ongunstig licht gesteld. 

Pag. 112. Verhaal 25. Verhaal van de mier en den olifant. 

Deze fabel wordt o. a. gevonden in de Maleische Hikajat Pelandoek djinaka, 
ed. Klixkeut 1885. p. 76—88 (cf. Brandes in Tijdsein-. Bat. Gen. XXX VII pag. 
63, no. 10), en in de Tapël Adam of Aubija, pag. 149, waarop ook door Dr. 
Brandes bereids gewezen werd. Ook in de Üjoegoel-Moeda ontbreekt ze niet. 

Pag. 112. Verhaal 26. Verhaal van den olifant en de garnaal. 
Deze fabel herinnert aan die van de kidang en de otter in Amongsas- 
tra's Kantjil VII l — 105, cf. Viïeeoe. Oatal. pag. 341. 

Pag. 113. Verhaal 27. Verhaal van den hond en de kat. 

Wordt ook in de Tapël Adam of Anbija gevonden (p. 35). A n n i e r 
Joekti is = anirjoekliarah op p. 20. 

De ter m en B j a w a r a, O e t a r a. B a w a n a (pawana), N j a t a en S a t m a t a 
vindt men gedeeltelijk op p. 35 — 36. 

Pag. 113 al. 2 — 114. Deze vergelijkingen ter kenschetsing van de hoedanig- 
heden der vrouw vindt men ook in de Djoegoel-Moeda. Hier zijn ze uit hun 
verband gerukt. 

Pag. 114 al. 1. Diefstal van goederen, aan den koning toebehoorend. Cf. 
J. art. 243 en 244, en zie boven p. 55. 



DE KOLOPHOON (pag. 115). 

Op p. 115 is afgedrukt de k o 1 o p h o o n, zooals die gevonden werd achter 
den Javaanschen tekst, met groote, staande letters, doch met ecu andere hand dan 
't voorafgaande geschreven. 

Hier volgt de vertaling, door Dr. Brandes daarvan gegeven in zijn artikel 
»Eenige officieele stukken tot Tjërbon, naar aanleiding van het bijschrift hij de 
Pëpakëm Tjërbon in Ms. Oriënt. Acad. Lugd. Bat. no. 1907". 

De vertaling luidt aldus : 

»Het ondervolgende brengt den tijd in herinnering van de vervaardiging van 
het hier voorafgaande verdrag (wetboek). Toen men (in Tjërbon) had opge- 
houden de dienaar te zijn van Mataram. (en) men (dus) zeil de rechtspraak in 
handen nam, te dien tijde traden er voor het eerst sultans op, twee die elkanders broeder 



174 

waren. De oudste, die Sultan Sëpuh werd, heette Sultan Samsudin; de jongste, die 
Sultan Anom werd. Sultan Kaïnarudin. Deze beide heeren maakten daarop, in 
overleg niet den Gr. O. te Batavia, een wetboek. Te dien tijde heette de resident 
van Tjerbon Mijnheer Willem Tersmitten, zoodat de tijd van de vervaardiging 
van het voorafgaande wetboek beantwoordt aan 1606 van de Djaman-Kali-telling 
(en) 1681 A. D." 

Na het door Dr. Brandes naar aanleiding van deze kolophoon opgemerkte, 
waarop door mij in de inleiding (p. 121) reeds gewezen werd. valt daarover thans niets 
meer te zeggen. Voor de bepaling van het jaar waarin onze Pëpakëm werd samen- 
gesteld — dat trouwens thans met zekerheid bekend is (1768) — heeft de kolophoon 
hoegenoemd geen w r aarde. Zij bevestigt slechts, wat we thans ook uit de door 
Dr. Brandks gepubliceerde contracten weten, dat reeds Willem Tersmitten, die van 
1720 tot 1726 petor was te Tjeribon. ernstige aandacht heeft gewijd aan het 
Tjeribonsche rechtswezen. 



REGISTER. 



Hollandsch. 


Javaansch. 


Abieksoeka. zie wang — . 






Adjagapati .... 




Agama 


Ajoeja, zie wang — . 






Akarjadesa(i) 


Akarja deesti 


Akarjadesti 


Akar Jantakka 


Akarjantaka 






Akira deesti, zie wang — . 




Akoeta saksie 


Akoeta saksi 




Amalang-malang . 




Amasang damar, zie Massang 




Daraar. 


Amateeni Dammar moerok . 


Amateni- damar nioeroeb . 


Amateeni Dainar Prasanda . 


Amateni damar prasanda. 




Ambabar ing tamboe(h) fci- 






Ambapang 


Wang ambapang . 








Ambaoe sabda 


Ambeegal 


o o 




Ambegal istri kalana . . . 




Ambirat saksi 








Wang amrakenëng. . . 


Am et jat Rakitan .... 


Amëtjat rakitan (of wang — ). 




Amoedani wang atoewa agawe 






Amoek Kapoenggoeng 


Amoek (k)apoenggoeng . . 


Amoengpang Anna Bakwa . 


Amoengpang anambakwa. 


Amoengpang Kara .... 


Amoengpang kara . 




Amoerbagiri, zie Moerba 




G-ierie. 



Pag. 



H)7. 




43, 


ö ö 


20, 


4(i 


24, 


46 


21, 


46 


67. 




38. 




105. 





26, 46. 






26, 46. 






72. 






63, 91. 






105. 






38. 






63, 91. 






04. 






21. 46. 






38. 






63. 






10, 23, 


31, 


46 


92. 






24, 16, 


68, 


90 


9, 22, 


16. 




'.». 2:?. 


4ti. 





Hollandsch. 

Amoetoeng Rakitan. zie 
Wang — . 



Amrat Kara 



Anak-Anak malieng 



Anamboeng Watang boeboe- 



ken, zie wang — . 



Andiandian 



Andia Kalangau. 



Anga Nida . 
Anga Nini . 
Angas Karta Basa 

Anggandong Saksi 



Anggenoek Pringa . 

Anglienga Pandaija. 
Anglienga Tjaja. 
Ang Oengang Kara 
Ang Oetjoerie . 
Angotiel .... 



176 
Javaansch. 



Among raga tidein bjantara 
niargane antoek loenggoeh 

Amratkara 

Anak-anakan maling . 
Analimaha 



Andamar lintang asoeloe(h) 
taoen, awas woetoeh tjatjad 
sambat ing njata. jen ka- 
samaran 

Andaka raras moeli maring 
kandëngan 

Andijandian 

Andia kalangan 

Andoera sambada, kang ad oh 
sinënggeh parëk, kang pa- 
rëk sinënggeh adoh. 

Andoera sangkara .... 

Angangasi oetang .... 

Ang-ane'ö'as 

Anggënida 

Anganini 

Angaskartabasa 

Angawagawag 

Anggandong saksi .... 

Anggara kalijan laksana ni 
pramana hinawatgateng 
tingal 

Anggaskara 

Anggenoek pringga 

Anglandëpi singat ing andaka 

Anglingga pandaja. 

Anglingga tjaja 

Angoengangkara .... 

Wang angoetjoeri .... 

Wang angoetil 



l J ag- 



79. 

12, 24, 46. 

:'.7. 
89. 



84. 

78. 
3, 11, 34. 
9, 24, 46. 



87, 


93. 




86. 






104. 






96. 






54. 






29, 


47, 


55 


14, 


45. 




105. 






21, 


39, 


46 



81. 
71. 

12. 23. 46. 
83. 

22. 46. 
106. 

12. 23, 46. 
63. 
63. 



177 



Hollandsch. 

Angras(s)a Wadie . . . . 

Angreeka Pandaija . 
Angreuekkaken ati ing Jaksa. 
Angroesak Maniek . 
Au ^ Urn ban Saksie 

Anguptoena 

Aniaja 

Anilat Kam 

Anjala Wadie 

Anja Wadie 

Anjiroet Jara, zie wang — . 

Anna Wadie 

Annajab 

Annier Baja 

Annier Joektiara . 

Anno Peksie 

Anoekma Watjana 

Apus Linga 

Asaroebasa. zie Saroe Basa. 

As(s)aroe denta 

Asiembar Raksa. . 
Asirnatjaja, zie sirna — . 
Asta Sangraha .... 
Asta Tjandala . . . . 



Ataja Marta 
Atierd(j)a . 



Awak Poeroesa 
Awie Roeta . 
Awie Rokta . 
Aw(i)e Sada . 
Awod Akara . 



Javaansch. 

Angrasa wadi 

Angrëboet sjarga .... 
Angreka pandaja .... 
Angrënëkakën ati ning djaksa 
Angroesak nianik .... 

Angëmban saksi 

Anggëptoena 

Anijaja 

Ani(li)bakën 

Anilatkara 

Anjala wadi 

Anjawadi 

Anawadi 

Wang anajab 

Anirbaja 

Anirjoektiarah 

Anoepeksi. 

Anoekma watjana . 

Apatamaha 

ApSs lingga 

(A)saroedënta 

Asirabar wraksa 

(Hasta sanggraha?). . . . 
(Hasta tjandala?) . 
AstaWara (dënda) . . . 



Ataja marta . 



Atinggal tatawon asat. . 
Awak poeroesa .... 

Awiroeta(h) 

AAvirokta 

Awisada 

Awodakara 

Baja 



Pag. 



8, 21, 46. 
( .»7. 

22, 46, 105. 
21. 
59. 
39. 

28, 46. 
109. 
96. 

10, 22, 46. 
20, 46. 
20. 46. 

8, 21, 46. 
63. 

20. 46. 

20, 46. 

20, 46. 

12, 21, 46. 
101. 
28. 46. 

5, 11, 28, 15. 

38. 

68. 

68. 

72, 73, 71. 7:.. 

76, 78, 7'.». 81, 

84. 85. 

12, 20. 46. 

67. 

92. 

22. Uk 

21, 16. 

10. 21'. 16. 
54. 



55. 



96. 



Yerhand. Bat. Gen. 



ia 



178 



Hollandsch. 



Balantik 



Barak 

Bata Sariempakg . 

Ban wel Andaniskara 
Bauwd Angas 



Banwd angeries 



Banwd Ano-rarangien 
Banwd Moeng Poeng 



Banwd Tjampoer 

Banwd Wisa. 

Bawana 

Beea, zie Prabeja 

Bewat Kaprabon 

Boekti .... 



Boekti anjaoelonni ing Pan- 



gara 



Boekti Pati ing Beegal 
Boekti roepa. 



Bojakka . 
Bong(g)an. 



Danawaton .... 
Darsa Solok sana . 



Djamoer amet Katjang 
Dj ara of' Jara . 



Doedoekoen 

Doera Sainbada. zie Andoera- 



Javaansch. 

Wang balantik 

Banela sadarana 

Wang ambarak 

Bata sarimbag 

Baoed andaniskara . 

Baoed angas 

Baoed angëris 

Baoed angrarangin 
Baoed amoengpoeng . 
Baoed pramana dening joe- 

mana 

Baoed singgih hinawatjana . 
Baoed (a)tjampoer . 

Baoed wisa 

Bawana (pawana) of banawa 



Dënda Jkaprabon. 
Boekti . 



Boekti potjapan kang an- 

jaoeloni ing pangara . 
Boekti pati ning ambegal. 



Bogandrawinah (sirah ing ka 
saroeditaning alaras, loki 
kaning bogandrawinah) 

Boeljaka 



Bonggan. zie wogan. 
Bonggan salamaha 
Bonggan wanobara 



Danawaton 
Darsa soelaksana 
Dasawarsa. . . 
Dënda kaprabon, zie Bewat 
Djamoer amet katjang 
Djarah 



Wang aeloedoekoen. 



Pag. 



41. 

72. 
63. 

41. 



M:i. 




34. 




34. 




34, 


108. 


33. 


104. 


75. 




109. 




33, 


02. 


34. 




36. 


113. 


8. 




61. 




6.3 


5. enz., 87 


88. 





35. 
32. 
35. 



83. 




65. 




32,33,34,89,97. 


32. 




95. 




42. 




42. 




104. 




24, 


46. 


53, 


67.60.07.00, 


103, 


106. 


40. 





179 



Hollandsch. 



Doega Üopara .... 
Doernitam Malembonem . 



Drigama 

Durjana 

Eehriek-eehrik 

Eekkawarna 

Goena paranti, zie wang akira 

deesti. 
Goeroe Saksie Sian , • . 
Gotra .... ... 

Gusti Saksie Kawoela. . . 
Ilina — , zie [na — of Iena. 



Ieim poegeraa 
Ina badra . . 

Ina saksie. 



Ipat-ipat . 
Istrie Sangraha 



Jaja Praijaija. 

Jaksa . 



Jara, zie Djara. 
Jejeneng . 



Joegoel Moeda 



Jo 



m au a 



Javaansch. 



Joniana Satmata 



Doega dopara , . . 
Doernitam alëmbonëm 



Drigama 



Wang doerdjana 

Ngarik-arik . . 
(Ekawarna ?) . 



Goeroe asaksi sisijan . . 

Gotra 

Goesti asaksi kawoela. 

Hina boekti lari tan wroeh 

ing baja 

Hina bjawara 

Hina oebaja 

Hina pariksa (lir djana — ) . 
Hina samboetan .... 
Hinawatgata (binawatgateng 

tingal) 

Hina poegëran 

Hina badra 

Hina saksie 

Ing bahanja andana tidëm 

pramanëin 

Ipatipat 

(Istri sanggraha) .... 
Istri sanffgraha wiroeda . 
Istri wogan, hina topeksa . 
Itgata patra 



Djaksa 



Djëdjenëng . 
Djoegoel Moeda 
Joniana (joemana) 





Pag 


28. 




42. 




48, 


55. 


41, 


Do. 


29, 


72. 


54 





41. 
05. 
41. 



75. 






87, 88. 






89. 






89. 






85. 






81. 






48. 






28, 46. 






21, 46. 






72. 






14. 29, 


34, 


i:;. 


68. 






108. 






96. 

i n" 






lUo. 

55. 






1 enz. 


17. 


52, 


53, enz. 






12. 11. 






11. 






14, 27. 


29, 


30, 


31, 35, 


5 5 . 


75. 


1 1. 2!> 


30. 





180 



Hollandsch. 


Javaansch. 

Kadasawarsa (zie dasawarsa). 


Pag. 
104. 










47. 4b. 










47. 48. 








Wang këmasan 


41. 










47. 48. 








Wang kapëtëngan .... 


41. 






Karoeban Roenga .... 


Koroeo-an roeno-o-a-roeno-oja 


20. 






Karbo Sakandang .... 


Këbo sakandang .... 


41. 










3. 11. 


27. 




Kawoela Saksie Gusti . 


Kawoela asaksi Uuesti. 


41. 






Kedi 


Wang këdi 


39. 






Kendeel-brief' 




4. 10, 


11, 


27. 






m. 45, 


47. 


51. 


Kertini 


Krëtini (of kartini) 
Kidang malëmpat kari alase 
sëdja ala anëmoe ala . 


60, 109 
111. 










E r 






Koekoedono- 


Soerat koekoedoeng . . 


5. 17. 
51. 52. 


27. 


49. 


Koekoet .... 




53. 






Koeli Natja 




42. 






Koesoema Witjitra, gïerba 


(tama. koesoerita witjitra, 








Sadjie, Awee Trinaragina. 


griba sadji, aweli trinara- 








Madjarawa, Seewasa . . 


gina. niadjara wase tawasa 


53. 






Kontara Manawa .... 


Basa Kontara manawa . 


47. 






Kria Wikria 




50. 






Larie 










Lata Natja ... . . 




39. 






Lebon 




5 enz. 










7, 16. 


19. 


47. 






70, 72. 


91, 


93. 


Madia (v. e. proces) 




9. 19. 


27. 


45. 


Madia (v. e. boete). 


Madja (dënda — ) 


60. 






Madia Mangangsa-angsa . 


Madja raa(ng)angsa-angsa 


67. 






Madoe Madon 


Madoe niadon . . . 


113. 










42. 








Mahapralaja 


20. 46. 








Maling 


36. 








Maling arëp 


04. 87. 







181 



liollandsch. 

Malieng atierapo 
Malieng Ainia . . 
Malieng ikanja . 



Malieng kaboenan 



Malieng Kanja . 
Malieng Karoeroe 
Malieng Loeka . 



Malieng Parie ing Sawa 
Malieng Kuras . . . 



Manawa 



Marga Natja ... 
Massang Damar. . • . 
Mati Sambawa . 

Menjanka 

Metjat Kakitan, zieAmetjat 

Mila 

Moerba Girie 



Naijakka . 



Nisakka 

Nista (v.e. boete) . 
Niistn Mang Angsa-angsa 

Njata 

Oebaija 

Oetama (v.e. boete). . 
Oetama Mangangsa-angsa 

Oetara 

Padoe 

Pakolie 



Javaansch. 

Maling atiinpoeh 

Maling atma 
Maling ikanja . 
Maling kaboenan 



Maling kanin, zie M. loeka 



Maling kanja 

Maling karoeroe. 

Maling kanin 

Maling pari ing sawah 

Maling raras 

Manawa 



(Marganatja) . 
Aniasang damar. 

Mati sambawa . 
Tarka .... 



Paladara ing dia 



Wang amila(h) . 

Amoerba giri. 

Moestika bramara tjora titir 
pinadjarakën roesak ingani 
poehan saini dening aloen 

aloen 

JNaiaka 

Ngarik-arik, zie Eebriek-eeb 
riek — . 

Nisaka 

Nista (denda) .... 
Nista' ma(ng)angsa-angsa . 

Njata 

Oebaja 

Oetama (denda) .... 
Oetama ma(ng)angsa-angsa 

Oetara 

Padoe . . 

Pakolib 

Paksi mibër atinggal soesoehe 
Paladara ing dja(h) . . . 



Pag 



• il. 

<>4. 

o — 

óé . 

64. 



64 

(i4. 

65. 

<i4. 

t)4. 

87, ss. 89, !•:{. 

94, 98, 112, 11:!. 

39. 

26, 4ii. 

( .)7. 

34, 49. 



71. 
13, 



25, 



29, 4; 



94. 
72, 
83, 



73, i •"• . 



().). 




lil). 




67. 




36, 


113. 


36. 




3, 


iin. 


67. 




36, 


86, L13 


L9 


51, 72. 


60 


ii:l. enz. 


12. 




54. 





182 



liollandsch. 



Paliwara .... 
1 'angpang I 'oengpoeng 

ing Bauwt. 
Pantja Baka . 
Pantja doa 



atti 



Pantja Wati 
Papalang 



Para Sikara nitjee 
Parwala . 



Patjatjadan, zie Salla. 

1 cl Tl* tl • • • • 

Pisaid 



Pisaid Pagoegattan . 
Pisaid Warawara . 
Poenang meet Loenas. 
Poerba ning Soeka, - VVi- 
rang, - Wiroda .... 

Poeroesa 

Poerwa (v. e. ])roces) . 

Prabeea 

Prada 

Pradata 

Pramana 

Pringa ........ 

Pring Sadapoer 

Radja Grondala (Ki Dëmang) 
Radjaniti ...."... 

Radja Peeni 

Radja Wisoena 

Raraton 

Sabda Poeroesa 



Javaansch. 



Paliwara 



Pangpang poengpoeng pati- 

ning baoed 

Apantjabaka 

Pantjadowa 

Pantja sadarana 

Pantjawara (denda). 



Pantja wati 



Papaloe agoeng . 
Para sikara nitjeh . 
Prawala .... 



Pati ganagana 



Patra . 

Soerat Pisaid 



Pisaid pagoegatan . 
Pisaid warawara(h). 
Poenang amet loenas . 
Poerbaning soeka, -- wirang, 

— wiroda 

Poeroesa 

Poerwa 

Prabeja 

Pradah 

Pradata 

Pramana 

Pringga 

Pring sadapoer 

Radja Gondala 

Basa Radjaniti 

Radjapeni 

Radja wisoena 

Wong kang araraton . 
Rondon oerip dening pange. 
Sabdaning angangas sari ning 

awani 

Sabda paroesa . . . 



Pag. 



1. 



32. 








2(). 


46. 






39. 








73, 


83. 






77. 








39. 








5, 


10, 


16. 




101. 








42. 








50. 








89. 








34. 








3, 


4, !i 


',27 


30, 


45, 


47. 


51, 


97. 


3. 








3. 








25, 


46. 






114. 








36. 








9 


19, 


27. 


45. 


9, 


27, 


30, 


52. 


54, 


77 


enz. 


94. 


49, 


73, 


74. 




35. 






• 


57. 








41. 








39. 








47. 








61. 








55. 








55. 








84. 








74. 








22. 


68. 







8:5 



Hollandscl). 



Sabda Tjandala . 



'atti 



Saeeka Nanda 
Saeeka Prana 

Saeeka Saksie 
Saeeka Tjipta 
Saeeka Watjana. 
Sagelar sajakti 

moetil . 
Sakra-eijta 
Saksie . 



Saksie ainbau Tanda 
Saksie amboeal Tanda 
Saksie Maha teedja. 
Saksie Maha tjirie . 
Saksie Noertjaja. 
Saksie Tanwatgata . 
Saksie Tjampaija . 
Saksi Walad . 
Salaran .... 

Salla 

Salla Koelit . . . 
Salla Daging 
Salla Toelang . 
Samargananda. . 
Samaijta .... 
Sainboeni Teliek 



in 



Sangara 
Saugraha , , 
Sangraha Atapa. 
Sangraha Lokika 



Saugraha Pattia 



Javaansch. 

(Sabda tjandala) 

Sabda prana dosane maletja 

ni rarasan 

Saeka basa wadi aing asëpi 

Saeka nanda 

Saeka prana 

Saeka saksi 

Saeka tjipta ..... 
Saeka watjana .... 
Sagëlar sajekti. patiningang 

oetil 

Sakra(h)ita 

Saksi 



Saksi amboewal tanda. 

Saksi maha tedja . 

Saksi maha tjiri. 

Saksi noertjaja .... 

Saksi tanwatgata 

Saksi tjampaja .... 

Saksi walad 

Soerat salaran .... 

Patjatjadan .... 

Patjatjadan kang angoelit 

Patjatjadan andaging . 

Patjatjadan ainbaloeng 

Samargananda .... 

Samabita 

Angamboengi tëlik . 

Sanak aloega sinoesoer ini>- 
sari pinatjar papa arasmi, 
andaka raras moeli(h) ma- 
ring kandëngan . . . . 

Sangara 



Sanggraha, 
Sanggraba tapa . 
Sanggraha lokika 
Sanggraha patija 



Pag. 



68. 



74. 



7;;. 



66. 

67, 73. 
105. 
67. 

67. 

32. 
67. 
4, 0. 13, 34. 
38—42. 
38. 
38. 
42. 
42 
4 2. 
1 05. 
42. 
39. 

17. 51. 
13. 



J 13. 45 17 

J 

titi. 

19. 



78. 

28. 

68. 92. 

70. 

70, 91, 109. 

70. 



184 



Hollandsch. 



Sangraha Tana 



Sangraha Tidarsa . 



Sangraha Weroda 



Sangkoel 



Santa Pra(ij)laija 
Sarasa Moertjaja 
Saroe Basa .... 
Saroe denta. zie Asaroe- 
Saroepa Krama . 



Saroepa Praija 
Saroepa Prana 
Saroepa Tirta 
Saroepa Wastra 
Sasandan . 
Sasra Bauw(t) 
Sati Kapti 
Satja 'Raka . 
Satmata 

Sawala Saksi. 
Sawi Sada 



Sereggan of Sergan 

Sidem 

Silem 

Siembar Toemrat Ping Kaj 

Sirna Pamiarsa . 

Sirna Pang Oetjap . 

Sirna Tja(t)ja 

Sisian Saksie Goeroe . 

Soedra Watjana . 

Sragala Loemoempat ing 
palang teboe toewoe 
Sotjanee toemanem 
Woekoenee 

Taksoe Boejangem . 



on 



;i- 



ïng 



ng 



Javaansch. 

Sanggraha boemi 

Sanggraha tidarsa 
Sanggraha watjana 
Sanggraha wiroda 
Sangkoel . 

Santa pralaja. 
Sarasa moertjaja 
Asaroebasa 

Saroepa krama . 
Saroepa lingga praj 
Saroepa praja 

Saroepa prana . 
Saroepa tirta. 
Saroepa wastra . 
Sasandan . 
Sasra baoe 
Satja kapti 
Satjakara . 
Satmata 

Sawala saksi . 

Awisada 

SerPgan 

Sidëm .... 

Silem .... 

Simbar toemrap ing kajon 

Sirna pamiarsa . 

Sirna pangoetjap 

Asirna tjaja . 

Sisijan asaksi goeroe 

Soedra watjana . 

Sragala loemoempat ing papa 
lang tl'boe toewoeh 
sotjane toemanem 
woekoene. . 

Taksoe boedjanggëm . 

Tanggal pisan adadamar awas, 



ing 
ng 



ag. 



70. 

71. 
108. 

7o. 108, L09. 

59—60, 105, 
1 06. 

U, 46. 

47. 48. 

2."». 45. 

66. 

79. 
t)ii. 
66. 
00. 
til». 

3, 11, 27. 49. 
28, 40. 

4?. 
00. 

14. 27. 30, 35, 
113. 
39. 
00. 

4. 8, 27. 
3, 91. 

18, 4^. 

25, 40. 

38. 

38. 

38. 

41. 

24. 40. 



26, 46. 
42. 



\Si 



Hollandsch. 



Tauwatgata. zie Saksi- 



Tarka of Menjanka 

Tatra 

Teeta 

Tidarsa 

f 



Tirta Karta 

Titier 

Titier bjawara 

Tjandra Tirta Sarie ïjakra . 
Tjatjad. zie Salla— . 

Tjina 

Tjina Jomana Patti ing 

Malieug 

Tjina Patti ing Papougeen . 

Tjoraka 

Toeawa Tantoeawa .... 
Toeroes Saheedjo .... 
Toetoer (brief) 

Toom bok 

Toija Gama 

Toija Natja 

Tribaga 

Walad Boekti 

Walad Denda 



Javaansch. 




Pag. 




jeu kasamaran .... 


78. 






Tan wroeh ing baja . . 


75, 


LOL 




Tan wroeh baksana . . 


102. 






Tan wroeh lara 


80. 






Tan wroeh ing nianawa . 


101. 






Tan wroeh ing oela. . 


101. 








34 








05. 






Teta 


65. 








0. 10. 19, 17 


73 


Tidarsa lokika 


93. 






Tidarsa pramana njoemana 








in aragang sarining istri 










I 75 - 






Tidëm bjantara 


72. 






Tidëm pramanëm .... 


72. 






Tirta karta 


27. 








2. 3. ; 


37,53,65 


enz 


Titir bjawara 


97. 






Tjandra. tirta. sari. tjakra . 


52. 






Tjatoerwara (denda) . 


74. 


7.">. 




Tjina 


0. 


35 enz. 




Tjina jomana pati oing 


• 






maling 


31. 






Tjina pati ning paoegen 


32. 








66. 






Toewawa tan toewawa 


50. 






Toeroes sa(h)idjo .... 


41. 








4. 


1 1. 27, 


31. 




15. 


17, 19, 


51. 




8, 


II. 17. 


27, 




31, 


40, 52. 




Tojagama 


l::. 






(Tojanatja) 


39. 






Tribaga (trimbaga) 


19, 


49. 51. 




W'alat boekti 


69. 






Walat dënda 


60. 







186 



Hollandsch. 

Walad Kara 

Walad Leeka 

Walad Paksa 

Walad Pattia 

Walad Talie 

Waug abibinian .... 
Wang Abiek Soeka . . . 

Wang adoeliet 

Wang agamboe 

Wang agendieng .... 

Wang agentjet 

Wang ajoeja 

Wang Akira deesti en Goena 

Paranti 

Wang akoemba 

Wang akraka 

Wang amelereng .... 
Wang ambapang. zie Am- 

bapang. 
Wang ambarak, zie Barak. 
Wang ambegal, zie Ambeegal. 
Wang amëtjat rakitan, zie 

Mëtjat — . 
Wang amila, zie Mila. 
Wang amoengyang kara, zie 

Amoengpang. 
Wang amoentrang .... 
Wang Amoetoeng Rakitan . 
Wang amrëkënëng, zie Aniër 

Kunnng. 
Wang anajab, zie Annajab. 
Wang Anamboeng Watang 

Boeboeken 

Wang Anamboeng Watang 

Poetong 

Wang Anamboeng Watang 

Tjatjad 

Wang anggënoek pringga, zie 

Ang(g)enoek. 



Javaansch. 

Walatkara . 

Walatleka 

Walatpaksa 

Walatpatja 

Walattali 

Wang abibriman . 
Wang abiksoeka . 

Wang andoelit 

Wang agamboeh . 

Wang agënding 

Wang agentjet 

Wang ajoeja 

Akira desti sarta goena pa- 
ranti 

Wang akoemba(h) . 

Wang akaraka 

Wang amalërëng . 



Wang amoentrang . 
Wang amoetoeng rakitan 



Wang anamboeng watang 
boeboeken 

Wang anamboeng watang 
poetoeng 

Wang anamboeng watang 
tjatjad 



Pag. 

69. 

69. 

69. 

69. 

69. 

40. 

22, 40. 

40. 

40. 

40. 

40. 

22. 40. 

22, 40. 
40. 
40. 
40. 



40. 
16, 22. 



23, 40. 
23, 40. 
23, 40. 



is: 



Hollandsch. 

Wang angoetil, zie Angotiel. 

Wang angoetjoeri, zie Ang 
Oetjoerie 

Wang angoengangkara, zie 
Angoengangkara 

Wang Anjiroet -lava . 

Wang atjakkee 

\\ ang atjoekit 

Wang balantik, zie balantik. 

\\';mg Boboto 

Wang dadalang .... 

Wang doerdjana, zie Durdjana. 

Wang këdi, zie Kedi. 

Wang Këmasan, zie Ka- 
rn assan. 

Wang Kapëtëngan, zie Ea- 
petengan. 

Wasana (v. e. proces). 

Watang 

Watang dawa Sinamboengan. 
Watang Patti ing Angniwat. 
Watang Tjindik Tinuttikan. 
Waton Patti ing aglu. . . 
Weetanja tan Weetan(j)a. 



Javaansch. 



Wang anjiroet njara 
Wang atjako. . . 
Wang anjoekit . . 

Wang boboto(h). 
Wang adadalang . 



Wasana 
Watang. 



Watang dawa sinamboeno-an. 

Watang pati ning angiwat. 

Watang tjëndëk tinëtëkan. . 

Waton patining anggële. 

Wetanja tan wetanja . 

Wiroen kapëgatan djoerit, 
tan elino- wiwitan ing oe- 
djar 

Wisawigena angrëboet wadi 
lampab sariuingatma . 

Wogan, zie istri — . 



Pag. 



22. Ui. 

40. 

40. 

40. 

40. 



9. 


19, 


27, 45 


•»• 


11. 


2::. 25 


27. 


46. 




14. 


20. 




81. 






14, 


26, 


46. 


31. 






50. 







80. 



76. 



MAR m \m _ _ 

PROEVE 



EENER 



NED, INDISCHE BIBLIOGRAPHIE 

(1659-1870) 

DOOR 
UI r . J. A. VAN DER C II IJS. 



SUPPLEMENT II. 



Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap 
van Kunsten en Wetenschappen. 



DEEL LV, 

3e Stuk. 



BATAVIA, 'S II AG E, 

ALBRECHT & Co. MART. NÏJHOFF. 

19 3. 



MAR sn I9f6 

P ROE V E 



EENEK 



NED. INDISCHE BIBLIOGRAPHIE 

(1659-1870) 

DOOR 
W*. J. A. VAN DER CHIJS. 



SUPPLEMENT II. 



Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap 
van Kunsten en Wetenschappen. 



DEEL LV, 

3e Stuk. 



BATAVIA, 

ALB RECHT & Co. 



's Ha ge, 
MART. NIJHOFF. 



19 3. 



Na de verschijning in 1875 van de ,.Proeve eener Nederl. Ind. biblio- 
„graphie (1659 — 1870)" (*) bleek betrekkelijk spoedig-— vooral tijdens een 
kortstondigen terugkeer van den zamensteller naar Nederland, waar vele, voor- 
namelijk 17 dft eeuwsche, Indische drukwerken, welke in Indië niet meer voorhan- 
den zijn. werden aangetroffen, — bleek spoedig, dat aanvulling en gedeeltelijke 
omwerking van de Proeve noodig was, ten gevolge waarvan reeds in 1879 een 
vermeerderde en verbeterde herdruk voor de jaren 1659 — 1720, tevens supple- 
ment en verbeteringen voor de jaren 1721—1870 het licht zag (f). 

Het thans aangebodene, tweede supplement bevat het resultaat van voort- 
gezet omzien gedurende nagenoeg eene kwart eeuw naar al, wat aan het reeds 
gepubliceerde ontbrak. 

Maar, evenals op een afgemaaid korenveld bij eene tweede nalezing slechts 
door een toeval nog enkele, rijke aren kunnen worden gevonden, evenzoo zijn 
drukwerken van eenigen omvang in dit tweede supplement schaars. Ware dit 
niet het geval, zulks zoude voorzeker niet pleiten voor nauwgezetheid en ijver 
bij de zamenstelling van het vroeger geleverde. Maar toch bevat dit supplement 
genoeg om eene uitgave daarvan te wettigen. 

Vooral is ditmaal, meer dan vroeger, werk gemaakt van het verzamelen 
van historische bijzonderheden, op de Ked. Indische bibliographie betrekking 
hebbende, wier vermelding ongetwijfeld in dit werk op hare plaats is. 

Voortzetting van dezen arbeid over de jaren 1871 en volgende heeft nog 
niet plaats gehad, hoezeer zoodanige voortzetting vrij wat loonender dan het 
thans geleverde zoude zijn. Aan lust tot de zamenstelling van zoodanige voort- 
zetting ontbreekt 't mij niet. Maar op 72-jarigen leeftijd begint men niet meer 
een arbeid, dien men zoo goed als zeker onvoltooid zoude moeten nalaten. 

Aan jeugdiger krachten zij dat werk aanbevolen! 

v. d. C. 

Batavia, September 
1903. 



(*) Verhandelingen Hat. Gen. v. K. en W., deel XX XVII. 
(t) Als voren, deel XXXIX. 



XVII' EEUW. 



1 6 5 9. 

In het Dagh-register van het Casteel Batavia, 1668/69, bladz. 106, wordt 
de uitgever van het „Tyt-boek", — het eerste, voor zoo verre bekend, te Batavia 
verschenen drukwerk, — Cornelis Pyl, genoemd „de chimicus" en tevens vermeld, 
dat hij benoemd was tot vaandrig bij de schutterij. Hij was derhalve, zooals 
zich liet vermoeden, geen drukker van beroep.— Volgens het Dagh-register 
1670/1, bladz. 119, was hij op 22 Juli 1670 door vertrek naar Nederland te 
Batavia niet meer aanwezig (*). 

1666. 

In het contract, gesloten den lsten November 1666 tusschen de Indische 
Regeering en haren boekbinder, J. Becker, is sprake van het inbinden van 
„gedruckte boeken, die hier uyt het vaderlandt worden aengebracht." — Bedoelde 
boeken zijn waarschijnlijk administratieve boeken geweest. In allen gevalle 
pleiten de aangehaalde woorden niet voor het bestaan in 1666 eener drukkerij 
te Batavia 

16 68. 

14 Maart. „Haer Ed. hebben gelast terstont te laeten drucken de 
poincten en articulen" (door (Speelman met Makasser overeengekomen) [Dagh-re- 
gister van het Casteel Batavia, 1668, bladz. 42. — Zie Suppt. 1668. Naerder 
artyculen enz ] 

31 Juli. „By de Gouverneur- Generael en Rede van India uyt de Seylonse 
„papieren vertoont synde een formulier van corte vraegslucken ende antwoorden, 
„uylle Calechismo geirocken ende int jaer 165. [oningevuld] hier behoorlicken 
„nagesien ende geapprobeert, is goet gevonden het selve voor Batavia ende 
„andere plaetsen van de Comp. te laten drucken om uyt te winnen het schryven, 
„dat daer anders aen vast is". 

31 Augustus. „De drucker, Hendrick Brants, heeft dese maent voor 
„reekeningh van de Comp e . gedruct ende op de generale Secretary gelevert: 

„100 placcaten om op de schepen, uyt het vaderlandt comende, aengeslagen 



(*) Hoezeer de Portugeezen ons vóór geweest zijn met het drukken van boeken in Azië 
blijkt uit de verschijning van het eerste drukwerk te Goa in J563. — Zie Semmelink, geschiedenis 
der cholera in O. I., bladz. 34. 



6 1668—1673. 

,.endc ook eenige nae Seylon gesonden te worden". [Zie Suppl. 16(58, Placcaet 
ghenomen uyt den Artyckel Brief enz.] ; 

„75 ordonnantien voor keurmeesters van 't gout en silver" [Zie Suppl. 
1668, Ordonnantie voor keur- meesters enz]; 

,250 lysten van Salaris der secretarissen' 1 [Zie Suppl. 1668 Lyste van 't 
Salaris enz | ; 

„250 d» der notarissen - " [Als voren] ; 

„200 do der procureurs" [Zie Suppl. 1668, Taxatie van 't Salaris, enz.] : 

„200 d° voor den deurwaarder en stads bode" [Zie Suppl. 1668, Lyste 
van 't Salaris enz.); 

„alle om te dienen tot ordre en narigtinge, niet alleen hier op Batavia, 
„maer op alle gouvernementen, directien ende comptoiren van de Compe in India, 
„voor soo veel deselve applicabel sullen zijn' 1 (Dagh-register van het Casteel Batavia, 
1668, bladz. 145) 

21 September „Dewyl de druk van de Heydelbergse Maleyse catechis- 
„mus uyt is ende de Oosterse kerken deselve niet wel connen derven, soo is goet 
„gevonden die alhier te laten herdrucken" (Zie Suppl. 1669. Danckaerts). 

26 October „Goet gevonden de krygs ordre voor de militie hier in India, 
„om datter telckens veel schryvens aen vast is, te laeten drucken" (Dagh-register 
„als boven, bladz. 186. —Zie Suppl. 1668, Crygs Ordre enz.) 

16 69. 

29 Maart „Goet gevonden te laeten drucken de reglementen ende 
„poincten, waarna de herbergiers, de werkbasen en ambachtsluyden van de 
Compe haer moeten reguleren". (Zie Suppl 1669. Ordonnantie voor alle der 
Compagnies Basen, enz ) 

Naeder Contracten enz. — Met dit werkje slaat in verband: Nicol Gervaise, 
déscriplion hislorique du royaume de Macacar, divisée en trois parties, avec relalion 
de toul ce qui c'est passé en la querre que les Hollandais de la Compagnie des Indes 
Orientales out ene conlre Ie roi el les autres regens de Macacar depuis Van 166H 
jus<iu'a l'année 4669, avec les vicloires qu'ils sont remporlès sous la conduite du Sieur 
Corneille Speelman, ci-devant Gouverneur de la cóle de Coromandel etc. — traduite sur 
la copie imprimèe d Halavia. Ralisbonne, 1700 12°. — Reeds in 1688 had Gervaise 
te Parijs uitgegeven: déscription hislorique du royaume de Macacar. 12°. 

16 70. 

In het Dagh-register van Batavia, 1670, bladz. 149, wordt als r gedruckt" 
vermeld: „Verhael van de heerlycke victorie, door 's Comps wapenen op de 
„Sumatrase Westcust bevochten". 

167 3 

27 October. Bepaald, dat voor Ambou gedrukt zoude worden het aldaar, 
door den predikant F. Cauon, geschreven boek, getiteld : Ontledingh ende toe 
eygeningh van de twaalf articulen des geloofs, 't gebet des Heeren, de historiën 



1673—1677. 7 

„der Heylige dagen, smeeckingen ende danckseggingen ter tyden van voorspoet 
„en tegenspoet, in veertigh malleytse predicatien, etc., soo als die in Amboyna 
„syn gepredikt" (Zie Suppl. 1738). 

16 74. 
Op het huwelyck van den Koopman Cornelis Verburgh, en d'eerbare 
deucbt- en zedenrycke juff. Ma ria van Rietbeeck. t' Samen in den echt verknocht 
den 15 Maart, 1674, op Batavia. Ibid. Plano, 1 bladz. (J. van den Eede, boek- 
drukker en boekverkooper der Ed. Compagnie, in de Princestraat, in den 
Bataviaschen Mercurius). — Een exemplaar van dit gedicht, op satijn gedrukt, — in 
velerlei opzicht een merkwaardig product van drukkunst, — bevindt zich in hel 
museum van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. 

167 5. 
6 November. „Naardien de borger, Abraham van den Eede, soon van den 
„ overleden drucker, Joannes van den Eede, de druckerye onder syn vader principaal 
„selfs meest heeft waargenomen, soo is verstaan hem deselve druckerye by 
„provisie aanbevolen te laten". 

20 December. „Voorts is den borger, Joannes van den Eede, drucker 
„alhier, op syn versoek in desselfs dienst ter leen vergunt de matroos, Bakent 
„Hendrixen van Amsterdam, mits alle maanden syn gagie in Comp s cassa voldoende 
„en borgh stellende voor de 3 maanden jaarlyx, die hy in 't vaderlant heeft 
„weghgemaakt". 

167 6. 
12 October. „Door den eerwaarden kerkeraad aan Syn Ed h , den heere Gene- 
„raal overhandigt synde een g edeelte van 't nieuwe testament, in de Portugese 
„taaie overgeseth door d s Joan Fereira, met versoeck van voorschryven deser 
„tafel aan de Heeren Majores, ten eynde hetselve in 't vaederlandt tot stigtinge der 
„inlanders alhier mogte werden gedruckt ende herwaarts gesonden, waar over 
„eenige bedenckingen en difficulteyten syn gemoveert, ten aansien de Portugese 
„taele, dewelcke in dese colonie behoorde geweert en tegengegaan te werden, 
„als mede wegens de correctie van soodanige translaten der heylige schrifturen in 
„andere taaien, etc, soo is naar eenige debatten eyndelyck verstaan, dat men het 
„voorschreven getranslateerde boeck onder Comp s papieren naar 't vaderlandt aan 
„de Heeren Majores sal laten afgaan en het drucken daar van aan het goetvin- 
„den van Haar E<ls gedefereert en bevolen laten". — Zie Suppl. 1680 en 1693. 

167 7. 
3 Augustus. „D'eerw. Frfdericus Gueynier, bedienaar des H. Evangeliums 
„hier ter stede, gemaakt ende reets al op eygen kosten onder de druckpersse 
„gebraght hebbende seker Vocabulaer in 't duytsch ende maleyts, heeft als nu 
„versoght (tot voorkominge van schaade, die hy by nadruckinge en verkopingh 
„van hetselve boeck soude konnen lyden), dat hem voor eenige jaeren octroy 
„moghte werden vergunt, waer op gedelibereert zynde, soo is goetgevonden zyn 






8 1677—1681. 

.eerw. sulx toe te staen ende hem daer van een acte te verleenen in maniere, 
„als volght: 

„Joan Maetsuycker, Gouverneur Generaal ende de Raaden van India, 
„allen den genen, die desen sullen sien ofte horen lesen, saluyt ; doen te weten, 
„dat wij geconsenteert, geaccordeert ende geoctroyeert hebben, gelyck wy con- 
„ senteren, accorderen ende octroyeren mits desen, aen d' eerw. Fredricus Guey- 
„nier. bedienaer des H. Evangeliums binnen dese stadt Batavia, dat hy voor den 
„tyt van vijffthien naestkomende jaeren, met exclusie van allen anderen alhier 
„in India ende de plaetsen, sorterende onder het gebiedt van de generaele Neder- 
landse geoctroyeerde Oostindische Comp e , sal mogen doen drucken, uytgeven 
„ende verkopen seker Vocabulaer in 't duyts en maleyts, door zijn eerw. selve 
„gemaeokt en by een vergadert, verbiedende allen ende een yegelyck, die haer 
„bevinden onder het gebiedt van de gem. E. Comp e , 't zy dienaren ofte borgers, 
„het gem te Vocabulaer in 't geheel ofte ten deele. in 't groot ofte kleen binnen 
„den voorn, tyt van 15 jaeren na te maecken, drucken, uytgeven ofte vercoopen 
„ofte, elders nagedruckt zynde, hier in India, op plaetsen van 's Oomps gebiedt, 
„te brengen om gebruyckt ofte verkoght te werden sonder consent van den 
„voornoemde d s Fredericus Gueynier, op verbeurte van alle de nagedruckte boecken 
„en daer en boven de somme van hondert rycxdaelders a 60 stvs yder, te appli- 
„ceren een derde deel ten behoeve van den officier, die de calange doen zal, het 
„twee derden deel ten behoeve van de armen der diaconye en het resterende 
„ten behoeve van het Lazarus huys, beyde deser stadt Batavia". 

168 0. 

22 Januari. Besloten tot het drukken van de geamplieerde plakaten tegen 
particulieren handel van 16 Augustus 1678 en 27 Juli 1679. [Zie iV. I. Plakaat- 
boek, lil bladz. i2 en 33}. 

168 1. 

Dialogo rustico e pastoral etc. (Zie Suppl bladz 63). Bij schrijven van 
29 April 1681 verzocht Ds. J. Ferricira a d'Almeida aan Heeren XVII nen , dat 
„seecker controversie bouckje, by hem in de portu^ese tale geschreven' 1 en hetgeen 
hij aan de Classis van Amsterdam „om te revideren" had gezonden, door de O. I. 
Compagnie mocht worden gedrukt Bij brief van 20 November 1681 deelden 
Heeren XVlI nen aan de Indische Regeering mede, dat zij geen bezwaar tegen 
het drukken en de Kamer van Amsterdam gemachtigd hadden daartoe over te 
gaan, „als de Classis van Amsterdam het van nuttigheyt en stichtelyckheyt oor- 
„deelt te wesen". — In de resolutien der Indische Regeering van 21 Maart 1684 
wordt de „dialogo rustico" bij name genoemd als „int vaderland ten coste van 
d'E. Comp. gedruckt". Ds. Ferreira verspreidde daaiwan 30 a 40 exemplaren.— 
Vermoedelijk bevat het „controversie bouckje" eene wederlegging van de „dialogo 
„rustico", welk laatste alzoo vóór 1681 gedrukt moet zijn en waaromtrent in 1736 
werd beweerd, dat zulks „op een sinistre wijze in een schip van de O. I. Com- 



1681—1682. 9 

pagnie was geladen 0111 naar Batavia vervoerd te worden. — Het bevat eene ver- 
dediging van de Roomsch Catholijke tegen de Gereformeerde godsdienst 

In zijn bovenbedoeld schrijven deelde Ferreira ook mede, dat hij spoedig 
gereed zoude komen met zijne Portugeesche vertaling van het Oude Testament, 
welke in Indië niet ter perse is gelegd, noch herdrukt. 

„Ondertusschen" schreven Heeren XVIInen ; „cunnen wy niet voorby gaen 
„te lauderen de bysondere vlyt en ijver, die den voornoemden Ds. Ferreira in 
„syn beroep allomme toont en presteert, met betuyginge, dat hy ons daar in 
„volcomen genougen geeft, te wenschen synde, dat syne mede Broederen in Indien 
„des selfs voetstappen in alles quamen na te volgen, daer in wy tot ons leet- 
„wesen moeten seggen, dat veele seer gebreekigh blyven en haer plicht soo 
„weynigh betrachten". 

168 2. 

23 Januari Besloten tot het drukken van een plakaat tegen moetwillig- 
heden, straatschenderijen, vechten met messen door matrozen, enz. (N. 1. Pla- 
kaatboek, III, bladz. 79 — 91). — Dit plakaat is den 23sten Januari 1682 gear- 
resteerd, maar eerst den 27sten Februari daaraanvolgende afgekondigd, doordien 
„het den drucker niet eerder vermeint te sullen kunnen vaardig krygen". Het 
stuk is 26, tamelijk lange artikelen groot, maar voor het drukken van dit pla- 
kaat ongeveer eene maand noodig te hebben, bewijst niet voor vlug werk ter 
drukkerij . 

6 Februari Besloten tot het drukken van een plakaat wegens het vrijge- 
ven van slaven en tegen de besmettelijke ziekte van ,,lazarie" (N I. Plakaatboek, 
III, bladz 75 — 79). — Dit plakaat is gearresteerd den 27sten Januari 1682, maar 
eerst den 6 den Februari daaraanvolgende afgekondigd, „dewyle den Drucker daer 
„mede niet eerder klaar schynt te kunnen comen". 

9 Juni. „De Gouverneur Generaal exhibeert in Kade een extract kerkelijke 
„resolutie van den 8 en courant, door d'eervv. broeder praeses, Melchior Leydecker, 
„geadsisteert met den broeder ouderling, Adriaan van Hoesen, als gecommitteerde, 
„ten selven dage aan zijn Ed*. overgelevert, waar by hun Eerw. versoecken, dat 
„de druk van zeker tractaatje over den korten inhout van het nieuwe testament, 
„in de Nederlautse en Portugese tale door den eerw. d s Natiianikl de Pape 
„alhier nu onlangs te samen gestelt, mogt werden gesupprimeert etc. — waarop 
„gedelibereert zynde, verstaan is, dat niet alleen de druk van het voorseyde 
„tractaatje van d s de Pape zal werden gesupprimeert, maar dat ook den drukker 
„door den Fiscaal van India zal werden gecalangieert, het selve zonder voor- 
„kennisse van d s Hr. Mr. Pieter Paauw als censor van de druckerye onder de 
„pers gebragt te hebbeu, mitsgaders dat zy ook geen geschriften, de leere of 
„godtsdienst betreffende, in de druckerye zullen mogen aannemen, tenzij daar 
„beneffens blyke, dat op de vertoninge van hun Eerw s door ons acte van licentie 
„tot den druk van alsulke dingen verleent zy". 



10 lf)82— 1685. 

27 November. Besloten niet te drukken „seker vragebouk, fsamengestelt 
„door d 8 Cornelius de Leefw ten dienste des Christendoms op Sengy" [Sangi- 
eilanden| en door den kerkeraad in de Molukken voor dat doel aan de Regeering 
aangeboden, omdat de Bataviasche kerkeraad „eenpariglyck" van gevoelen was, 
dat „in bet selve in het duyts, hoeveel te meer in het sengirees, zeer veel aan- 
„stotelycke en harde stellingen zyn, behalve dat het oock al te lang en te wyt- 
„lopigh voor d'eerste aencomende leerlingen zij ; daer by comt, dat de maleytse 
„taal op de meeste, soo niet op alle die eylanden bekent is en in swang." — 
De Regeering verzocht den kerkeraad „de aanstotelycke en harde stellingen met 
„sublimatie onder deselve" aan te toonen. 

Nadat d s Fereira, evenals zijne collega's, Slavius en de Vooöt, ettelijke 
drukfouten in zijne Portugeesche vertaling van het Nieuwe Testament, in Neder- 
land voor rekening van de O. I. Compagnie („t'onse geen geringe kosten", schre- 
ven Heeren XVII«en p 29 November 1(383) uitgegeven, had ontdekt, besloot de 
Indische Regeering op voordracht van den Bataviaschen kerkeraad „het register 
„der uytgevonden fauten" te laten drukken, „bezyden recommandatie aan haar 
,,Eerw s om goede toesigt daarover te nemen tot voorcominge van druk faulten, 
„die 'er andersints lightelyck zouden konnen insluypen'. — Volgens Fereira had 
tot de reviseurs van zijn werk in Nederland behoord „een portugese Joode, die 
„tot het Christendom is overgecomen en het werck ten principaele op sigh heeft 
„genomen gehadt, veelo absurditeyten in de tale, verduysteringe en contrarieteyten 
„in den sin syn toegebracht". 

16 8 3. 
26 Mei. Aan den kerkeraad te Batavia vergund het drukken van attestatiën. 
29 November. Op dezen datum schreven Heeren XVIInen aan d e Indische 
Regeering, dat zij 1600 exemplaren van Fereira's vertaling van het nieuwe testa- 
ment, welke „albereyts in de schepen geladen waeren om UE. toe te senden", 
had doen vernietigen wegens de daarin ingeslopen fouten, „eene saecke, bij ons 
„ingesien en opgenomen als van de uytterste tederheyt, waer van haer de vijanden 
„van het Christendom en gereformeerde gelove niet souden nalaten te bedienen 
„en sulcx tegens ons ten quaetsten te duyden". Heeren XVIInen gelasten daarom 
ook de Indische Regeering alle exemplaren, welke zij machtig kon worden, — 
ook die, voorzien van „het register der uytgevonden fauten", — eveneens te ver- 
nietigen, „synde onse verdere begeerte, dat het voorsz. testament de novo sal 
„werden gerevideert door den voorn. ds. Fereira. en andere, taelkundige predi- 
kanten tot Batavia ende van alle fauten gecorrigeert aldaer onder de persse ge- 
bracht ofte, soo het drucken aldaer niet wel doenlyck soude wesen, dat ons een 
„of meer gecorrigeerde exemplaren mogen worden toegesonden om hier te lande 
„op een nieuw gedruckt te werden".— Zie verder Suppl. 1680. 

16 85. 
Blijkens brief van Heeren XVII n en ? gericht aan de Indische Regeering, 



1655— 1693. 11 

dd. 9 October 1685, hadden zij „voorgenomen maleytse [Arabische] letters" door 
de Kamer van Amsterdam te doen bestellen. — Dit bericht nopens deze lettersoort 
ia alzoo ouder dan bet vermelde in Suppl. 1698. 

In denzelfden brief komt ook het navolgende voor: „de moeyten en ijver 
„van den predicant. Melchior Leydecker, in het oversetten van het oude en nieuwe 
„testament in het Maleyts is een godtvrughtigh en prijswaardigh werk en om het 
„selve, soo veel in ons is, te seconderen sullen wy UE. laaten toecomen de 
„maleytse off arabische letters, by UE. voor dien eynde gevordert, soo oock de 
„duytse en latynse, volgens de lyste, daer van becomen". 

168 6. 

* Lijsten van in- en uitgaande rechten te Batavia. 

168 8. 

13 April. „Door d'Hr. directeur generaal vertoont synde een reecq. van 
„den Comps. boeckdrucker, Abraham van den Eede, waar by vertoont wert, dat 
„deuselven sedert uit». November 1673 tot ulto. Augusti 1687 over genotene 
jgereetschappen en druckletters alleen schuldig was Rxds 1107:13, dogh daar 
„tegen weder sedert ulto. Maart 1674 tot ulto. Augusti 1687 voormelt voor 
„gepraesteerden dienst in het drucken te pretenderen had een somme van Rx ds 
„3,357:8, sulcx hem dan nog per saldo competeren soude Rx ds 2,240:5. soo is 
„verstaan dat geit aan hem te laten betalen, dog onder cautie van weder uyt te 
„sullen keren 't gene aan hem naderhand bevonden mogt werden ten onregte 
„betaald te zijn." — Aan van den Eede werd derhalve eerst na ommekomst van 
veertien jaren betaald, wat hij in 1674 aan drukwerk had geleverd, voor welke 
zonderlinge handelwijze geene verklaring is gevonden. 

Placaat, enz. — Hiervan beslaat ook eene uitgave in kl. 4° met den titel ' 
„Placaat tegens de aankomste der vreemde natiën, en het aanbrengen en 't 
„wegloopen van Oosterse slaven". Batavia, 14 bladz. (A. van den Eede). 

1 6 9 3. 

14 April. Op voordracht van den Bataviaschen kerkeraad besloot de 
Regeeriug, „dat het stellen van den korten inhout van het selve [de Portugeescbe 
vertalin°- van het N. T.] voor aan, evenals in den Nederlandsen druk staat, is 
„eene dienstige en nodige sake, waar mede de reviseurs respective dan sullen 
„mogen voortvaren; en ten tweeden, dat, gelyk den tweeden druk van het selve 

„by onse resolutie van den a<> passado (*) besloten is alhier tot Batavia 

„te laten geschieden, conform het geen waartoe de Heeren Principalen de Regering 

by hare brieven van den 29en Noveinbr. ao 1683 (f) en Se» Octobr. 1685 (§) 



J'".' 



(*) Oningevuld. Waarschijnlijk is bedoeld de resolutie van 5 Februari of 13 Maart 1(593. 

Zie Suppl. 1693. 

(fj Zie boven bij 1683. 

{j) Ten rechte 9 October 1685. — Zie boven bij 1685. 



12 1693—1695. 

„hebben gequalificeert, haar Eerw. dierhalven voor het selve, namentlyck aan de 
„ommezyde van het tytelblad in de Portugese tale sullen stellen en doen drucken 
„de volgenden advertentie; namentlyk: Desen tweeden druk van het Heylige 
„N. Testament, verbetert en op de kanten vermeerdert met gelykluydende texten 
„der Heylige Schrifture, word uyt gegeven op het bevel en ordre van de Hoge 
„Regeringe over den Staat van de Vereenigde Nederlandse Comp. in Oost Indien 
„en is oversien met goedkeuring van de Eerw. kerklijke Vergadering tot Bat*, 
„door de bedienaers en verkondigers des H. Evangeliums van de kerke derselve 
„stad, Theodorus Zas en Jacobus op den Akker". 

18 Mei. De Regeering keurde goed het „expediënt", uitgevonden door 
den Bataviaschen kerkeraad om d s . M. Leydecker te gemoet te komen in het 
vertalen van „de H. Schriften" in het Maleisch, namelijk vrijstelling van „alle 
„syne ordinarie predikbeurten in de week, behalven de Sondagse". — Door de Re- 
geering werd dat vertalen „voor een prijselijke zake aangesien". — Aanleiding tot 
de vertaling van den Bijbel in het Maleisch gaf een omstreeks 1690 door den 
Ambonschen aan den Bataviaschen kerkeraad gedaan voorstel ter zake, waarna 
de Bataviasche kerkeraad d 9 . Leydecker verzocht dat werk te ondernemen. 

1 September. „Aengesien by 's Comp 9 . kiene winkel ongeveer 3000 riemen 
druckpapier zedert eenige jaren hebben berust, die niet te passé kunnen gebragt 
werden, soo is goet gevonden den boekdrucker te ordonneren voortaan tot de 
doodbriefjes geen ander als dat papier te gebruyken, het welk hem uyt de 
kiene winkel voor de incoopspryse sal werden verstrekt, ten eynde de Comp. 
met ter tijd daer van ontlast geraken mag". 

169 5. 

13 Mei. Vergunning verleend tot het laten drukken van ettelijke psalmen, 
enz., door den predikant Jac. op den Acker in de Portugeesche taal vertaald, 
„soo haast onse orgelist de noten, daar op gestelt, eens nagesien en deselve 
„tegens die van de Nederduytse psalmen, welke ordre daar in gevolgd is, gecon- 
„fronteert sal hebben om, soo veel mogelyk, alle fouten en het afwyken van 
„de wyse te pracvenieren". — De broederen Zas en Tornthon hadden de vertaling 
nagezien. 



XVIIIe EEUW. 



17 01. 

17 Juni. „Op 't gedane versoek van den drucker, Andreas Lambertus 
„Loderüs, om het benodigde papier en parquement tot de druckerye van d'E. 
„Comp. te mogen genieten tot 25 per cents boven de vaderlandse prys, soo als 
„het by de vorige druckers is betaalt, ingesien synde, dat d'E. Comp. tot alle, 
„tgene ten dienste van deselve werd gedrukt, gewoon is 't benodigde papier ten 
„vollen te verstrecken en het drukken alleen te betalen, mitsgaders volgens het 
„oude contract wel gehouden is de nodige gereetschappen tot 25 pr cents boven 
„het costende te laten volgen, dog daar onder niet kan begrepen werden 't papier, 
„dat ten dienste van de ingesetenen alhier tot de druckerye werd vereyst, buyten 
„dat ook d'E. Comp. ten opsigte van de risico, 't bederf en andere toevallen 
„daarby niet sonde konnen bestaan, maar nadeel komen te lyden, soo is dierhalven 
„goetgevonden 't papier aan hem niet minder af te staan als tot 50 pi*, ets. boven 
„de vaderlandse prijs en het parquement, dat als een gereetschap tot de druckery 
„aan te merken is, tegens 25 pr. cents, mits dat hem dan ook sal moeten onder- 
„werpen de verdere conditien van 't voorz. oude contract en tselve met syne onder- 
„tekeninge bekragtigen". 

18 October. „Aan den borger en gew. boek drucker, Joannes de Vries, 
„is op syn versoek toegestaan om, benevens syn familie, met de eerste retour- 
„schepen na 't vaderland te mogen vertrecken onder de gewoone betalinge van 
„het daartoe staande transport- en costgelt". 

Bij zijn overlijden op 16 Maart 1701 was Leydecker met het vertalen van 
het N. T. in het Maleiscli gevorderd tot den Brief aan de Ephezen, eap. VI, vers 
6, waarom de Hataviasche kerkeraad den predikant P. van der Vorm, „als de 
„voornaamste taalkundige onder de broederen" en omdat hij uit eigen beweging 
reeds begonnen was Leydecker's vertaling voort te zetten, verzocht daarmede 
voort te gaan, welk verzoek van der Vorm „seer gewillig, onvermindert het 
„waarnemen van syn vollen kerkendienst", aannam. 

Op 23 Mei 1701 stelde alsnu de kerkeraad aan de Regeering voor dat. 
werk ,,op deselfde manier en conditie" als Leydecker door van der Vorm „te 
„doen voortgang nemen en voltrecken". Maar de Regeering, „niet ten vollen 
„geinformeert en versekert, of den selven [van der Vorm] wel van soo volkomen 
„taalkunde is, als tot dat voorname en tedere werk werd vereyst", gaf don 
3den j un j I7(n aan den kerkeraad te verstaan, dat 't haar aangenaam zoude wezen, 



14 1701—1702. 

indien van der Vorm „in syne prysselyke yver sal willen volharden', doch het 
werk moest hij „uyt eygene beweginge voltrecken". Tevens gelaste zij het 
manuscript van Leydeckkr in de consistorie van den kerkeraad te bewaren in 
„een bysonder kasje", waarvan de sleutel onder den oudsten predikant moest 
berusten. 

Op den 10 den October 1701 deelde de kerkeraad aan de Regeering mede, 
dat ds. van der Vorm „een goet taalkundige" was en „wel besonder de Maleytse 
„taal in den grond" verstond, „gelyk d s Leydecker bij syn leven sulx, niet alleen 
„aan de vaderlantse synoden en dassen heeft geschreven in de kerkelyke brieven, 
„maar ook menigmaal particulier aan syn collegas en openbaar in de vergadering 
„betuygt heeft". Vermits nn van der Vorm zijne vertaling voltooid had, verzocht 
de kerkeraad, dat de Regeering die vertaling „met datselve aansien en autho- 
„riteyt geliefde te begunstigen als die van Leydeckkr''. Maar de Regeering 
volhardde den 2ó sten October 1701 bij haar besluit van 3 Juni te voren en 
gelastte tevens het werk van van der Vorm eveneens in „een bysoudere kasse" 
te bewaren (*). 

1702. 

Bijdragen tot de geschiedenis van een Indisch boek leveren de navolgende 
extracten uit de resolutien van de Hooge Indische Regeering. 

11 Maart 1701. Nadat de Bataviasche kerkeraad had verzocht, „dat met 
„het drucken van 't portugeese rijm psalmboek, waar toe de geeyste druknoten 
„met het schip de Generale Vrede reets uyt het vaderland overgebragt sijn, 
„mogte werden voortgevaren", overwoog de Regeering, „dat 't grootste gedeelte 
„van de Inlanders niet konnen lesen en de andere reets gewoon syn het neder- 
„duytse psalmboek te gebrnyken en 't portugese daaromtne apparent van weynig 
„aftrek sonde syn". De Regeeriug besloot daarom, alvorens op het verzoek te 
beschikken „het berigt en consideratien van haar Eerw 8 . te vorderen, niet alleen 
„wegens hare calculatie, hoe veel sulx wel sal komen te kosten, maar ook tot 
„wiens laste dat soude dienen te geschieden, om aan de eene zijde de portugeese 
„gemeente niet te onthouden 't gene dienstig voor deselve soude konnen geoordeelt 
„werden, en aan de andere zijde d. E. Compe. te bevrijden van sodanige onnodige 
„lasten, als deselve bij het drucken en aan de hand blijven van het portugese 
„nieuwe testament heeft geleden". 

3 Juni 1701. Nadat de kerkeraad had bericht, dat het drukken van 1000 
exemplaren in 8<> „na de gemaakte calculatie" zoude kosten 1243 rijksdaalders, 
besloot de Regeering „die saak in suspensie en nader beraad te houden". 

7 October 1701. De Regeering vond goed „haar Eerw 3 . tot een disposityf 
„deser vergadering toe te voegen, dat deselve niet resolveren kan de 1000. 

(*) l n gevolge resolutie van 23 December 1704 moest de secretaris van de Hooge Kegee- 
ring bewflren den sleutel van het kistje, waarin de manuscripten van Leydecker en van dek 
Vorm opgeborgen waren. 






1702—1708. 15 

„ exemplaren op kosten van d' E. Compe. te laten drucken op de simpele sustenue, 
„dat den vertier mogelijk groot genoeg wesen sal, als deselve op een civiele prijs 
„werden gestelt, dewijl zy tot haar schade het contrarie bij het drucken van 
„het portugese nieuwe testament en andere boeken meer genoegsaam ondervonden 
„en ervaren heeft; — dienvolgens, dat dese vergadering d'E. Comp e . dierwegen 
„met geen verdere onkosten soude konnen beswaren dan tot het gem. werk son- 
„der betaling te laten gebruyken en leenen de noten, dewelke op kosten van 
„d'E. Comp. uyt het vaderland gevordert en ontfangen syn; ende dat alle verdere 
„onkosten, soo van drukken, als anders, tzy door een uitschryvinge te doen of 
„wel op een andere wyse sullen moeten gevonden werden buyten kosten van 
„d'E. Compe". 

12 Mei 1702. „Van wegens den Eerwaarden kerkenraad deser stede 
„versoek gedaan zynde om tegens een civile prys geriefft, anders als een milde 
„gifte beschonken te mogen werden met 100 riemen druk papier uyt de kiene 
„winkel, synde soo veel, als haar Eerws tot het drucken van 1000 exemplaren 
„nieuwe rijm psalm-boeken op noten in de portugese tale van noden sullen heb- 
„ben, alsoo haar Eerw 3 , met den stats drucker overeengekomen synde, hun selven 
„althans in staat bevinden met dat dienstige werk te konnen voortgaan; zoo is, 
„daar over gedelibereert sijnde, goetgevonden om het kleene principaals wille en 
„om van 's Comps wegen daartoe ook ietwes te contribueren, het voorm te druk 
„papier, dat pas 125 rds of daar omtrent sal belopen, aan haar Eerws ten eijnde 
„voorn, te schenken en by voorm te kiene winkel boekjes op rekening van extra- 
„ordinarij ongelden te laten affscbryven ende liquideren". 

17 04. 

5 December. Nadat de Classis van Amsterdam bij de Heeren XVIInen 
had aangedrongen op het drukken van „de maleytse versie" van Leydecker, door 
van dkr Vorm voltooid, gaf de Bataviasche kerkeraad hiervan kennis aan de 
Regeering, met verzoek, dat „de revisie van het O. T. in 't Portugees mogte 
„in 't werk gesteld werden". De Regeering stelde echter het nemen van een 
besluit ter zake „tot nader gelegendheid" uit. 

170 6. 

Billet, houdende verbod op het vervoeren van kaneel-, nagelen- en noten- 
boompjes, 1 bladz. Plano. (Zonder naam van plaats en uitgever). 

17 8. 

31 Januari. Nadat de predikanten bij de Maleische gemeente te Batavia, 
P. van der Vorm en F. Coldedeborn, „nu en dan" den Gouverneur-Generaal 
hadden verzocht Letdecker's vertaling te mogen „resumeren ende besien, offer 
„eenige spelfouten of andere omissien in waren", bracht de Gouv. Gen. dit ver- 
zoek ter tafel van de Hooge Regeering, die, na „daar over in 't brede" te heb- 
ben ,.gediscoureert", het verzoek „op de omvrage van den heer Gouv. Gen." 
toestond en tevens aan de verzoekers opdroeg op te geven, wat naar hunne 



16 1708—1712. 

meeuing, „'t sy van druckletters, papier, letterzetters als andersints tot de 
„druckinge van voorschreven versie nog met de retour iiuyt Duy venvoorde uyt het 
„vaderland soude dienen te werden gevordert om sulcx van de Heeren Principalen 
„niet alleen, maar ook met eenen haar Hoog Ed s goedvinden en qualifikatie tot 
^het opgemelte drucken te versoeken". — Tevens gelaste de Regeering eene 
„preuve" te nemen met het drukken van een Maleischen catechismus „soo veel 
„met de aan handen synde letters en gereetschappen kan geschieden" om daarna 
„te overleggen, wat daar omtrent in der tyt nader sal dienen gedaan ofte gepe- 
„titionneert te werden". 

Extract uyt de Generale Resolutien des Casteels Batavia, genomen in Kade 
van India, op Donderdag den 26 sten January HOS .[Maatregelen legen diefstallen 
van Compagnie 's koopmanschap/ten], 19 bladz. So (Zonder naam van plaats en 
uitgever). 

17 10. 

29 Juli. Afstand aan den „daarom versoekenden" boekdrukker Loderus 
van de muzijk-typen, gebruikt voor het Portugeesche psalmboek „en die altans 
„by de kleene winkel buyten eenig gebruvck leggen", tegen 25 pet avans, 
„sullende hem vry staan deselve alvorens te proberen". 

19 Augustus. Mr. D. Durven, lid in den Raad van justitie te Batavia, 
aangesteld tot Censor van de drukkerij, in de plaats van A. van Riebeuk, die, 
niettegenstaande zijne benoeming tot Gouverneur-Generaal in 1709, tot evenge- 
noemden datum als censor was werkzaam gebleven. 

17 12. 

Maart. De weigering der Regeering aan Loderus tot het uitgeven van een 
naam- register wordt eenigermate verklaard door het volgende, ontleend aan G. 
Freytag's, Bilder aus der deutschen Vergangenheit, II, 293: „eine krankhafte 
„Scheu vor der Oeffentlichkeit nahm überhand. Als im Beginn des 18 e »Jakrhun- 
„derts die ersten Anzeigeblatter entstanden und der Rath von Frankfurt am 
„Main dem Unternehmer verstattete, eine wöcheutliche Liste der Getauften, Ge- 
„trauten, Verstorbenen zu veröffentlicheu, erhob sich ein allgemeiner Schrei des 
„Unwillens, es sei unertrtiglich, dasz man diese intimén Verhaltnissen public mache". 
— Uit het midden der 19de eeuw dagteekent het volgende, vermeld door M. van 
Geuns in „het Soerabajasch Handelsblad van 1853 — 1903": „de opvattingen van 
„het couranten -lezend publiek verkeerden nog in een zeer rudimentair stadium, 
„wat onder meer hieruit blijkt, dat, toen de Oostpost verslagen begon te geven 
„van de openbare zittingen van den Soerabajaschen raad van justitie, haar „het 
„„recht werd betwist de namen te vermelden van beklaagden en klagers, welke 
„„hun twistgeding aan de uitspraak der regtbank onderwierpen"; zelfs schroomde 
„men niet „den uitgever zware bedreigingen te doen, indien hij het wagen dorst 
„„de namen van enkelen, die daarbij betrokken waren, te noemen."" i 



1713—1729. 17 

17 13. 

* Plakaat betreffende de verplichtingen van uit Indië naar Nederland terug- 
keerende personen. 

17 14. 

* Plakaat behelzende voorschriften nopens de bagage van repatriëerenden. 

17 16. 

* Plakaat tot reglement op het stuk der bagage en bestelgoederen. 

17 18. 

Volgens IIeijdt, Schau-Platz von Africa und Ost-Indien, S. 33, bevond zich 
in het kasteel Batavia achter de keuken van den Gouverneur-Generaal „ein kleiner 
„Hof, in welchen der Hofmeister des General-Gouverneurs logiret. Durch diesen 
„Hof und Bau gehet man wieder in ein ander Hüfgen, worinnen die Castells- 
„Buchdruokerey sich befiudet 1 '. Men kan uit dit bericht nagaan, niet alleen, 
waar ongeveer de kasteels-drukkerij zich heeft bevonden, maar ook, hoe onbedui- 
dend die drukkerij moet geweest zijn De climax toch „kleiner Hof" en „Hüfgen" 
bewijst, dat de ruimte, voor de drukkerij toegestaan, al heel klein moet geweest 
zijn, wat moeilijk anders kon wegens de massa gebouwen en gebouwtjes, welke 
in het betrekkelijk kleine kasteel van Batavia waren te zamen gepakt. — Zie 
over de ongezondheid van het „Hüfgen" bij 1745. 

17 21. 

Maart. De inlandsche burger, Thomé Anthonisz, verzocht aan den Bata- 
viaschen kerkeraad de Portugeesche vertaling, door den predikant J. op den 
Acker gemaakt van een in Nederland door den predikant Hakvoord uitgegeven 
avondmaal-boekje te zijnen koste te mogen laten drukken, welk verzoek de ker- 
keraad den 17 den Maart 1721 aan het oordeel der Regeering onderwierp, die den 
25 sten daaraanvolgende op het verzoek gunstig beschikte. 

17 23. 

Hakvoord (B.), a sancta cea de Jesu Christo, Senhor e Salvador nosso, 
Proposta em sua verdadeira preparagaö, Actual uso, e Exercicio despois de seu 
uso Por hum Sililoquio, com a Alma, e aplicada a os animos dos membros de 
Igreja Reformada, como taöbem Algims Psalmos, e Hvmnos, que ordinariamente 
sob, e despois de sua celebracau se cantaö. Traduzida por Jacobo op den Akker. 
Impressa A a custa de Thomé Anïi-ionis, natural, e cidadaö Mercador da mesma 
cidade Batavia, 12». 332 bladz. (H. Welzing e A. Fronenijroek). 

17 24. 

* Plakaat van de Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden van 21 
September 1717 tot wering van particulieren handel (Herdruk). 

17 28. 

* Instructie voor de schippers. 

17 29. 
22 Juli. De adsistenten, H. Welsing en A Fronenbroek, Compagnie's 

Verh. l J at. Gen. deel LV. 2 






18 1729—1733. 

drukkers, worden op hun verzoek, „uyt consideratie harer langjarige diensten", bevor- 
derd tot ordinaire klerken met f" 30. — 's maands en onderkoopman's tractement. 

* Plakaat tegen het rijden met chaisen binnen de stad Batavia, 30 Decem- 
ber 1704 (Herdruk). 

* Plakaat tegen het rijden met voertuigen over de kasteelsbrug te Batavia, 
24 Juni 1719 (Herdruk). 

1 730 

7 Maart. „Is op den voorstel ende de vrage van den heer Gouverneur 
Generaal goedgevonden, mits het toenemende gebrek aan drukletters in 's Cornps 
druckery, by een nadere ampliatie van eysch met het schip de Herstelling, na de 
opgave van de druckers, Hendrik Welsing en Alardus Froxexbroek, uyt het 
vaderland te vorderen een quantiteyt van 822 ponden diverse soorten, alsoo deselve 
alhier ten uyttersten benodigt zyn, mitsgaders de voldoeninge daaraf, alschoon 
zulx na het genoteerde by den vaderlandsen brief van 2* Augi. des jaars 1727 
om redenen, daar by vermeit, onmogelyk schynd, egter met veel empressement 
te versoeken aan de heeren M r9 , dewyl men buyten deselve het nodige voorden 
dienst van d'E. Comp. niet zal konnen besorgen". — De boven bedoelde „redenen", 
waarom de Indische Regeering huiverig was druk-typen aan te vragen, waren 
volgens de missive van Heeren XVII nen dd. 28 Augustus 1727, „dat het heel 
„ditttciel zoude zyn in een jaar of twee tyts zo veel nieuwe drukletters, als daar 
„toe [t. w. het door de Indische Regeering voorgestelde drukken harer resolutiën 
tot vermindering van schrijfwerk] „vereyscht worden in gereedheyt te brengen, 
„also in gantsch Europa, na dat men ons berigt, maar twee Meesters worden 
„gevonden, die haar op dat werk toeleggen" — Heeren XVIInen waren ongetwijfeld 
ter zake slecht ingelicht of zochten naar een argument tot afwijzing van den 
Indischen eisch; want het valt niet aan te nemen, dat in 1727 in geheel Europa 
slechts twee lettergieterijen zouden bestaan hebben. 

1731. 

9 Juli. Helena Pedel, weduwe van Loderus, teekende kwitantiën voor 
het drukken van dood-briefjes. 

17 3 2. 

1 Augustus. Wegens overlijden van H. Welsing wordt D. Rampen tot 
opziener van de Compagnie's drukkerij benoemd. 

17 33. 

16 Januari D. Rampen bevestigd als Comp s drukker met de qualiteit en 
gage van adsistent a / 24. — 's maands. K Coperdraat en J. Meens, sedert 
eenigen tijd als drukkers en letterzetters werkzaam, bevorderd tot jong-adsistenten 
met /' 1(5. — 's maands, — alles onder een nieuw verband van 3 jaren. 

29 Juni. Last tot het drukken van eene lijst of inventaris van equipage- 
en ammunitie-goederen van schepen, ter invulling van het verbruikte gedurende 
eene reis. 



1733-1738. 19 

21 Juli. Aan de weduwe Loderus toegestaan de stads-drukkerij over te 
doen aan haren zoon, Jan Jacob Loderus, „nadien de continuatie van gem. 
„druckerye ten dienste van de stad en het gemeen niet wel schynt gemist te 
„kunnen werden". — De familie Loderus verkeerde in behoeftigen staat 

Loterye ten behoeve van de Nederduytsche kerk geconsenteert by haar 
Edelens de Hoge Indiase Regeering den 28 July Anno 1733. Batavia, plano. 1 
bladz. (D. Rampen). 

Lyste en reglement waer na alle thuyskomende persoonen uyt Indien, 
soo officieren als gemeene, zich zullen moeten reguleeren in het mede brengen 
van een behoorlyk getal canassers thee, enz. 

17 35. 
Publicatie betreffende het snoeijen van gangbare munt. Plano, 1 bladz. 
(Zonder naam van plaats en uitgever). 

17 36. 
15 Mei. Op voorstel van den Gouverneur-Generaal wordt beslopen tot het 
laten drukken der predicatie, door G. T. Hogendorp in de nieuwe Hollandsche 
kerk te Batavia voor de earste maal gehouden. — De leerrede moest vooraf door 
den kerkeraad worden geëxamineerd. 

17 38. 
Bij missive van 30 April 1738 verzochten de Ceilonsche ministers „met 
„het drucken van de vier Evangelische boeken in de Singaleesche taaie, waartoe 
„zij verklaarden in staat te zyn, te mogen voortvaren"; tevens verzochten zij 
„oui tot meerder vrugt deselve ook in de Mallabaarse en Portugeese tale in drie 
„colommeu daarnevens te mogen drucken". 

Alvorens hierop te beschikken won de Indische Regeering den 14 d en j n \{ 
1738 het advies van den Bataviasche kerkeraad in nopens de vraag, „of dese 
„drucking der heylige schrift in voorsz. talen wel van zoodanigen nut zal wesen 
„tot bevordering van het Christendom". 

Intusschen keurde zij goed, dat de Ceilonsche ministers zouden voortgaan 
met het drukken eener „gramatica of dictionarium in de Singaleese tale, dewyl 
„zulx wel noodsakelyk scheint te wesen voor 's Comp s . dienaren om zonder behulp 
„van een taalman met den inlander des te beter over weg te kunnen komen'. 

De Bataviasche kerkeraad vond het drukken van het N. T. in drie talen, 
„niet alleen zeer heylsaam, nut en dienstig, maar ook althans voor zeer lofïelyk 
„en volstrekt noodzakelyk aan te sien". 

Blijkens de bewoordingen harer vraag verwachtte de Regeering kennelijk 
een ander antwoord en liet niet na aan te teekenen, dat het antwoord haar „ter 
verwonderinge 1 ' strekte. Immers in eene zaak van gelijken aard, te weten het 
drukken van den Maleischen bijbel met Arabische karakters, hadden de leden 
van den Bataviaschen kerkeraad „zo zeer van malkanderen verscheelt, dat de 
„sentimenten op een byna onbegrypelyke wyze teegens den anderen quamen aan 



20 1738—1739. 

„te loopen". De Regeering vond in die handelwijze van den kerkeraad „wel 
„weeder stoffe ter betuyging onzer bevreemding en tot verscheyden speculatien 
„van haar Eerw*. onstantvastige gevoelens," maar achtte 't toch onnoodig „daar- 
omtrent eenige singuliere remarques te maken." 

Op den 25 at ? n Juli 1738 machtigde zij mitsdien den kerkeraad „de versie 
„des ouden Testaments na het authographum [van Leydecker], bij de kerkenkas 
„te vinden (*), onder het ooge van een der predikanten zelve accuraat en sorg- 
„vuldig te laten copieeren en authoriseeren, zonder dat liet zelve besmult gerake 
„ofte t' soek gebragt werde, omme daarvan in der tijd zodanigen gebruyk te 
„kunnen maken, als vereyscht mogte werden, wanneer men desenthalven eens 
„zal hebben verstaan het goedvinden dei» Edele hoog agtb. Ileeren Principalen". 

Langs particulieren weg was de Gouverneur-Generaal in het bezit gekomen 
van een exemplaar van de Portugeesche vertaling van het O T., door Deensche 
missionarissen van de Augsburgsche confessie in 1738 te Trankebar tot en met 
het boek Esra uitgegeven, waartoe volgens informatie acht jaren te voren zoude 
gediend hebben het bovenbedoelde autographum, zonder dat men wist, „door wien 
„of op wat wijze het zelve uyt de kerkenkas geligt en haar toegesonden was'. 

„Nadat hier over onder de heeren leeden [van den Raad van Indië] ver- 
„scheyde raisonnementen gevallen waren", besloten zij, mede op den 25 steR Juli 
1738, het bewuste exemplaar aan den kerkeraad ten fine van onderzoek te doen 
toekomen. 

* Herdruk van het plakaat van 28 Juli 1695 betreffende de overdracht van 
vaste goederen. 

1739. 

Bij schrijven, gericht aan den Bataviaschen kerkeraad, dd. 23 Mei 1738, 
verklaarden zes Deensche missionarissen te Trankebar, dat zij op last van wijlen 
den Gouverneur-Generaal, D. van Cloon, sedert zes jaren met behulp van het 
autographum begonnen waren met het drukken van eene Portugeesche vertaling 
van het O. T, welk drukken gevorderd was tot het boek Esther. Tevens zonden 
zij 48 exemplaren van het bereids gedrukte. 

De Regeering was met dit bericht niet weinig verlegen; want bij missive 
van 28 December 1725 hadden Heeren XVII.n<?n pertinent gelast het autographum 
in de kerkenkas te bewaren en in geen geval te laten drukken. Maar om „het 
„eminent caracter van wylen den Gouv. Gen. v. Cloon niet te prostitueren en 
„voor de wereld ten toon te stellen, als in desen ongequalificeerd gehandelt te 
„hebben", besloot de Regeering den 30en Januari 1739 de zaak te laten rusten. 
Zij gelaste tevens den Bat. kerkeraad de Trankebarsche editie, uitgegeven „door 
„lieden van eene andere religie dan de gereformeerde professie", te revideeren, 

(*) In gevolge rasolutie van 23 December 1704 moest de secretaris van de Hooge Regee- 
ring bewaren den sleutel van het kistje, waarin de manuscripten van Leydecker en Van der 
Vokm opgeborgen waren. 



1739—1743. 21 

met aanbeveling „dat werk met een onvermoeyden ijver tot dienst van Godes 
„ kerke ten spoedigsten en zonder dilay voort te setten". De overgezonden exem- 
plaren mochten intusschen niet „tot gebruyk in de kerken" geadmitteerd, maar 
zorgvuldig in de kerkenkas bewaard worden. 

Op 13 Februari daaraanvolgende leverde de Bat. kerkeraad den sleutel 
in van de kist, waarin de meerbedoelde exemplaren opgeborgen waren, welke 
sleutel onder bewaring van den Gouverneur-Generaal bleef. 

In September 1730 haaste zich de kerkeraad te berichten, dat de Trankebar- 
editie zoozeer van het autographum verschilde, dat zij waarschijnlijk niet volgens 
dat autographum gedrukt was, met welk bericht de Regeeriug zich den 1 l de » 
September 1739 tevreden stelde, overigens ter zake niet anders bepalende, dan 
dat de mededeeling van den kerkeraad aan de Ceilonsche ministers zoude werden 
kenbaar gemaakt „tot naricht en speculatie". 

17 40. 

Billet, houdende verbod op den aanvoer van Makassaarsche slaven. Plano, 
1 bladz. (Zonder naam van plaats en uitgever). 

174 1. 

* Herdruk van het plakaat van 6 November 1626 tegen het stoken van 
arak uit „vuyle suyckeren, stercke asschen ende andere, vuyle, bedorven substantien". 

* Herdruk van het plakaat van 21 Juni 1698 wegens het „schieten, 
„klokluyden en trommelen, etc by nagt, mitsgaders het aansteken of branden 
„van vuurwerken". 

17 4 2. 

De oprichting van de zoogenaamde inlandsche drukkerij moet uiterlijk in 
1743 hebben plaats gehad, vermits sprake is van verstrekkingen aan die drukkerij 
in verantwoordingen van het boekjaar 174 2 /3. 

Billet, houdende verbod op de aanvoer van opium. Plano, 1 bladz. (Zonder 
naam van plaats en uitgever). 

Billet, houdende verbod op het heffen van tollen op pasar's, enz. Plano, 1 
bladz. (Zonder naam van plaats en uitgever). 

17 4 3. 

26 Februari. Vergunning tot het drukken van wekelijksche briefjes der 
predikbeurten te Batavia. 

Aanmerkingen over het vertuyen, ter Rheede van Cabo de Goede Hoop, 
in de Tafel-Baay. Folio, 3 bladz. (Zonder naam van plaats en uitgever). 

Instructie voor de Hoofd-ofücieren ter zee, enz. Folio, 42 bladz. (Zonder 
naam van plaats en uitgever). 

* Ordonnantie wegens het behandelen der brandspuyten en verdre gereet- 
schappen daertoe behorende. — Voor 100 exemplaren dezer ordonnantie is door 
Schepenen in Augustus 1743 aan den stads dtukher, D. van Schim, betaald ecne som 
van 24 rijksdaalders. 



22 1743 — 1744. 

Ordre en reglemeut voor de schepen, ter Rheede van Cabo de Goede 
Hoop. Folio, 4 bladz. (Zonder naam van plaats en uitgever). 

Project tot het oprigten van een Corps Cadets de Marine voor den zee- 
dienst in Indien, en tot het aanqueken van jonge Zee-Officiers, midsgaders het 
stigten van een Academi voor de zelve. Folio, 8 bladz. (Zonder naam van plaats 
en uitgever). 

Reglement op de lykstatien, enz. — Hiervan beslaat ook eene editie in folio, 
7 bladz. Jaar van uitgave onbekend. 

17 44. 

In den morgen van den 14 den Februari berichtte eene deputatie uit den 
Bat. kerkeraad aan den Gouverneur-Generaal, dat weder eene bezending Portugeesche 
bijbels, te Trankebar gedrukt, ontvangen was, weshalve de deputatie verzocht 
„te mogen weten Deszelfs sentiment en goedvinden dienaangaande". 

Dit verzoek gaf den Gouv.-Gen. aanleiding de retroacta nopens de vroeger 
ontvangen exemplaren te doen nagaan, waaruit „in het minste kwam te blykeu, 
r op wat redenen toenmaals heeft gesteund de apprehensie tegen de verspreiding 
„van die versie onder de gemeente alhier". 

De Gouv-Gen. en de overige leden der Hooge Regeering vonden mitsdien 
goed den kerkeraad op nieuw af te vragen, „of er eenige wezenlyke redenen zijn, die 
„het gebruik van deze versie konnen gevaarlyk of van eenige bedenking makeu." 

In antwoord hierop stelde de kerkeraad voor „den Tranquebarisclieu druk 
„en versie alvorens behoorlyk te revideeren", met welk voorstel de Regeering 
zich vereenigde, „mits de revisie geschiede omtrent het autogaphum hier in de 
kerkeukas berustende, om hetzelve in dien staat te brengen, dat men die over- 
zetting hier zelfs door den druk onder de gemeente introduceeren kan; en bij 
die gelegenheid tevens te visiteren en te confronteren de aan handen zijnde 
bijbelboeken van Tranquebaar om te zien of er eenig wezenlijk verschil in die 
versie gevonden wordt, dat dezelve inadmissibel kon doen oordeelen; mitsgaders 
met het eene en andere zooveel spoed te maken, dat het niet hopeloos zij. daar- 
van binnen zekeren redelijken tijd een einde te zien, waarvoor men reden heeft 
te vreezen door het vorige langwijlige termijn van 19 maanden, indien hetzelve 
anders noodig is geweest, of tot niets anders gediend heeft dan om, op de vraag 
dezer Regering, wat differentie in die versie der H. Schrift werd gevonden, te 
berigteu, dat men dezelve in vele opzigten vond te verschillen met het manuscript 
alhier, gelijk de Eerwaarde Mohr, onder meer andere ongelukkige en temeraire 
raissonnementen, schijnt te willen staande houden bij eene op zijn verzoek daar- 
nevens overgelegde vrij driftige en desrespectueuse deductie, bij vorm van apologie 
nopens hetgeen daaromtrent door hem en de verdere toenmalige gecommitteerden 
is gedaan, dewelke wel hadden mogen gemenageerd worden, om deze Regering 
te besparen de onlstichting, die daaruit kon worden opgevat, zoo men niet tevens 
verstaan had op hetzelve geen verdere reflectie te slaan". . 



1744. 23 

10 Juli. Ingekomen en geresumeerd zijnde het rapport der volbragte 
revisie van het eerste boek Mozes in de Portugeesche taal door de leeraren dier 
Gemeente alhier, ingevolge het besluit dezer tafel van den 3 en Maart jongstleden 
bij eene kerkelijke resolutie van den 13en daaraan volgende daartoe gequalificeerd, 
zooals het laatste daarbij geciteerd en het voorschreven rapport geïnsereerd werd 
gevonden, ter resolutie van Haar Eerwaarden de dato 29 Juny pass , behelzende 
tevens de approbatie van den kerkenraad over dit werk en het applauderen van 
den voorstel der reviseurs om thans met het drukken van dien bijbel in die taal 
een aanvang te maken, ten einde dat werk des te meer te accelereren tot nut 
en dienst der kerken, alwaar in die taal gepredikt wordt, en der gemeentens, die 
zich daarvan bedienen kunnen, zoo is verstaan zich hiermede, voor zoo verre voor 
voldaan te houden, zoowel nopens het voor geciteerde besluit dezer Regering, als 
omtrent den ijver en de oplettendheid der reviseuren, mitsgaders den voorstel te 
amplecteren om het werk onder de drukpers te brengen, in vertrouwen, dat 
dezelve onverhinderd zal kunnen voortgaan, en het formaat te begrijpen in octavo 
vel minori forma, zoodanig dat met de kleinste letter, die men heeft, het gemakke- 
lijkste zal uitkomen tot handbijbels voor deze en de "Westersche kerken van 
Indië, voornamelijk die van Ceylon, waarop ook in het fixeren van het getal der 
Exemplaren zal moeten gedacht worden, te meer omdat de overzetting nog zonder 
hoofden of kantteekening is en het lang tegenhouden zoude dezelve te willen 
bijvoegen, hetwelk bij eene tweede editie in der tijd veel ligter zal vallen, mitsgaders 
de correctie over te laten aan den kerkenraad alhier of degenen, die Haar Eerwaarden 
daartoe zullen willen committeren, dewelke dan ook tevens onder het hooger 
opzigt van den Heer Gouverneur-Generaal zelfs, als verklarende zich deze moeite 
gaarne te willen getroosten, zullen moeten bezorgen diens voortgang en wat daartoe 
verder gehoort, ten einde dat werk. spoedig en gelukkig mag volbragt worden. 

Bij deze gelegenheid door den Heer Gouverneur Generaal al verder te 
kennen gegeven zijnde, dat er, buiten het vorenstaande, nog eenige preparatoire 
punten waren om te komen tot het groote oogmerk der meerdere voortplanting 
van den Christelijken Godsdienst in deze gewesten, door Zijne Edelheid in 
Nederland voorgesteld en van daar ter executie, zooveel mogelijk, aan deze Rege- 
ring opgedragen, dewelke Zijne Edelheid vermeende, dat al in zoo verre waren 
geavanceerd, dat met dezelve voor den dag konde komen, vooral nadat de toe- 
bereidselen tot het drukken in de Maleische taal zoo verre tot perfectie waren 
gebragt, dat men zonder prejuditie van de bovenvermelde uitgave der bijbel in het 
.Portugeesche, eene pers voor het Maleidsche apart konde aan den gang houden, 
dewelke door Zijn Edelheid navolgens specifiek opgegeven zijnde, zoo is na re- 
sumtie en deliberatie goedgevonden en verstaan : 

1°. dat vooreerst van het Maleidsche drukwerk zal worden genomen eene 
proeve en als een voorloper om te komen tot het groote werk van het drukken 
der H. Schrift met de karakters, die aan die taal eigen zijn, met het uitgeven 



24 1744—1745. 

van een kort woordenboekje of vocabularium van zoodanige woorden voornamelijk, 
als in den bijbel voorkomen en de gemeene Maleidsche taal te buiten gaan, 
zonder echter daarom ook andere uit te sluiten, zooveel de kortheid en bepaling van 
zulk een bestek toelaat, als zullende zoodanig handboekje moeten dienen om de 
bijbeltaal verstaanbaar te maken voor de gemeente, die aan de lage spreekwijze 
zoo zeer gewend is, dat de andere, schoon eigener aan de taal als die door dezelve, 
dan wel op eenige andere welvoegende wijze, zoo kort doenlijk zullen moeten 
worden uitgelegd om haar tot het regte verstand dier woorden te brengen en dus 
tot de lezing van Gods woord in die taal te prepareren en dezelve te faciliteren ; 
2°. en dat om hiertoe te komen in de tweede plaats zullen worden be- 
noemd en aangesteld inspecteurs over de voorschreven Maleidsche drukkerij en 
correcteurs van hetgene, dat door dezelve in het licht gegeven wordt, idem ook 
om de taal te guaranderen, waarvan men zich bedienen zal, behoudens de ap- 
probatie der materien van al hetgene de kerk betreft, dewelke naar kerkenorder 
aan den kerkenraad zal verblijven, nevens de toezigt over de uitgave van den 
bijbel in der tijd, gelijk benoemd worden bij deze: de beide thans aan de hand 
zijnde leeraren in de Maleidsche taal, I). Wersdlij en Bk aarda, nevens zoodanige 
als verder in die gemeente beroepen mogten worden in tijd en wijle: idem den 
oud schepen Augustinus Thornton, den gewezen translateur Johannes Simonz, 
den presenten translateur Engel Willemsz Gordon en den kundigen ordinairen 
klerk Johannes Hekbol, die in den jare 1729, nevens den Eerwaarden Werndlij 
tot het drukken van dien bijbel naar Nederland overgegaan en eenigen tijd daar- 
na weder hier te lande gereverteerd is, om onder de directie en toezigt, die de 
Gouverneur Generaal verklaarde ook gaarne hierover zelfs op zich te willen nemen, 
niet alleen het voorschreven preliminarire drukken van een woordenboekje, maar ook 
al hetgeen verder noodig is te bezorgen, om des te spoediger te komen tot het 
groote werk der bovengemelde uitgave van Gods woord in de karakters dier taal". 

jJordens (J. E.)], Bataviase nouvelles enz. — Zoowel vóór, als na de 
verschijning dezer nouvelles in druk heeft men zich in Iniiê beholpen mei geschreven 
nouvelles, welke van Regeeringswege maandelijks, voornamelijk met behulp van het 
Balaviasche Üagregister, opgemaakt en aan de Hoofden der builen- kantoren gezonden 
werden. De oudste nouvelles van dien aard, welke in het archief te Batavia bewaard 
worden, zijn van 1674, de jongste van 1801 '. 

Extract nvt de Generale Resolutien des Casteels Batavia, genomen in Kade 
van India, op Dingsdag den 8 sten December, Anno 1744 (betreffende verantwoording 
van gelden voor het oprichten van gebouwen, enz). Folio, 1 bladz. (zonder naam 
van plaats en uitgever). 

17 45. 

Ampliatie op het reglement van den Jare 1743 nopens de Bagagie voor 
de Zeevaart van de Comps. in Indien. Plano, 1 bladz. (z. n.). 



1745—1750. 25 

Project associatie van geprivigeleerde kooplieden tot den Amphioen. Folio 7 
4 (?) bladz. (zonder naam van plaats en uitgever). 

Publicatie betreffende de Derham Djawi. Plano, 1 bladz. (z. n.). 

1 7 4G. 

* Conditien ter oprichting van de Bataviasche bank van leening. 
Ordonnancie voor die bescheiden zijn aan de gemeene tafel binnen 't Casteel 

Batavia. Plano, 1 bladz. (Zonder naam van plaats en uitgever). 

1747. 

Ordinanya para os Mestres de bairros [wijfemees Iers] na cidade e no arra- 
baldo de sul. 8° 7 bladz (zonder naam van plaats en uitgever). — Hierbij schijnt 
te behoor ev : Aanhangsel rakende de Buur- ofte Wijkmeesters .... gearresteert 
23 July 1686. 8o 4 bladz. (z. n.). 

Reglement op de verstreckingen van randsoenen en kostgelden aan scheepe- 
lingen, enz. Folio, 3 bladz. (z. n.) — Hiervan bestaat ook eene uitgave in plano, 
i bladz. 

17 48. 

16 Januari. Benoeming van M r . J. Amis, lid in den Raad van justitie te 
Batavia, tot censor der drukkerij, in de plaats van M r . W. Weldringh. 

Billet houdende proemie voor de ontdekkers der huysbraken en diefstallen. 
Plano, 1 bladz. (zonder naam van plaats en uitgever). 

* Heeser (I.), beschryvinge en uytlegginge van enige sinnebeeldige 
voorbeelden, welke te zien zyn geweest ter gelegentheyd van de ver- 
heffing van denPrincev Oranje ...... . . tot Stadhouder voor het luns 

van den Baas Zeylemaker, Bakent Tienekes. Batavia, 31 Mey 1748. 4o. 8 bladz. 

* Sauret (J. F. du), ter bruylofte van Mr. Theod. van Re^verhokst, 
oud lid in den Raad van justitie des Casteels, en Agn. M. Crielaart. 30 April 
1748. Batavia, 4». 

17 49. 

28 Maart. M»\ J. Pompe van Meerder voort, lid in den Raad van justitie, 
tot censor der stads-drukkerij aangesteld wegens overlijden van W. Amis. 

30 December. Benoeming van Mr. Jou. Schevenhuysen, lid in den Raad 
van justitie, tot censor van de drukkery, in de plaats van deu overleden Mr. 
Pompe van Meerdervoort. 

Bekentmaking [betreffende het verleenen van wissels op Nederland]. Folio, 

1 bladz. (z. n). 

Extract uyt de brief van de Edele Hoge Indiase Regering aan denpolitic- 
quen Raad te Padang, nopens het stuk van de vrye vaart op Sumatras West 
Cust geschreven en gedateert den 11 Juny 1749. Folio, 3 bladz. (zonder naam 

van plaats en uitgever). 

17 50. 
Mossel (J.). aanmerkingen over de zuykermolens rondom Batavia, in 't 



26 1750-1753. 

Bantamse, CeribOnse en langs Java. Folio, 10 bladz. (zonder naam van plaats en 
uitgever). 

Notitie, tot gebruyk van 't zegul ter Generale Secretarye. Plano, 1 bladz. 
(C. J. Weichberger). 

Publicatie betreffende den dank- en bededag op Woensdag, 26 Aug. 1750. 
Plano, 1 bladz. (zonder naam van plaats en uitgever). 

175 1. 

Advertentie nopens de verpachting der inkomsten van het Koningryk 
Jaccatra. Plano, 1 bladz. (z. n.). 

Javasche verpagtingen (generale conditien enz.). Plano, 1 bladz. (z. n.) 
Hollandsche en Maleische tekst, de laatste met Arabische karakters. 

Notificatie van den dank- en bede-dag. Plano, 1 bladz. (z. n.). 

Ordre op het schutten uyt en in de stad. Plano, 1 bladz. (z. n.). 

Placaat betreffende de liberale gift. 4°. 32 bladz. (z. n ). 

Publicatie betreffende de suiker-molens. Plano, 1 bladz. (z. n.). 

Publicatie betreffende den uitvoer van suiker. Plano, 1 bladz. (z. n.). 

Publicatie betreffende gesnoeid geld. Plano, 1 bladz. (z. n.). 

Publicatie betreffende het vervalsenen van opium. Plano, 1 bladz. (z. n.). 

Publicatie betreffende de bagagie der repatrieerende luyden. Plano, 1 
bladz. (z. n.). 

175 2. 

In het boekjaar 115 ll 2 was de inlandsche drukkerij voorzien van Grieksche 
en Hebreeuwsche druktypen, welke vermoedelijk nooit gebruikt zijn. De verstrek- 
kingen aan die drukkerij uit verschillende magazijnen te Batavia hadden van 
174 2 / 3 tot 1751/2 eene boek-waarde van f 26,105: 6: 8. 

Ordre der voorbiddinge in de kerken deser stede voor de overheden. Folio^ 
1 bladz. (z. n.). — Onzeker van 1752. 

Publicatie betreffende allerlei middelen tot verbetering van den toestand 
in de ommelanden van Batavia en in de Preanger. Plano, 1 bladz. (z. n.). 

Uytschryving van pen algemeenen vast-, dank- en bedendag. Plano, 1 
bladz. (z. n.). 

17 5 3. 

Volgens eene „Notitie off specificque opgaaf van 't geene in de inlaudsche 
„drukkery zedert de opregting van dien tot heden [17 Mei 1753] gedrukt is", 
onderteekend door den baas-drukker, G. H. Heusler, waren door die inrichting 
afgeleverd: 
•■ • , 'Maleisen werk: Aantal exemplaren: 

bijbel, )beginnende met Genesis en- r lopende thans 
tot in de Psalmen Davids" (Zie Proeve, 1756, / 

n°. 3) l 4,000 

. formulieren in 4° . . . . 1,500 



1753. 2T 

catechismus in .8". (Zie Proeve, 1746, n°. 3). . . 500 

Avoordenboek in 8". . ... . . . . . . .-, 500 

6,500 
Portugeesch werk: 
bijbel, loopende van Genesis „tot in Jesayas," in 

8". (Zie Proeve, 1748, n". 2 en Suppl. 1753). . • 3,100 
„kort begrip van de leere der waarheyd, die na 
„de godzaligheid is, in bet Portugeesch vertaald 
„door J. M. Mohr, synde in het Duyts en Pof- 
„tugeesch", in klein 8o (waarschijnlijk het „Com- 
„pendios exame" bedoeld in Suppl., bladz. 65). 1,000 

4,100 
Duitseh en Latynsch werk : 
kort begrip (als voren) in klein 8°. (Zie Suppl, 

bladz. 65) 1,000 

rudimenta Latina in groot 8°. . : 500 

Catonis disticha, in klein 8° of groot 12°. (Zie 

Suppl. 1748). .< 300 

M. T. Ciceronis epistolae selectae ad faïniliares, in 

klein 8" of' groot 12°. 100 

1,900 

Totaal/ . 12,500 
Nog is gedrukt : 
Javaansche verpachting, op oliphants-papier, „in 

„duyts en nialeyds" 300 

Liberale gift, 4° 1,200 

Lijkstatie van Zijne Hoogheid (misschien hetzelfde 

als Proeve, 1752 n". 9) 150 

Bekendmaking aan de schepen en vaartuigen wegens 

ankerage- en „coppen-geld", in het Hollandsen. 500 

Idem in het Maleisch , . . . 500 

Catalogus der Bataviasche bibliotheek 60 

Billetten wegens het jaarlijksch publiek examen in 

het Seminarium 300 

Doodbriefjes van den leerling (van het Seminarium) 

A. de Haas 200 

Idem, idem J. Oorsinga. 225 

„ van Ds. Stroohé 300 

„ „ de weduwe van Ds. van Diemen. . . 225 

Conditien en voorwaarden waar op de gemeene landsmiddelen ter stede 



28 1753— 1 750. 

Batavia worden verpagt, en die van de waag bij admodiatie overgelaten, gere- 
videert en g'amplieert in Rade van India, den 4 den Decemb. 1753. Batavia, fol., 
64 bladz. (H. Mulder). 

Ordonnantie enz. (Proeve, bladz. 10 n°. 8). — Hiervan beslaat ook eene uit- 
gave, groot il bladzijden. 

Reglement op 't verstrecken der medicijnen. Folio, 2 bladz. (Zonder naam 
van plaats en uitgever). 

Reglement voor de collationisten ter Generale Secretary. Folio, 1 bladz. (z. n.) 

Resolutien op de Aanmerkingen over Batavias gesteldheid. Folio, 10 
bladz. (z. n.). 

17 54. 

October. Door de Luthersche gemeente te Batavia wordt aan Mr. Labeur 
aldaar betaald eene som van Rs. 31:24 voor het drukken van een vrageboek, 
groot 4 l j. 2 vel. 

17 55. 

2(5 Augustus. Overbrenging van de kasteels-drukkerij naar de wegens 
ongezondheid „absolut niet bewoonbare' 1 woning van den Directeur-Generaal, 
staande dicht bij de kasteels kapel te Batavia, waar zij zich in 1788 nog bevond 
blijkens eene manuscript-kaart van Batavia uit genoemd jaar. 

Marchant (P.), de verpligtinge tot heiligheid uit Levit, XIX, 1,2. In 
eene intree predicatie, gedaan te Batavia den 23 Maart 1755, opgehelderd en 
aangedrongen. Batavia 4°. 28 bladz. (G. H. Heusler). 

Vreugdegalm, op de verzoening' van Pangerangh Mancoeboemie met de 
Oost-Indische Maatschappye, en zijn huldiging' tot Sultan over de helft der Javasche 
bovenlanden, den XIII February MDCCLV, onder de regeeringe van den Wel-Ed. 
Achtb. Heere, Nicolaas Hartingh, gouverneur en directeur op en langs Java's 
Noord-Oostkust, mitsgaders plenipotentiaris, vau wegens de Hooge Indiasche Regee- 
ringe, tot de vredens-onderhandelingen met den zelfden. 4°. 15 bladz. (z. n.). 

17 56. 

5 Maart. Ten aanzien van de „Maleytsche druckery' 1 wordt bepaald, dat 
het oude testament, ,,waar meede men by na gedaan werk heeft", zoude worden 
afgedrukt, „dog met het nieuwe Testament niet te laten beginnen, voor en aleer 
„men dierwegens nader sal komen te disponeeren". 

20 April. Als een sequeele van het g'arresteerde ter sessie van den 5 
Maart Meden, nu nader gesproken en teffens in overweging genomen zijnde, of 
men met het drucken van de Bijbel in de Maleysse tale, waar van het oude 
testament nu volkomen in gereed heyt gebragt was, zoude continueeren en dus 
met den druk van het nieuwe Testament een begin maken, dan wel daar meede 
supercedeeren ; zo is, nadien bij de meeste der Heeren leeden gesustineerd wierde, 
dat dat werk, uijt hoofde van de algemeene onkundigheijt der inlanderen omtrent 
den Arabischen Letter, waar in gedagte Bijbel gedrukt is, van geen of wijnig 



1756—1761. 29 

nut wesen, en het succes van dien geensints opwegen sal de considerable kosten, daar 
toe besteed, bij meerderheijt van stemmen goedgevonden met dat werk niet verder 
voort te varen, dog te deser gelegentheijt door den Heere Gouverneur-Generaal 
te kennen gegeven wesende, dat g'inclineert was het selve voor zijne eijgene reeke- 
ning te doen vervolgen en te voltooijen; zo wierd alverder geresolveert, zulks aan 
welgem: zijn Edelheijt volkomen gedefereert te laten, en ten dien eijnde inkoops 
af te staan bet papier en verdere ingrediënten, daar toe vereijscht werdendc. 

10 Augustus Besloten tot den herdruk onder toezicht van de predikanten 
Mohr en Bastiaanse vau het Portugeesche psalmboek in 4 U met noten, „dat thans 
„seer schaars gevonden werd". — Zie ook 1762. 

17 5 7. 

Mossel (J ), consideratien over de vermunting in Bengale, mitsgaders 
de zo daar als elders betaald werdende interest-penningen; het employ van 's Comp : 
geld; de lyvvaat-handel; en de retouren voor Nederland. Folio, 61 bladz. (z. n.) — 
In margine zijn de resoluliën, naar aanleiding van dit stuk genomen, geplaatst. 

Publicatie betreffende den morshandel in noten en nagelen. Folio, 1 
bladz. (z. n.). 

17 58. 

* Huwelijksgroet aan Piet^r Cos en Cornelia Roos, te zamen 

in den echt vereenigd op Batavia, 21 Junij 1758. Batavia, plano. 

Mossel (J.), poincten van aanmerking nodig tot een goed bestier van 
Malacca, van het zelve te houden in eene nodige gerustheid en verzeekertheid, 
en 's Comp 8 : negotie of inkomen nevens 't welvaren dezer colonie te bevorderen^ 
Folio, 13 bladz. (z. n). — Met de resoluliën, daarop genomen, in margine. 

1 7 5 9. 

Reglement voor Kareek, enz. Folio, 7 bladz. (z. n ). 

Reglement voor Sumatra's West Cust Folio, 8 bladz. (z. n.). 

17 60. 

Consideratien over de waarde van goud en zilver, mitsgaders dito speciën 
in India, met relatie tot de belangen der Nederlandsche Oost-Indische Compagnie. 
Folio, 16 bladz. (z n.). 

* Instructie voor de Chineezen. 

1 761. 

9 Juni. Ontslag van Mr. J. Schevenhuysen als censor van de stads-druk- 
kerij ; benoeming als zoodanig van C. G. Beugh, oud-lid in den Raad van justitie 
te Batavia. 

Aanwijzing van zoodanige munten, maaten en gewigten, als 'er in Souratte 
rouleeren, enz. Folio, 15 bladz (z n.) 

Compendium der voornaamste civile wetten en gewoontens, waar na de 
Mahonietanen zig in het decideren der onder hen opkomende verschillen regu- 
leren, ten opzigte van de successien, erf- en besterffenissen, item hunne huwe- 



30 1761 — 1762. 

lyken en egtscheydingen, byeenverzameld uyt het Mabomethaanse wetboek, volgens 
de opgave der Priesters en inlandsehe Hoofden, om onderhouden te worden, daar 
en zo het behoort. Batavia, 23 bladz. Folio (C. C. Renhard). — Holl. en Mal. (met 
Arab. kar.) tekst. — Verbeterde opgave. 

17 6 2. 

9 Februari. Verbod tegen den aanvoer en verkoop van buiten Batavia 
gedrukte almanakken. 

23 Februari. Door den Heer Gouverneur Generaal te kennen gegeven 
zijnde, dat van de alhier gedrukte en nog niet uijtgegevene Portugeesche Bijbel 
het ls te deel in 's Comp s . Kleijne winkel in voorraad was een quantiteijt van 1500 
Exemplaren, zonder dat die bij de boeken met eenig geldsom bekend gevonden 
werden, onder een bijgevoegd voorstel, of het nuttig en noodzakelijk zoude weesen, 
daar van een uijtdeeling te doen onder de Ledematen der portugeesche gemeente, 
zoo is, uijt aanmerking ged: bijbel met die intentie gedrukt en het ten uijttersten 
nodig is de gem: Ledematen te voorsien van een bijbel, in haar taal gedrukt, 
goedgevonden en verstaan daar van voor eerst 500 Exemplaren, als daar van nog 
maar in den band gebragt, onder de Christenen der portugeesche gemeente alhier 
gratis uijt te deelen, gelijk ook de bij de boeken van voorm : kleijne winkel nog met 
f 98. — p r . restant lopende en in weesen zijnde portugeesche boeken, teweeten: 

145 p r differente de Christando 

174 „ catechismi 

139 „ vraagboekjes en 

164 „ breviarissen, 
en aan zijn Edelheijd op desselfs daar toe betuijgde inclinatie de executie dien 
aangaande gedefereert te laten. 

19 May. Door den heer Gouverneur-Generaal aan de vergadering te kennen 
gegeven zijnde, dat aan zijn Edelheijd, bij het nagaan van het werk der Gods- 
dienst volgens de daar van erlangde rapporten, gebleken was, dat niet alleen de 
Ledematen der portugeesche gemeente genoegsaam in 't geheel destitut waren van 
het nieuwe testament en de psalmen in die tale, maar zelfs in de kerken van 
die gemeente, daar van maar eenige weijnige exemplaren gevonden wierden, en 
dat zijn Edelheijd derhalven, uijt hoofde van de nuttigheijd en volkomene nood- 
zakelijkheijd, om die Ledematen van sodanige Hcijlige boeken te voorzien, waar 
op zij alleen den grond en zekerheijt van hun geloof konnen vestigen en den weg 
der saligheijd leren, zijn gedag ten hadde laten gaan, om de psalmen Davids en 
het nieuwe testament in de portugeesche tale te laten herdrukken, te meer Zijn 
Edelheijd, uijt de sugt en gretigheijd, waarmeede het onlangs uijtgedeelde oude 
Testament in de meerm: tale, volgens het besluijt deeser regeering van den 23 
febr: jongsleeden, door de ledematen van die gemeente geaccepteerd was geworden, 
met grond onderstellen mogt, dat de uijtdeeling derselve mede aan geen onwaardige 
sonde geschieden en dus daarmeede het bedoeld oogmerk bereijkt worden. 






1762—1766. 31 

Dat zijn Edelheijd ten dien eijnde, met den in de voorm : tale seer ervaren 
predikant Johan Maurits Mohr niet alleen gesproken, maar dat gem: Mohr 
ook, volgens zijne gewone ijver, in dien gevalle zijn dienst aangeboden badde, 
om zig gaarne, uijt aanmerking der heiilsame intentie van dit werk, te willen 
verledigen tot het revideeren en corrigeren der proef exemplaren; en dat Zijn 
Edelheijd dienvolgende, om de Comp: zo veel mogelijk in deesen buijten Last 
te houden of daar van geen last te doen dragen, gaarne op Zig wilde nemen, om 
die heijlige boeken, na het Exemplaar van 't Jaar 1693, als het beste geoordeelt 
zijnde, voor zijn reekening te laten drucken, terwijl nagegaan hadde, dat zulx 
met dien selven letter, waar mede het oude Testament was afgedrukt, soude 
konnen volbragt werdeu, indien de heeren Leeden konden goedvinden zulks aan 
Zijn Edelheijd overtelaten; en het benodigde papier, nevens eeuige verdere 
ingrediënten inkoops prijs Comp 9 weegen te laten afgeven, soo is na deliberatie 
geresolveert, dien voorstel in 't geheel te amplecteeren, en dienvolgende ver- 
staan op die betoonde inclinatie aan zijn Edelheijd volkomen gedefereert te 
laten het herdrukken van het nieuwe Testament en de Psalmen in de portu- 
geesche taal, na het exemplaar van het jaar 1693 voor Zijn Eygen rekening, en 
daar toe het papier en de verdere benodigde ingrediënten, even en indiervoe- 
gen als zulks bij het drucken van het oude Testament in de maleijtsche taal 
aan den overleeden heer Gouverneur-Generaal Mossel [z: g:], ingevolge resol: 
van den 20: april 1756, is toegestaan, inkoops prijs uijt Comp 3 pakhuijsen te 
verstrekken, mitsgad s het opzigt van dat werk op te dragen aan meerm : predi- 
kant Mohr, en den kerkenraad alhier van dit besluijt bij extract kennisse deser 
te geven. 

Ordonnantie voor den keur-meester en op het keuren van goud en zilver. 
Plano, 1 bladz. (z. n.). 

Rapport van den Raad van justitie des kasteels Batavia aan den Gouv.- 
Gen. Van der Parra over het straften van Europesche, in 's Compagnies dienst 
zijnde, militaire deserteurs, 16 Junij 1762. Klein folio, 31 bladz. (z. n.). 

17 6 3. 

* Lijst der salarissen, zoodanig als dezelve bij den Secretaris, Clercq en 
bodens van Heemraden der Bat. Ommelanden genoten mogen worden, enz., enz. 
Batavia, fol. 

17 65. 

* Conditien voor het stads-logement. 

17 66. 
„De boekdrukkerijen van Batavia waren bij mijn' tijd [1766], in verge- 
lijking van die in Europa, in eenen slegten staat". H. Vogel, 30 jaarige zee 
reizen, II, 148. 

* Collectie van kerkelijke ordonnantien. — Zie over deze uitgave Nieuwe 
Slaluten van Batavia, godsdienst en kerkelijke zaken, § 5. 



32 1767 — 177S. 

1 7 6 7. 

Geugten (A. van der), rouwklacht op bet smertelijk afsterven van 
den WelEd. Gestr. Heere, den Heere Nicolaas Hartingh, in zijn WelEd. Gestr. 
leven Raad-ordinair van Nederlands India, President in 't eerw. collegie van 
Heeren Heemraden der Bataviasche ommelanden, etc., etc, overleden op Batavia 
den 25 sten van Wintermaand des jaars MDCCLXVI. Toegewijd aan deszelfs 
zoonen, dochteren, behuwdzoonen en verdere dierbare familie van zijn WelEd. 
Gestr. 4°, 6 bladz. (z. n.). 

17 6 8. 

Jongh (B. S. de), op den zilveren feest-dag van zijn Hoog-Edelheid, 
den Hoog-Edelen Heer Petrus Albertus van der Parra, Gouverneur-Generaal 
van Nederlands India, enz., enz., en de Wel-Geboore Vrouwe, Me vrouwe Adriana 
Johanna Bake. Voorge vallen te Batavia op den elfden Junij 1768. 4°, 6 
bladz. (z. n.). 

Prijscourant van zoodanige goude en zilvere muntspeciën als onder 1° Sep- 
tember 1768 bij de Indiasche negotieboeken staan verhandeld te worden, enz. 
8°, 32 bladz. (z. n.). 

Publicatie betreffende de preferentie enz. van insolvente boedels. Plano, 
1 bladz. (z. n.). 

17 7 (?). 

* Register op het Ambons Kruid-Boek van G. E. Rumphius. Batavia, fol. 
Gedeeltelijk ongepagineerd (E. Hkemen). — Zie Rumphius gedenkboek, bladz. 201. 

17 78. 

15 Mei. Curatoren en scholarchen over de stadschoolen, bij een ingediend 
extract uit hunne resolutie van den 2 deeser vertoont hebbende, dat zij gegronde 
hoope hadden om de Nederduitsche taal onder den iclander met de waare 
Godsdienst teffens intevoeren, indien daar toe maar de noodige boeken konden 
bezorgen uit het Portugeesch en Maleisch in het Nederduitsch, dog bij de catha- 
pgus niet meer wierden gevonden, als 

190. complete exemplaren van de portugesche bijbel in octavo, drie deelen. 
80 complete maleidsche bijbels met arabische letters in octavo, vijf deelen. 

Een exemplaar van de maleidsche bijbel, met een latijnsche letter in 1733 
te Amsterdam, met nog eenige exemplaren van de psalmen in 1738 gedrukt, en 
geen een kort begrip, veel min een goede Nederduitsche spraakkonst in die 
taaien, met verzoek om een kragtdadige voordragt aan de Heeren Majores, op 
dat de Maleitsche bijbel in quarto, in a° 1733 te Amsterdam met de psalmen in 
1738 gedrukt, in twee deelen in quarto in Nederland mogen worden herdrukt, 
zo is goetgevonden en verstaan de HoogEdele Heeren zeventienen hij eerste 
gelegentheid eerbiedig te verzoeken de gemelde Maleidsche bijbel en psalmen te 
laaten herdrukken, na het eenigst daar van nog te vinden exemplaar, dat 
hunne Edele Hoog Agtb: tot een model zal worden aangeboden, en dat daa r 



1778—1783. 33 

van herwaarts mogen worden gezonden ten minsten twee duizend exemplaren in 
een band, en vijfhonderd exemplaren in twee banden gebonden, nadien veele 
inlandsche Christenen, inzonderheid in de oostersche Gouvernementen, daar van 
onvoorzien zijn. 

Terwijl op de verdere, bij het voorschreven extract resolutie, gedaane 
instantien is besloten : 

1». het daar nevens overgelegt kort begrip van de Christelijke waarheid, 
na voorafgaande approbatie door den gereformeerden Kerkenraad, gevolgt van een 
handleiding in de Nederduitsche spraakkonst in het Nederduitsch, Maleidsch en 
Portugeesch, met een Latijnsche en Arabische letter hier te laaten drukken; 

2<>. te laaten herdrukken het woordenboek van Alewi.tn en Collé uit de 
Portugesche in de Nederduitsche taal, en 

3o. desgelijksch het woordenboek uit het Maleidsch in het Nederduitsch 
en uit het Nederduitsch in het Maleidsch, alles in een formaat in quarto, en in 
de Casteelsboekdrukkerij voor rekening van de Comp.. mitsgaders met het laatste 
het eerst te doen beginnen. 

17 8 0. 

* Nieuw zak almanaehje voor 1781 met raadsels (L. Dominicus). 

178 1. 

23 October. Op het request van Egbert Heemen, baas van Comp 9 boek- 
drukkerij binnen dit casteel, is goedgevonden en verstaan denzelven, uit consideratie 
zijne hooge jaaren. verzwakt gezigt en verdere debile lichaams constitutie, uit den 
dienst van de Maatschappij te ontslaan en hem toeteleggen de bij het reglement 
op de bevordering der dienaaren bepaalde rustgage van f 24 ter maand. 

Exercitie van de infanterie, zoo als die in gebruik is by de troupes van den 
Staat der Vereenigde Nederlanden ; gedrukt ter order van Zijn Edelheid, Mr. 
Willem Arnold Alïing. Gouverneur-Generaal van Nederlands Indie. Ten dienste 
van de troupes deezer landen. Batavia, 8°. 86 bladz. (E Heemen). 

Exercitie zo te paard als te voet, van het esquadron dragonders, gedrukt 
enz. [als voren\. Batavia, 80. 24 bladz. (E. Heemen). 

Exercitie voor de arthillery, met hand-geweer, canon en mortieren, opgesteld 
ter ordre van Zijn Edelheid enz. [als voren]. Batavia, 80. 18 bladz. (E. Heemen). 

Exercitie voor de oorlog-scheepen, met hand-geweer en canon. Opgesteld 
enz. [als voren]. Om op alle scheepen der Nederlandsche Oost-Indische Compagnie 
ter observantie afgegeven te worden. Batavia, 8°. 16 bladz. (E. Heemen). 

17 8 3. 

Opheldering omtrent de Javasche planten en palmbomen, getrokken uit 
het I. II. III. deel der Javasche planten. 8». 32 bladz. Zonder datum en naam 
van uitgever.— Dit stukje schijnt Ie behoor en hij Radermacher, naamlijst der planten, 
enz., waarvan hel 3 e stuk in 1782 het licht zag. l>e „opheldering" is alphabelisch 
ingericht en eindigt met y,Gabang". 

Verh. Bat. Gen. deel LV. 3 



34 1783—1796. 

* Ordonnantie op het inrichten der begravenis-rollen en doodbriefjes. Folio. 

17 86. 

28 Juli. Op een ingekomen Extract uit de Resolutien van Curatoren en 
Scholarchen over de stadsscholen van den 13 Maij jl. en de daar bij gedane 
aanmerking, dat, schoon de H. M. beloften doen, nader te zullen in overweging 
nemen de herdrukking van eenige Maleidsche en Portugesche boeken, egter nog 
een geruimen tijd daar mede zal voorbij gaan, eer daar van een toereikend getal 
exemplaren alhier aangebragt worden, terwijl er een over groot gebrek is, in 't 
bijzonder aan Maleidse vraagboekjes in de oostersche Provinciën in 't generaal 
en op Ambon en Ternaten voornamelijk, is goedgevonden en verstaan, dat Collegie 
te qualificeeren om voor hare reek: in de Casteels drukkerij te laten afdrukken 
een duizend exemplaren van zeker werkje, uitgegeven in a°, 1725 door Ds. Franqois 
Valentijn en gedrukt te Dordrecht, in 't Maleidsch, met Latijnsche Letters, mistg 3 
nog een duizend exemplaren van een ander werkje, genaamd de Leere der 
Waarheid, die naar de Godzaligheid is, uitgegeven door George Hendrik Werndly 
en gedrukt te Amsterdam in a°. 1732. 

178 8. 

7 October. Aan Scholarchen wordt vergund voor hunne rekening te laten 
drukken 500 exemplaren van het Portugeesche A- B-C- boekje, „nevens zodanige 
„andere exemplaren van andere Portugesche werkjes, als in der tijd nodig 
„geoordeeld zal worden". 

Catalogus van boeken, de welke bij den koster van de Hollandse kerk 
[te Batavia] voor de neevens gestelde prijzen te bekomen zijn. Folio, 4 bladz. 
z. n. en jaar. Hel Collegie van Curatoren en Scholarchen had deze boeken voor eigen 
rekening uit Nederland ontboden. 

1796. 

Catalogus van een fraaije verzameling van Nederduitse, Hoogduitse, Latynse 
en Franse boeken, nagelaten door wijlen den Advocaat M r . Gerardüs van der 
Geust, welke zullen verkogt werden, enz. Batavia, 8». 42 bladz. (P. van Geemen). 



XIX* EEUW. 






180 3. 
25 Augustus. De stads- drukker, Jeremias Jacobus Dominicüs, beklaagde 
zich bij de Regeering over inbreuk, dien de kasteels-drukker zich op zijn pre- 
vilegie had veroorloofd; tevens verzocht hij voor zijne vveekelijksche leverantie 
van het Vendu-nieuws, in plaats van 1 rijksdaalder ter maand, 2 rijksdaalders 
te mogen ontvangen. Na het advies van het Collegie van Schepenen op dit 
rekest te hebben ingewonnen, besloot de Regeering den prijs van het Vendu- 
nieuws op den ouden voet te laten, maar Dominicus te ontheffen van het hem 
opgelegde ambtgeld ad 100 rijksdaalders 's jaars, tevens hem mededeelende, dat 
de levering van een almanak bij de intrede van eenig jaar aan ieder lid van de 
Hooge Regeering nimmer als eene verplichting was beschouwd, van welke leve- 
ring hij „expresselijk" werd „geëxcuseert". Aan den kasteels-drukker werd gelast 
in geen opzicht van zijne instructie af te wijken „tot prejuditie van den stads- 
drukker". 

6 December. Voor Ambon werd op verzoek van het Collegie van Curatoren 
en Scholarchen vergunning verleend tot het drukken in de kasteels drukkerij van : 
300 exemplaren van het Maleische vraagboekje, getiteld : Taxlima eltakkich ; 
200 „ als voren van: Pengadjaran sagala awrang iang suka 

masokh kapada agama Mesehhy. 
180 5 
25 April. Wegens gebrek aan letters was „ondoenlijk" het drukken van 
zekere „arithmetische verhandeling" ten gebruike in de militaire school te Mees- 
ter Cornelis. 

6 Augustus. „Vermits Compagnies drukkerij alhier, schoon met de grootste 
„moeite, niet dan zeer gebrekkig aan de gang kon werden gehouden en te duchten 
„was, dat die eerlang zoude moeten stil staan, hebben wij het Kaapsch gouver- 
nement verzocht ons met eene goede quantiteit drukletters te voorzien; dan, 
„schoon gemeld gouvernement aan dit ons verzoek sedert ten deele heeft voldaan, 
„is het aangebragte daar van in geenen deele toereikende om de gemelde druk- 
kerij in een behoorlyken staat van werking te brengen, weshalve wij, alzoo 
UWelEd. Hoog Achtb. veel al in het denkbeeld zouden kunnen zijn gebragt, 
,dat door deeze assistentie in het gebrek aan drukletters compleet zoude zijn 
voorzien mede insteeren ook op dit articul de meeste reflexie te slaan, te meer 
noch, daar van de gemelde, van de Kaap aangebragte drukletters, als niet vol- 



36 1805—1810. 

„doende zijnde, maar een zeer gering gebruik kan werden gemaakt en bovendien 
„eene considerable minderbeid op deselve is bevonden 

„Den eersten gesworen klerk ter generaale secretarij alhier hebben wij 
„gelast eene geregelde afzending te doen van al zulke publicque papieren en 
„werken, als alhier of in andere gedeeltens van 's Lands Indische etablissementen 
„in het licht worden gebracht. Wij mogen echter niet af zijn ter geëerde kennis 
„van UWelEd. Hoog Achtb. te brengen, dat voor als noch, zoo min alhier, als 
„op de overige bezittingen, publicque nieuws papieren uitgegeeven of gedrukt 
„worden, behalven hier ter hoofdplaats weekelijks het zogenaamd vendu nieuws" 
(geh. missive van de Indische Regeering aan den Raad der Aziatische bezittingen 
en etablissementen, resideerende in den Haag, dd. 6 Augustus 1805, § 106 
en 238]. 

180 6. 

Nieuwe verbeterde almanach. naar den Gregoriaauschen styl, op 't jaar 
na de geboorte van Jesus Christus, 1807. Berekend naar den meridiaan en de 
pools-hoogte van Samarang, liggende beoosten den Piek van Teneriffe, op 127 
gr., 12 min. lengte en 6. gr., 57 min. en 32 seconden, bezuiden der Linea 
Aequinoctialis. Batavia, ongepagineerd. 12° z. j. (J. J. Dominious). — Deze almanak 
is gemaakt door een leeraar aan de marineschool Ie Samarang; zie § i in fine. 

* Reglement van broederen ouderlingen en diaconen der Luthersche gemeente 
(J. J. Dominious). 

180 8. 

Nieuwe verbeterde almanach 1809. — Zxe overigens hij 1806. 

18 9 (?) 

„De keukens en slaven-vertrekken [van het voor gouvernements-huis op 
Molenvliet aangekochte gebouw] zijn voor de drukkerij en voor den kamerbe- 
waarder in gereedheid gebragt" (Daendels, staat der Ned. O. I. bezittingen, 
bladz. 87). 

18 10. 

4 Maart. „Het gebrek aan drukletters, 't welk te meermalen aan het 
„Bewind voor de koloniën in het moederland is opengelegd, zonder dat men 
„hieromtrent eenig voordeelig effect heeft mogen ondervinden, is sedert tot die 
„hoogte gestegen, dat het niet meer doenlijk was 's lands drukkerij gaande te 
„houden ; en nademaal de gepreviligeerde stadsdrukkerij zich in hetzelfde geval 
„bevindt en dus tevens de redenen ophielden, waarom dit previlegie in der tijd 
„is verleend, te weten: tot gerief van het publiek, is de intrekking van dit pre- 
„vilegie en de vereeniging van beide de drukkerijen voor het land nog als het 
„eenige middel beschouwd om zich uit de opgemelde verlegenheid gedeeltelijk te 
„redden, welke intrekking en vereeniging sedert bij de Hooge Regering zijnde 
„gedecreteerd, onder een billijk dedommagement voor den Stadsdrukker, wegens 
„de door het land van hem overgenomen materialen, zooveel heeft uitgewerkt, 



1810—1813. 37 

„dat men, hoewel met moeite, de noodige hoeveelheid letters heeft bijeen gekre- 
gen tot de uitgave van een courant, in plaats van het zoogenaamde vendu- 
„nieuws, 't welk niemand kan interesseren. 

„Deze uitgave, die veel genoegen geeft, omdat het gros der ambtenaren 
„en der ingezetenen bevorens van alle nieuwstijdingen en berigten verstoken 
„waren, en daarenboven zeer gepast is in sommige gevallen tot opwekking van 
„den publieken geest en om verkeerde insinuatiën tegen te gaan, is met den 
„aanvang van dit jaar begonnen, zijnde de Professor Ross daarvan de Kedacteur 

» herhalende ik met alle empressement, de bij vorige gelegenheden 

„gedane iterative verzoeken, om ten spoedigste een aanzienlijke quantiteit druk- 
„letters herwaarts te zenden, ten einde niet al zeer schielyk in dezelfde verle- 
genheid te vervallen, welke men naauwelyks voor een tijd gedeeltelijk te boven 
„is gekomen". (Missive van den Gouv. Gen Daendels aan het Opperbestuur in 
Nederland, dd. 4 Maart 1810). 

27 Lentemaand. Machtiging verleend om ter Landsdrukkerij „particulier'' 
te drukken 300 exemplaren van het 2<*e deel van het militaire exercitieboek. 

1811. 

October. In het gouvernements-huis op Molenvliet bevonden zich vijfgou- 
vemements-slaven (2 Makassaren, 2 Maudhareezen en 1 Boegiuees), die aldaar 
als boekdrukkers gebiuikt en door eene commissie gezamelijk op eene waarde 
van 800 rijksdaalders geschat werden. Een hunner was oud en afgeleefd en 
dientengevolge zonder waarde. 

Di". W. Huister nam de eenige, toenmaals te Batavia bestaande drukkerij 
voor zijne rekening van het gouvernement over, waardoor deze weder eene 
„private propriely" werd. Op verzoek van Raffles ontbood hij een „Hindostanee 
„press" van Calcutta, welke in Maart 1812 te Batavia arriveerde. Hij ontving 
maandelijks gemiddeld 1050 Spaansche dollars voor aan de Regeering geleverd 
drukwerk. 

De Regeering was „desirous of encouragiug a press in this island". 

18 12. 

24 Maart. Dr. W. Hunter benoemd tot „Superintendant of the Press" op 
een maandelijksch tractement van 250 Spaansche dollars, die op zich nam „the 
„conduct of the Gazette, including the correction of all notitications and other matter, 
„inserted by Government, and also that of all papers, printed by their order". 
Zijne voorwaarden waren „in conformity of those of the Presidencies of India". 

1 April. Sluiting van de gouvernement» drukkerij te Batavia. 

3 Mei. Eene commissie bevond in het gouvernements-huis op Molenvliet 
o. a. „3 printing presses, with a parcel of types, and some printers tools. all 
„of them very much damaged". 

18 13. 

? Overlijden van Dr. W. Hfnter. 



38 1813-1815. 

27 April. Voorslel van het Javas gouvernement aan het „ Suprème Govern- 
„inent" te Fort William (Calcutta) tot overname der drukkerij van wijlen Hunter, 
dan wel tot het uitzenden van alles, wat voor eene drukkerij benoodigd is. „The 
„inpossibility of procuring good clarks on the islaiid and the siekness to which 
„they are constantly exposed in their employment at Batavia are urgent reasons 
„for the necessity of a press". 

12 Juni. Het Opperbestuur te Calcutta antwoordt, dat zonder nadere 
inlichtingen geene beslissing kan worden genomen. 

15 October. De drukker Hubbart aangeschreven de verlangde inlichtingen 
te verschaffen. 

23 November. De executeuren in den boedel van W. Hunter bieden 
de drukkerij aan de Regeering te koop aan voor 30,000 sicca ropijen, onder 
mededeeling, dat zij van „an individual" een bod tot hetzelfde bedrag hadden 
ontvangen. 

18 14. 
2 April. De drukkerij door de Regeering aangekocht voor 30,000 sicca 
ropijen „and interest at the rate of 6 pr. cent. pr. annum from the date of the 
„transfer having taken place". 

4 Juni. Het Opperbestuur in Bengalen berust in den aankoop door het 
Gouvernement van de drukkerij, welken aankoop het beschouwt „as a matter of 
„necessity, rather than of choise". Dergelijke aankoopen mochten echter niet 
meer plaats vinden ,,under the uncertainty which exists with regard to our con- 
„tinuing in possession of the colony". 

6 October. Benoeming van een „additional assistant" bij de drukkerij, 
op een maandelijksch tractement van 75 Spaansche dollars. 

1815. 
21 April. Het tractement van den uitgever van de Java gov 1 . gazette 
verhoogd van 100 Spaansche dollars tot 300 ropijen per maand, gerekend van 
1 Januari 1815. 

13 Mei. De Java almanac and directory wordt voor 1815 slechts voor 
een halfjaar („to commence from the l st July next") uitgegeven, omdat de kopij 
door vele veranderingen in het ambtelijke personeel verouderd was. 

26 Mei. De Regeering nam voor hare rekening 100 exemplaren van eene 
Hollandsche editie van den almanak, welke editie de Super-intendant of the 
Press tot een aantal van 150 exemplaren voor zijne rekening had doen drukken 
en voor 1 Spaanschen dollar per exemplaar verkrijgbaar stelde. 

28 September. Vaststelling van administratieve voorschriften voor de 
drukkerij. 

9 October. Hubbart kreeg 10 pet. van de door hem wegens abonnementen 
op de Java gov 1 . gazette geïncasseerde gelden, maar bleef „responsable for the 
„total account thercof'. 



1817—1824. 39 

1817. 

Provisioneel reglement voor de Lagere school op Weltevreden. Folio, 1 
bladz. (z. n.). 

1818. 

Algemeen reglement voor het school-wezen. Folio, 2 bladz (z n.). 

Algemeene orde voor de lagere scholen. Folio, 3 bladz. (z. n.). 

Contract aangegaan door deelhebberen in de Javasche zee-assurantie Sociëteit- 
8«. 16 bladz. (z. n.). — Hel contract is geleekend te Batavia den 2 l M<™ December 1818. 

Instructie op het afnemen en afleggen der Examens van diegenen, welke zich 
in Nederlandsch Indië tot het geven van Lager onderwijs willen vestigen. 8<>. 4 
bladz. (z. n.). 

18 20. 

„Aan den ingang der Prinselaan (komende van Molenvliet; prijkt het 
„ontzagwekkend gebouw, hetwelk door de inlanders kantor bahroe of kantor 

„oewang genoemd wordt. . Op hetzelfde terrein bevindt zich de Lands" 

„drukkerij Deze drukkerij is onder het bestuur van den ijverigen 

„en bekwamen Directeur Coorenüel aanmerkelijk verbeterd geworden". J. Olivier, 
land- en zeetogten, gedaan in 1817 tot 1826, I, 32. 

Reglement op de verpligtingen, titels en rangen der regenten op het 
eiland Java. Folio, 21 bladz. (z n.). 

18 21. 

* Presgrave (E.), account of ajourney from Manna to Pasummak lebar, 
and the ascent of Gunong Dempo, in the inteiïor of Sumatra; performcd \ry order 
of the Honorable T. S. Raffles, Lieutenant Governor of Fort Marlborough, in 
the year 1817. Fort Marlborough (Mission press). Vermeld in Tijischr. v. N. 
/., 1858, II, 180. 

1822. 
Roorda van Eysinga (P. P.), levenschets van sulthan Ibrahim, enz. 
(Proeve, 182 ', no. 9). — Omtrent dit werk schrijft de uilgever in zijne Verschillende 
reizen en lotgevallen, III, 151 : „gretig werd deze arbeid door het publiek ontvangen, 
„zoodat spoedig de exemplaren van dit werk, het eerste in zijne soort, uitverkocht 
„waren". 

18 23. 

* Kam (J.), rewayat pengingatan, deperlak awleh G. F. A. Gericke. 

Ambon, 8°. 

* Medhurst (W. H.), maandelijksch magazijn. Chineesch karakter. Batavia, 
8°. 6 bladz., waarschijnlijk per aflevering. — Dit magazijn moet van 1823 tot 1826 
het licht hebben gezien. 

18 24. 
Aanwijzing van dag-verdeeling van het instituut van opvoeding voorjonge- 
juf vrouw en, van Landswege te Batavia opgerigt. Plano, 1 bladz. (z. n.). 



40 1824—1827. 

Berigt enz. (Proeve 1824, n<>. 7). 4 bladz. 

1825. 

5 April Besloten tot het „aplaneeren" van de in een pisang-bosch ver- 
anderde plek, grenzende aan gebouwen, staande aan de Oost-zijde van de Heeren- 
straat te Batavia, waar vroeger de stads-drukkerij had gestaan. 

* Verhandelingen van het Bataviaasch genootschap van kunsten en we- 
tenschappen, 9 e deel, tweede druk. 

* Medhurst (W. H.), kinder-spelboek. Chineesch karakter. Batavia, 
12°. 14 bladz. Met hel drukken van dil spelboekje is voortgegaan tot in 1835. Hel 
aantal afdrukken heeft bedragen 2,200. 

* Idem, geschiedenis van Java, Chineesch karakter. Batavia, 8 e . 85 bladz. 
— Als voren tol ïn 1834. Aantal afdrukken 1,630. 

18 26. 
„De heer Elout, in Indië teruggekeerd, bragt „een Javaansche drukkerij 
„mede". Roorda van Eysinga, versch. zeizen en lotgevallen, III, 239, in welk 
werk bij herhaling sprake is van eene inlandsche drukkerij te Batavia, waarover 
R. v. E. het beheer voerde. 

* Medhurst (W. H.), Doddridge's begin, l e deel, Chineesch karakter. 
Batavia, 8°. 40 bladz. — Met hel drukken van dit werkje is voortgegaan tol in 
1834. Aantal afdrukken 3,577. 

* Idem, tractaat over het nieuwjaar. Chineesch karakter. Batavia, 8°. 

7 bladz. — Als voren lot in 1834. Aantal afdrukken 2,000. 

* Idem, het feest der grafsteden. Chineesch karakter. Batavia, 8°. 7 
bladz. — Als voren lol in 1834. Aantal afdrukken 2,510. 

* Idem, gezegden van Jezus. Chineesch karakter. Batavia, 8°. 7 bladz. — 
Als voren lol in 1836. Aantal afdrukken 2,000. 

* Idem, over het voeden van geesten. Chineesch karakter. Batavia, 8°. 

8 bladz. — Als voren tot in 1834. Aantal afdrukken 2,514. 

* Idem, over de godin des zeemans. Chineesch karakter. Batavia, 8°. 
5 bladz. — Als voren tol in 1833. Aantal afdrukken 2,325. 

* Idem, verklaring van de zedelijke wet. Chineesch karakter Batavia, 
8°. 90 bladz. — Als voren tot in 1835. Aantal afdrukken 3,563. 

Verslag van de feestviering van het genootschap van Waterloo te Batavia 
op 24 Juni 1826, uitgebracht met liederen van G. J. Siebergh, D. H. ten Kate 
van Loo, P. P. Roorda van Eysinga e. a. 8°. 28 bladz. 

18 27. 

„In geheel Nederlandsch-Indië bestaat slechts ééne drukpers, namelijk die 
„van de lands drukkerij te Batavia; te Amboina bestaat wel eene zoogenaamde 
„drukkerij van het Zendeling-genootschap, doch deze bepaalt zich tot het zeer 
„gebrekkig drukken van bijbelsche vraagboekjes voor de Ambonesche Christenen. 
„De landsdrukkerij drukt de Bataviasche Courant, de publicatiën van het Gou- 



1827—1830. 41 

„verneinent, het Staatsblad van Ned. Indie, den Bataviaschen almanak en de 
„verhandelingen van het Bataviasch Genootschap". — J Olivier, aanteekeningen 
gehouden op eene reize in Oost-Indie en gedurende een veeljarig verblijf in 
onderscheidene Nederlandsche etablissementen aldaar. Amsterdam, 1827, bladz. 36. 

Instructie voor de Sub-kommissien van onderwijs. 8°. 2 bladz. (z. n ). 

Roorda van Eysinga, de kroon aller koningen, enz. (Proeve 1827, 
n°. 11). — Zie over de geschiedenis van dit werk de „Verschillende reizen en lotge- 
vallen" van den uitgever, deel lil, bladz 11 — 75 en 252. 

18 28. 

* Medhurst (W. H.), drie klassieke geschriften. Chineesch karakter. 
Batavia, 8°. 17 bladz. — Mei hel drukken van dit werkje is \ oor (gegaan lot m 1835. 
Aantal afdrukken 5,210. 

* Idem, mengelwerken. Chineesch karakter. Batavia, 8°. 50 bladz. — 
Als voren lot in 1835. Aantal afdrukken 2,376. 

* Idem, broederlijke zamenspraken. Chineesch karakter. Batavia, 8°. 26 
bladz. — Als voren lot in 1834. Aantal afdrukken 1,000. 

* Idem, over het gaan over het vuur. Chineesch karakter. Batavia, 12°. 
5 bladz. — Gedrukt met houten blokken, evenals de voorgaande boekjes, lol eenaantal 
van 300 afdrukken. 

* Idem, schoolboek. Chineesch karakter. Batavia, 12°. 16 bladz — 
Liihographie. Met hel drukken is voortgegaan tol in 1832. Aantal afdrukken 1,200. 

* Idem, vergelijkende tijdrekening. Chineesch karakter. Batavia, 8°. 
40 bladz. — Liihographie. Aantal afdrukken 1,000. 

* Robinson, weg der zaligheid. Maleisch met Arabisch karakter Batavia, 
8°. 48 bladz. — Liihographie. Mei hel drukken is voortgegaan lol in 1833. Aantal 
afdrukken 1,300. 

* Thomson, gebeden-boek. Maleisch met Arabische karakters Batavia, 
8°. 8 bladz. — Liihographie Aantal afdrukken 200. 

18 29. 

* Medhurst (W. KL), tractaat over de verlossing. Chineesch karakter. 
Batavia, 8° 30 bladz. — Met het drukken is voortgegaan lot in 1835. Aantal afdruk- 
ken 4,453. 

* Idem, dorps-leerredenen. Chineesch karakter. Batavia, 8°. 39 bladz — 
Als voren lot in 1832. Aantal afdrukken 700. 

Reglement van orde, tucht en beheer voor de Gouvemements lagere school, 
te Weltevreden. 8<>. 15 bladz. (z. n). 

[Zonder titel], lijst van de voorwerpen van landbouw en nijverheid, 
tentoongesteld te Batavia in 1829. Folio, 4 -f 4 + 4 + 3 (de laatste ongenummerd) 
bladz. (z. n.). 

18 30. 

* Domis (H. J.), residentie Soerabaija. Ibid,, 4°. 



42 1830—1834. 

* Luyke, catechismus in het Lettineesch. Batavia, 12°. 8 bladz. — Oplage 
500 exemplaren. 

Reglement van onderwijs en plan van huisselijke orde en inrigting voor 
de jonge-jufvrouwen dag- en kost-school te Batavia. 8o. 25 bladz. en tabel (z. n. 
en zonder datum, maar het reglement is in 1830 vastgesteld). 

Reglement voor de maatschappij van weldadigheid. 3de druk. 26 bladz. 
8°. (Landsdrukkerij). 

18 32. 

Lijst der school-boeken en -behoeften, voorhanden bij het school-boeken' 
fonds onder de administratie der Hoofdkommissie van onderwijs. Batavia, 8°. 
14 bladz. en een supplement, groot 2 bladz. (Landsdrukkerij). 

Medhurst (W. H.), vertaling van assembly's catechismus Chineesch 
karakter. Batavia, 8°. 20 bladz. — Lithographie. Aantal afdrukken S00. De 
asembly's catechismus is in 1643 in Engeland samengesteld. 

* Idem, bijbel-prenten. Chineesch karakter. Batavia, 4°. 19 bladz. — Aantal 
afdrukken 1,000. 

* Medhurst (mevrouw), bijb. catech. Maleisch met Arabische karakters. 
Batavia, 24°. 208 bladz. — Aantal afdi ukken 1,000. 

Reglement van orde, tucht en beheer voor de gouvernements lagere scholen 
in alle Residentien op Java en Madura en die der buiten-bezittingen van Neder- 
landsen Indie, met uitzondering van Batavia, Samarang en Soerabaija. 8°. 24 
bladz. (z. n.). 

18 33. 

* Medhurst (W. H.), over het gaan over het vuur. Chineesch karakter. 
Batavia, 12°. 8 bladz. — Lithographie. Met het drukken is voortgegaan lot in 1835. 
Aantal afdrukken 1,800. 

* Idem, de goddelijke eigenschappen. Chineesch karakter. Batavia, 12°. 
100 bladz.— Lithographie. Aantal a/drukken 1,000. 

* Idem, inleiding in de heilige schriften. Maleisch met Arab. karakters. 
Batavia, 8°. 33 bladz. — Lithographie. Aantal afdrukken 500. 

* Idein schets der christelijke leer. Maleisch met Arab. karakters. 
Batavia, 8o. 76 bladz. — Lithographie. Aantal afdrukken 1,000. 

* Medhurst (mevrouw), bijb. catech. Maleisch met Holl. karakters. Batavia, 
8->. 16 bladz.— Aantal afdrukken 1,000. 

Reglement van orde, tucht en beheer voor de Gouvernements lagere school 
te Samarang. Batavia, 28 bladz. 8°. (z. n.). 

[Serière (G. de,], instructie voor de kuituur en behandeling van den 
Havannah tabak. Batavia, 15 bladz. en 1 bladz. errata. 8°. (Landsdrukkerij). 

18 34. 
Bruckner, over de goddelijke eigenschap. Jav. karakters. Batavia, 24 
bladz. 12°. — Aantal afdt ukken 3,000. 



1834—1835. 43 

Bruckner, catechismus der natuur. Jav. karakters. Batavia, 1 24 bladz. 
12o. — Aantal afdrukken i,000. 

* Idem, over het ontwerp des evangeliums. Jav. karakters. Batavia, 
28 bladz. 12o. — Aantal afdrukken 2,000. 

* Idem, over den zoon van God. Jav. karakters. Batavia, 58 bladz. 
12o. —Aantal afdrukken 1,500. 

* Bruijn (R. Ie), pengadjarang akan perboeatan Allah: goena segala 
orang jang mengarti bahasa Malaioe. Batavia, 12o. (Landsdrukkerij). 

* Medhurst (W. H.), uitgezochte leeringen. Chineesch karakter. Batavia, 
32 bladz. 8°. — Lilhographie. Aantal afdrukken 500. 

* Idem, de val en herstelling des menschen. Chin. kar. Batavia, 100 
bladz. 12<>. — Lithographie. Aantal afdrukken 1,000. 

* Idem, overeenstemming der evangeliën. Chin. kar. Batavia, 100 
bladz. 8o. Lithographie. Mei het drukken is voortgegaan lol in 1836. Aantal 
afdrukken 3,000. 

* Idem, over het aanwezen van God. Chin. karakter. Batavia, 8 bladz. 
32°. — Lithographie. Aantal a/drukken 4,500. 

* Idem, Maleidsch spelboek. Arab. kar. Batavia, 48 bladz. 8°. — Litho- 
graphie. Aantal afdrukken 500. 

* Idem, twistredenen met Mahomedanen. Maleisch met Arab. kar. Batavia, 
86 bladz. 8<>. — Lilhographie. Aantal afdrukken 1,000. 

* Nederduitsche en Maleische catechismus. Holl. kar. Batavia, 60 bladz, 
18°. — Uitgegeven voor rekening van het, genootschap van Soerabaia. Aantal a/drukken 500. 

* Robinson, liederen-boek. Mal. met Arab. kar. Batavia, 98 bladz. 
18». — Lithographie. Aantal afdrukken 500. Waarschijnlijk hetzelfde boekje als dal, 
bedoeld in Supplement I, 1834 ouder Jai^J. 

* Idem, leven van Bunjan. Mal. met Holl. kar. Batavia, 48 bladz. 18°. — 
Aantal afdrukken 1,300. 

* Thomsen, gelijkenissen. Mal. met Holl. kar. Batavia, 34 bladz. 8<>.— 
Aantal afdrukken 1,000. 

* Idem, het leven van Christus. Mal. met Arab. kar. Batavia, 45 bladz. 
8o. — Lilhographie. Met het drukken is voortgegaan tol in 1835. Aantal afdrukken 2,000. 

*Idem, schoolboek. Mal. met Arab. kar. Batavia, 24 bladz. 8°. — 
Lithographie. Als voren lol in 1836. Aanlal afdrukken 384. 

18 35. 

* Bruckner, drie Javaansche tractaatjes. Eatavia, 90 bladz. 12°. — 
Aanlal afdrukken 3,000. 

* Medhurst (W. H.), catechismus der natuur. Mal. met Holl. kar. Batavia, 
50 bladz. 12°. — Aanlal afdrukken 1,250. 

* Idem, onderzoek naar de zonde. Mal. met Arab. kar. Batavia, 42 
bladz. 8°. — Lithographie. Aantal afdrukken 2,000. 



44 1835—1842. 

* M'edhurst iW. H.), hetzelfde werkje met Holl. kar. Batavia, 50 
bladz. 12°. — Aantal afdrukken 2,000. 

* Robin son, aardrijkskunde. Mal. met Arab. kar. Batavia, 94 bladz. 
8°. — Lil/i ographie. Aantal af (hukken 300. W aar schijnlijk hetzelfle werkje als dal, 
bedoeld in Supplement 1. 1835 onder: £Uju s> i»_*otf 

* Idem, rekenkunde. Mal. met Holl kar. Batavia, 56 bladz. 18o. — 
Aantal afdrukken 1250. Waarschijnlijk hetzelfde werkje als dat bedoeld in Supplement 
I, 1834 onder: Kilab Malajoe etc. 

* Thomson, goed nieuws voor de zonen van Adam Mal. met Arab. 
kar. Batavia, 96 bladz. 8°. — Lilhographie. Aantal afdrukken 2,000. 

* Idem, catechismus. Mal. met Arab. kar. Batavia, 18 bladz. 8 U . — 
Lilhographie. Aantal afdrukken 1,000. 

18 36. 
De Parapatan-press te Batavia heeft van 1823 tot 1836 van verschillende, 
meestal godsdienstige werkjes in het Javaansch, Maleisen en Chineesch afgeleverd 
189,294 exemplaren. — M. H. Medhurst, China enz., vertaald door A. van 
Deinse, II, 302. 

* Medhurst (W. H ), het evangelie van Markus in het Chineesch. 
Batavia, 35 bladz. 8<>. — Lilhographie. Aantal afdrukken 1,000. 

* Idem, opwekkiDg tot waarneming van de openbare godsdienst. Mal. 
met Arab. kar. Batavia, 24 bladz. 8°. — Lilhographie. Aantal afdrukken 452. 

183 7. 

* Pengadjaran akan memboedjoek orang masoek gredja Batavia, 12°. 
(Landsdrukkerij. 

18 38. 

* Heymering (G- ), akan pergi masokh grejdja. Tersalin deri pada 
bahasa wolandawi. Koepang, 8°. 

1839. 

[Tien Clvneesche karakters]. Hikayet Isa, kaluar deri dalam 

indjil. The history of Jesus, extracted from the gospel. .... [Vijf Chin. Icar.]. 
Batavia, 2 -f 108 bladz. 8<>. (z. n). 

18 3 9 of 18 4 0. 

* Preken, uitgegeven ten voordeele van het Parapatan weeshuis te Batavia 
en uitgesproken in de protestantsche en roomsch-katholijke kerken aldaar. 

1 841. 

* Mat tem, teturu woh leos sin peleng se towoni lu wangen woh mingkot 
Lineos di Toumohou. — Toemhoeloe dialect. 

18 42. 

* Buddingh (S. A.), leerrede (Landsdrukkerij) — Uilgegemn ten voordeele 
van het Parapatan weeshuis te Batavia. 

Lijkrede, uitgesproken ter gelegenheid eener plechtige rouw-loge, gehouden 



1842—1847. 45 

op Donderdag den ll^en November 184!. ter eere der afgestorven BBiv. leden. 
J. Davidson, W. W. Milar en L. G. J. G. Schönermarck, in de Loge de Ster 
in het Oosten, gevestigd in het O.-, van Batavia; door den B.\ redenaar C. J. 
Loman, Jz , zoomede eenige door den B.\ J. H. de Waal vervaardigde dichtre- 
gelen. Batavia, 7 bladz 4°. (z. n.). 

Medhurst (W. H.), Chinese and English dictionarv (Proeve 1842, no. 
15) Vol I. XXIV -f 648 -f 29 bladz. — Zie ook 1843. 

184 3. 

Medhurst (W H.), Chinese and English dictionarv; containing all the 
words in the Chinese imperial dictionarv, arranged according to the radicals. 
Vol II Batavia, p. 649—1486. 8°. — Achteraan: List of obsolete, contracted, 
and vulgar characters, not occurring in the foregoing dictionarv. 28 bladz., de 
laatste gelithographeerd (Parapatan-press). 

184 4. 

* Bruin <D. C. de), algemeen overzigt der vijf werelddeelen, ten dienste 
der scholen in Nederlandsen Oost-Indië. Samarang. (Oliphant en Co.). 

Idem, eerste begiuselen der Nederduitsche Spraakkunst, ten dienste der 
scholen in Nederlandsen Oost-Indië. Samarang, 35 bladz. 8°. (Oliphant en Co). — 
De aanleckening nopens dit werkje o/> bladz. 37 tan het Supplement is onjuist. 

Handleiding voor het landmeten. Batavia, iO bladz. 8°. (Landsdrukkerij). — 
Zie Supplement I, bladz. 37. 

* Naam-register der officieren van de land- en zeemagt in Nederlandsen 
Indie voor 1845. Batavia. (Landsdrukkerij). 

Noodzakelijk handboekje voor hen, die het Nederduitsch spraakkunstig 
willen schrijven. Samarang, 52 bladz. 8°. (Oliphant en Co.). 

18 45. 

Soerabaijasch advertentie-blad. Soerabaija, 52 nummers, kl. 4°. (F. J. Faber). 
Verscheen eiken Za,erdag. Uil het laatste nummer van dezen jaargang blijkt niet, of 
de uitgave al dan niet is voortgezet. 

* Water (W. C. H. toe), nagelaten leerredenen enz. 2e druk. Batavia. 
(Drukkerij van het Bat, Gen.) — Zie Proeve, 1844, no. 28. 

1846. 

Heijmansz (S. L.), opmerkingen over de acclimatisatie. Batavia, 49 
bladz. 8". (Drukkerij van het Bat. Gen.) — Overdruk uit hel Natuur- en geneeskun- 
dig archief. 

Jacobson (J. J. L. L.), bijdrage tot de theekultuur. Batavia, 30 bladz. 
en tabel. 8°. (Drukkerij van het Bat. Gen ) — Overdruk uit hel Tijdschr. v. N. 1 , 

8" jaargang, 2 e aflevering. 

1847. 
F. A. E. [mbrechtsj, CXXVI tableaux, démontrant Ie cominerce de 1'ile 
de Java avec 38 différents pays, taut pour les importations que les exportations 



46 1847—1851 

de 1825—45. Extraits des rapports annuels du Gouvernement Batavia, fol. 
(Drukkerij van het Bat. Gen.). — Ook met den Engelschen lilel: CXX VI statements, 
showing the trade of Java with 38 different countries, both f'or imporle and exports 
from 1825 lo 1845. — Zie ook Proeve 1849, no. 23. 

18 48. 

* Advertentie-blad. Makasser. — Vermeld door E. de Waal, onze lndisehe 
financiën, I, 126. 

Octrooi voor de Javasche bank, voor den tijd van tien jaren, integaan op 
den lsten April 1848, en eindigende op den laatsten Maart 1858; ingevolge Gou- 
vernements besluit dd 3 Maart 1848, n°. 5. 10 bladz. 8°. (Zonder datum en naam 
van uitgever). 

Opbrengst der opium-pacht enz. (Proeve, 1848, no. 22). Lange en Co. 

Verslag der plegtige en feestelijke viering te Batavia van de invoering 
der nieuwe, burgerlijke wetgeving voor Nederlandsch Indië. 14 bladz. 8°. — Over- 
druk zonder titel uit de Javasche courant van 6 Mei 1848. 

1849. 

Bruin (D. C de), eerste beginselen der aardrijkskunde enz. (Proeve 1849, 
n°. 18). — Uit den omslag van een dergelijk schoolboekje, in 1844 uitgegeven, blijkt, 
dal reeds in genoemd jaar eene uitgave dezer „eerste beginselen" bestond. 

F. A. E. [mbrechts], commerce de 1'ile de Java, etc. (Proeve 1849, 
n°. 23). — Ook met den Engelschen titel: trade of the island of Java. Statements 
of general imports and exports from 1825 to 1847; showing also the amount 
value of the consumption of the island, of merchandise, produce of Europa, Ame- 
rica and the Cape of Good Hope; of Britisch India; of China, Cochin-China, 
Siam and Manilla; and of Japan; as well as the value of merchandise exported, 
being produce of Java and Madura. Extracted from the yearly published official 
reports of Government. Batavia, 11 tabellen (Lange en Co.). — Uitgegeven ten 
voordeele van hel Parapalan-weeshuis te Batavia. 

18 50. 

Reglement voor de sociëteit de Harmonie, gevestigd te Batavia. Ibid., 
18 bladz. 8". (Landsdrukkerij). 

185 1. 

Soerabaijasch weekblad. Soerabaija, 52 nummers, fol. (W. van Raalten). — 
No. 36 — 52 zonder naam van uilgever. 

[Holle (A. W. en K. F.)], Soendaasch boekje zonder titel, behelzende 
een fabel van een aap en een schildpad. Batavia, 22 bladz. 8°. (Lange en Co.). — 
Ter herkenning kan gebruikt worden het begin, luidende: èiéi^QtStnjt^imÊtM^iitfrit 

apiun^ri^ enz 

Reglement voor de Preanger-wedloop-societeit. Batavia, 21 bladz. 8°. 
(Landsdrukkerij). — Holl. en Mal. tekst. Ook met den titel: Per-aloeran darie ber- 
himpoenan menaroh akan belomba koeda die tanah Priangan. 



1851—1856. 47 

Reglement voor het Parapattan weezen-gesticht, gevestigd te Batavia. Ibid., 
37 blad/. 8°. (Lange en Co.). — Ook met den titel: Rtdes of the Parapattan orphan 
asylurn, established at Batavia. 

185 2. 

Samarangsch advertentie-blad. Samarang, 42 nummers (het eerste nummer 
is in Maart 1852 verschenen), fol. (P. J. de Groot). — Hierbij, behalve gewone bijvoeg- 
sels, een gelithographeerd n f>ijblad voor de aankondig ing en etc. in het schrift van alle 
„wa/té«" (Chineèsch, Javaansch en Maleisch, het laatste met Arab. kar.) 

Dun gen Bil Ie (J. B. van den), wat Apollo eindelijk zou doen om aan 
den kost te komen en welk besluit hij nam na zijne nieuwe kostwinning zes 
maanden gedreven te hebben. Gelezen in de algemeene vergadering van het 
departement der maatschappij „tot Nut van 't Algemeen" te Soerabaija, op den 
Uden October 1852, door den schrijver. III -{-45 bladz. 8o. (Zonder naam van 
plaats en uitgever). 

Reglement voor het huishoudelijk beheer en voor de kinderen in het 
Parapattan weezen-gesticht. Batavia, 15 bladz. 8°. (Lange en Co.). 

185 3. 

Samarangsch advertentie-blad. Samarang, 51 nummers en 50 gelitho- 
grapheerde bijbladen met Chin. kar. (Tot en met 4 Maart P. J. de Groot, t/m. 
18 Nov. de Groot en Co., later van Haren Noman, Kolfp en Co.) 

O X o O o a o q. 

iiW'ri;bii~/ii(«snrn(mi.iH--».-.Lfli\ tunarwn ntinm itJi^AimMiBi-ji^iunpriiAM'ri rtismMttsncmy tunrt rui z tot niu\ 

3„ o„o Q / O . o o- * O a O 

i n i.i<wixt);i\ tun tin tun tut -jt tisn \ mi is» ï m xn u <inaJi&itiaiiunicr-Kii\ tsJloJl^nainn ri .um &a pjiam .ut <un\ tvunhnti 

a a O / Qv o o (^) Q O . O 

micmth» »«iï«n anten i h i iwotjmwï v:nm\ tun iet tun iki ~t i.n\ ru tiKttm tun m 'tai jtixrria mi .intertuit \ i.nCni > 

li ^ïKiiritinMiisïiiviMturrnn^ojM^iipoM tJnEnoJta cm ia >j)'<E)I}\ 434-J-8 

bladz. kl. 8°. (Oliphant en Co.). 

Reglement voor de Preanger wedloop sociëteit. Batavia, 18 bladz. 8». 
(W. Bruining). — Holl. en Mal. tekst. Ook met den titel : Per-aloeran dari berhim- 
poenan menaroh-aken belomba koeda di tanah Prianqan. 

18 54. 

Bruijn (H. de), George Burnell's verhandeling over de kalksoorten, 
cementen, metselspecien, enz, enz. Soerabaija, 12+142 bladz. 8<>. (vanRaalten 
en Kocken). — Zie ook Proeve, 1865, no. 67. 

Reglement voor het onderwijs en de onderwijzers in het Parapattan weezen- 
gesticht. 11 bladz. 8<>. (z. n.). 

18 55. 

Knuttel, Dzn. (P.), Holland en Japan [Gedicht]. Batavia, 5 bladz. 

8°. (Lange en Co.). 

185 6. 

Soerat kabar bahasa Melaijoe. Soerabaija, 52 nummers kl. fol. (tot en 

met September E. Fuhri, later E. Führi en Co.) 



48 1856—1865. 

*Hasskarl (J. K.), filices Javanicae s. de filicibus horti Bogoriensis, 

etc. Pars I. 4«. 

* Melvill van Carnbée (P .'), almanak voor Nederlandsch ïndie. Bata- 
via, 8°. 

185 7. 

Reglement n°. 1 van liet praauwenveer [te Soerabaija]. 9 bladz. 8°. (E. 

Fuhri en Co.). 

18 58. 

Leesboekje der Nederlandsch-Indische geschiedenis. Soerabaija, 57 bladz. 

8°. (E Fuhri en Co.). 

18 60. 
Reglement voor de Preanger-wedloop-societeit. Batavia, 23 bladz. 8". 
(Lange en Co.). — Holl. en Mal. tekst. Ook met den titel: Per-atoeran boent per- 
himpoetian menaioh akan belomba koeda di tanah Priangan. 

1 8 6 2. 
Soerabaija's advertentieblad. 4». (C. van Raakten) — Verscheen tweemalen 
's weeks, no. 56 op 19 Juli 1862. 

Mounier (A. A. Th), hulp-vraagboekje voor mingeoefenden, behoorende 
bij bet derde stukje van het Voorbereidend onderwijs tot het afleggen eener 
christelijke geloofsbelijdenis. Soerabaija, 19 bladz. kl. 8». (Geer. Gimberg en Co.). 

1 862/3. 

* Maandelijksche leerredenen door predikauten in Nederl. Indië (Begemann, 
van der Meer van Kuffeler, Ader e. al. Batavia, n°. 1 — 13 8°. 

18 63. 

Meer van Kuffeler (van der), gymnastiek enz. (Proeve, 1863 n . 78). — 
Op den titel staat 1863, op den omslag 1864. 

Reglement voor de sociëteit Harmonie te Soerabaija, 22 bladz. 8°. (J. J. Nossk). 

Reglement voor de Europeesche wijkmeesters in de stad en voorsteden 
van Pasoeroean. 6 bladz. 8°. (z. n.). 

Stichtelijke liederen, te zingen bij de uitlegging der prent ter viering van 
de huwelijks aanteekening van Mejufvrouw L. C. Bischoff en den Heer C. Nortier 
Azn., op 26 September 1863. 16 bladz 8<>. (z. n.). 

* Verordening ter bevordering van rust, orde, veiligheid, netheid en zinde- 
lijkheid ter hoofdplaats Makassar. Ibid., 8°. — Ook met Makasaarschen tekst. 

18 65. 

De Buiten -Bezittinchen. Brieven van den Bruinen Ridder aan een onge- 
noemde. Samarang, 9 bladz. 8<>. (G. C. T. van Dorp). 

Memorie over de vermindering der suikerproductie in de residentie Pas- 
saroean eerbiedig aangeboden aan Z. E. den Gouverneur-Generaal van N -I. door 
de Vereeniging van suikerfabrikanten te Passaroean. Soerabaija, 17 bladz. 8°. 
(Thieme, Kolff en Co.). 



1865—1869. 49 

Reglement voor het liefhebberij -tooneel onder het motto Kunst en Vermaak 
te Soerabaija, 7 bladz. 8°. (Gebr. Gimberg en Co.). 

Reglement van de jongelings-vereeniging, opgerigt 10 Junij 1865 te Soerabaija, 
onder de zinspreuk „het rijsken wordt een boom". 4 bladz. 8°. (z. n.). 

Reglement van orde voor het muziek-genootschap St. Cecilia, te Soerabaija. 
Derde druk. Soerabaija, 12 bladz. 8°. (J. H. Rosemeier). 

18 66. 

Verzameling van reglementen en bepalingen betreffende de dienst der 
gouvernements telegrafen in Nederlandsch-Indie. Batavia, zonder paginatuur. 
Folio (Landsdrukkerij). 

186 7. 

Bahoewa inilah peratoeran doa pada petang hari jang patoet di perboe- 
watken sahari-hari sampei genap tahon. Batavia, 21 bladz. 8». (W. Ogilyie). 

* Chatelin (L. N. H. A.), de primogénitus van een schandaal, opge- 
dragen aan den kapitein, chef van den staf ter Sumatra's West-kust, A. F. C. 
Bloem. Padang, 8o. 

Gedichten van Cantecleer. Soerabaija, V -f- 100 bladz. 8<>. (J. H. Rosemeier). 
Reglement voor het gesticht van weezen der protestantsche gemeente van 
Soerabaija. 21 bladz. 8°. (J. H. Rosemeier). 

18 68. 
Reglement der Preanger wedloop sociëteit. Batavia, 20 bladz. 8o. (Bruining 

en Wijt), 

Soerat tjeritera-tjeritera enz. (Suppl. bladz. 55) — Zie ook 181 0. 

18 69. 

* Admo di Krom o, beschrijving van de Koen's feesten te Batavia in 
het Javaansch. Samarang, 4<>. (van Dorp). — Zie Proeve, 1870, no. 128. 

Kamer van koophandel en nijverheid te Batavia. Stukken nopens de toelating 
van vreemde schepen in sommige havens van Nederlandsch-Indie. Batavia. 38 
bladz. 8o. (Bruining en Wijt). 

Meyer (H), Special-abdruck für Freunde. Batavia, 23 bladz. 8<>. (Lange 
& Co.) — Handelt over den heer Hetzoldl en de RoUerdamsche bank. 

Mounier (A. A. Th.), catechetisch onderwijs in de christelijke godsdienst 
tot voorbereiding van het afleggen van geloofsbelijdenis bij de Protestantsche 
kerken van Ned. Indië. Soerabaija, 59 bladz kl. 8o. (Gebr. Gimberg & Co 

Notulen van het Samarangsche genootschap tot bevordering van landbouw 
en nijverheid (vergadering van 1 Febr. 1869). Samarang, 22 bladz, 8<>. (G. C. T. 

van Dorp). 

* Verzameling der verordeningen betreffende de Protestantsche kerk in 

Ned. Indië. Batavia, 8«. 

* Wil ken (N. P.), an tuturu potot Pengadjaran jang pendek. Ton- 

dano. 

Verh. Bat. Gen. deel LV. * 



50 1870. 

18 70. 

* Bab ilmoe njawah [Jav. tekst], Samarang, 8°. 

[Faes (J.)], verdediging voor den Raad van justitie te Batavia. 8°. 34 
bladz. (zonder titel, daturn en naam van uitgever ). — Hel vonnis is uilgesproken 
den 2den Juli iS70. 

Gedachten omtrent de reis en aanwijzingen voor dezelve. Meester-Cornelis, 
4 bladz. 8o. (Rehoboth-zending-pers). 

* Handleiding voor bet planten, bereiden, verpakken, enz. van Java-tabak. 

Soerabaija, 8<>. 

E. W. K. [ing], liet geloof der heiligen. Meester- Cornelis, 8 bladz. 8o. 
(Rehoboth-zending-pers) . 

Pembawa-warta jang baik. Sir James Simpson. Meester-Cornelis, 4 bladz. 
kl. 4°. (Rehoboth-zending-pers). 

Pembawa-warta jang baik. Robert Annan di negri Dundee. Meester-Cornelis, 
4 bladz. kl. 4°. (Rehoboth-zending-pers). 

Reglement voor den breeden kerkeraad der evangelische gemeente te 
Batavia, lbid , 7 bladz. 8<>, (Landsdrukkerij). 

Soerat tjeritera-tjeritera jang banjak natsehat akan orang toea dan orang 
moeda jang soeka membatjanja dengan beringat dan berpikir. Tjitakan jangka-doea 
kali. Bandjermasiu, 128 bladz. 8°. (Rijnsch zendeliug genootschap). — Zie ook van 
Hoe f en 1868. 

Statuten van het Indisch landbouw-genootschap te Soerakarta. Samarang, 
7 bladz. 8°. (G. C. T. van Dorp & Co.). 

Vonnis, gewezen door den daartoe benoemden krijgsraad te Weltevreden in 
de zaak van E. G. T. von Ende. 38 bladz. 8°. (z. n.). — bevat ook: eisch en 
conclusie alsmede repliek, gedag I eekend 10 Juni 1870, beide van Mr. L. W. C. 
Keuchenius. 

De vriendelijke bezoeker. „Maar hij was melaatsen". Meester-Cornelis, 
4 bladz. kl. 4°. (Rehoboth-zending pers). 

De vriendelijke bezoeker. Slaande tegen de prikkelen. Meester-Cornelis, 
4 bladz. kl. 4°. (Rehoboth-zending-pers). 

* Wenken voor eiken dag des levens. Meester-Cornelis. 
DRUKWERK ZONDER DATUM. 

Instructie voor de Schippers en Opperhoofden van de Oost-Indische 
Compagnies uytgaande ende t'huys-komende schepen, om deselve wel te bezor- 
gen, en voor alle leckagie te preserveeren. Dienende voor de scheeps-doose. Batavia, 
7 bladz. Folio (H. Mulder). 



ALPHABETISCH REGISTER. 



A. 



aanmerkingen vertuyen, 1743. 
abcboekje (Portugeesch), 1788. 
additional assistant, 1814. 
Admo di Kromo, 1869. 
advertentie-blad, 1848. 
Akker (op den'), 1693, 95. 
almanakken 1762, 80, 1803, 6, 8, 15. 
Ainbon, 1827. 



bank van leening, 1746. 
Batavia's gesteldheid, 1753. 
Beugh, 1761. 
billet Mak. slaven, 1740. 
billet opium, 1742. 
billet pasar's 1742. 
Braarda, 1744. 
Brants, 1668. 



Cantecleer, 1867. 

catalogus van boeken, 1718, 96. 

catechismus, 1762. 



dank- en bededag, 1750, 51, 52. 

derham Djawi, 1745. 

deserteurs, 1762. 

dialogo rastico, 1681. 

diefstallen, 1708, 48. 

differenza, 1762. 

Dominions, 1803. 

Domis, 1830. 

doodbriefjes, 1693, 1731, 53, 83. 



Amis, 1748. 
amphioen, 1745, 51. 
Arabische letters, 1685. 
arithmetische verhandeling, 1805. 
articulen des geloofs, 1673. 
attestatiën, 1683. 
avondmaal-boekje, 1721. 



B. 



breviarium, 1762. 
Bruckner, 1834, 35. 
Bruin (de), 1844, 49, 54. 
Bruyn (Ie), 1834. 
Buddingh, 1842. 
buiten-bezittinchen, 1865. 
bijbel (Maleische), 1744, 56, 78. 
bijbels (Portugeesche), 1744, 62. 



C. 



Chatelin, 1867. 
collationisten, 1753. 
compendium, 1761. 



D. 



drukkerij (kasteels), 1718, 55. 
drukkerij (inlandsche), 1742,44,52,53,56. 
drukkerij (Jav.), 1826. 
drukkerij te Ambon, 1827. 
drukkerij op Parapatan, 1836. 
drukkerijen te Batavia, 1766, 1809, 10. 
drukletters, 1730, 52, 1805, 10, 
Dungen Bille (van den), 1852. 
Durven, 1710. 



54 



Eede (van den), 1675, 85. 
Ende (van), 1870 
evangeliën, 1738. 
E. W. K., 1870. 



E. 



examens voor lager onderwijs, 1818. 

exercitie-boek (mil.), 1810. 

exercitie van de infanterie, enz., 1781. 



F. 



F. A. E, 1847, 49. 

Faes, 1870. 

Ferreira, 1676, 81, 82, 83. 



formulier van corte vraegstucken, 1668. 
Fronenbroek, 1729. 



G. 



gedachten, 1870. 
gesnoeid geld, 1751. 
Geugten (van den), 1767. 



Hakvoord, 1723. 
handboekje, 1844. 
handel (particuliere), 1680. 
Hasskarl, 1856. 
Heemen, 1751. 
Heeser, 1748. 
Heymansz, 1846. 
Heymering, 1838. 



Geust (van den), 1796. 
gouvernements huis, 1809, 11. 
Gueynier, 1677. 



II 



hikayet Isa, 1839. 
Hogendorp, 1736 
Holle, 1851. 
Hubbart, 1813. 
Hunter, 1811, 12, 13. 
huwelijk Verburgh, 1674. 
huwelijksgroet, 1758. 



ilmoe njawah, 1870. 

insolvente boedels, 1768. 

instituut jongejufvrouwen, 1824, 30 



Kam, 1823. 

kamer v. koophandel, 1869. 

kaneel-boompjes, enz., 1706. 

Kareek, 1759. 

kerkelijke ordonnantiën, 1766. 



instructie hfd. officieren t/z., 1743. 
instructie schippers, 1728. 



K. 



kerkeraad te Batavia, 1870. 
keurmeesters, 1762. 
Knuttel, 1855. 
kort begrip, 1778. 



55 



Lu 



lagere school te Samarang, 1833, 
lagere school te Weltevreden, 1829. 
landbouw- genootschap, 1870. 
landmeten, 1844. 

lands-drukkerij, 1810, 15, 20, 27. 
leesboekje, 1858. 

Leydecker, 1685, 93, 1701, 4, 8,38,39. 
liberale gift, 1751. 
liederen, 1863. 



liefhebberij- tooneel, 1865. 
Loderus (A. L.), 1701, 10, 12. 
Loderus (J. J.), 1733. 
loterye, 1733. 
Luyke, 1830. 
lijkrede, 1842. 

lijsten van uitg. rechten, 1686. 
lijst equipage-goederen, 1733. 
lijst thee, enz., 1733. 



UI. 

maatschappij v. weldadigheid, 1830. . Mounier, 1862, 69. 

Marchant, 1755. muzijk-gezelschap, 1865. 

Mattern, 1841. muzijk-typen, 1710. 

Medhurst, 1823, 26, 28, 29, 32, 33, 34, Meyer, 1869. 

35, 36, 42, 43. missionarissen (Deensche), 1738, 39, 44. 

Medhurst (mevr.), 1832, 33. Mohr, 1744, 62. 

medicijnen, 1753. morshandel, 1757. 

Meer v. Kuffeler, 1863. Mossel, 1750, 57, 58. 
Melvill v. Carnbée, 1856. 

rV. 



naam-register, 1712, 1844. 
naerder artyculen, 1668. 
naerder contracten, 1669. 



notulen, 1869. 
nouvelles, 1744. 



ommelanden v. Batavia, 1752. 
opium-pacht, 1848. 
ordinanca, 1747. 



O. 



ordonnantie brandspuiten, 1743. 
ordonnantie Comp. basen, 1669. 
ordre schepen, 1743. 



P. 



Pape (de), 1682. placcaat verantwoording v. gelden, 1744. 

papier, 1693, 1701, 2. placcaat voertuigen, 1729. 

Parapattan-weezen-gesticht, 1851,52,54. Pompe van Meerdervoort, 1749. 
pembawa warta, 1870. prauwenveer, 1857. 



56 



pengadjarao, 1837. 

peratoeran, 1867. 

placaat arak, 1741. 

placaat bagage, 1714, 16. 

placaat chaisen, 1729. 

placcaet moetwilligheden, 1682. 

placcaet part. handel, 1680, 1724. 

placaat schieten, 1741. 

placcaet slaven, 1682. 

placaat terugkeerende personen, 1713. 

placcaat toevloei uith. natiën, 1688. 

placaat vaste goederen, 1738. 



Preanger wedloop-sociëteit, 1851, 53,60, 

68. 
predicatie, 1736. 
predikbeurten, 1743. 
preken, 1839, 62. 
Presgrave, 1821. 
project cadets de marine, 1743. 
protestantsche kerk, 1869. 
prijscourant, 1768. 
psalmboek, 1756, 62, 78. 
psalmen, 1695, 1702. 
publicatie snoeijen van geld, 1735. 
Pyl, 1659. 



R. 



Kadermacher, 1783. 

Kampen, 1732, 33. 

reglement bagage, 1745, 1751. 

reglement kostgelden, 1747. 

reglement Luth. gemeente, 1806. 

reglement lijkstatien, 1743. 



reglement school Weltevreden, 1817. 
reglement schoolwezen, 1818, 32. 
Riebeeck (van), 1710. 
Robinson, 1828, 34, 35. 
Roorda van Eysinga, 1822, 27. 
Rumphius, 1770. 



s. 



salarissen, 1763. 

Samarangsch advert. blad, 1852, 53. 
Sangi, 1682. 
Sauret, 1748. 
Schevenhuysen, 1749, 61. 
schippers, z d. 
school-boeken- fonds, 1832. 
schutten, 1751. 
Serière (de), 1833. 
Singaleesche taal, 1738. 
sociëteit de Harmonie, 1850, 63. 



Soerabaijasch advert. blad, 1845, 62. 

Soerabaijasch weekblad, 1851. 

soerat kabar, 1856. 

soerat tjeritera, 1868, 70. 

Soerate, 1761. 

stads -drukkerij, 1810, 25. 

stads-logement, 1765. 

sub-commissien v. ond., 1827. 

suiker-molens, 1753. 

suiker- productie, 1865. 

Sumatra's Westkust, 1759. 



tafel (gemeene), 1746. 
talimu-eltakkieh, 1803. 
telegrafen, 1866. 



T. 



tentoonstelling te Batavia, 1829. 
testament (nieuw), 1676, 82 (2), 83, 93, 
1701, 4, 8. 



57 



Thomson, 1828, 34, 35. 
Thornton, 1744. 



uitvoer van suiker, 1751. 



titels, enz van regenten, 1820. 
tyt-boek, 1659. 



U. 



V. 



Valentijn, 1786. 

vendu-nieuws, 1803. 5, 10. 

Verburgh, 1674. 

verhaal victorie Sum. "Wk., 1670. 

verordening op rust, enz. teMakasar, 1863. vreugdegalm, 1755. 

verpachting, 1751, 53. vriendelijke bezoeker, 1870. 

vocabulair, 1677. Vries (de), 1701. 

vocabulariuni, 1744. vrije vaart, 1749. 



vonnis, 1870. 
voorbidding, 1752. 
Vorm (van der), 1701. 
vragebouk, 1682, 1754, 62, 86. 



W. 



waarde van goud, enz., 1760. 
Water (toe), 1845. 
Waterloo, 1826. 
weezen te Soerabaija, 1867. 
Welsing, 1729, 32. 
wenken, 1870. 



Zas, 1693. 



Werndly, 1744, 86. 
wetgeving, 1848. 
wissels, 1749. 
woordenboek, 1178. 
wijkmeesters, 1747, 1863. 



zegels, 1750 



ZAAK-REGISTER. 



61 



Administratief recht 



zegels, 1750. 



bagage, 1714, 16, 45, 61. 

Batavia's gesteldheid, 1753. 

begravenis- rollen, 1783. 

brandspuiten, 1743. 

cadets de marine, 1743. 

Chineezen. 1760 

collationisten, 1753. 

diefstallen, 1710. 

gemeene tafel, 1746. 

gouv telegrafen, 1866. 

kaneel-boompjes, enz, 1706. 

Kareek, 1759. 

keurmeesters, 1762. 

lijkstatien, 1743. 

Makasaarsche slaven, 1740. 

medicijnen, 1753. 

moetwilligheden, enz, 1682. 

Mossel, 1758. 

opium, 1742, 45, 51. 

ordinanca, 1747. 

overdracht vaste goederen, 1738. 

part handel, 1726. 

prijscourant, 1768. 

rijden met chaisen, 1729. 

salarissen Heemraden, 1763. 

schieten, enz., 1741. 

snoeijen van geld, 1735. 

stads-logement, 1765. 

stoken van arak, 1741. 

Sumatra's Wk., 1759. 

terugkeerende personen, 1713. 

thee, 1733. 

titels en rangen van regenten, 1820. 

tollen op pasar's, 1742. 

verantwoording van gelden, 1744 

verbetering Ommelanden, 1752 

verordening Makasser, 1863. 

vrijgeven van slaven, enz., 1682. 

wijkmeesters, 1863. 



Almanakken : 

almanakken, 1762, 1806, 8, 15. 
Melvill v. Carnbée, 1856. 
naam-register, 1712. 
tyt-boeck, 1659. 
zak- almanak, 1780. 

Botanie : 

Hasskarl, 1856. 
opheldering, 1783. 
Rumphius, 1770. 

Bouwkunde : 

Bruijn (de), 1854. 

Bijbel- vertalingen : 

bijbel (Mal.), 1778. 
Ferreira, 1676, 81, 82, 83. 
Leydecker, 1685, 93, 1701, 4,8,38,56. 
Port. bijbelvertaling, 1693, 1721, 38,39, 

44, 62. 
Singaleesche bijbel- vertaling, 1738. 

Catechisatie- boekjes en Tractaatjes: 

Brückner. 1834, 35. 

Bruyn (Ie), 1834. 

catechismus, 1668, 1834. 

E. W. K.. 1870. 

gedachten, 1870. 

Heymering, 1838. 

Luyke, 1830. 

Mattern, 1841. 

Medhurst, 1826, 29, 32, 33, 34, 35, 36. 

Medhurst (mevr.), 1832. 



62 



Mounier, 1862, 69. 
pembawa-warta, 1870. 
pengadjaran, 1803, 37. 
peratoeraii, 1867. 
Robinson, 1828, 34. 
soerat tjeritera, 1868,70. 
Thomson, 1835. 
tractaatje, 1682. 
vriendelijke bezoeker, 1870. 
wenken, 1870. 
Wilken, 1869. 

Couranten : 

advertentie-blad Makasser, 1848. 
Java gov*. gazette, 1815. 
Jordens, 1744. 

Samar. advertentie-blad, 1852, 53. 
Soerab. advertentie-blad, 1845, 62 
Soerab. weekblad, 1851. 
soerat kabar, 1856. 
vendu-nieuws, 1803. 

Cultures : 

Jacobson, 1846. 
Mossel, 1750. 
suiker-molens, 1751. 
suiker- productie, 1865. 
tabak, 1833. 



stichtelijke liederen, 1863. 
Verburgh, 1674. 
vreugdegalm, 1755. 

Financiën : 

bank van leening, 1746. 
derham Djawi, 1745. 

gesnoeid geld, 1751. 

liberale gift, 1751. 

Mossel, 1757. 

munten, enz., 1761. 

opium-pacht, 1848. 

verpachting, 1751, 53. 

waarde van goud, enz., 1760. 

Geneeskunde : 

Heijmansz, 1846. 

Genootschappen : 

maatschappij van weldadigheid, 1830. 
Samarangsch gen., 1869. 
statuten Ind. landbouw gen., 1870. 
verhandelingen Bat. gen., 1825. 

Geographie: 

Domis, 1830. 



Dichtkunst 



Geschiedenis 



Cantecleer, 1867. 
Dungen Bille (van den), 1852. 
feestviering Waterloo, 1826. 
Geugten, 1767. 
huwelijksgroet, 1758. 
Jongh (de), 1768. 
Knuttel, 1855. 
Sauret, 1748. 



contracten, 1669. 

Heeser, 1748. 

history of Jesus, 1839. 

Medhurst, 1825, 28. 

verhaal victorie Sum. Wk., 1670. 

verslag, 1826. 



63 



Godsdienst : 



Leerreden : 



artieulen des geloofs, 1673. 
avondmaal-boek, 1721. 
bede-dag, 1750, 51, 52. 
dialogo rustico, 1681. 
Hakvoord, 1723. 
kerkelijke ordonnantiën, 1766. 
loterij, 1733. 

Luthersclie gemeente, 1806. 
Medhurst, 1823. 
psalmen, 1695, 1702, 10, 56. 
reglement evang. gem., 1870. 
Thomson, 1828, 34, 35. 
verordeningen prot. kerk, 1869. 
voorbidding, 1752. 
vraagboekje (Mal.), 1786, 1803 
vragebouk, 1682, 1754. 

Handel : 

catalogus van boeken, 1788, 96. 

F. A. E., 1847, 49. 

Javascbe bank, 1848. 

kamer v. koophandel, 1869. 

Meyer, 1869. 

morshandel, 1757. 

particuliere vaart, 1680. 

prauwenveer, 1857. 

uitvoer van suiker, 1751. 

wissels, 1749. 

zee-assurantie sociëteit, 18i8. 

Krij GS wezen : 

Chatelin, 1867. 
exercitie, 1781, 1810. 
krygs-ordre, 1668. 
naam-register, 1844. 



Buddiugh, 1842. 
Kam, 1823. 
leerrede, 1736. 
leerredenen, 1862/3. 
Marchant, 1755 
Medhurst, 1829. 
preken, 1839 of 40. 
Water (toe), 1845. 

Liefdadige instellingen : 

Parapatan weezen gesticht, 1851, 52, 54. 
weezen-gesticht te Soerabaja, 1867. 

Muzyk : 

St. Cecilia, 1865. 

Nijverheid : 

handleiding tabak, 1870. 
ilmoe njawah, 1870. 
tentoonstelling, 1829. 

Onderwijs : 

aanwijzing, 1824. 

abc boekje (Port.), 1788. 

Bruin (de), 1844, 49. 

dag- en kost-school te Batavia, 1830. 

examens, 1818. 

handboekje, 1844. 

lagere scholen, 1832, 33. 

landmeten, 1844. 

leesboekje, 1853. 

Medhurst, 1825, 28, 34. 

Meer van Kuffeler, 1863. 

orde (alg.) voor de lagere scholen, 1818. 

regl. sohool< wezen, 1818, 



64 



regl. school Weltevreden, 1817, 29. 
Robinson, 1835. 
schoolboeken, 1832. 
sub-coDimissien, 1827. 
Thomson, 1834. 

Rechtswezen ; 

burgerlijke wetgeving, 1848 
compendium, 1761. 
Faes, 1870. 
huisbraak, 1748. 
insolvente boedels, 1768. 
straffen v. deserteurs, 1762, 
vonnis, 1870 

Reisbeschrijving : 

Presgrave, 1821. 

Scheepvaart : 

bagage zeevaart, 1745. 
equipage-goederen, '1733. 
exercitie, 1781. 
hoofd-officieren t/z., 1743. 
instructie schippers, 1728 en drukw. 

datum, 
rantsoenen, 1747. 
schutten, 1751. 
vertuyen, 1743. 
vrije vaart, 1749. 

Sociëteiten : 

jongelings-vereeniging, 1865. 
Harmonie, 1850, 63. 



liefhebberij-tooneel, 1865. 

Preanger wedloop-soc , 1851, 53,60,65. 

Staathuishoudkunde : 

buiten- bezittinchen, 1865. 

Talen : 

Chineesch: 

history of Jesus, 1839. 
Medhurst, 1825, 26, 28, 29, 32, 33, 34, 
36, 42, 43. 

Hollandsch : 
spraakkunst, 1778. 

Javaansch : 

Admo di kromo, 1869. 



' T< rm, 1853. 



Maleisch : 

Roorda van Eysinga, 1822, 27. 
vocabulaer, 1677. 
woordenboek, 1778. 

z. Singaleesch: 

grammatica, 1738. 

Soendaasch : 
Holle, 1851. 

Vrijmetselarij: 

lijkrede, 1842. 




3 2044 iflnSHS 



m 






"£"-*' 



v 






* 



* t <$ 






«*»*«*